2004-10-01 | BWBR0003418 | Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981

This commit is contained in:
Coornhert 2004-10-01 12:00:00 +00:00
parent 06d6a9443a
commit 7e80f7daca

View file

@ -24,7 +24,7 @@ citeertitel: Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981
### Artikel 2
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het vervoeren van splijtstoffen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 272,27.
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het vervoeren van splijtstoffen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 358.
### Artikel 3
@ -32,9 +32,9 @@ Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het vervoeren van splijtstoffen,
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 3 403,35, indien de vergunning wordt verleend ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 680,67, indien de vergunning wordt verleend ten behoeve van een andere inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet;
c. c. € 403,86, indien de vergunning niet wordt verleend ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, ingeval de activiteit van de bij dat voorhanden hebben of zich ontdoen van betrokken splijtstoffen meer bedraagt dan een miljoen maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1.
a. € 4 476, indien de vergunning wordt verleend ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 895, indien de vergunning wordt verleend ten behoeve van een andere inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet;
c.  531, indien de vergunning niet wordt verleend ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, ingeval de activiteit van de bij dat voorhanden hebben of zich ontdoen van betrokken splijtstoffen meer bedraagt dan een miljoen maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1.
**2.**
@ -49,8 +49,8 @@ b. onder «handeling» wordt verstaan hetgeen daaronder in artikel 1, eerste lid
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 202 839,76, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 6 761,33, indien het een andere inrichting betreft.
a. € 266 795, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 8 893, indien het een andere inrichting betreft.
### Artikel 5
@ -58,29 +58,29 @@ b. € 6 761,33, indien het een andere inrichting betreft.
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het in werking brengen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 202 839,76, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 6 761,33, indien het een andere inrichting betreft.
a. € 266 795, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 8 893, indien het een andere inrichting betreft.
**2.**
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder *b* , van de wet, is verplicht, zolang de vergunning van kracht is, jaarlijks aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 521 847,25, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 15 655,42, indien het een andere inrichting betreft.
a. € 686 386, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 20 592, indien het een andere inrichting betreft.
**3.** De verplichting, bedoeld in het tweede lid, vervalt indien de betrokken inrichting definitief buiten gebruik is gesteld.
### Artikel 5a
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 6761,33.
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 8 893.
### Paragraaf 4. Bijdragen, verschuldigd ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet
### Artikel 6
**1.** Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het aanbrengen in een vaartuig van een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 202 839,76.
**1.** Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het aanbrengen in een vaartuig van een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 266 795.
**2.** Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het aangebracht houden of wijzigen van een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 2 722,68.
**2.** Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het aangebracht houden of wijzigen van een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 3 581.
### Paragraaf 5. Bijdragen, verschuldigd ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel 29 van de wet
@ -90,9 +90,9 @@ Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het buiten gebruik stellen of on
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend om radioactieve stoffen te bereiden, voorhanden te hebben of toe te passen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 272,27, indien het een ingekapselde bron betreft waarvan de activiteit meer bedraagt dan een miljoen maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1;
b. € 340,34, indien het een open bron betreft, waarvan de activiteit gelijk is aan, of meer bedraagt dan honderdmaal, doch niet meer dan honderd duizend maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1;
c. € 544,54, indien het een open bron betreft, waarvan de activiteit hoger is dan de onder b bedoelde waarden.
a. € 358, indien het een ingekapselde bron betreft waarvan de activiteit meer bedraagt dan een miljoen maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1;
b. € 448, indien het een open bron betreft, waarvan de activiteit gelijk is aan, of meer bedraagt dan honderdmaal, doch niet meer dan honderd duizend maal de waarden, genoemd in de bij het Besluit stralingsbescherming behorende bijlage 1, tabel 1;
c. € 716, indien het een open bron betreft, waarvan de activiteit hoger is dan de onder b bedoelde waarden.
**2.** Artikel 25, derde en vierde lid, van het Besluit stralingsbescherming is van overeenkomstige toepassing.
@ -102,7 +102,7 @@ Vervallen
### Artikel 9
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het vervoeren van radioactieve stoffen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 272,27.
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het vervoeren van radioactieve stoffen, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 358.
### Paragraaf 6. Bijdragen, verschuldigd ter zake van een vergunning voor een ioniserende stralen uitzendend toestel
@ -110,26 +110,26 @@ Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het vervoeren van radioactieve s
Hij, aan wie een vergunning wordt verleend als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 1 361,34, indien het betreft een toestel als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, van dat besluit;
b. € 304,03, en, ingeval de vergunning wordt verleend voor meer dan één toestel, € 36,30 voor elk extra toestel, indien het betreft een toestel als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a of b, van dat besluit.
a. € 1 791, indien het betreft een toestel als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, van dat besluit;
b. € 400, en, ingeval de vergunning wordt verleend voor meer dan één toestel, € 48 voor elk extra toestel, indien het betreft een toestel als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a of b, van dat besluit.
### Paragraaf 7. Bijdragen, verschuldigd ter zake van rijksgeleide of rijkstoezicht
### Artikel 11
**1.** Hij, aan wie een vergunning is verleend voor het vervoeren van splijtstoffen of radioactieve stoffen of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer, is, indien daaraan het voorschrift is verbonden, dat het vervoer of het voorhanden hebben dient te geschieden onder rijksgeleide of onder rijkstoezicht, verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 35 voor elk gewerkt uur of gedeelte van een uur gedurende hetwelk begeleiding heeft plaatsgevonden of toezicht is gehouden.
**1.** Hij, aan wie een vergunning is verleend voor het vervoeren van splijtstoffen of radioactieve stoffen of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer, is, indien daaraan het voorschrift is verbonden, dat het vervoer of het voorhanden hebben dient te geschieden onder rijksgeleide of onder rijkstoezicht, verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 38 voor elk gewerkt uur of gedeelte van een uur gedurende hetwelk begeleiding heeft plaatsgevonden of toezicht is gehouden.
**2.**
Onverminderd het eerste lid is de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft verplicht aan de staat te betalen:
- indien het vervoer plaatsheeft tussen 18.00 uur en 6.00 uur of op een zaterdag, een zondag dan wel een algemeen erkende feestdag als genoemd in artikel 3 van de Algemene termijnenwet, of een bij of krachtens dat artikel daarmee gelijkgestelde dag, een bedrag van € 20 voor elk gewerkt uur of gedeelte van een uur gedurende hetwelk begeleiding heeft plaatsgevonden of toezicht is gehouden;
- indien het in verband met begeleiding of toezicht noodzakelijk is dat degene die begeleidt of toezicht houdt voor, tijdens of na zijn dienst buiten zijn standplaats nachtverblijf in een hotel moet houden, voor elk nachtverblijf een bedrag van € 50;
- indien het vervoer later aanvangt dan het door of in overleg met de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, vastgestelde tijdstip, een bedrag van € 20 voor elk uur of gedeelte van een uur van de daaruit voortvloeiende wachttijd van degene die begeleidt of toezicht houdt.
a. indien het vervoer plaatsheeft tussen 18.00 uur en 6.00 uur of op een zaterdag, een zondag dan wel een algemeen erkende feestdag als genoemd in artikel 3 van de Algemene termijnenwet, of een bij of krachtens dat artikel daarmee gelijkgestelde dag, een bedrag van € 22 voor elk gewerkt uur of gedeelte van een uur gedurende hetwelk begeleiding heeft plaatsgevonden of toezicht is gehouden;
b. indien het in verband met begeleiding of toezicht noodzakelijk is dat degene die begeleidt of toezicht houdt voor, tijdens of na zijn dienst buiten zijn standplaats nachtverblijf in een hotel moet houden, voor elk nachtverblijf een bedrag van € 54;
c. indien het vervoer later aanvangt dan het door of in overleg met de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, vastgestelde tijdstip, een bedrag van € 22 voor elk uur of gedeelte van een uur van de daaruit voortvloeiende wachttijd van degene die begeleidt of toezicht houdt.
**3.** Het tweede lid, onder a, is niet van toepassing op het vervoer per spoor tussen 18.00 uur en 6.00 uur op andere dan de in het tweede lid, onder a, genoemde dagen.
**4.** Onverminderd het tweede lid is de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, indien in een door of in overleg met de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, vastgesteld tijdstip van aanvang van een transport op een zodanig tijdstip wijziging wordt gebracht dat degene die begeleidt of toezicht houdt zich reeds heeft begeven of reizende is naar de plaats waar het transport zou aanvangen, verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 20 voor elk uur of gedeelte van een uur van de daaruit voortvloeiende reistijd van degene die begeleidt of toezicht houdt.
**4.** Onverminderd het tweede lid is de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, indien in een door of in overleg met de vervoerder of zijn gemachtigde dan wel degene die voorhanden heeft, vastgesteld tijdstip van aanvang van een transport op een zodanig tijdstip wijziging wordt gebracht dat degene die begeleidt of toezicht houdt zich reeds heeft begeven of reizende is naar de plaats waar het transport zou aanvangen, verplicht aan de staat een bedrag te betalen van € 22 voor elk uur of gedeelte van een uur van de daaruit voortvloeiende reistijd van degene die begeleidt of toezicht houdt.
### Paragraaf 8. Algemene bepalingen