2008-01-01 | BWBR0006152 | Uitvoeringsbesluit WHW

This commit is contained in:
Coornhert 2008-01-01 12:00:00 +00:00
parent 3a4a9c61e9
commit 7bd402a2d6

View file

@ -223,455 +223,6 @@ Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WHW.
### Afdeling 1. Algemene bepalingen over de berekening van de rijksbijdrage
### Artikel 4.1
**1.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een persoon die het afsluitend examen van een ongedeelde opleiding met goed gevolg heeft afgelegd gelijkgesteld met een persoon aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een persoon aan wie de graad Master is verleend, die op enig moment in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de peilperiode wo als student voor een ongedeelde opleiding was ingeschreven en aan wie in die periode niet de graad Bachelor is verleend, gelijkgesteld met een persoon aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.
**3.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een persoon die het kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8a van de wet, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, met goed gevolg heeft afgelegd gelijkgesteld met een persoon aan wie de graad Bachelor is verleend.
**4.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden voortgezette hbo-opleidingen als bedoeld in artikel 18.20 van de wet gelijkgesteld met masteropleidingen. Een persoon die het afsluitend examen van een dergelijke opleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt gelijkgesteld met een persoon aan wie de graad Master is verleend.
**5.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een hbo-opleiding, anders dan een voortgezette opleiding, een bachelor- of een masteropleiding, gelijkgesteld met een bacheloropleiding. Een persoon die het afsluitend examen van een dergelijke opleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt gelijkgesteld met een persoon aan wie de graad Bachelor is verleend.
**6.** Voor de toepassing van artikel 4.8 wordt voor de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, ten 1°, onder graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs verstaan: een graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs, die is verleend in de peilperiode wo of de daaraan voorafgaande periode van vijf jaar.
**7.** Voor de toepassing van de artikelen 4.9 en 4.20 wordt voor de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, ten 1°, onder graad Bachelor verstaan: een graad Bachelor, die is verleend aan een persoon aan wie niet reeds in peilperiode wo of de daaraan voorafgaande periode van vijf jaar de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, en voor de overige universiteiten: een graad Bachelor, die is verleend aan een persoon aan wie niet reeds de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend.
**8.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven inschrijvingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 augustus 1991 en getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 augustus 1991 buiten beschouwing.
### Artikel 4.2
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op een ander gebied dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelt jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.
**3.**
De landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:
a. een onderwijsdeel wo,
b. een onderwijsdeel hbo,
c. een onderzoekdeel wo,
d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo, en
e. een deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek.
**4.**
De landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit:
a. een onderwijsdeel wo,
b. een onderwijsdeel hbo,
c. een onderzoekdeel wo, en
d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo.
### Artikel 4.3
**1.** Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel a, wordt over de universiteiten met uitzondering van Wageningen Universiteit verdeeld overeenkomstig afdeling 2, paragraaf 1. Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel a, wordt toegekend aan Wageningen Universiteit.
**2.** Het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel b, wordt overeenkomstig afdeling 2, paragraaf 2, verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel b.
**3.** Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel c, wordt over de universiteiten met uitzondering van Wageningen Universiteit verdeeld overeenkomstig afdeling 6, paragraaf 1. Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel c wordt toegekend aan Wageningen Universiteit.
**4.** Het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel d, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 2, verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel d.
**5.** Het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, wordt over de universiteiten verdeeld overeenkomstig afdeling 4.
### Artikel 4.4
**1.** Het instellingsbestuur verstrekt uiterlijk 30 november in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan de Informatie Beheer Groep de ingevolge dit besluit voor de toepassing van afdeling 2 en artikel 4.20 noodzakelijke gegevens.
**2.** Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, als gevolg van een buiten het instellingsbestuur liggende oorzaak niet correct zijn vastgesteld, heeft het instellingsbestuur tot 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar de gelegenheid de gegevens te corrigeren.
**3.** Gegevens die door het instellingsbestuur na 30 november in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan de Informatie Beheer Groep worden geleverd, worden niet tot de gegevens voor de bekostiging gerekend.
**4.** Het instellingsbestuur van een universiteit verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een overzicht van het aantal promoties en ontwerperscertificaten, bedoeld in artikel 4.21.
**5.** Het instellingsbestuur van de Universiteit Maastricht verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister tevens een overzicht van de aantallen eerstejaars en van de aantallen graden, bedoeld in artikel 4.11.
### Artikel 4.5
**1.** De gecorrigeerde gegevens, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, en de gegevens, bedoeld in artikel 4.4, vierde en vijfde lid, gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
**2.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld over de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de juistheid van de door de instellingsbesturen opgegeven bekostigingsgegevens, daaronder begrepen voorschriften over de controle op de rechtmatigheid van de verkrijging van de rijksbijdrage en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de rijksbijdrage.
### Artikel 4.6
De bedragen en verdelingen, vastgesteld op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd, voor zover wijzigingen in de onderdelen van de rijksbegroting die op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking hebben daartoe aanleiding geven.
### Artikel 4.7
Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 4.6, 4.9, 4.10, 4.12, 4.17, 4.19, 4.20, 4.23, 4.25, 4.26 en 4.27, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet.
### Afdeling 2. Bepalingen over de rijksbijdrage vanwege het verzorgen van onderwijs
#### Paragraaf 1. Onderwijsdeel wo
### Artikel 4.8
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel wo wordt over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, verdeeld naar rato van de som van de aantallen te bekostigen eerstejaars per opleiding voor de desbetreffende universiteit.
**2.**
Onder eerstejaars wordt verstaan:
a. een student die op de peildatum is ingeschreven, die in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de peildatum niet op 1 oktober aan de desbetreffende instelling was ingeschreven en aan wie, indien hij voor een bacheloropleiding is ingeschreven, niet de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, of,
b. een student aan wie reeds de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, die op de peildatum is ingeschreven voor een masteropleiding en die in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de peildatum niet op 1 oktober aan de desbetreffende instelling was ingeschreven voor een masteropleiding.
**3.** Het aantal te bekostigen eerstejaars van een opleiding is gelijk aan het product van het aantal eerstejaars en de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**4.**
De factoren, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. voor opleidingen met een laag bekostigingsniveau 1,
b. voor opleidingen met een hoog bekostigingsniveau 1,5, en
c. voor opleidingen met een topbekostigingsniveau 1,5.
### Artikel 4.9
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel wo wordt over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, verdeeld op basis van de aantallen graden per opleiding die in de peilperiode wo door een universiteit zijn verleend.
**2.** Het aantal te bekostigen graden in een opleiding is gelijk aan het product van het aantal graden, verleend in die opleiding en de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**3.**
De factoren, bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. voor graden Bachelor bij opleidingen met een laag bekostigingsniveau: 2/3,
b. voor graden Bachelor bij opleidingen met een hoog bekostigingsniveau: 1,
c. voor graden Bachelor bij opleidingen met een topbekostigingsniveau: 6/5,
d. voor graden Master bij opleidingen met een laag bekostigingsniveau: 1/3,
e. voor graden Master bij opleidingen met een hoog bekostigingsniveau: 1/2, en
f. voor graden Master bij opleidingen met een topbekostigingsniveau: 9/5.
**4.** Uit het onderwijsdeel wo wordt aan een universiteit een bedrag toegekend, vastgesteld door het in het tweede lid berekende aantal te bekostigen graden te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
**5.** Indien de som van de bedragen per universiteit, bedoeld in het vierde lid, afwijkt van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil van het bedrag bedoeld in het eerste lid en die som verdeeld op basis van de percentages in bijlage 4 bij dit besluit.
### Artikel 4.10
De onderwijsopslag van een universiteit bestaat uit:
a. een bedrag dat voor de desbetreffende universiteit is vastgesteld bij ministeriële regeling in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen, en
b. het voor de desbetreffende universiteit bij ministeriële regeling vastgestelde percentage van het deel van het onderwijsdeel wo dat resteert na toepassing van de artikelen 4.8 en 4.9 en na aftrek van de som van de bedragen, bedoeld in onderdeel a.
### Artikel 4.11
Bij de vaststelling van het aantal te bekostigen eerstejaars en het aantal te bekostigen graden van de Universiteit Maastricht worden de op grond van artikel 4.8, derde lid, respectievelijk artikel 4.9, tweede lid, berekende aantallen vermeerderd met de aantallen te bekostigen eerstejaars met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk de aantallen te bekostigen graden van personen met de Nederlandse nationaliteit van de transnationale Universiteit Limburg. Onder de aantallen eerstejaars en graden met de Nederlandse nationaliteit worden tevens begrepen de aantallen eerstejaars en graden van ingeschrevenen die noch de Nederlandse noch de Belgische nationaliteit bezitten, en die voor bekostiging door de Nederlandse overheid in aanmerking worden genomen op grond van artikel 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg.
#### Paragraaf 2. Onderwijsdeel hbo
### Artikel 4.12
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel hbo wordt over de hogescholen verdeeld naar rato van de opleiding-gewogen onderwijsvraag van de hogescholen.
**2.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel hbo wordt over de hogescholen verdeeld naar rato van de instelling-gewogen onderwijsvraag van de hogescholen.
**3.** De opleiding-gewogen onderwijsvraag van een hogeschool is gelijk aan het totaal van de volgens artikelen 4.14 tot en met 4.18 berekende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool verzorgde opleidingen, nadat deze per opleiding is vermenigvuldigd met de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**4.** De instelling-gewogen onderwijsvraag van een hogeschool is gelijk aan het totaal van de volgens de artikelen 4.14 tot en met 4.18 berekende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool verzorgde opleidingen, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling voor de desbetreffende hogeschool vast te stellen factor.
**5.**
De factoren, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. voor opleidingen met een laag bekostigingsniveau 1,
b. voor opleidingen met een hoog bekostigingsniveau 1,28, en
c. voor opleidingen met een topbekostigingsniveau 1,5.
### Artikel 4.13
**1.** In dit artikel wordt verstaan onder «de hogeschool»: de hogeschool waarvoor de rijksbijdrage wordt berekend.
**2.** In dit artikel en in de artikelen 4.14 en 4.17 wordt verstaan onder aantal inschrijvingsjaren van een persoon: het aantal malen dat deze persoon, voorafgaand aan de peildatum, op 1 oktober aan de hogeschool als student was ingeschreven.
**3.** Indien een opleiding door een andere hogeschool is overgedragen aan de hogeschool en indien een persoon op 1 oktober voorafgaand aan de overgang aan de andere hogeschool als student voor die opleiding was ingeschreven en op 1 oktober volgend op de overgang aan de hogeschool als student voor die opleiding was ingeschreven, worden voor de bepaling van het aantal inschrijvingsjaren van deze persoon de inschrijvingen aan de andere hogeschool gelijkgesteld met inschrijvingen aan de hogeschool.
**4.** Indien de hogeschool is ontstaan uit een fusie van twee of meer hogescholen die heeft plaatsgevonden voor of op de peildatum en indien de persoon voor wie het aantal inschrijvingsjaren wordt bepaald aan een of meer van de fusiepartners als student ingeschreven is geweest, wordt het aantal inschrijvingsjaren van die persoon aan de hogeschool vermeerderd met het aantal inschrijvingsjaren aan de fusiepartner waar hij het laatst als student was ingeschreven.
**5.** Indien de hogeschool is ontstaan uit een fusie van twee of meer hogescholen die heeft plaatsgevonden na de peildatum, wordt de onderwijsvraag per opleiding van de fusiepartners berekend alsof geen fusie heeft plaatsgevonden en vervolgens per opleiding gesommeerd.
### Artikel 4.14
**1.** In dit artikel wordt verstaan onder opleiding: een bacheloropleiding, niet zijnde een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst.
**2.** De onderwijsvraag van een opleiding wordt bepaald door de onderwijsvraagfactor voor de groep van opleidingen waartoe de opleiding behoort, te vermenigvuldigen met het aantal studenten dat op de peildatum ingeschreven staat voor de desbetreffende opleiding. Bijlage 5 bij dit besluit bevat de indeling van de groepen van opleidingen.
**3.** De onderwijsvraagfactor van een groep van opleidingen wordt berekend met de volgende formule:
**4.** Een afgestudeerde is een persoon aan wie in de peilperiode de graad Bachelor voor een opleiding behorend tot die groep van opleidingen als bedoeld in het tweede lid, is verleend.
**5.**
Een uitvaller is een persoon:
a. die op eerste dag van de peilperiode als student was ingeschreven voor een opleiding behorend tot die groep,
b. aan wie in de peilperiode door die hogeschool geen graad is verleend, en
c. die op de peildatum geen student is aan die hogeschool.
**6.**
Het gecorrigeerde aantal inschrijvingsjaren van een afgestudeerde of een uitvaller is
a. voor een afgestudeerde die op de eerste dag van de peilperiode niet als student aan de desbetreffende hogeschool was ingeschreven: 4,5 voor degene aan wie voor de peilperiode door die hogeschool een graad is verleend, en 1,35 voor wie dat niet het geval is;
b. voor een afgestudeerde of uitvaller die op de eerste dag van de peilperiode als student aan de desbetreffende hogeschool was ingeschreven en voor wie sprake was van herinstroom: het aantal inschrijvingsjaren vanaf het moment van herinstroom, vermeerderd met 4,5 voor degene aan wie voor het moment van herinstroom door die hogeschool een graad is verleend, en met 1,35 voor wie dat niet het geval is;
c. voor een afgestudeerde of uitvaller die op de eerste dag van de peilperiode als student aan de desbetreffende hogeschool was ingeschreven en voor wie geen sprake was van herinstroom: het aantal inschrijvingsjaren.
**7.** Onder herinstroom wordt verstaan de situatie waarin een persoon in een kalenderjaar na 1998 op 1 oktober als student aan een hogeschool staat ingeschreven waar deze op 1 oktober in het voorafgaande kalenderjaar niet, maar op 1 oktober van een eerder kalenderjaar wel als student stond ingeschreven. Onder moment van herinstroom wordt verstaan: 1 oktober in het kalenderjaar waarin voor de laatste maal sprake was van herinstroom.
### Artikel 4.15
**1.** Tot de afgestudeerden, bedoeld in artikel 4.14, worden niet gerekend de personen van wie het aantal inschrijvingsjaren kleiner is dan 2,25 vermenigvuldigd met het quotiënt van de studielast van de opleiding en 240.
**2.**
Tot de uitvallers, bedoeld in artikel 4.14, worden niet gerekend de personen:
a. die in de peilperiode zijn overleden, of
b. die op de eerste dag van de peilperiode aan de betrokken hogeschool als student waren ingeschreven voor een opleiding die in de peilperiode door de betrokken hogeschool is overgedragen aan een andere hogeschool en die op de peildatum voor de desbetreffende opleiding aan die andere hogeschool als student zijn ingeschreven.
### Artikel 4.16
**1.** In afwijking van artikel 4.14, derde lid, is de onderwijsvraagfactor voor een opleiding die na 1 oktober in het zevende kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar voor de eerste maal in het CROHO is opgenomen en die geen voortzetting vormt van een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen, gelijk aan 0,945.
**2.** In afwijking van het artikel 4.14, derde lid, is de onderwijsvraagfactor voor een opleiding waarvoor blijkens het CROHO in de peilperiode en op de peildatum geen nieuwe studenten kunnen worden ingeschreven en die niet is voortgezet in een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen, gelijk aan 0,945.
**3.** Indien de aantallen afgestudeerden en uitvallers, bedoeld in artikel 4.14, voor een groep van opleidingen beide gelijk zijn aan nul, is in afwijking van artikel 4.14, derde lid, de onderwijsvraagfactor gelijk aan 0,945.
### Artikel 4.17
**1.** De onderwijsvraag van een bacheloropleiding op het gebied van de kunst en een bacheloropleiding tot leraar op het gebied van de kunst is de som van het aantal studenten dat op de peildatum voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en de helft van het aantal personen aan wie in de peilperiode door de desbetreffende instelling de graad Bachelor in die opleiding is verleend.
**2.**
Bij het bepalen van het aantal studenten, bedoeld in het eerste lid, worden niet meegeteld:
a. studenten van wie het aantal inschrijvingsjaren sinds 2000 voor de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool meer is dan vier, en
b. studenten die in enig jaar voor 2000 op 1 oktober als student waren ingeschreven voor de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool.
**3.** Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld wat wordt verstaan onder «de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool».
### Artikel 4.18
De onderwijsvraag van een masteropleiding is gelijk aan het aantal studenten op de peildatum.
### Artikel 4.19
De onderwijsopslag van een hogeschool bestaat uit:
a. een bedrag dat voor de desbetreffende hogeschool is vastgesteld bij ministeriële regeling in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen, en
b. het voor de desbetreffende hogeschool bij ministeriële regeling vastgestelde percentage van het deel van het onderwijsdeel hbo dat resteert na toepassing van artikel 4.12 en na aftrek van de som van de bedragen, bedoeld in onderdeel a.
### Afdeling 3. Bepalingen over de rijksbijdrage vanwege het verrichten van onderzoek
#### Paragraaf 1. Onderzoekdeel wo
### Artikel 4.20
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1° en ten 2°, verdeeld op basis van de aantallen graden per opleiding die in de peilperiode wo door een universiteit zijn verleend.
**2.** Het aantal te bekostigen graden in een opleiding is gelijk aan het product van het aantal graden, verleend in die opleiding, de factor 2 voor zover het een masteropleiding betreft, en de factor, behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**3.**
De factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de opleidingen zijn:
a. voor een laag bekostigingsniveau: 1,
b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,5, en
c. voor een topbekostigingsniveau: 3.
**4.** Uit het onderzoekdeel wo wordt aan een universiteit een bedrag toegekend dat wordt vastgesteld door het in het tweede lid berekende aantal te bekostigen graden te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
**5.** Indien de som van de bedragen, bedoeld in het vierde lid, afwijkt van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en die som verdeeld over de universiteiten op basis van de percentages in bijlage 6 van dit besluit.
**6.** Onder de aantallen graden, bedoeld in het eerste lid, verleend door de Universiteit Maastricht, zijn begrepen de aantallen graden, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.11, verleend door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5a van de wet.
### Artikel 4.21
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1° en ten 2°, verdeeld naar rato van de som van de aantallen promoties en ontwerperscertificaten per universiteit in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met dien verstande dat de aantallen promoties worden vermenigvuldigd met de factor, behorend bij het bekostigingsniveau van het desbetreffende wetenschapsgebied en de aantallen ontwerperscertificaten met 5/3.
**2.**
De factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de wetenschapsgebieden zijn:
a. voor een laag bekostigingsniveau: 1, en
b. voor een hoog bekostigingsniveau: 2.
**3.** Onder ontwerperscertificaat wordt verstaan een getuigschrift, uitgereikt aan een technologisch ontwerper na het met goed gevolg afronden van onderwijs als bedoeld in bijlage 7 bij dit besluit.
### Artikel 4.22
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt voor onderzoekscholen over de universiteiten verdeeld volgens de percentages, genoemd in bijlage 8 bij dit besluit.
**2.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt voor toponderzoekscholen over de universiteiten verdeeld volgens de percentages, genoemd in bijlage 9 bij dit besluit.
### Artikel 4.23
**1.** Uit het onderzoekdeel wo kunnen aan de rijksbijdrage van de universiteiten de bedragen, vastgesteld bij ministeriële regeling, worden toegevoegd.
**2.** De verdeling van het deel van het onderzoekdeel wo dat na toepassing van de artikelen 4.19 tot en met 4.22 en het eerste lid resteert, wordt, onverminderd artikel 4.6, over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, bij ministeriële regeling vastgesteld.
**3.** Indien een universiteit naar het oordeel van Onze minister onvoldoende rekening houdt met de prioriteit- en posterioriteitstelling van de wetenschapsgebieden die zijn aangeduid in het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, wordt daarover en over de mogelijke gevolgen voor de bekostiging van de desbetreffende universiteit overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet.
**4.** Indien het overleg, bedoeld in het derde lid, daartoe aanleiding geeft, kan bij ministeriële regeling worden afgeweken van de verdeling, bedoeld in het tweede lid.
**5.** Een herverdeling als bedoeld in het vierde lid kan per universiteit ten hoogste drie procent van de omvang van het bedrag strategische overwegingen voor die universiteit betreffen.
#### Paragraaf 2. Deel ontwerp en ontwikkeling hbo
### Artikel 4.24
Het deel ontwerp en ontwikkeling hbo wordt over de hogescholen verdeeld naar rato van de verdeling van het onderwijsdeel hbo.
### Afdeling 4. Bepalingen betreffende de rijksbijdrage vanwege werkzaamheden ten dienste van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek
### Artikel 4.25
**1.** Uit het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek wordt aan de rijksbijdrage van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, een bedrag toegevoegd voor rente en afschrijving ten behoeve van investeringen voor academische ziekenhuizen in de begrotingsjaren tot en met 2007. Dit bedrag is gelijk aan de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in bijlage 10 bij dit besluit genoemde OCW-deel van de investeringsbedragen. De investeringsbedragen zijn ingedeeld in ten hoogste vier categorieën met verschillende afschrijvingspercentages.
**2.**
De vergoeding per categorie, bedoeld in het eerste lid, is samengesteld uit:
a. het jaarlijkse afschrijvingsbedrag, genoemd in bijlage 11, totdat het investeringsbedrag, genoemd in bijlage 10, volledig is vergoed, en
b. de rente, berekend met het rentepercentage, bedoeld in het vierde lid, over het verschil tussen het investeringsbedrag, genoemd in bijlage 10, en de gecumuleerde afschrijvingen.
**3.** Onder de gecumuleerde afschrijvingen, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot enig begrotingsjaar wordt verstaan het gecumuleerde afschrijvingsbedrag 2007, genoemd in bijlage 12, vermeerderd met het product van het afschrijvingsbedrag, genoemd in bijlage 11, en het aantal jaren dat sinds 2007 is verstreken met inbegrip van het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld.
**4.** Bij ministeriële regeling wordt ten behoeve van de investeringen voor academische ziekenhuizen in een bepaald begrotingsjaar een rentepercentage vastgesteld voor een tijdvak van 10 jaar. Na het tijdvak wordt het rentepercentage telkens voor een tijdvak van 10 jaar bij ministeriële regeling vastgesteld.
### Artikel 4.26
**1.** Uit het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek wordt aan de rijksbijdrage van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden een bedrag toegevoegd voor rente en afschrijving ten behoeve van investeringen in de begrotingsjaren vanaf 2008. Dit bedrag is de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in de besluiten inzake bouwvolume vermelde OCW-deel van de investeringsbedragen voor het desbetreffende academisch ziekenhuis.
**2.**
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is samengesteld uit:
a. het jaarlijkse afschrijvingsbedrag ter hoogte van 3,36 procent van het investeringsbedrag, totdat het investeringsbedrag volledig is vergoed, en
b. de jaarlijks te berekenen rentevergoeding over het verschil tussen het investeringsbedrag en de gecumuleerde afschrijvingen.
Vergoeding van het bedrag onder a vindt plaats met ingang van het begrotingsjaar na het jaar waarvoor het investeringsbedrag in het besluit inzake bouwvolume is opgenomen.
**3.** In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, wordt de rentevergoeding voor het begrotingsjaar waarvoor het investeringsbedrag in het besluit inzake bouwvolume is opgenomen, berekend over 50 procent van het OCW-deel van het investeringsbedrag.
**4.** Onder gecumuleerde afschrijvingen, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot enig begrotingsjaar wordt verstaan de som van de totaal vergoede afschrijvingsbedragen met betrekking tot het OCW-deel van een investeringsbedrag sedert de vaststelling van het besluit inzake bouwvolume waarin dat investeringsbedrag is opgenomen, met inbegrip van het afschrijvingsbedrag voor het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld.
**5.** Artikel 4.25, vierde lid, is van toepassing.
**6.** Jaarlijks voor 1 november nemen Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze minister een besluit waarin het voor het daaropvolgende begrotingsjaar toegestane bouwvolume wordt vastgesteld. In dat besluit worden in elk geval opgenomen het investeringsbedrag per academisch ziekenhuis en het OCW-deel daarvan. Onze minister besluit daarbij tevens welk rentepercentage, bedoeld in artikel 4,25, vierde lid, voorlopig voor de investering in dat begrotingsjaar wordt gehanteerd.
**7.** Indien het rentepercentage, bedoeld in artikel 4,25, vierde lid, wordt vastgesteld na afloop van het begrotingsjaar, bedoeld in het zesde lid, wordt de te veel of te weinig toegekende rentevergoeding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, over een of meer begrotingsjaren verrekend met het bedrag voor rente en afschrijving van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek van de desbetreffende universiteit.
### Artikel 4.27
**1.**
Van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 resteert wordt:
a. 7,5 procent gelijkelijk verdeeld over de universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden,
b. 3,5 procent verdeeld naar rato van het aantal eerstejaars, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, aan de opleidingen geneeskunde en geneeskunde, klinisch onderzoeker van de universiteit,
c. 14 procent verdeeld naar rato van het aantal door de universiteit in de peilperiode wo verleende graden Master voor de opleidingen geneeskunde en geneeskunde, klinisch onderzoeker,
d. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag toegevoegd aan de rijksbijdrage van de desbetreffende universiteit.
**2.** Het deel van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 en het eerste lid resteert, wordt verdeeld volgens de percentages, genoemd in bijlage 13 bij dit besluit.
## Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
### Artikel 5.1
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum doet, in afwijking van artikel 4.4, eerste en tweede lid, het instellingsbestuur van de Open universiteit uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een opgave van de aantallen graden, bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.20. Deze gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
**2.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum doet, in afwijking van artikel 4.4, eerste en tweede lid, het instellingsbestuur van een universiteit, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, ten 3°, uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een opgave van de aantallen eerstejaars, bedoeld in artikel 4.8, en de aantallen graden, bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.20. Deze gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
**3.** In het begrotingsjaar 2008 is artikel 4.4, derde lid, niet van toepassing op het instellingsbestuur van een universiteit.
### Artikel 5.2
In het begrotingsjaar 2008 blijven voor de toepassing van de artikelen 4.8, 4.9 en 4.20 de opleidingen op het gebied van onderwijs buiten beschouwing.
### Artikel 5.3
**1.** In het begrotingsjaar 2008 wordt in hoofdstuk 4 onder «verleende graad» verstaan: een uitgereikt getuigschrift voor het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding.
**2.** In het begrotingsjaar 2009 wordt in de artikelen 4.9, 4.20 en 4.27 onder «verleende graden» mede verstaan: de graden die zijn verleend vóór 1 september 2006, waarvoor op 1 september 2006 het getuigschrift nog niet was uitgereikt.
**3.** In het begrotingsjaar 2009 wordt in de artikelen 4.14 en 4.17 onder «personen aan wie een graad is verleend» mede verstaan: de personen aan wie vóór 1 oktober 2006 een graad is verleend, waarvoor op 1 oktober 2006 het getuigschrift nog niet was uitgereikt.
### Artikel 5.4
In afwijking van artikel 4.14 is voor het begrotingsjaar 2008 de onderwijsvraag van de tweedegraads lerarenopleidingen verpleegkunde, de opleidingen tot verpleegkundige in de maatschappelijke gezondheidszorg, de opleidingen management in de zorg en de opleidingen van kader in de gezondheidszorg, gelijk aan het aantal studenten op de peildatum.
### Artikel 5.5
**1.** In afwijking van artikel 4.27, eerste lid, onderdeel b, wordt in dat artikel in het begrotingsjaar 2008 verstaan onder aantal eerstejaars: het gemiddelde van de aantallen eerstejaars in 2005 en 2006.
**2.** In afwijking van artikel 4.27, eerste lid, onderdeel c, wordt in het begrotingsjaar 2008 5,25 procent van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 resteert verdeeld over de universiteiten naar rato van het gemiddelde aantal door de universiteit in de studiejaren 20032004, 20042005 en 20052006 verleende graden Master voor de opleiding geneeskunde.
**3.** In afwijking van artikel 4.27, eerste lid, onderdeel c, wordt in het begrotingsjaar 2008 8,75 procent van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 resteert verdeeld over de universiteiten naar rato van het gemiddelde aantal promoties in de jaren 2004, 2005 en 2006 in het wetenschapsgebied geneeskunde.
**4.**
In afwijking van artikel 5.25, eerste lid, wordt in dat artikel in het begrotingsjaar 2009 verstaan onder
a. aantal eerstejaars: de som van de helft van het aantal eerstejaars in 2006 en het aantal eerstejaars in 2007,
b. aantal verleende graden Master: de som van 1/3 van het aantal in het studiejaar 20042005 verleende graden Master, 2/3 van het aantal in het studiejaar 20052006 verleende graden Master en het aantal in de peilperiode wo verleende graden Master.
### Artikel 5.6
Onverminderd artikel 4.15, tweede lid, worden in dat artikel in het begrotingsjaar 2009 niet tot de uitvallers gerekend, de personen die op de eerste dag van de peilperiode als student waren ingeschreven en:
a. niet de Nederlandse nationaliteit, de Surinaamse nationaliteit of de nationaliteit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte bezitten, en
b. geen studiefinanciering genieten krachtens de Wet studiefinanciering 2000.
## Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
### Artikel 6.1
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft de artikelen 3.1 en 3.2 terug tot en met 1 mei 1993.
### Artikel 6.2
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WHW 2008.
## Bijlage 1. Masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 120 studiepunten
## Bijlage 2. Masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van ten minste 120 en ten hoogste 180 studiepunten
## Bijlage 3. , behorend bij
Indien bij de opleidingen niet expliciet is aangegeven dat het bachelor- of masteropleidingen betreft, worden, voor zover van toepassing, zowel de bachelor-, de master-, de voortgezette, als de ongedeelde opleiding bedoeld.
## Bijlage 4. , behorend bij
## Bijlage 5. , behorend bij
De door een hogeschool aangeboden opleidingen die behoren tot dezelfde hoofdgroep, die een gelijke studielast hebben, en die de deeltijdse dan wel een niet-deeltijdse vorm hebben, vormen een groep.
## Bijlage 6. , behorend bij
## Bijlage 7. , behorend bij
Onderwijs verbonden aan de Universiteit van Amsterdam
Onderwijs verbonden aan de Technische Universiteit Delft
Onderwijs verbonden aan de Technische Universiteit Eindhoven
Onderwijs verbonden aan de Universiteit Twente (Enschede)
## Bijlage 8. , behorend bij
## Bijlage 9. , behorend bij
## Bijlage 10. , behorend bij
## Bijlage 11. , behorend bij
## Bijlage 12. , behorend bij
## Bijlage 13. , behorend bij