2002-07-01 | BWBR0007858 | Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

This commit is contained in:
Coornhert 2002-07-01 12:00:00 +00:00
parent 8783f6e92c
commit 7f212fa2cd

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
bwb_id: BWBR0007858
type: KB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2001-04-12'
datum_inwerkingtreding: '2002-06-03'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0007858
citeertitel: Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
---
@ -3779,303 +3779,482 @@ De methode voor de stabiliteitsbeoordeling kan aan de in artikel 22.01, tweede l
**1.**
De bemanning die zich krachtens het Rijnvaartpolitiereglement aan boord moet bevinden van schepen die de Rijn bevaren, dient voor alle exploitatiewijzen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit hoofdstuk.
De bemanning die zich krachtens het Rijnvaartpolitiereglement aan boord moet bevinden van schepen die de Rijn bevaren dient voor alle exploitatiewijzen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit hoofdstuk.
De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning moet zich tijdens de vaart voortdurend aan boord bevinden. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning te vertrekken.
Wanneer door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen de schepen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats - passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag -, indien zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een Rijnpatent als vereist in het Reglement Rijnpatenten voor het riviergedeelte waarop hij vaart, alsmede nog een lid van de voorgeschreven bemanning.
Wanneer door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen de schepen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag , indien zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een patent voor het riviergedeelte waarop hij vaart, alsmede nog een lid van de voorgeschreven bemanning.
De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen jonger dan zes jaar mag geen lid van de bemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen jonger dan zes jaar mag geen lid van de minimum-bemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
**2.**
Elke Oeverstaat of België kan bepalen dat zijn voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen zijn onderworpen aan de voorschriften van die Oeverstaat of België waarin het bedrijf of de eigenaar zijn hoofdzetel of wettelijke domicilie heeft.
Elke Oeverstaat of België kan bepalen, dat zijn voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen zijn onderworpen aan de voorschriften van die Oeverstaat of België waarin het bedrijf of de eigenaar zijn hoofdzetel of wettelijke domicilie heeft.
In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Oeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene Staat zijn ingeschreven, zijn onderworpen aan de voorschriften van de andere Staat.
In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Oeverstaten of België bilateraal overeenkomen, dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven zijn onderworpen aan de voorschriften van de andere staat.
Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen geen deel uitmaken van de bemanning gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste 6 weken vóór en 7 weken ná de bevalling.
Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen geen deel uitmaken van de bemanning gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste 6 weken voor en 7 weken na de bevalling.
**3.** Voor de toepassing van de artikelen 23.05, 23.06 en 23.08 dient tevens rekening te worden gehouden met vaar- en rusttijden vervuld buiten het toepassingsgebied van dit Reglement.
**3.** Voor de toepassing van de artikelen 23.05, 23.06 en 23.08 dient tevens rekening te worden gehouden met vaar- en rusttijden vervuld buiten het toepassingsgebied van dit reglement.
**4.** Als één jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. 250 Vaardagen in de zee- of kustvaart dan wel de visserij gelden als één jaar vaartijd.
### Artikel 23.02
**1.** De leden van de bemanning kunnen zijn: lichtmatroos (scheepsjongen, deksman), matroos, matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman, schipper, machinist.
**1.** De leden van de bemanning kunnen zijn: deksman, lichtmatroos (scheepsjongen), matroos, matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman, schipper, machinist.
**2.**
De bekwaamheidseisen voor de leden van de bemanning zijn:
2.1. voor de lichtmatroos:
2.1 voor de deksman ten minste 16 jaar zijn;
2.2 voor de lichtmatroos (scheepsjongen) ten minste 15 jaar zijn en in het bezit zijn van een leerovereenkomst die voorziet in het bezoeken van een vakschool voor schippers of het volgen van een schriftelijke cursus die door de bevoegde autoriteit is erkend en opleidt voor een gelijkwaardig diploma;
2.3 voor de matroos:
a. hetzij ten minste 15 jaar zijn en in het bezit zijn van een leerovereenkomst die voorziet in het bezoeken van een vakschool voor schippers of het volgen van een schriftelijke cursus die door de bevoegde autoriteit is erkend en opleidt voor een gelijkwaardig diploma (scheepsjongen);
b. hetzij ten minste 16 jaar zijn (deksman);
2.2. voor de matroos:
a) ten minste 17 jaar zijn en
a. hetzij ten minste 17 jaar zijn en met goed gevolg een examen hebben afgelegd dat de onder 2.1 genoemde opleiding of een volledige opleiding aan een vakschool voor schippers afsluit, ofwel met goed gevolg een door een bevoegde autoriteit erkend examen matroos-motordrijver hebben afgelegd;
b. hetzij ten minste 19 jaar zijn en een vaartijd als lid van een dekbemanning van tenminste drie jaren hebben, waarvan ten minste 1 jaar in de binnenvaart en 2 jaren in de binnenvaart, dan wel in de zeevaart, kustvaart, of visserij, met dien verstande dat 250 vaardagen als 1 jaar worden gerekend;
2.3. voor de matroos-motordrijver:
met goed gevolg de in lid 2.2 genoemde opleiding hebben afgesloten of
een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers of
met goed gevolg een door een bevoegde autoriteit erkend examen matroos hebben afgelegd, of
b) ten minste 19 jaar zijn en een vaartijd als lid van een dekbemanning van ten minste drie jaren hebben, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaren in de binnenvaart, dan wel in de zee- of kustvaart dan wel de visserij vervuld zijn;
2.4 voor de matroos-motordrijver:
a. hetzij de bekwaamheid als matroos hebben en bovendien met goed gevolg een door de bevoegde autoriteit erkend examen motordrijver hebben afgelegd;
b. hetzij een elementaire kennis op het gebied van motoren bezitten en een vaartijd hebben van ten minste 1 jaar als matroos op een binnenschip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging;
2.4. voor de volmatroos:
a) de bekwaamheid als matroos hebben en met goed gevolg een door de bevoegde autoriteit erkend examen matroos-motordrijver hebben afgelegd, of
b) een vaartijd hebben van ten minste 1 jaar als matroos op een binnenschip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en elementaire kennis op het gebied van motoren bezitten;
2.5 voor de volmatroos:
een vaartijd hebben van ten minste 1 jaar als matroos op de Rijn;
2.5. voor de stuurman:
a) een vaartijd van ten minste één jaar als matroos in de binnenvaart en
een vaartuig hebben van ten minste 2 jaren als matroos op de Rijn;
2.6. voor de schipper:
met goed gevolg de in onderdeel 2.2 genoemde opleiding hebben afgerond of
een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers of
met goed gevolg een door een bevoegde autoriteit erkend examen matroos hebben afgelegd, of
b) met goed gevolg een examen hebben afgelegd van een driejarige opleiding als bedoeld in onderdeel 2.2 of een met goed gevolg afgelegd eindexamen na een driejarige opleiding aan een vakschool voor schippers, indien in deze opleiding ten minste één jaar vaartijd in de binnenvaart is opgenomen, of
c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste één jaar als matroos, bedoeld in onderdeel 2.3, onderdeel b, en een met goed gevolg afgelegd praktijkexamen als bedoeld in bijlage C, lid 3.1, van het Reglement Rijnpatenten 1998 onder toepassing van de richtlijn, bedoeld in artikel 1.05 van het Reglement Rijnpatenten 1998, ter uitvoering van het examen, of
d) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste twee jaar als matroos, bedoeld in onderdeel 2.3, onder b;
2.6 voor de stuurman:
houder zijn van een Rijnpatent als vereist in het Reglement Rijnpatenten;
2.7. voor de machinist:
a) een vaartijd in de binnenvaart hebben van ten minste één jaar als volmatroos of van ten minste drie jaar als matroos, bedoeld in onderdeel 2.3, onder b, of
b) het bezit van een vaarbewijs, afgegeven op grond van richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEG L 235), of van een vaarbewijs als bedoeld in Bijlage I van richtlijn nr. 91/672/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PbEG L 373), of
c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste vier jaar en het bezit van een aan het grote patent gelijkwaardig bevoegdheidsbewijs voor het voeren van een schip op binnenwateren van een lidstaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, of
d) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste 4 jaar en het bezit van een aan het grote patent gelijkwaardig bevoegdheidsbewijs voor het voeren van een schip op andere binnenwateren dat door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart ingevolge artikel 3.05, derde lid, van het Reglement Rijnpatenten 1998 is erkend;
2.7 voor de schipper:
a. hetzij ten minste 18 jaar zijn en met goed gevolg een examen hebben afgelegd dat een opleiding op het gebied van motoren en werktuigkunde afsluit;
b. hetzij ten minste 19 jaar zijn en een vaartijd hebben van ten minste 2 jaren als matroos-motordrijver op een binnenschip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
houder zijn van het patent, afgegeven overeenkomstig het Reglement Rijnpatenten 1998;
2.8 voor de machinist:
a) ten minste 18 jaar zijn en met goed gevolg een eindexamen hebben afgelegd voor een opleiding op het gebied van motoren en werktuigkunde, of
b) ten minste 19 jaar zijn en een vaartijd hebben van ten minste 2 jaren als matroos-motordrijver op een binnenschip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
### Artikel 23.03
**1.** De lichamelijke geschiktheid voor het beroep dient te blijken uit een medische verklaring afgegeven door een door de bevoegde autoriteit aangewezen arts op het tijdstip waarop de betrokkene voor het eerst als bemanningslid in dienst treedt.
**1.** De lichamelijke geschiktheid voor het beroep dient te blijken uit een medische verklaring als bedoeld in de bijlage B1 en B2 van het Reglement Rijnpatenten 1998, afgegeven door een door de bevoegde autoriteit aangewezen arts op het tijdstip waarop de betrokkene voor het eerst als bemanningslid in dienst treedt. De medische verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
**2.**
**2.** De eisen voor ogen en oren, bedoeld in bijlage B1 van het Reglement Rijnpatenten 1998, zijn niet van toepassing voor de functie van machinist.
Wat de lichamelijke geschiktheid betreft wordt onder meer vereist:
**3.** Het bewijs van geschiktheid, bedoeld in het eerste en het tweede lid, dient binnen 3 maanden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en daarna jaarlijks te worden vernieuwd.
a. een voldoende gezichts- en gehoorvermogen overeenkomstig bijlage B1 van het Reglement Rijnpatenten; deze eis geldt evenwel niet voor de functie van machinist;
b. het in staat zijn alleen een gewicht van 20 kg op te tillen.
**3.** Het bewijs van geschiktheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid dient binnen 3 maanden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en daarna jaarlijks te worden vernieuwd.
**4.** Indien een bevoegde autoriteit twijfels heeft omtrent de lichamelijke geschiktheid van een bemanningslid, kan zij om een medische keuring verzoeken als bedoeld in het eerste en het tweede lid. Het bemanningslid draagt slechts de daaruit voortvloeiende kosten wanneer de twijfels gegrond zijn gebleken.
**4.** Indien een bevoegde autoriteit twijfels heeft omtrent de lichamelijke geschiktheid van een bemanningslid, kan zij om een medische keuring verzoeken. Het bemanningslid draagt slechts de daaruit voortvloeiende kosten wanneer de twijfels gegrond zijn gebleken.
### Artikel 23.04
**1.** Het dienstboekje bevat enerzijds gegevens van algemene aard, zoals de medische verklaringen en de bekwaamheid van de houder, als bedoeld in artikel 23.02, en anderzijds de specifieke gegevens betreffende de afgelegde reizen. De plaatselijk bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de gegevens van algemene aard alsmede voor de afstempeling ter controle. Hij kan daartoe het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of van andere relevante bescheiden verlangen.
**1.** Het dienstboekje bevat enerzijds gegevens van algemene aard, zoals de medische verklaringen en de bekwaamheid van de houder, bedoeld in artikel 23.02, en anderzijds de specifieke gegevens betreffende de afgelegde reizen. De plaatselijk bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de gegevens van algemene aard alsmede voor de afstempeling ter controle. Zij kan daartoe het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of van andere relevante bescheiden verlangen. Zij mag slechts die reizen van een afstempeling voorzien die niet ouder zijn dan 15 maanden.
**2.**
Elk lid van de bemanning moet in het bezit zijn van een persoonlijk dienstboekje overeenkomstig het model van bijlage F. Deze persoon wordt als houder van het dienstboekje aangemerkt.
Elk lid van de bemanning moet in het bezit zijn van een persoonlijk dienstboekje overeenkomstig het model van bijlage F dan wel in het bezit zijn van een ander door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend dienstboekje. Deze persoon wordt als houder van het dienstboekje aangemerkt.
De houder moet het dienstboekje:
a. bij de eerste indiensttreding aan boord overhandigen aan de schipper en
b. telkens binnen een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte, ten minste eenmaal voorleggen en laten afstempelen ter controle, als bedoeld in het eerste lid, door een plaatselijk bevoegde autoriteit.
a) bij de eerste indiensttreding aan boord overhandigen aan de schipper, en
b) telkens binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte, ten minste éénmaal overleggen en laten afstempelen zoals bedoeld in het eerste lid door een plaatselijk bevoegde autoriteit.
Stuurlieden die geen groot patent als bedoeld in het Reglement Rijnpatenten 1998 willen verkrijgen zijn van de verplichting tot het overleggen vrijgesteld. Indien de stuurman later alsnog een patent wil verkrijgen, wordt slechts met die riviergedeelten rekening gehouden die in het dienstboekje zijn ingevuld en die zijn afgestempeld zoals bedoeld in het eerste lid.
**3.**
De schipper is verantwoordelijk voor
De schipper is verantwoordelijk voor:
a. het regelmatig invullen in het dienstboekje van alle gegevens overeenkomstig de aanwijzingen en instructies voor het bijhouden vermeld in bijlage F,
b. het veilig bewaren van het dienstboekje tot aan het eind van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling;
c. het te allen tijde op verzoek van de houder onverwijld teruggeven van het dienstboekje.
a) het regelmatig invullen in het dienstboekje van alle gegevens overeenkomstig de aanwijzingen en instructies voor het bijhouden vermeld in bijlage F;
b) het veilig in het stuurhuis bewaren van het dienstboekje tot aan het eind van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling;
c) het te allen tijde op verzoek van de houder onverwijld teruggeven van het dienstboekje.
**4.** Bij leden van de bemanning die in het bezit zijn van een groot patent als bedoeld in bijlage A1 dan wel van een voorlopig groot patent als bedoeld in bijlage A2 van het Reglement Rijnpatenten geldt dit patent als dienstboekje.
**4.** Bij leden van de bemanning die in het bezit zijn van een groot patent als bedoeld in bijlage A1 dan wel van een voorlopig groot patent als bedoeld in bijlage A2 van het Reglement Rijnpatenten 1998 geldt dit patent als dienstboekje.
**5.**
De bekwaamheid voor een functie aan boord moet te allen tijde kunnen worden aangetoond:
5.1. door de schipper door middel van het Rijnpatent dat overeenkomstig het Reglement Rijnpatenten wordt vereist;
5.2. door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje of een Rijnpatent als bedoeld onder 5.1.
a) door de schipper door middel van het patent dat overeenkomstig het Reglement Rijnpatenten 1998 wordt vereist;
b) door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje of een patent als bedoeld onder a.
### Artikel 23.05
**1.**
Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen:
Een schip dat op de onder A_1 respectievelijk A_2 bedoelde wijze wordt geëxploiteerd moet de vaart gedurende 8 respectievelijk 6 aaneengesloten uren onderbreken, indien het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig de bijlage H is goedgekeurd door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, die goed functioneert.
A1: vaart van ten hoogste 14 uren;
A2: vaart van ten hoogste 18 uren;
B: vaart van ten hoogste 24 uren; telkens binnen een tijdvak van 24 uur.
**2.** Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per week tot ten hoogste 16 uren worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage H is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Oeverstaat of van België en wanneer er behalve de schipper nog een bemanningslid in de bemanning is opgenomen met de bevoegdheid van stuurman.
**3.**
Een schip dat op de onder A1, onderscheidenlijk A2 bedoelde wijze wordt geëxploiteerd moet de vaart gedurende 8, onderscheidenlijk 6 aaneengesloten uren onderbreken, te weten:
a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage H is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Oeverstaat of België. De tachograaf moet ten minste in bedrijf zijn vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
### Artikel 23.06
**1.**
**1.** Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het eind van elke rusttijd van 8 uren.
Bij exploitatiewijze A_1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het eind van elke rusttijd van 8 uren.
**2.** Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren ononderbroken buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van 6 uren. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar moet een ononderbroken rusttijd van 8 uren worden aangehouden waarvan 6 uren buiten de vaartijd.
Bij exploitatiewijze A_2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren ononderbroken buiten de vaartijd (2)Voor elk bemanningslid jonger dan 18 jaar een ononderbroken rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren buiten de vaartijd. per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van 6 uren.
**3.** Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uren per tijdvak van 48 uren, waarvan er ten minste 2 maal 6 uren ononderbroken moeten zijn.
Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uren per tijdvak van 48 uren, waarvan er ten minste 2 maal 6 uren ononderbroken moeten zijn.
**4.** Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet worden verplicht tot enige taak, met inbegrip van toezicht houden of zich beschikbaar houden. De wacht en het toezicht zoals bedoeld in de politievoorschriften voor stilliggende vaartuigen worden niet beschouwd als taak in de zin van dit lid.
Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet worden verplicht tot enige taak, met inbegrip van toezicht houden of zich beschikbaar houden. De wacht en het toezicht zoals bedoeld in de politievoorschriften voor stilliggende vaartuigen worden niet beschouwd als taak in de zin van deze alinea.
**2.** Bepalingen in de arbeidsvoorschriften of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een langere duur van de rusttijden blijven onverminderd van kracht.
**5.** Bepalingen in de arbeidsvoorschriften of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een langere duur van de rusttijden blijven onverminderd van kracht.
### Artikel 23.07
**1.** Een wisseling van exploitatiewijze is slechts mogelijk met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid.
**1.** In afwijking van artikel 23.05, eerste lid, is een wisseling of herhaling van exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van het tweede tot met zesde lid.
**2.** a. Van exploitatiewijze A_1 mag slechts dan naar A_2 worden gewisseld indien:
**2.**
de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
de voor exploitatiewijze A_2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren buiten de vaartijd, in acht hebben genomen en de voor exploitatiewijze A_2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
b. Van exploitatiewijze A_2 mag slechts dan naar A_1 worden gewisseld indien:
Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:
de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
de voor exploitatiewijze A_1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd in acht hebben genomen.
c. Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar A_1 of A_2 worden gewisseld indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
b) de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
de voor exploitatiewijze A_1 respectievelijk A_2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uren in acht hebben genomen.
d. Van exploitatiewijze A_1 of A_2 mag slechts dan naar B worden gewisseld indien:
**3.**
de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uren buiten de vaartijd in acht hebben genomen en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
b) de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
**4.**
Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelos, of
b) de voor exploitatiewijze A1, onderscheidenlijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren in acht genomen en aangetoond hebben.
**5.**
Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze B worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
b) de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
**6.** Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de exploitatiewijze A1 of A2 voor een verdere A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
**7.** Het bewijs van een rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage K of door een kopie van de pagina met aantekeningen van de vaar-, onderscheidenlijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden.
### Artikel 23.08
**1.**
Aan boord van elk schip, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage E. Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het officiële scheepsnummer dient te staan, moet worden afgegeven door de autoriteit die het certificaat van onderzoek aan het schip heeft uitgereikt.
Aan boord van elk schip, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage E. Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het officiële scheepsnummer dienen te staan, moet worden afgegeven door de autoriteit die het certificaat van onderzoek aan het schip heeft uitgereikt.
Onderdeel 2 van de Aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek, volgens welke per reis kan worden volstaan met één schema voor het aantekenen van de rusttijden, geldt slechts voor bemanningsleden in de continuvaart (exploitatiewijze B). In de dagvaart (A_1) en in de semi-continuvaart (A_2) moeten het begin en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid iedere dag gedurende de reis worden aangetekend.
Onderdeel 2 van de aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek, volgens welk per reis kan worden volstaan met één schema voor het aantekenen van de rusttijden, geldt slechts voor bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijze A1 en in de exploitatiewijze A2 moeten het begin en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid iedere dag gedurende de reis worden aangetekend.
De na een wisseling van de exploitatiewijze noodzakelijke aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden aangebracht.
**2.** Alle latere vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door een plaatselijk bevoegde autoriteit, die het van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek moet worden voorzien van de onuitwisbare aantekening "ongeldig" en dient aan de schipper te worden teruggegeven.
**2.**
Alle latere vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door een plaatselijk bevoegde autoriteit, die het van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek moet worden voorzien van de onuitwisbare aantekening« ongeldig» en dient aan de schipper te worden teruggegeven.
Het overhandigen van het nieuwe vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het document, bedoeld in het vierde lid. De exploitant van het schip moet er voor zorg dragen, dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek, die op het document, bedoeld in het vierde lid, door de bevoegde autoriteit geregistreerd is, door dezelfde bevoegde autoriteit onuitwisbaar ongeldig verklaard wordt.
De exploitant van het schip moet er bovendien voor zorgen, dat daarna het vaartijdenboek weer aan boord wordt gebracht.
**3.** Het ongeldig verklaarde vaartijdenboek moet gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord worden bewaard.
**4.** Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit, die het eerste vaartijdenboek uitreikt, deze afgifte door middel van een verklaring, waarop de naam van het schip, het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring dient aan boord te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
**4.** Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit, die het eerste vaartijdenboek uitreikt, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring dient aan boord te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
**5.** De registraties van de tachografen moeten gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord worden bewaard.
**6.** Bij een aflossing of versterking van de bemanning als bedoeld in artikel 23.07 moet voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring als bedoeld in bijlage K of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, onderscheidenlijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden zijn.
### Artikel 23.09
**1.**
Onverminderd de overige bepalingen van dit Reglement moeten motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, die met een minimum bemanning worden geëxploiteerd, aan de volgende voorschriften voldoen:
Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moeten motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, die met een minimum-bemanning worden geëxploiteerd, aan de volgende voorschriften voldoen:
a. De voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden.
1.1 Standaard S1
De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
b. Het kritieke peil
a) De voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
b) Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen.
c) De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden.
d) De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
e) De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
f) Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
g) De voorgeschreven bijboot moet door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water kunnen worden gelaten.
h) Er dient een vanaf de stuurstelling te bedienen schijnwerper aan boord te zijn.
i) De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen mag niet meer dan 160 N bedragen.
j) De in het certificaat van onderzoek vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
k) De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
l) De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
m) De krachtens artikel 6.01, eerste lid, vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden bediend.
1.2 Standaard S2
van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren,
van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie,
van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven,
van het bilgewater in de hoofdmachinekamer,
a) voor alleen varende motorschepen:
moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen.
c. De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dient automatisch te geschieden.
d. De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
e. De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
f. Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
g. De voorgeschreven bijboot moet door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water kunnen worden gelaten.
h. Er dient een vanaf de stuurstelling te bedienen schijnwerper aan boord te zijn.
i. De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen mag niet meer dan 160 N bedragen.
k. De in het certificaat van onderzoek vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
l. De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
m. De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
n. De krachtens artikel 6.01, eerste lid, vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden bediend.
o. Het schip dient te zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor de ultra-korte golf geschikt voor de kanalen voor het schip--schipverkeer en de nautische informatie.
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
b) voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen:
**2.** Door de Commissie van Deskundigen wordt in het certificaat van onderzoek vermeld of een schip al dan niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorschriften.
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
c) voor motorschepen, die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurhut van het duwende motorschip te bedienen is;
d) voor duwboten, die een duwstel voortbewegen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurhut van het duwende duwboot te bedienen is;
e) voor passagiersschepen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
**2.** Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Commissie van Deskundigen in het certificaat van onderzoek onder nummer 47 gewaarmerkt.
### Artikel 23.10
De minimum bemanning van motorschepen bestaat uit:
**1.**
De minimum-bemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit:
| Groep | Bemannings-leden | | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | | | | | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | A1 | A2 | | B | | | |
| | | | | S1 | S2 | S1 | S2 | | S1 | S2 |
| 1 | L ≤ 70 m | schipper | | 1 | | 2 | | | 2 | 2 |
| | | stuurman | | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | | | | | | |
| | | matroos | | 1 | | | | | 1 | |
| | | lichtmatroos | | | | | | | 11 De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. | 2^a,3 Een van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. |
| 2 | 70 m < L 86 m | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | | | 2 | 2 |
| | | stuurman | | | | | | | | |
| | | volmatroos | 1 | | | | | | | |
| | | matroos | | 1 | 1 | | | | 2 | 1 |
| | | lichtmatroos | | 1 | 1 | 1^a | | | | 1 |
| 3 | L > 86 m | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | of 2 | 2 |
| | | stuurman | 1 | 1 | 1 | | | 1 | 12De stuurman moet in het bezit zijn van het ingevolge het Reglement Rijnpatenten 1998 vereiste patent. | 1 |
| | | volmatroos | | | | | | | | |
| | | matroos | 1 | | | 1 | | 2 | 1 | 1 |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | 1^a | 2^a | | | 1 |
**2.** De in het eerste lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimum-leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
**3.**
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning
a) in groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
b) in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid.
### Artikel 23.11
De minimum bemanning van duwboten, duwstellen, gekoppelde samenstellen en andere hechte samenstellen bestaat uit:
**1.**
De minimum-bemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit:
| Groep | Bemannings-leden | | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | | | | | | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | A1 | A2 | | B | | | | |
| | | | | S1 | S2 | S1 | S2 | | S1 | S2 | |
| 1 | Afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | schipper | | 1 | | 2 | | | 2 | 2 | |
| | | stuurman | | | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | | | | | | | |
| | | matroos | | 1 | | | | | 1 | | |
| | | lichtmatroos | | | | | | | 11 De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. | 2^a,3 Een van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. | |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | | | | | | | | |
| 2 | Afmeting van het samenstel 37 m < L 86m B 15 m | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | | | 2 | 2 | |
| | | stuurman | | | | | | | | | |
| | | volmatroos | 1 | | | | | | | | |
| | | matroos | | 1 | 1 | | | | 2 | 1 | |
| | | lichtmatroos | | 1 | 1 | 1^a | | | | 1 | |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | | | | | | | | |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L 116,5 m B 15 m | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | of 2 | 2 | |
| | | stuurman | 1 | 1 | 1 | | | 1 | 12 De stuurman moet in het bezit zijn van het ingevolge het Reglement Rijnpatenten 1998 vereiste patent. | 1 | |
| | | volmatroos | | | | | | | | | |
| | | matroos | 1 | | | 1 | | 2 | 1 | 1 | |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | 1^a | 2^a | | | 1 | |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | | | | | | | | |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken*In dit artikel omvat het begrip duwbak ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingswerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere duwbakken met een totale lengte tot en met 76,50 m en een totale breedte tot en met 15 m. motorschip + 1 duwbak^d | schipper | | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | of 2 | 2 | of 2 |
| | | stuurman | | 1 | 1 | | | 1 | 1^b | 1 | 1^b |
| | | volmatroos | | | | | 1 | | | 1 | 1 |
| | | matroos | | 1 | | 2 | | 2 | 2 | | |
| | | lichtmatroos | | 1^a | 2^a | 1^a | 2^a | | | 1 | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | | | | | 1 | | 1 | |
| 5 | duwboot + 3 of 4 duwbakken^d) motorschip + 2 of 3 duwbakken^d | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | of 2 | 2 | of 2 |
| | | stuurman | 1 | 1 | 1 | | | 1 | 1^b | 1 | 1^b |
| | | volmatroos | | | | | 1 | | | 1 | 1 |
| | | matroos | 2 | 1 | 1 | 2 | | 2 | 2 | | |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | 1^a | 2^a | | 1^a | 2 | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| 6 | duwboot + meer dan 4 duwbakken^d | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | of 2 | 2 | of 2 |
| | | stuurman | 1 | 1 | 1 | | | 1 | 1^a | 1 | 1^b |
| | | volmatroos | | | 1 | | 1 | | | 1 | 1 |
| | | matroos | 3 | 2 | 1 | 3 | 1 | 3 | 3 | 1 | 1 |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | 1^a | 2^a | 1^a | | 2^a | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
**2.** De in het eerste lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimum-leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
**3.**
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning
a) in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
b) in de groep 3, 5 en 6 exploitatiewijze A1, Standaard S1,
kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid.
### Artikel 23.12
**1.**
Schepen voor dagtochten:
| Groepen naar toegestane aantal passagiers | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| A_1 | A_2 | B | | | |
| 1 | tot en met 75 personen | schipper................................... | 1 | 2 | 2 |
| stuurman.................................. | | | | | |
| volmatroos........................................ | | | | | |
| matroos.................................... | 1 | 1 | 2 | | |
| lichtmatroos.............................. | | | | | |
| machinist.................................. | | | | | |
| matroos-motordrijver.................. | | | | | |
| 2 | van 76 tot en met 250 personen | schipper................................... | 1 | 2 | 2 |
| stuurman.................................. | | | | | |
| volmatroos................................ | | | | | |
| matroos.................................... | | | | | |
| lichtmatroos.............................. | | 114De lichtmatroos moet ten minste 18 jaar oud zijn. | 1^a | | |
| machinist.................................. | | | | | |
| matroos-motordrijver.................. | 115Eén matroos-motordrijver mag worden vervangen door twee scheepsjongens, waarvan er één ten minste 18 jaar oud is en voor het tweede jaar als scheepsjongen werkzaam is. | 1 | 1 | | |
| 3 | van 251 tot en met 600 personen | schipper................................... | 1 | 2 | 3 |
| stuurman.................................. | | | | | |
| volmatroos................................ | 1 | | | | |
| matroos.................................... | | 1 | 1 | | |
| lichtmatroos.............................. | | | | | |
| machinist.................................. | | | | | |
| matroos-motordrijver.................. | 1^b | 1 | 1 | | |
| 4 | van 601 tot en met 1000 personen | schipper................................... | 1 | 2 | 3 |
| stuurman.................................. | 1 | | | | |
| volmatroos................................ | | | | | |
| matroos.................................... | 1 | 2 | 2 | | |
| lichtmatroos.............................. | 1 | | | | |
| machinist.................................. | | 1 | 1 | | |
| matroos-motordrijver.................. | 1 | | | | |
| 5 | van 1001 tot en met 2000 personen | schipper................................... | 2 | 2 | 3 |
| stuurman.................................. | | | | | |
| volmatroos................................ | | | | | |
| matroos.................................... | 3 | 3 | 3 | | |
| lichtmatroos.............................. | | 1^a | 1^a | | |
| machinist.................................. | 1 | 1 | 1 | | |
| matroos-motordrijver.................. | | | | | |
| 6 | meer dan 2000 personen | schipper................................... | 2 | 2 | 3 |
| stuurman.................................. | | | | | |
| volmatroos................................ | | | | | |
| matroos.................................... | 3^b | 3 | 3 | | |
| lichtmatroos.............................. | 1 | | 1^a | | |
| machinist.................................. | 1 | 1 | 1 | | |
| matroos-motordrijver.................. | | | | | |
| 7 | stoomschepen voor 1000 tot en met 2000 personen | schipper................................... | 2 | 2 | 3 |
| stuurman.................................. | | | | | |
| volmatroos................................ | | | | | |
| matroos.................................... | 3^b | 3 | 3 | | |
| lichtmatroos | | 1 | 1^a | | |
| machinist | 3 | 3 | 3 | | |
| matroos-motordrijver | | | | | |
De minimum-bemanning voor schepen voor dagtochten bestaat uit:
| Groep | Bemannings-leden | | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | | | | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | A1 | A2 | B | | | |
| | | | | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal passagiers: tot en met 75 | schipper | | 1 | | 2 | | 2 | 2 |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | | | | | 1 |
| | | matroos | | 1 | | 1 | | 2 | |
| | | lichtmatroos | | | | | | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | | | | | | |
| 2 | Toegestaan aantal passagiers: van 76 tot en met 250 | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | | 2 | |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | | | | | |
| | | matroos | 1 | | 1 | | | 1 | |
| | | lichtmatroos | 1 | | 1 | 11De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. | | 1^a | |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | 1 | | 1 | | 1 | |
| 3 | Toegestaan aantal passagiers: van 251 tot en met 600 | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | 1 | 1 | 1 | | | | |
| | | matroos | | | | 1 | | 1 | |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | | 1 | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | 1 | | | 1 | 1 | 1 | 1 |
| 4 | Toegestaan aantal passagiers: van 601 tot en met 1000 | schipper | | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | 1 | 1 | | | | |
| | | volmatroos | | | | | 1 | | 1 |
| | | matroos | | 1 | | 2 | | 2 | |
| | | lichtmatroos | | 1^a | 2^a | | 1 | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| 5 | Toegestaan aantal passagiers: van 1001 tot en met 2000 | schipper | 2 | of 2 | 2 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | 1 | | 1 | | 1 |
| | | matroos | 3 | 2 | 1 | 3 | 1 | 3 | 1 |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | 1^a | 2^a | 1^a | 2^a |
| | | machinist of matroos-motordrijver | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| 6 | Toegestaan aantal passagiers: meer dan 2000 | schipper | | 2 | 2 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | 1 | | 1 | | 1 |
| | | matroos | | 3 | 1 | 4 | 2 | 4 | 2 |
| | | lichtmatroos | | 1^a | 2^a | | 1 | 1^a | 2 ^a |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
**2.**
Hotelschepen:
De minimum-bemanning voor stoomschepen voor dagtochten bestaat uit:
| Groepen naar toegestane aantal passagiers | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij exploitatiewijze | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| A_1 | A_2 | B | | | |
| 1 | tot en met 50 bedden | schipper....................... | 1 | 2 | 3 |
| stuurman..................... | | | | | |
| volmatroos................... | 1 | | | | |
| matroos....................... | | 1 | 1 | | |
| lichtmatroos................. | | | | | |
| machinist..................... | | | | | |
| matroos-motordrijver..... | 1 | 1 | 1 | | |
| 2 | van 51 tot en met 100 bedden | schipper....................... | 1 | 2 | 3 |
| stuurman..................... | 1 | | | | |
| volmatroos................... | | | | | |
| matroos....................... | 1 | 1 | 1 | | |
| lichtmatroos................. | | | | | |
| machinist..................... | | 1 | 1 | | |
| matroos-motordrijver..... | 1 | | | | |
| 3 | meer dan 100 bedden | schipper....................... | 1 | 2 | 3 |
| stuurman..................... | 1 | | | | |
| volmatroos................... | | | | | |
| matroos....................... | 216Eén matroos mag worden vervangen door 2 scheepsjongens, van wie één ten minste 18 jaar is en voor het tweede jaar als scheepsjongen werkzaam is. | 3 | 3 | | |
| lichtmatroos................. | | | | | |
| machinist..................... | 1 | 1 | 1 | | |
| matroos-motordrijver..... | | | | | |
| Groep | Bemannings-leden | | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | | | | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | A1 | A2 | B | | | |
| | | | | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal passagiers: van 501 tot en met 1000 | schipper | | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | 1 | 1 | | | | |
| | | volmatroos | | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| | | matroos | | 1 | | 1 | | 1 | |
| | | lichtmatroos | | | 1 | | 1 | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver2De Commissie van Deskundigen bepaalt of machinisten en/of matrozen-motordrijvers vereist zijn en vult dat in het certificaat van onderzoek in onder nummer 52. | | 2 | 2 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| 2 | Toegestaan aantal passagiers: van 1001 tot en met 2000 | schipper | 2 | of 2 | 2 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | | | 1 | | 1 | | 1 |
| | | matroos | 3 | 2 | 1 | 3 | 1 | 3 | 1 |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | 11De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. | 2^b | 1^b | 2^b |
| | | machinist of matroos-motordrijver^a | 3 | 3 | 3 | 3 | 3 | 3 | 3 |
**3.**
De minimum-bemanning voor hotelschepen bestaat uit:
| Groep | Bemanningsleden | | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | | | | | | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | | | A1 | A2 | B | | | |
| | | | | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 | schipper | | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | | | | | | |
| | | volmatroos | | 1 | | | | | |
| | | matroos | | | | 1 | | 1 | |
| | | lichtmatroos | | | 2 | | 1 | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| 2 | Toegestaan aantal bedden: van 51 tot en met 100 | schipper | | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | | 1 | 1 | | | | |
| | | volmatroos | | | | | | | |
| | | matroos | | 1 | | 1 | | 1 | |
| | | lichtmatroos | | | 1 | | 1 | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| 3 | Toegestaan aantal bedden: meer dan 100 | schipper | 1 | of 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 |
| | | stuurman | 1 | 1 | 1 | | | | |
| | | volmatroos | | | | | 1 | | 1 |
| | | matroos | 2 | 1 | 1 | 3 | 1 | 3 | 1 |
| | | lichtmatroos | | 2 | 1 | | 1 | | 1 |
| | | machinist of matroos-motordrijver | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
**4.** Voor passagiersschepen, bedoeld in het eerste en het derde lid, die zonder passagiers aan boord varen, geldt de minimum-bemanning volgens artikel 23.10.
**5.** De in het eerste en tweede lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimum-leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
**6.**
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning (schepen voor dagtochten)
a) in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
b) in de groepen 3 en 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid.
**7.** De in het tweede lid voorgeschreven minimum-bemanning (stoomschepen voor dagtochten) in de groep 2, exploitatiewijze A1, standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid.
**8.** De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning (hotelschepen) in de groep 3, exploitatiewijze A1, standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.
### Artikel 23.13
Wanneer de uitrusting van een motorschip, duwboot, gekoppeld samenstel of van een ander hecht samenstel, dan wel een passagiersschip niet aan de in artikel 23.09, eerste lid, genoemde voorschriften voldoet, dient de minimum bemanning te worden versterkt met één matroos bij de exploitatiewijzen A_1 en A_2 en met twee matrozen 1Wanneer uitsluitend niet wordt voldaan aan het gestelde in de onderdelen *i* of *l* of beide, bestaat de versterking bij exploitatiewijze B uit één matroos in plaats van twee. bij de exploitatiewijze B.
**1.**
Bovendien dienen, indien niet wordt voldaan aan één of meer van de onderdelen *a* tot en met *c*, een matroos te worden vervangen door een matroos-motordrijver bij de exploitatiewijzen A_1 en A_2 en twee matrozen door twee matrozen-motordrijvers bij de exploitatiewijze B.
Wanneer de uitrusting van een motorschip, een duwboot, een hecht samenstel, een andere hechte samenstelling of een passagiersschip niet voldoet aan de standaard S1, bedoeld in artikel 23.09, eerste lid, dient de minimum-bemanning, bedoeld in de artikelen 23.10, 23.11 of 23.12, te worden verhoogd
a) in de exploitatiewijze A1 en A2 telkens met een matroos, en
b) in de exploitatiewijze B telkens met twee matrozen.
Wordt alleen niet voldaan aan de gestelde eisen in de onderdelen i en l, onderscheidenlijk de onderdelen i of l van de standaard S1, bedoeld in artikel 23.09, dan wordt de bemanning bij exploitatiewijze B met één matroos in plaats van twee verhoogd.
**2.**
Wordt niet voldaan aan één of meer gestelde eisen van artikel 23.09, lid 1.1, onderdelen a tot en met c, dan moeten worden vervangen
a) in de exploitatiewijze A1 en A2 de matroos, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, door een matroos-motordrijver, en
b) in de exploitatiewijze B de twee matrozen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door twee matrozen-motordrijver.
### Artikel 23.14
De Commissie van Deskundigen stelt voor de vaartuigen waarop de artikelen 23.10 tot en met 23.12 niet van toepassing zijn, zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen, vast welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden, naargelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en bestemming.
De Commissie van Deskundigen stelt voor de vaartuigen waarop de artikelen 23.10 tot en met 23.12 niet van toepassing zijn, zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen, vast welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden, naar gelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en bestemming. Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimum-bemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 23.10.
Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimum bemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 23.10.
### Artikel 23.15
Voor de vaart beneden het Spijksche Veer (km 857,40) kan, voorzover de Duits-Nederlandse grens tijdens de vaart in de ene of de andere richting niet wordt overschreden, in plaats van met de voorschriften van dit hoofdstuk, worden volstaan met de voorschriften van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart.
## Titel Deel IV
@ -4113,20 +4292,32 @@ Indien de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek afloopt in de period
### Artikel 24.04
**1.** Voor vaartuigen, waarvan het minste vrijboord overeenkomstig artikel 4.04 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften is vastgesteld, kan de Commissie van Deskundigen op verzoek van de eigenaar het vrijboord vaststellen op grond van artikel 4.03 van de op 1 januari 1995 geldende voorschriften.De vergroting van L van een vaartuig dat vóór 1 april 1976 is gebouwd heeft geen invloed op het vastgestelde vrijboord, indien door deze verlenging de hoogte en de lengte van de voorste en de achterste zeeg alsmede de hoogte en de breedte van de opbouw met inbegrip van de denneboom niet verminderd worden.
**1.** Voor vaartuigen, waarvan het minste vrijboord overeenkomstig artikel 4.04 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften is vastgesteld, kan de Commissie van Deskundigen op verzoek van de eigenaar het vrijboord vaststellen op grond van artikel 4.03 van de op 1 januari 1995 geldende voorschriften.
**2.** Vaartuigen, waarvan de kiel is gelegd vóór 1 juli 1983, hoeven niet te voldoen aan hoofdstuk 9. Deze vaartuigen moeten echter ten minste voldoen aan hoofdstuk 6 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften.
**3.** Artikel 15.07, tweede lid onder *b*, en artikel 15.09, tweede volzin, met betrekking tot de bepaling over de enige slanglengte, zijn slechts van toepassing op vaartuigen waarvan de kiel is gelegd ná 30 september 1984, alsmede in geval van verbouwing op het verbouwde deel.4. Indien de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen na afloop van de overgangsbepalingen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan de Commissie van Deskundigen op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
**3.** Artikel 15.07, tweede lid onder *b*, en artikel 15.09, tweede volzin, met betrekking tot de bepaling over de enige slanglengte, zijn slechts van toepassing op vaartuigen waarvan de kiel is gelegd ná 30 september 1984, alsmede in geval van verbouwing op het verbouwde deel.
**4.** Indien de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen na afloop van de overgangsbepalingen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan de Commissie van Deskundigen op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
### Artikel 24.05
In afwijking van artikel 23.04, vijfde lid, mag vaartijd die vóór 1 april 1988 is vervuld tot en met 30 september 1998 worden aangetoond aan de hand van andere dokumenten dan het dienstboekje, voorzover dat nog niet was voorgeschreven.
Onverminderd de bepalingen van artikel 23.03 betreffende de lichamelijke geschiktheid geldt de volgende overgangsregeling voor hoofdstuk 23:
1. Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame deksman kan de bevoegdheid als matroos verkrijgen, nadat hij zijn 19e levensjaar heeft beëindigd en een vaartijd als lid van de dekbemanning van ten minste drie jaar heeft aangetoond; daarvan moeten ten minste een jaar in de binnenvaart en twee jaar in de binnenvaart of in de zee- of kustvaart dan wel de visserij vervuld zijn. Deze matroos kan de bevoegdheid als:
a) volmatroos verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste een jaar als matroos kan aantonen;
b) stuurman verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste twee jaar als matroos kan aantonen.
2. Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame matroos kan de bevoegdheid als volmatroos verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste een jaar als matroos kan aantonen.
3. Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame matroos kan de bevoegdheid als stuurman verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste twee jaar als matroos kan aantonen.
4. Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame volmatroos kan de bevoegdheid als stuurman verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste een jaar als volmatroos kan aantonen.
## Bijlage A. Model van de aanvraag van een onderzoek
## Bijlage B. Model van het certificaat van onderzoek
Raadpleeg voor de wijziging op nummer 47 van het certificaat van onderzoek Stb. 2002/291.
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
@ -4201,4 +4392,6 @@ Raadpleeg voor deze bijlage Stb. 1997/494.
Aanvullende voorschriften en modellen van certificaten
## Bijlage K. (Model)
## Bijlage . REGLEMENT ONDERZOEK SCHEPEN OP DE RIJN 1995