2008-01-01 | BWBR0017752 | Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg
This commit is contained in:
parent
b6bb14e923
commit
7ae7906ec2
1 changed files with 24 additions and 7 deletions
|
|
@ -28,16 +28,31 @@ c. uitkering zorgaanbod: de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder
|
|||
|
||||
De uitkering bureau jeugdzorg bestaat uit de som van de volgende bedragen:
|
||||
|
||||
a. een bedrag voor de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet, dat wordt bepaald door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen waarvoor de stichting in het tweede jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, een of meer van de taken, bedoeld in die onderdelen, heeft uitgevoerd, met het voor dat onderdeel onderscheidenlijk die onderdelen vastgestelde normbedrag of normbedragen. Tenzij de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt, wordt het aantal van deze minderjarigen vastgesteld op het gemiddelde van het aantal daarvan op de eerste dag van elke kalendermaand en wordt, onverminderd artikel 104, eerste lid, van de wet, het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet de taak uitoefent, niet meegerekend;
|
||||
a. een bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet, op basis van het aantal minderjarigen voor wie de stichting deze taken heeft uitgevoerd in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor uitkering wordt verstrekt en de daartoe vastgestelde normbedragen, en
|
||||
b. een bedrag voor de uitvoering van de overige wettelijke taken, dat overeenkomt met het verschil tussen het bedrag dat de provincies in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet ontvingen op grond van artikel 13 van de Wet op de jeugdhulpverlening en het bedrag, bedoeld in artikel 4, waarbij eerstbedoeld bedrag wordt vermeerderd met een door Onze Ministers vast te stellen bedrag, dat is gerelateerd aan de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet, en de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5 van de wet, voor zover deze tot het tijdstip van inwerkingtreding van de wet werd uitgevoerd door de raad voor de kinderbescherming.
|
||||
|
||||
**2.** Ten behoeve van de totstandkoming van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde bedragen worden bij regeling van Onze Ministers normbedragen vastgesteld voor elke bij die regeling onderscheiden activiteit.
|
||||
**2.** De normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden per onderscheiden taak vastgesteld bij regeling van Onze Ministers.
|
||||
|
||||
**3.** Het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan worden verminderd indien het derde lid van artikel 2a van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, als volgt vast:
|
||||
|
||||
a. de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen, en
|
||||
b. de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen.
|
||||
|
||||
**2.** Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, de taak uitoefent, met uitzondering van de taken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien blijkt dat bij de definitieve vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal minderjarigen dat bepalend is voor de subsidie aan de stichting door de provincie, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder c, van de wet, lager is dan de in het eerste lid onder b genoemde aantallen, vindt de definitieve vaststelling plaats op basis van die lagere aantallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van artikel 2, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 2, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet.
|
||||
**1.** De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van de artikelen 2 en 2a, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 2, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van artikel 2, worden verminderd indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
|
||||
**2.** De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van de artikelen 2 en 2a, worden verminderd indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling factoren aanwijzen die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de behoefte en regels stellen omtrent de mate waarin de factoren, de vaststelling van de behoefte beïnvloeden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -75,9 +90,11 @@ Gedeputeerde staten verstrekken ter verantwoording de informatie, bedoeld in art
|
|||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** Onze Ministers stellen de uitkeringen vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
**1.** Onze Ministers stellen de uitkering bureau jeugdzorg, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voorlopig vast uiterlijk dertien weken na ontvangst van de aanvraag. De definitieve vaststelling van de uitkering vindt plaats uiterlijk dertien weken nadat de provincie de gegevens, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, heeft overgelegd. De provincie overlegt de gegevens uiterlijk vóór 1 juni van het uitvoeringsjaar.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkering wordt betaald in termijnen, volgens bij regeling van Onze Ministers vast te stellen schema.
|
||||
**2.** Onze Ministers stellen de uitkering zorgaanbod, bedoeld in artikel 4 vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** De uitkeringen worden betaald in termijnen, volgens bij regeling van Onze Ministers vast te stellen schema.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Aan de uitkering verbonden verplichtingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -115,7 +132,7 @@ Onze Ministers kunnen voorschotten verlenen volgens een door hen vastgesteld sch
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1 januari 2008.
|
||||
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1 januari 2009.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue