2014-12-31 | BWBR0029195 | Vennootschapsbelasting, fiscale eenheid
This commit is contained in:
parent
181e270301
commit
7bc60c5235
1 changed files with 7 additions and 3 deletions
|
|
@ -37,18 +37,22 @@ Dit besluit bevat verder zes nieuwe beleidsstandpunten. Deze standpunten hebben
|
|||
|
||||
De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule).
|
||||
|
||||
Verder wordt aan dit besluit toegevoegd een goedkeuring vooruitlopend op wetgeving waardoor verzoeken tot het aangaan van een fiscale eenheid kunnen worden ingewilligd tussen zustermaatschappijen die gehouden worden door een topmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie of tussen een moedermaatschappij en een kleindochtermaatschappij die gehouden wordt door een tussenmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie.
|
||||
|
||||
### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
|
||||
|
||||
| Wet Vpb | Wet op de vennootschapsbelasting 1969 |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Bfe | Besluit fiscale eenheid 2003 |
|
||||
| Bezitseis | de eis als bedoeld in artikel 15 van de Wet Vpb dat een moedermaat-schappij de juridische en econo-mische eigendom bezit van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een dochtermaatschappij |
|
||||
| Topmaatschappij: | een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is opgericht naar het recht van een in artikel 15, derde lid, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 bedoelde staat, die respectievelijk dat 1. is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en niet is gevestigd in Nederland, noch op grond van een door die lidstaat of staat met een derde staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing, geacht wordt te zijn gevestigd in een staat die geen lid is van de Europese Unie en geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; 2. in de staat van vestiging, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, is onderworpen aan een belasting naar de winst, en 3. onmiddellijk aandelen heeft in ten minste twee belastingplichtigen ten aanzien waarvan wordt voldaan aan de bezitseis van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 (fiscale eenheid van zustermaatschappijen). |
|
||||
| Tussenmaatschappij: | een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is opgericht naar het recht van een in artikel 15, derde lid, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 bedoelde staat, 1. die respectievelijk dat is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en niet is gevestigd in Nederland, noch op grond van een door die lidstaat of staat met een derde staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing, geacht wordt te zijn gevestigd in een staat die geen lid is van de Europese Unie en geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; 2. die respectievelijk dat in de staat van vestiging, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, is onderworpen aan een belasting naar de winst; 3. waarvan de aandelen overeenkomstig het bezitsvereiste van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken, en 4. die respectievelijk dat onmiddellijk aandelen heeft in een belastingplichtige waardoor de moedermaatschappij van de fiscale eenheid ten aanzien van die belastingplichtige voldoet aan de bezitseis van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 (fiscale eenheid moeder/kleindochter). |
|
||||
|
||||
## 2. Begrip ‘belastingplichtige’ in de zin van
|
||||
|
||||
### 2.1. Gevoegde dochtermaatschappij verkrijgt status van subjectief vrijgesteld lichaam
|
||||
### 2.1. Fiscale eenheid van zustermaatschappijen en van moeder/kleindochter
|
||||
|
||||
Op 11 december 2014 heeft Hof Amsterdam uitspraak gedaan in een drietal zaken. Het hof heeft beslist dat een verzoek om een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting tussen een in Nederland gevestigde moedermaatschappij en een in Nederland gevestigde kleindochtermaatschappij waarvan de aandelen worden gehouden via een tussenmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie, moet worden ingewilligd. Het hof heeft hetzelfde beslist voor in Nederland gevestigde zustermaatschappijen waarvan de aandelen gehouden worden door een topmaatschappij gevestigd in een andere lidstaat. De onderdelen 2.1.1., 2.1.2. en 2.1.3. van dit besluit werken beide mogelijkheden nader uit.
|
||||
Op 11 december 2014 heeft Hof Amsterdam uitspraak gedaan in een drietal zaken. Het hof heeft beslist dat een verzoek om een fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting tussen een in Nederland gevestigde moedermaatschappij en een in Nederland gevestigde kleindochtermaatschappij waarvan de aandelen worden gehouden via een tussenmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie, moet worden ingewilligd. Het hof heeft hetzelfde beslist voor in Nederland gevestigde zustermaatschappijen waarvan de aandelen gehouden worden door een topmaatschappij gevestigd in een andere lidstaat. De onderdelen 2.1.1., 2.1.2. en 2.1.3. van dit besluit werken beide mogelijkheden nader uit.
|
||||
|
||||
Dit besluit verandert niets voor de nu al bestaande fiscale eenheden. Overigens kan een in Nederland gevestigde moedermaatschappij niet gevoegd worden met haar kleindochtermaatschappij zonder dat de in Nederland gevestigde tussenliggende vennootschappen in de fiscale eenheid worden opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -173,7 +177,7 @@ Bepalend hierbij is of de financieringskosten op grond van de nationale wetgevin
|
|||
|
||||
### 6.1. Verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen
|
||||
|
||||
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 11 december 2002, Stb. 618, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) heb ik aangegeven het destijds geldende beleid voort te zetten voor de verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 854, nr. 45d, blz. 20-21).
|
||||
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 11 december 2002, Stb. 618, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) heb ik aangegeven het destijds geldende beleid voort te zetten voor de verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 854, nr. 45d, blz. 20-21).
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat binnen een fiscale eenheid die tot stand is gekomen op de voet van artikel 15 van de Wet Vpb – zoals deze bepaling luidde vóór 1 januari 2003 – de verrekening van aanloopverliezen, die zijn geleden over boekjaren vóór 1995 (1995/1996), als volgt plaatsvindt.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue