2002-01-01 | BWBR0002633 | Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
This commit is contained in:
parent
aaf1b61e27
commit
7f513bc875
1 changed files with 103 additions and 197 deletions
|
|
@ -14,7 +14,7 @@ citeertitel: Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
|
|||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
**1.** Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 8, vijfde lid, 9, tweede lid, onderdeel b, 11, eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, onder 3°, o, onder 2°, en u, en negende lid, 12, vijfde lid, 17c, tweede lid, 17d, 20, tweede lid, onderdeel b, 29, negende lid, 29a, tweede lid, 33g, tweede, vierde en zesde lid, en 39 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en aan artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
|
||||
**1.** Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 8, vijfde lid, 9, tweede lid, onderdeel b, 11, eerste lid, aanhef en onderdelen f, o, 2° en u, 12, vierde lid, 17c, tweede lid, 17d, 20, tweede lid, onderdeel b, 29, derde lid, 29a, tweede lid, 33a, tweede, vierde en zesde lid, 39, 50, achtste en elfde lid, en 50a, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, alsmede aan artikel III van de Wet van 30 september 1986 (*Stb.* 479).
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -29,11 +29,11 @@ b. belasting: omzetbelasting.
|
|||
|
||||
**1.** Met kortingen wegens contante betaling wordt voor de bepaling van de vergoeding terstond rekening gehouden, mits op de factuur - ingeval deze wordt uitgereikt - de korting in mindering wordt gebracht op het in rekening te brengen bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** In gevallen waarin het eerste lid toepassing heeft gevonden en de korting wegens contante betaling uiteindelijk geheel of ten dele niet wordt genoten, wordt de belasting alsnog verschuldigd over het bedrag van de niet genoten korting. De artikelen 13, 17g en 34c tot en met 35 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het tijdstip waarop het niet-genieten van de korting komt vast te staan, geacht wordt te zijn het tijdstip waarop de levering, de intracommunautaire verwerving of de dienst is verricht.
|
||||
**2.** In gevallen waarin het eerste lid toepassing heeft gevonden en de korting wegens contante betaling uiteindelijk geheel of ten dele niet wordt genoten, wordt de belasting alsnog verschuldigd over het bedrag van de niet genoten korting. De artikelen 13, 17*g* en 35 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het tijdstip waarop het niet-genieten van de korting komt vast te staan, geacht wordt te zijn het tijdstip waarop de levering, de intracommunautaire verwerving of de dienst is verricht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
Artikel 29, eerste tot en met het vijfde, zevende en achtste lid, en artikel 29a, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op bedragen welke niet zijn ontvangen onderscheidenlijk betaald ten gevolge van een korting voor contante betaling, indien niet ter zake van die korting een aanvullende factuur is uitgereikt.
|
||||
Artikel 29, eerste en tweede lid, en artikel 29a, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op bedragen welke niet zijn ontvangen onderscheidenlijk betaald ten gevolge van een korting voor contante betaling, indien niet ter zake van die korting een aanvullende factuur is uitgereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -43,9 +43,9 @@ Tot de vergoeding behoren niet:
|
|||
|
||||
a. vervallen;
|
||||
b. de assurantiekosten welke de ondernemer die de prestatie verricht, aan een andere ondernemer moet voldoen, mits zij afzonderlijk in rekening worden gebracht;
|
||||
c. de voor degene aan wie de dienst wordt bewezen, aan rechten bij invoer als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene douanewet en andere belastingen en heffingen gedane uitschotten, alsmede andere bij ministeriële regeling aan te wijzen met doorlopende posten gelijk te stellen bedragen betreffende niet belastbare of vrijgestelde prestaties.
|
||||
c. de voor degene aan wie de dienst wordt bewezen, aan rechten bij invoer als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Douanewet en andere belastingen en heffingen gedane uitschotten, alsmede andere bij ministeriële regeling aan te wijzen met doorlopende posten gelijk te stellen bedragen betreffende niet belastbare of vrijgestelde prestaties.
|
||||
|
||||
**2.** Voorts behoort bij levering van gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen en gebruikte bestelauto’s anders dan met toepassing van artikel 28b of 28d van de wet, niet tot de vergoeding, het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto nog behorende bedrag aan belasting bedoeld in en berekend overeenkomstig het bij of krachtens artikel 10, derde en zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 bepaalde. In afwijking hiervan behoort bij levering van gebruikte motorrijtuigen waarvoor op de voet van de in de vorige volzin genoemde wet een vrijstelling of een teruggaaf is verleend, niet tot de vergoeding het bedrag dat ingevolge die wet bij het afstoten van het motorrijtuig moet worden voldaan door de ondernemer die het motorrijtuig levert, met dien verstande dat de eerste volzin van overeenkomstige toepassing is voor zover de belasting voor het motorrijtuig al op een eerder tijdstip is voldaan omdat niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling, onderscheidenlijk de teruggaaf, werd voldaan.
|
||||
**2.** Voorts behoort bij levering van gebruikte personenauto’s en gebruikte motorrijwielen anders dan met toepassing van artikel 28*b* of 28*d* van de wet, niet tot de vergoeding, het bij de personenauto of het motorrijwiel nog behorende bedrag aan belasting bedoeld in en berekend overeenkomstig artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. In afwijking hiervan behoort bij levering van gebruikte personenauto's en gebruikte motorrijwielen waarvoor de belasting van personenauto's en motorrijwielen geheel of gedeeltelijk is teruggegeven op de voet van artikel 15 of 16 van laatstgenoemde wet, niet tot de vergoeding het bedrag dat ingevolge artikel 15 van die wet bij het afstoten van het desbetreffende gebruikte motorrijtuig moet worden voldaan dan wel, wanneer het gaat om een gebruikt motorrijtuig als bedoeld in artikel 16, nog niet onvoorwaardelijk is teruggegeven.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is alleen van toepassing indien de ondernemer op de factuur het bedrag vermeldt dat hij als belasting als bedoeld in de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 op de vergoeding in mindering heeft gebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -65,7 +65,7 @@ c. de voor degene aan wie de dienst wordt bewezen, aan rechten bij invoer als be
|
|||
|
||||
### Artikel 5a
|
||||
|
||||
Bij de berekening van de belasting over de vergoeding en over de douanewaarde overeenkomstig de artikelen 8, eerste lid, en 17c, eerste lid, respectievelijk artikel 19, eerste lid, van de wet, wordt het bedrag van de verschuldigde belasting rekenkundig afgerond op centen. Deze rekenkundige afronding op centen wordt zodanig toegepast dat bij bedragen waarbij de derde decimaal het cijfer 5 of een hoger cijfer bereikt omhoog wordt afgerond, en dat in geval de derde decimaal dit cijfer niet bereikt omlaag wordt afgerond.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. Vrijstellingen; tarief
|
||||
|
||||
|
|
@ -75,105 +75,54 @@ Voor de toepassing van de in artikel 11 van de wet vervatte vrijstellingen is de
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f , van de wet, worden aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage B.
|
||||
**1.** Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel *f*, van de wet, worden aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage B.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor zover niet vallend onder de bij dit besluit behorende bijlage B worden voorts als leveringen en diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet aangewezen:
|
||||
Tot de in het eerste lid bedoelde leveringen en diensten behoren niet, behoudens voor zover in bijlage B bij dit besluit anders is bepaald:
|
||||
|
||||
a. leveringen en diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren;
|
||||
|
||||
en
|
||||
b. diensten van culturele aard andere dan die genoemd in de bij de wet behorende tabel I, onderdeel b, alsmede nauw daarmee samenhangende leveringen;
|
||||
|
||||
voor zover met deze leveringen en diensten geen winst wordt beoogd en niet een verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen en welke worden verricht door een publiekrechtelijk lichaam of door een andere organisatie die, na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek, door de inspecteur ter zake bij voor bezwaar vatbare beschikking is erkend als instelling van sociale of culturele aard. De inspecteur geeft in deze beschikking aan welke activiteiten van een instelling behoren tot dan wel niet behoren tot de aangewezen leveringen en diensten.
|
||||
a. het verstrekken van spijzen en dranken;
|
||||
b. het verrichten van onderzoek;
|
||||
c. het ter beschikking stellen van personeel;
|
||||
d. het verzorgen van loon- en salarisadministraties, financiële administraties en grootboekadministraties;
|
||||
e. andere bij ministeriële regeling in verband met het voorkomen van een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen aan te wijzen leveringen of diensten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De inspecteur trekt de erkenning, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking in en vervangt deze al dan niet door een nieuwe erkenning bij:
|
||||
De ondernemers die zijn genoemd in onderdeel *a* van bijlage B bij dit besluit zijn gehouden Onze Minister in kennis te stellen van wijzigingen in de statuten, alsmede Onze Minister in het jaar 1994 en vervolgens om de vijf jaren, binnen zes maanden na afloop van het laatst verstreken boekjaar, hun financiële jaarstukken over dat boekjaar toe te zenden.
|
||||
|
||||
a. wijzigingen in de aard en samenstelling van de leveringen en diensten van de instelling;
|
||||
b. het beogen van winst door de instelling;
|
||||
c. het optreden van een verstoring van concurrentieverhoudingen ten opzichte van ondernemers die winst beogen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden niet aangemerkt:
|
||||
|
||||
a. de leveringen van goederen welke door de in het tweede lid bedoelde instellingen in het kader van arbeidstherapie zijn voortgebracht en de diensten welke door die instellingen in dat kader worden verricht;
|
||||
b. diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2° en 3°, van de wet die worden verleend aan anderen dan de daarin bedoelde personen.
|
||||
|
||||
**5.** Onder het niet beogen van winst, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstaan dat niet systematisch het maken van winst mag worden beoogd en, zo er wel winst wordt gemaakt, deze niet mag worden uitgekeerd, maar die winst moet worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de leveringen en diensten die worden verleend.
|
||||
|
||||
**6.** Bij wijzigingen in de aard en samenstelling van de leveringen en diensten van een instelling stelt de instelling de inspecteur daarvan in kennis.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, van de wet worden aangewezen de diensten die verleend worden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, mits deze diensten:
|
||||
|
||||
a. worden verricht door de gemeente zelf of ter uitvoering van een overeenkomst die door de gemeente daartoe is gesloten;
|
||||
b. worden verleend aan personen die op grond van de artikelen 1.2.1. en 2.2.3. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ondersteund worden, en
|
||||
c. bestaan uit:
|
||||
|
||||
1°. het schoonhouden van de woonruimte;
|
||||
2°. het schoonhouden van kleding en huishoudlinnen behorende tot het huishouden van de cliënt;
|
||||
3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de verzorging van de cliënt;
|
||||
4°. ondersteunende activiteiten gericht op de bevordering van participatie en zelfredzaamheid.
|
||||
|
||||
**2.** Het vereiste, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, geldt niet ten aanzien van diensten verricht voor de cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt als bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Tot de diensten, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval niet:
|
||||
|
||||
a. het doen van aanpassingen aan, op of in de woonruimte;
|
||||
b. het verrichten van onderhoud of herstelwerkzaamheden aan, op of in de woonruimte;
|
||||
c. hovenierswerkzaamheden;
|
||||
d. vervoersdiensten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Als dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, van de wet wordt eveneens aangewezen het ter beschikking stellen van personeel aan een andere ondernemer in het kader van diensten die verleend worden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, mits:
|
||||
|
||||
a. de uitlener voor zijn primaire activiteiten de vrijstelling, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, van de wet, toepast;
|
||||
b. de inlener het personeelslid inzet voor diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, van de wet;
|
||||
c. de terbeschikkingstelling van het personeel onontbeerlijk is voor het verrichten van deze vrijgestelde diensten; en
|
||||
d. de terbeschikkingstelling van het personeel er in hoofdzaak niet toe strekt extra opbrengsten te verkrijgen door de uitlener in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemers die aan de heffing van belasting zijn onderworpen.
|
||||
Indien de in het eerste lid bedoelde aanwijzing heeft plaatsgevonden na 31 december 1993 worden, in afwijking van het in de vorige volzin bepaalde, de financiële jaarstukken binnen zes maanden na afloop van het vijfde boekjaar na deze aanwijzing en vervolgens om de vijf jaren aan Onze Minister toegezonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2°, van de wet, wordt aangewezen:
|
||||
Als onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel *o*, 2°, van de wet, wordt aangewezen:
|
||||
|
||||
a. beroepsopleidingen verzorgd door:
|
||||
|
||||
1°. instellingen die opgenomen zijn in het Instellingenregister Beroepsonderwijs;
|
||||
2°. natuurlijke personen die opgenomen zijn in het Docentenregister Beroepsonderwijs voor zover het betreft het verzorgen van beroepsopleidingen die niet worden uitgevoerd als instelling als bedoeld onder 1^o, of
|
||||
3°. de uit de openbare kassen bekostigde instellingen, genoemd in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of bedoeld bij de Wet educatie en beroepsonderwijs;
|
||||
b. algemeen vormend onderwijs, ontleend aan het uit de openbare kassen bekostigde onderwijs dat is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 1°, van de wet, met uitzondering van het onderwijs dat een vrijetijds-karakter heeft dan wel dient om vaardigheden in de persoonlijke levenssfeer te verwerven;
|
||||
a. beroepsopleidingen;
|
||||
b. algemeen vormend onderwijs, ontleend aan het uit de openbare kassen bekostigde onderwijs dat is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel *o*, 1°, van de wet, met uitzondering van het onderwijs dat een vrijetijds-karakter heeft dan wel dient om vaardigheden in de persoonlijke levenssfeer te verwerven;
|
||||
c. onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming, aan personen jonger dan 21 jaar;
|
||||
d. bijlessen en tentamen- of examentrainingen die worden verstrekt in het kader van het onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet.
|
||||
d. bijlessen en tentamen- of examentrainingen die worden verstrekt in het kader van het onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel *o*, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** Onder onderwijs wordt mede begrepen het afnemen van examens ter toelating tot of ter afsluiting van onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet, ook indien dat geschiedt door een ander dan de ondernemer die voor het desbetreffende examen heeft opgeleid.
|
||||
**2.** Onder onderwijs wordt mede begrepen het afnemen van examens ter afsluiting van onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel *o*, van de wet, ook indien dat geschiedt door een ander dan de ondernemer die voor het desbetreffende examen heeft opgeleid.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de wet, worden aangewezen de diensten, verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van:
|
||||
Als diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel *u*, van de wet, worden aangewezen de diensten, verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van:
|
||||
|
||||
a. vervallen;
|
||||
a. rechtspersonen welke zijn toegelaten op grond van artikel 34 van de Ziekenfondswet, voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor de door die rechtspersonen verrichte prestaties;
|
||||
b. instellingen welke zijn toegelaten om op de voet van de Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting, voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het beheer of het onderhoud van woningwet- of premiewoningen;
|
||||
c. vervallen;
|
||||
c. onderwijsinstellingen, voor zover de diensten bestaan in het verzorgen van de administratie;
|
||||
d. verplegings- en verzorgingsinstellingen waarvan de prestaties zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de wet, voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het verrichten van die prestaties, met uitzondering van de diensten, bestaande in de wasverzorging en het verzorgen van de loon- en salarisadministratie, de financiële administratie en de grootboekadministratie;
|
||||
e. kruisverenigingen waarvan de prestaties zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het verrichten van die prestaties;
|
||||
f. andere dan hiervoor genoemde personen of lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die prestaties verrichten welke zijn vrijgesteld of waarvoor zij geen ondernemer zijn, voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het verrichten van die prestaties, met uitzondering van de diensten, bestaande in het verzorgen van de loon- en salarisadministratie, de financiële administratie en de grootboekadministratie.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is alleen van toepassing, indien de daar bedoelde zelfstandige groeperingen ter zake van de aan hun leden verrichte diensten slechts terugbetaling vorderen van het aandeel van die leden in de gezamenlijke uitgaven.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid geldt niet voor diensten bestaande in het ter beschikking stellen van personeel en andere bij ministeriële regeling in verband met het voorkomen van een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen aan te wijzen diensten.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
@ -192,24 +141,19 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het tarief van nihil slechts van toepassing:
|
||||
|
||||
a. 1°. voor wat betreft de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van luchtvaartuigen, alsmede de diensten welke ten aanzien van luchtvaartuigen worden verricht, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de afnemer van de luchtvaartuigen, onderscheidenlijk degene aan wie de diensten ten aanzien van luchtvaartuigen worden verleend, dat het luchtvaartuigen betreft als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 3;
|
||||
2°. voor wat betreft de leveringen van goederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 6, indien de ondernemer:
|
||||
a. voor wat betreft de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van luchtvaartuigen, alsmede de diensten welke ten aanzien van luchtvaartuigen worden verricht, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de afnemer van de luchtvaartuigen, onderscheidenlijk degene aan wie de diensten ten aanzien van luchtvaartuigen worden verleend, dat hij de luchtvaartuigen hoofdzakelijk als openbaar vervoermiddel in het internationaal verkeer bezigt of zal bezigen;
|
||||
b. 1°. voor wat betreft de leveringen van accijnsgoederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel *a*, post 7, onder *a*, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de accijnsgoederen afneemt dat deze de goederen geleverd krijgt en in opslag neemt in een accijnsgoederenplaats als bedoeld in de Wet op de accijns die voor die soort accijnsgoederen als zodanig is aangewezen, en dat deze de goederen niet aan dat regime zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is;
|
||||
2°. voor wat betreft de leveringen van minerale oliën als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel *a*, post 7, onder *b*, indien de ondernemer kan overleggen een afschrift van het geleidedocument alsmede een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de minerale oliën afneemt dat deze de minerale oliën niet aan het geleidedocument zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is;
|
||||
c. voor wat betreft de leveringen van goederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel *a*, post 8, onder *a*, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de goederen afneemt dat deze die goederen opneemt in zijn niet-plaatsgebonden entrepot als bedoeld in die post, onder vermelding van het nummer van zijn entrepotvergunning, en dat deze de goederen niet aan dat regime zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is.
|
||||
d. voor wat betreft de achtereenvolgende leveringen die plaatsvinden ingeval door meer dan één persoon overeenkomsten worden gesloten met de verplichting tot levering van eenzelfde goed dat vervolgens door de eerste persoon rechtstreeks aan de laatste afnemer buiten de Gemeenschap of in een entrepot wordt afgeleverd, indien een door iedere afnemer - behalve de buitenlandse - aan zijn leverancier uit te reiken schriftelijke opdracht tot uitvoer uit de Gemeenschap of tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, eerste lid, onderdeel *b*, van het Communautair douanewetboek kan worden overgelegd;
|
||||
e. voor wat betreft de levering van een motorrijtuig waarvoor ter zake van de in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde opgaaf van een kenteken een bewijs is afgegeven en welk motorrijtuig door een ondernemer wordt vervoerd naar een andere Lid-Staat, wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap of wordt gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, eerste lid, onderdeel *b*, van het Communautair douanewetboek, indien de ondernemer een schriftelijke verklaring van de inspecteur kan overleggen waaruit blijkt, dat dat bewijs bij hem is ingeleverd;
|
||||
f. voor wat betreft de levering door een ondernemer als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wet, van een nieuw vervoermiddel dat wordt vervoerd naar een andere Lid-Staat, indien de ondernemer aan de inspecteur de naam en het adres meldt van degene aan wie de levering is verricht.
|
||||
|
||||
– beschikt over het btw-identificatienummer van degene die de goederen afneemt en dit btw-identificatienummer is toegekend door een andere lidstaat dan die waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt;
|
||||
– voldoet aan de verplichting om een lijst in te dienen, bedoeld in artikel 37a van de wet; en
|
||||
– op die lijst opgave doet van de gegevens, bedoeld in artikel 37a, tweede lid, van de wet;
|
||||
b. 1°. voor wat betreft de leveringen van accijnsgoederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, onder a, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de accijnsgoederen afneemt dat deze de goederen geleverd krijgt en in opslag neemt in een accijnsgoederenplaats als bedoeld in de Wet op de accijns die voor die soort accijnsgoederen als zodanig is aangewezen, en dat deze de goederen niet aan dat regime zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is;
|
||||
2°. voor wat betreft de leveringen van minerale oliën als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, onder b, indien de ondernemer een schriftelijke verklaring kan overleggen van de afnemer van de minerale oliën dat deze de minerale oliën niet aan de accijnsschorsingsregeling zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is;
|
||||
c. voor wat betreft de leveringen van goederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 8, onder a, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de goederen afneemt dat deze die goederen opneemt in zijn niet-plaatsgebonden entrepot als bedoeld in die post, onder vermelding van het nummer van zijn entrepotvergunning, en dat deze de goederen niet aan dat regime zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is.
|
||||
d. voor wat betreft de achtereenvolgende leveringen die plaatsvinden ingeval door meer dan één persoon overeenkomsten worden gesloten met de verplichting tot levering van eenzelfde goed dat vervolgens door de eerste persoon rechtstreeks aan de laatste afnemer buiten de Unie of in een douane-entrepot wordt afgeleverd, indien een door iedere afnemer - behalve de buitenlandse - aan zijn leverancier uit te reiken schriftelijke opdracht tot uitvoer uit de Unie of tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot op basis van artikel 237, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie kan worden overgelegd;
|
||||
e. voor wat betreft de levering van een motorrijtuig waarvoor ter zake van de in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde opgaaf van een kenteken een bewijs is afgegeven en welk motorrijtuig door een ondernemer wordt vervoerd naar een andere lidstaat of wordt uitgevoerd uit de Unie, indien de ondernemer een afschrift van het ter zake door de Dienst Wegverkeer afgegeven kentekenbewijs deel II, dat hem is uitgereikt op de voet van artikel 17, tweede lid, van het Kentekenreglement, kan overleggen;
|
||||
f. voor wat betreft de levering door een ondernemer als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wet, van een nieuw vervoermiddel dat wordt vervoerd naar een andere lidstaat, indien de ondernemer aan de inspecteur de naam en het adres meldt van degene aan wie de levering is verricht.
|
||||
In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de onderdelen *b* en *c* niet in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar geen vaste inrichting heeft, dient deze voor de toepassing van het tarief van nihil een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 24c te hebben aangesteld.
|
||||
|
||||
In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de onderdelen b en c niet in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar geen vaste inrichting heeft, dient deze voor de toepassing van het tarief van nihil een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 24c te hebben aangesteld.
|
||||
**3.** In geval een ondernemer die een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onderdeel *b* of *c*, heeft afgegeven, aan de desbetreffende goederen een andere bestemming geeft, wordt de belasting ter zake van de aan hem verrichte levering van die goederen alsnog verschuldigd naar het tarief als bedoeld in artikel 9, eerste lid, dan wel tweede lid, onderdeel a, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** In geval een ondernemer die een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, heeft afgegeven, aan de desbetreffende goederen een andere bestemming geeft, wordt de belasting ter zake van de aan hem verrichte levering van die goederen alsnog verschuldigd naar het tarief als bedoeld in artikel 9, eerste lid, dan wel tweede lid, onderdeel a, van de wet.
|
||||
|
||||
**4.** In geval het derde lid toepassing vindt met betrekking tot accijnsgoederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, wordt de maatstaf van heffing verhoogd met het bedrag van de accijns dat voor die goederen ingevolge de Wet op de accijns bij uitslag verschuldigd zou zijn.
|
||||
**4.** In geval het derde lid toepassing vindt met betrekking tot accijnsgoederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel *a*, post 7, wordt de maatstaf van heffing verhoogd met het bedrag van de accijns dat voor die goederen ingevolge de Wet op de accijns bij uitslag verschuldigd zou zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de wijze waarop de aanspraak op toepassing van het tarief van nihil wordt aangetoond.
|
||||
|
||||
|
|
@ -224,27 +168,17 @@ In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de onderdelen b
|
|||
Bij ministeriële regeling kunnen aan de teruggaaf op de voet van artikel 24, eerste lid, van de wet voorwaarden worden verbonden welke betrekking kunnen hebben op:
|
||||
|
||||
a. het overleggen van bescheiden bij de aangifte ter verkrijging van de teruggaaf;
|
||||
b. de wijze waarop wordt aangetoond, dat de goederen waarvan de belasting wordt teruggevraagd, de Unie hebben verlaten of zijn geplaatst onder de regeling douane-entrepot op basis van artikel 237, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie.
|
||||
b. de wijze waarop wordt aangetoond, dat de goederen waarvan de belasting wordt teruggevraagd, de Gemeenschap hebben verlaten of onder het stelsel van douane-entrepots zijn gebracht op basis van artikel 98, eerste lid, onderdeel *b*, van het Communautair douanewetboek.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Suppletie
|
||||
## Hoofdstuk IV. Vis
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Zodra de belastingplichtige constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken.
|
||||
|
||||
**2.** De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden, maar niet later dan acht weken nadat de belastingplichtige de onjuistheid of onvolledigheid heeft geconstateerd.
|
||||
|
||||
**3.** De suppletie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op de door de inspecteur aangegeven wijze.
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
**1.** Het niet of niet tijdig doen van de suppletie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, en het niet doen van de suppletie op de op grond van artikel 15, derde lid, aangegeven wijze worden aangemerkt als een overtreding.
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete voor een overtreding als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.
|
||||
De belasting, verschuldigd ter zake van de invoer en de levering aan veilingen van vis, schaal-, schelp- en weekdieren die worden aangebracht per schip dat terugkeert van de visvangst, of per ventjager, bedraagt nihil.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Bijzondere regelingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -252,43 +186,42 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
De ondernemer die krachtens artikel 26 van de wet de belasting kan voldoen naar ontvangsten, kan, indien hij leveringen verricht zowel van 9%-goederen als van 21%-goederen, die hij niet zelf heeft vervaardigd, de ter zake verschuldigde belasting berekenen op een van de hierna omschreven wijzen.
|
||||
De ondernemer die krachtens artikel 26 van de wet de belasting kan voldoen naar ontvangsten, kan, indien hij leveringen verricht zowel van 6%-goederen als van 19%-goederen, die hij niet zelf heeft vervaardigd, de ter zake verschuldigde belasting berekenen op een van de hierna omschreven wijzen.
|
||||
|
||||
I. a. De ondernemer splitst zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde goederen in 9%-goederen en 21%-goederen;
|
||||
b. hij bepaalt voor alle in onderdeel a bedoelde goederen de winkelwaarde, waaronder in deze afdeling wordt verstaan de prijs waarvoor de goederen door hem worden verkocht;
|
||||
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in het lopende boekjaar tot en met het aan de orde zijnde belastingtijdvak ingekochte goederen naar de in onderdeel a bedoelde splitsing;
|
||||
d. de totale ontvangsten in het belastingtijdvak wegens levering van goederen verdeelt hij in ontvangsten voor 9%-goederen en ontvangsten voor 21%-goederen naar evenredigheid van de in onderdeel c bedoelde totale winkelwaarden;
|
||||
e. over het aldus berekende deel van de ontvangsten dat betrekking heeft op de 9%-goederen, bedraagt de belasting 9/109 en over het deel dat betrekking heeft op de 21%-goederen, 21/121 gedeelte;
|
||||
f. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, enz.);
|
||||
I. a. De ondernemer splitst zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde goederen in 6%-goederen en 19%-goederen;
|
||||
b. hij bepaalt voor alle in onderdeel *a* bedoelde goederen de winkelwaarde, waaronder in deze afdeling wordt verstaan de prijs waarvoor de goederen door hem worden verkocht;
|
||||
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in het lopende boekjaar tot en met het aan de orde zijnde belastingtijdvak ingekochte goederen naar de in onderdeel *a* bedoelde splitsing;
|
||||
d. de totale ontvangsten in het belastingtijdvak wegens levering van goederen verdeelt hij in ontvangsten voor 6%-goederen en ontvangsten voor 19%-goederen naar evenredigheid van de in onderdeel *c* bedoelde totale winkelwaarden;
|
||||
e. over het aldus berekende deel van de ontvangsten dat betrekking heeft op de 6%-goederen, bedraagt de belasting 6/106 en over het deel dat betrekking heeft op de 19%-goederen, 19/119 gedeelte;
|
||||
f. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine ondernemersregeling enz.);
|
||||
g. na afloop van het boekjaar wordt de belasting herrekend als volgt:
|
||||
|
||||
1°. de ondernemer bepaalt de winkelwaarde van de ten verkoop in voorraad zijnde goederen, gesplitst in 9%-goederen en 21%-goederen;
|
||||
2°. de onder 1° bedoelde winkelwaarde van de 9%-goederen wordt afgetrokken van de winkelwaarde van de in het boekjaar ingekochte 9%-goederen en de aldaar bedoelde winkelwaarde van de 21%-goederen wordt afgetrokken van de winkelwaarde van de in het boekjaar ingekochte 21%-goederen;
|
||||
3°. de totale ontvangsten in het boekjaar wegens levering van goederen verdeelt de ondernemer over de 9%- en de 21%-goederen naar evenredigheid van de uit 2° voortvloeiende saldi aan winkelwaarden voor die goederen;
|
||||
4°. van het aldus berekende deel van de ontvangsten dat betrekking heeft op de 9%-goederen, wordt 9/109 en over het deel dat betrekking heeft op de 21%-goederen, wordt 21/121 gedeelte genomen;
|
||||
5°. de som van de uitkomsten van de berekeningen onder 4° vormt het bedrag dat geacht wordt in het boekjaar aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, enz.);
|
||||
1°. de ondernemer bepaalt de winkelwaarde van de ten verkoop in voorraad zijnde goederen, gesplitst in 6%-goederen en 19%-goederen;
|
||||
2°. de onder 1° bedoelde winkelwaarde van de 6%-goederen wordt afgetrokken van de winkelwaarde van de in het boekjaar ingekochte 6%-goederen en de aldaar bedoelde winkelwaarde van de 19%-goederen wordt afgetrokken van de winkelwaarde van de in het boekjaar ingekochte 19%-goederen;
|
||||
3°. de totale ontvangsten in het boekjaar wegens levering van goederen verdeelt de ondernemer over de 6%- en de 19%-goederen naar evenredigheid van de uit 2° voortvloeiende saldi aan winkelwaarden voor die goederen;
|
||||
4°. van het aldus berekende deel van de ontvangsten dat betrekking heeft op de 6%-goederen, wordt 6/106 en over het deel dat betrekking heeft op de 19%-goederen, wordt 19/119 gedeelte genomen;
|
||||
5°. de som van de uitkomsten van de berekeningen onder 4° vormt het bedrag dat geacht wordt in het boekjaar aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine ondernemersregeling enz.);
|
||||
6°. indien deze herrekening leidt tot een hoger bedrag dan over het boekjaar aan belasting is afgedragen, moet het verschil worden voldaan op de aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar; leidt de herrekening tot een lager bedrag dan over het boekjaar aan belasting is afgedragen, dan wordt het verschil aan de ondernemer op verzoek teruggegeven;
|
||||
7°. op die aangifte voldoet de ondernemer tevens de belasting ter zake van het beschikken over goederen in de zin van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de wet (eigen gebruik) in het boekjaar, voor zover de vergoeding voor deze goederen niet in de onder 3° bedoelde ontvangsten zijn begrepen;
|
||||
h. de in onderdeel g - 1° bedoelde in voorraad zijnde goederen worden beschouwd als goederen die in het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar zijn ingekocht.
|
||||
II. a. De ondernemer houdt afzonderlijk aantekening van zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde 21%-goederen;
|
||||
7°. op die aangifte voldoet de ondernemer tevens de belasting ter zake van het beschikken over goederen in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel *g*, van de wet (eigen gebruik) in het boekjaar, voor zover de vergoeding voor deze goederen niet in de onder 3° bedoelde ontvangsten zijn begrepen;
|
||||
h. de in onderdeel *g* - 1° bedoelde in voorraad zijnde goederen worden beschouwd als goederen die in het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar zijn ingekocht.
|
||||
II. a. De ondernemer houdt afzonderlijk aantekening van zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde 19%-goederen;
|
||||
b. hij bepaalt voor die goederen de winkelwaarde;
|
||||
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in het belastingtijdvak ingekochte 21%-goederen en het verschil tussen de totale ontvangsten in dat belastingtijdvak wegens leveringen van goederen en die totale winkelwaarde;
|
||||
d. de belasting bedraagt 21/121 gedeelte van de in onderdeel c bedoelde totale winkelwaarde, benevens 9/109 gedeelte van het in onderdeel c bedoelde verschil indien de totale ontvangsten de totale winkelwaarde overtreffen;
|
||||
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, enz.);
|
||||
f. overtreft de in onderdeel c bedoelde totale winkelwaarde de aldaar bedoelde totale ontvangsten, dan wordt het verschil in mindering gebracht op de totale ontvangsten van het volgende belastingtijdvak;
|
||||
g. ter zake van het eigen gebruik vindt, voor zover de belasting wordt voldaan naar de ontvangsten, het bepaalde in I-g-7° overeenkomstige toepassing, en kan de ondernemer, voor zover de belasting wordt voldaan naar de winkelwaarde, op de in die bepaling bedoelde aangifte in mindering brengen de belasting over het verschil tussen de winkelwaarde en de vergoeding voor de goederen voor eigen gebruik, terwijl de in die aangifte te begrijpen ontvangsten met laatstbedoelde winkelwaarde worden verhoogd;
|
||||
h. deze regeling is van overeenkomstige toepassing voor 9%-goederen.
|
||||
III. a. De ondernemer splitst zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde goederen in 9%-goederen en 21%-goederen;
|
||||
b. hij bepaalt voor alle in onderdeel a bedoelde goederen de winkelwaarde;
|
||||
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in een belastingtijdvak ingekochte goederen naar de in onderdeel a bedoelde splitsing;
|
||||
d. over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking heeft op de 9%-goederen, bedraagt de belasting 9/109 gedeelte en over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking heeft op de 21%-goederen, bedraagt de belasting 21/121 gedeelte;
|
||||
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, enz.);
|
||||
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in het belastingtijdvak ingekochte 19%-goederen en het verschil tussen de totale ontvangsten in dat belastingtijdvak wegens leveringen van goederen en die totale winkelwaarde;
|
||||
d. de belasting bedraagt 19/119 gedeelte van de in onderdeel *c* bedoelde totale winkelwaarde, benevens 6/106 gedeelte van het in onderdeel *c* bedoelde verschil indien de totale ontvangsten de totale winkelwaarde overtreffen;
|
||||
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine ondernemersregeling, enz.);
|
||||
f. overtreft de in onderdeel *c* bedoelde totale winkelwaarde de aldaar bedoelde totale ontvangsten, dan wordt het verschil in mindering gebracht op de totale ontvangsten van het volgende belastingtijdvak;
|
||||
g. ter zake van het eigen gebruik vindt, voor zover de belasting wordt voldaan naar de ontvangsten, het bepaalde in I-*g*-7° overeenkomstige toepassing, en kan de ondernemer, voor zover de belasting wordt voldaan naar de winkelwaarde, op de in die bepaling bedoelde aangifte in mindering brengen de belasting over het verschil tussen de winkelwaarde en de vergoeding voor de goederen voor eigen gebruik, terwijl de in die aangifte te begrijpen ontvangsten met laatstbedoelde winkelwaarde worden verhoogd;
|
||||
h. deze regeling is van overeenkomstige toepassing voor 6%-goederen.
|
||||
III. a. De ondernemer splitst zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde goederen in 6%-goederen en 19%-goederen;
|
||||
b. hij bepaalt voor alle in onderdeel *a* bedoelde goederen de winkelwaarde;
|
||||
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in een belastingtijdvak ingekochte goederen naar de in onderdeel *a* bedoelde splitsing;
|
||||
d. over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking heeft op de 6%-goederen, bedraagt de belasting 6/106 gedeelte en over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking heeft op de 19%-goederen, bedraagt de belasting 19/119 gedeelte;
|
||||
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine ondernemersregeling, enz.);
|
||||
f. na afloop van het boekjaar kan de ondernemer op zijn aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar in mindering brengen de belasting over het verschil tussen de winkelwaarde en de vergoeding voor de goederen voor eigen gebruik.
|
||||
|
||||
Algemene aantekeningen
|
||||
|
||||
1. Dit artikel is slechts van toepassing, indien en voor zover de ondernemer niet op grond van zijn bedrijfsadministratie kan vaststellen welk gedeelte van de ontvangsten betrekking heeft op leveringen van 9%-goederen en welk gedeelte op leveringen van 21%-goederen.
|
||||
1. Dit artikel is slechts van toepassing, indien en voor zover de ondernemer niet op grond van zijn bedrijfsadministratie kan vaststellen welk gedeelte van de ontvangsten betrekking heeft op leveringen van 6%-goederen en welk gedeelte op leveringen van 19%-goederen.
|
||||
2. Dit artikel heeft niet betrekking op goederen die worden geleverd ingevolge een overeenkomst van huurkoop of een andere overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling.
|
||||
3. Ingeval de ondernemer naast leveringen van 6%-goederen en/of 19%-goederen tevens leveringen verricht van tabaksprodukten, als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns, is dit artikel op laatstbedoelde goederen van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 16a
|
||||
|
||||
|
|
@ -329,12 +262,12 @@ Bij een wijziging van de hoogte van het in artikel 16 bij methode II in onderdee
|
|||
|
||||
Ingeval de ondernemer goederen levert welke hijzelf heeft vervaardigd, is daarop artikel 16 van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het volgende:
|
||||
|
||||
a. in de plaats van de inkopen van de goederen worden gesteld de inkopen van de grondstoffen welke voor de vervaardiging zijn bestemd, gesplitst naar grondstoffen voor 9%-goederen en grondstoffen voor 21%-goederen;
|
||||
a. in de plaats van de inkopen van de goederen worden gesteld de inkopen van de grondstoffen welke voor de vervaardiging zijn bestemd, gesplitst naar grondstoffen voor 6%-goederen en grondstoffen voor 19%-goederen;
|
||||
b. de winkelwaarden van de zelf vervaardigde goederen worden gesteld op de som van de inkoopprijzen van de grondstoffen, vermeerderd met een zodanig percentage van die som, dat de prijs waarvoor de zelf vervaardigde goederen worden verkocht, zo dicht mogelijk wordt benaderd;
|
||||
c. de in onderdeel b bedoelde winkelwaarden worden gevoegd bij de winkelwaarden van de voor wederverkoop ingekochte 9%-goederen onderscheidenlijk 21%-goederen;
|
||||
d. onder de voorraad zelf vervaardigde goederen wordt begrepen de voorraad grondstoffen en wel voor de inkoopprijs vermeerderd met het in onderdeel b bedoelde percentage.
|
||||
c. de in onderdeel *b* bedoelde winkelwaarden worden gevoegd bij de winkelwaarden van de voor wederverkoop ingekochte 6%-goederen onderscheidenlijk 19%-goederen;
|
||||
d. onder de voorraad zelf vervaardigde goederen wordt begrepen de voorraad grondstoffen en wel voor de inkoopprijs vermeerderd met het in onderdeel *b* bedoelde percentage.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kan het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage voor de verschillende goederen of groepen van goederen worden vastgesteld.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kan het in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoelde percentage voor de verschillende goederen of groepen van goederen worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de ondernemer bij wie toepassing van het bij ministeriële regeling vastgestelde percentage leidt tot een winkelwaarde welke in betekenende mate afwijkt van de prijs waarvoor de goederen worden verkocht, kan de inspecteur een ander percentage vaststellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -350,7 +283,7 @@ Het bepaalde in de artikelen 16a, 16b, 16c en 16d is van overeenkomstige toepass
|
|||
|
||||
**1.** Grondstoffen en voor verkoop bestemde goederen, die aanwezig zijn bij de aanvang van het eerste belastingtijdvak waarover een in deze afdeling opgenomen regeling wordt toegepast, worden beschouwd als in dat tijdvak te zijn ingekocht. Voor zelf vervaardigde goederen treden hierbij in de plaats de grondstoffen waaruit zij zijn vervaardigd.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid vindt bij de in artikel 16 omschreven methode II geen toepassing ten aanzien van 9%-goederen en voor de vervaardiging daarvan bestemde grondstoffen.
|
||||
**2.** Het eerste lid vindt bij de in artikel 16 omschreven methode II geen toepassing ten aanzien van 6%-goederen en voor de vervaardiging daarvan bestemde grondstoffen, alsmede ten aanzien van tabaksprodukten als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns.
|
||||
|
||||
**3.** Indien blijkt, dat de voorraad aan goederen als bedoeld in het tweede lid, op enig tijdstip groter is dan bij de aanvang van het eerste belastingtijdvak waarover de in artikel 16 omschreven methode II is toegepast, kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking bepalen, dat de inkopen van die goederen in een door hem aan te wijzen belastingtijdvak met het verschil in de voorraad worden verminderd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -364,7 +297,7 @@ Een in deze afdeling opgenomen regeling mag slechts worden toegepast met ingang
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In gevallen waarin bij de levering van goederen of het verrichten van diensten gratis zegels worden verstrekt die kunnen worden ingewisseld tegen geld wordt, in afwijking in zoverre van artikel 29, eerste lid, van de wet, de belasting berekend overeenkomstig de hierna volgende regels:
|
||||
In gevallen waarin bij de levering van goederen of het verrichten van diensten gratis zegels worden verstrekt die kunnen worden ingewisseld tegen geld of geldswaardige papieren - al dan niet met bijbetaling - wordt, in afwijking in zoverre van artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet, de belasting berekend overeenkomstig de hierna volgende regels:
|
||||
|
||||
a. op de totale vergoeding of ontvangsten wordt niets in aftrek gebracht voor de verstrekte zegels;
|
||||
b. op de door een ondernemer in een tijdvak verschuldigde belasting brengt deze in mindering:
|
||||
|
|
@ -378,34 +311,40 @@ b. op de door een ondernemer in een tijdvak verschuldigde belasting brengt deze
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In gevallen waarin de ondernemer aan zijn afnemers bij de levering van goederen of diensten – al dan niet tegen betaling – waardebonnen verstrekt die afzonderlijk of tezamen met andere waardebonnen bij hem of bij een andere ondernemer alleen met bijbetaling kunnen worden ingewisseld tegen goederen of diensten, wordt de belasting berekend met inachtneming van de volgende regels:
|
||||
In gevallen waarin de ondernemer aan zijn afnemers bij de levering van goederen zegels (waardebonnen) verstrekt, welke bij hem of bij een andere ondernemer kunnen worden ingewisseld tegen goederen - al dan niet met bijbetaling - wordt de belasting berekend overeenkomstig de hierna volgende regels:
|
||||
|
||||
a. voor de vergoeding of ontvangsten voor de goederen of diensten waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, blijft de verstrekking van de waardebonnen buiten beschouwing;
|
||||
b. ter zake van de levering van goederen of diensten tegen inwisseling van de waardebonnen bestaat de vergoeding uit hetgeen is bijbetaald voor deze goederen of diensten, de belasting niet daaronder begrepen, vermeerderd met hetgeen is betaald voor de waardebonnen, de belasting niet daaronder begrepen.
|
||||
a. op de totale vergoeding of ontvangsten voor de goederen waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, wordt niets in aftrek gebracht voor de verstrekte waardebonnen;
|
||||
b. ter zake van de levering van goederen tegen inwisseling van de waardebonnen bedraagt de belasting:
|
||||
|
||||
**2.** Ter zake van waardebonnen die de ondernemer aan zijn afnemers bij de levering van goederen of diensten – al dan niet tegen betaling – verstrekt die afzonderlijk of tezamen met andere waardebonnen bij hem of bij een andere ondernemer, hetzij alleen met verplichte bijbetaling kunnen worden ingewisseld tegen goederen of diensten, hetzij zonder bijbetaling kunnen worden ingewisseld tegen bepaalde andere goederen of diensten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing voor zover deze waardebonnen met verplichte bijbetaling worden ingewisseld tegen goederen of diensten.
|
||||
1°. indien die goederen aan hetzelfde tarief zijn onderworpen als die waarbij de waardebonnen zijn verstrekt: dat tarief over de vergoeding zonder inbegrip van de waarde van de waardebonnen;
|
||||
2°. indien die goederen aan 19% zijn onderworpen en de goederen waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, aan 6%: 19/119 van het bedrag van de bijbetaling en (19/119–6/106) van de resterende winkelwaarde;
|
||||
3°. indien die goederen aan 6% zijn onderworpen en de goederen waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, aan 19%: 6/106 van het bedrag van de bijbetaling, terwijl over de resterende winkelwaarde (19/119–6/106) aan belasting wordt teruggegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Onder waardebonnen worden begrepen andere voorwerpen welke een soortgelijke functie vervullen.
|
||||
|
||||
### Afdeling C. Aftrek van voorbelasting
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
In gevallen waarin ingevolge artikel 35, vijfde lid, van de wet ontheffing is verleend van de verplichting tot uitreiking van een factuur, blijft de aanspraak van de afnemer op aftrek van de hem in rekening gebrachte belasting bestaan, mits hij die aanspraak kan aantonen. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de wijze van aantoning nadere voorschriften worden gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Onverminderd het bepaalde in artikel 15, tweede en zesde lid, van de wet, komt in gevallen waarin een werknemer een aan hem toebehorende auto bezigt in het kader van de onderneming van zijn werkgever en daarvoor van deze een kostenvergoeding ontvangt, bij de werkgever voor aftrek in aanmerking een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kostenvergoeding, voor zover deze niet behoort tot het loon in de zin van de loonbelasting.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** In gevallen waarin een werknemer in het kader van de onderneming van zijn werkgever reis- en verblijfkosten maakt andere dan bedoeld in artikel 23, en daarvoor van deze een kostenvergoeding ontvangt, komt de daarin begrepen belasting op gelijke wijze voor aftrek in aanmerking als wanneer die belasting rechtstreeks aan de werkgever in rekening was gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking de in de kostenvergoeding begrepen belasting door middel van schatting bepalen.
|
||||
|
||||
### Afdeling D. Bevoorrading van vervoermiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 24a
|
||||
|
||||
**1.** Van niet in het vrije verkeer zijnde goederen waarmee in Nederland een vervoermiddel wordt bevoorraad, moet degene voor wie de goederen zijn bestemd, niet zijnde een ondernemer of lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aangifte doen. Op de aangifte en de goederen zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, van toepassing als ware sprake van een aangifte voor het vrije verkeer en van voor de douaneregeling vrij verkeer aangegeven goederen.
|
||||
**1.** Van niet in het vrije verkeer zijnde goederen waarmee in Nederland een vervoermiddel wordt bevoorraad, moet degene voor wie de goederen zijn bestemd, niet zijnde een ondernemer of lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aangifte doen. Op de aangifte en de goederen zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel *a*, van de Douanewet, van toepassing als ware sprake van een aangifte voor het vrije verkeer en van voor de douaneregeling vrij verkeer aangegeven goederen.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde goederen worden slechts vrijgegeven als bedoeld in artikel 194, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie indien wordt aangetoond dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aangifte is gedaan.
|
||||
**2.** De toestemming tot lading als bedoeld in artikel 80 van het Douanebesluit, wordt voor de in het eerste lid bedoelde goederen slechts gegeven indien wordt aangetoond, dat de in dat lid bedoelde aangifte is gedaan.
|
||||
|
||||
### Afdeling E. Verlegging
|
||||
|
||||
|
|
@ -416,7 +355,7 @@ Vervallen
|
|||
Dit artikel verstaat onder:
|
||||
|
||||
a. werknemer, dienstbetrekking en inhoudingsplichtige: hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964;
|
||||
b. aannemer: degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren dat betrekking heeft op onroerende zaken of schepen als bedoeld in Bijlage I, deel II, hoofdstuk 89, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256),
|
||||
b. aannemer: degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren dat betrekking heeft op onroerende zaken of schepen als bedoeld in Bijlage I, deel II, hoofdstuk 89, van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (*PbEG* L 256), dan wel op de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel;
|
||||
c. onderaannemer: degene, die zich jegens een aannemer verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs het in onderdeel *b* bedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de onderaannemer ten opzichte van zijn onderaannemer als aannemer beschouwd.
|
||||
|
|
@ -427,12 +366,12 @@ c. onderaannemer: degene, die zich jegens een aannemer verbindt om buiten dienst
|
|||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Als gevallen als zijn bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet worden aangewezen de gevallen waarin:
|
||||
Als gevallen als zijn bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet worden aangewezen de gevallen waarin:
|
||||
|
||||
a. een onderaannemer een in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoeld werk geheel of gedeeltelijk uitvoert;
|
||||
b. een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige ter beschikking is gesteld van een derde om werkzaam te zijn bij de uitvoering van een in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoeld werk.
|
||||
|
||||
**6.** Indien het vijfde lid van toepassing is, dient op de uit te reiken factuur te worden vermeld: btw verlegd.
|
||||
**6.** Indien het vijfde lid van toepassing is, dient op de uit te reiken factuur te worden vermeld: omzetbelasting verlegd.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -447,42 +386,13 @@ De voorgaande leden zijn niet van toepassing:
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet, worden mede aangewezen de gevallen waarin:
|
||||
Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, worden mede aangewezen de gevallen waarin:
|
||||
|
||||
a. een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, wordt geleverd met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 2°, van de wet;
|
||||
b. goud of een halffabrikaat met een zuiverheid van ten minste 325/1000 wordt geleverd aan een ondernemer;
|
||||
c. beleggingsgoud wordt geleverd met toepassing van het in artikel 28l van de wet opgenomen keuzerecht;
|
||||
d. een in zekerheid gegeven roerende of onroerende zaak dan wel een recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen, wordt geleverd aan een ondernemer tot executie van die zekerheid;
|
||||
e. een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, wordt geleverd aan een ondernemer op grond van een executoriale titel door de executieschuldenaar;
|
||||
f. een overdracht aan een ondernemer plaatsvindt van broeikasgasemissierechten, als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van en regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU 2003, L 275), die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn alsmede de overdracht aan een ondernemer van andere eenheden die door exploitanten kunnen worden gebruikt om aan de betreffende richtlijn te voldoen;
|
||||
g. een van de volgende goederensoorten wordt geleverd aan een ondernemer voor een totaalbedrag van € 10 000 of meer per levering per soort goed, de omzetbelasting niet daaronder begrepen:
|
||||
c. beleggingsgoud wordt geleverd met toepassing van het in artikel 28l van de wet opgenomen keuzerecht.
|
||||
|
||||
1°. mobiele telefoons, zoals toestellen die zijn vervaardigd of aangepast voor gebruik in een netwerk waarvoor een vergunning is afgegeven en die op gespecificeerde frequenties werken, ongeacht of zij nog een ander gebruik hebben;
|
||||
2°. geïntegreerde schakelingen, zoals microprocessoren en centrale verwerkingseenheden, voordat deze in een eindproduct zijn ingebouwd;
|
||||
3°. spelcomputers, zoals computers waarvan de objectieve kenmerken en voornaamste functies van dien aard zijn dat zij bedoeld zijn voor het spelen van videogames of andere computerspellen, ongeacht of zij nog een ander gebruik hebben;
|
||||
4°. tablet pc’s;
|
||||
5°. laptops;
|
||||
h. een telecommunicatiedienst wordt verricht als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel r, van de wet, voor zover de dienst plaatsvindt in Nederland tussen ondernemers die deze diensten verrichten;
|
||||
i. levering van gas- en elektriciteitscertificaten aan een ondernemer.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 24b, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 24bb
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet, worden tevens aangewezen de gevallen waarin sprake is van de levering aan een ondernemer van oude materialen, oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en van bepaalde goederen en diensten, voorzover het betreft:
|
||||
|
||||
a. de levering van resten en afval van ferro- en non-ferroproducten en oude materialen, halffabrikaten daaronder begrepen, die het resultaat zijn van het verwerken, vervaardigen of smelten van ferro- en non-ferrometalen of legeringen daarvan;
|
||||
b. de levering van ferro- en non-ferrohalffabrikaten en daarmee samenhangende verwerkingsdiensten;
|
||||
c. de levering van residuen en andere materialen voor hergebruik bestaande uit ferro- en non-ferrometalen, legeringen daarvan, slakken, assen, bladders en industriële residuen die metalen of legeringen daarvan bevatten, alsmede de diensten bestaande in het scheiden, snijden, fragmenteren en samenpersen van deze producten;
|
||||
d. de levering van en verwerkingsdiensten met betrekking tot afval van ferro- en non-ferroproducten alsmede snippers, schroot, resten en afval, en oud materiaal en materiaal voor hergebruik bestaande uit glasscherven en glas, papier en karton, lompen, beenderen, leder, kunstleder, perkament, huiden en vellen, pezen en zenen, bindgaren, touw en kabel, rubber en kunststof;
|
||||
e. de levering van de in dit lid genoemde materialen na bewerking in de vorm van reinigen, polijsten, scheiden, snijden, fragmenteren, samenpersen of gieten tot ingots;
|
||||
f. de levering van resten en afval dat ontstaat bij de bewerking van grondstoffen.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 24b, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing bij levering van de in het eerste lid genoemde goederen door een wederverkoper met toepassing van artikel 28b van de wet.
|
||||
**2.** Artikel 24*b*, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling F. Fiscaal vertegenwoordiger
|
||||
|
||||
|
|
@ -500,7 +410,7 @@ c. de vermoedelijke aard en omvang van de belastbare handelingen per kalenderjaa
|
|||
|
||||
Het verzoek om een algemene vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger dient voorts de volgende gegevens te bevatten:
|
||||
|
||||
a. naam, adres en woonplaats van de ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft (in dit hoofdstuk: buitenlandse ondernemer) alsmede, indien de ondernemer is gevestigd in een lidstaat het btw-identificatienummer dat is toegekend door die lidstaat;
|
||||
a. naam, adres en woonplaats van de ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft (in dit hoofdstuk: buitenlandse ondernemer) alsmede, indien de ondernemer is gevestigd in een Lid-Staat het btw-identificatienummer dat is toegekend door die Lid-Staat;
|
||||
b. de aard van het bedrijf van de buitenlandse ondernemer.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -518,7 +428,7 @@ e. op verzoek aan de inspecteur de inlichtingen verstrekt die noodzakelijk zijn
|
|||
De verlening van een algemene vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. de verzoeker treedt op namens de buitenlandse ondernemer voor alle leveringen en diensten waarvoor belasting is verschuldigd en de intracommunautaire verwervingen en invoer behoudens in de gevallen dat een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning is aangesteld;
|
||||
b. de verzoeker is per kalenderjaar mede aansprakelijk voor de verschuldigde belasting en de daarmee samenhangende verschuldigde renten en bestuurlijke boeten tot een maximum van de gestelde zekerheid.
|
||||
b. de verzoeker is per kalenderjaar mede aansprakelijk voor de verschuldigde belasting en de daarmee samenhangende heffingsrente, invorderingsrente en administratieve boetes tot een maximum van de gestelde zekerheid.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -527,12 +437,12 @@ De verlening van een beperkte vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger is t
|
|||
a. de verzoeker kan namens de buitenlandse ondernemer waarvoor hij als fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning is aangesteld, optreden voor:
|
||||
|
||||
1°. de invoer van goederen;
|
||||
2°. de op de invoer volgende levering van goederen andere dan bedoeld in artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
2°. de op de invoer volgende levering van goederen andere dan bedoeld in artikel 5*a*, eerste lid, van de wet;
|
||||
3°. de levering van goederen met toepassing van het tarief van nihil op de voet van tabel II, onderdeel *a*, post 7 of 8, van de wet;
|
||||
4°. de intracommunautaire verwerving van goederen die voorafgaat aan een levering als bedoeld onder 3°;
|
||||
5°. de levering van goederen met toepassing van het tarief van nihil op de voet van tabel II, onderdeel *a*, post 2 of 6, van de wet die volgt op een levering als bedoeld onder 3°;
|
||||
6°. de levering bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel *a*, post 7, Bijzondere bepaling, dan wel post 8, Bijzondere bepaling, voor de buitenlandse ondernemer indien de levering aan hem is verricht, alsmede voor de door die ondernemer te verrichten volgende levering.
|
||||
b. de verzoeker is mede aansprakelijk voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de in onderdeel *a* genoemde belastbare handelingen en de daarmee samenhangende verschuldigde renten en bestuurlijke boeten.
|
||||
b. de verzoeker is mede aansprakelijk voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de in onderdeel *a* genoemde belastbare handelingen en de daarmee samenhangende heffingsrente, invorderingsrente en administratieve boetes.
|
||||
|
||||
**6.** De aansprakelijkstelling op grond van het vierde en het vijfde lid vindt plaats met toepassing van hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Invorderingswet 1990.
|
||||
|
||||
|
|
@ -550,15 +460,15 @@ De buitenlandse ondernemer wordt van de intrekking van de vergunning in kennis g
|
|||
|
||||
### Artikel 24d
|
||||
|
||||
**1.** De buitenlandse ondernemer die in Nederland belasting verschuldigd is ingevolge artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, stelt een fiscaal vertegenwoordiger met een algemene vergunning aan wanneer het hoofdkantoor of de vestiging van de ondernemer is gelegen in een derde-land waarmee geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat als bedoeld in artikel 204, lid 1, tweede alinea, van de BTW-richtlijn 2006. De verplichting bedoeld in de eerste volzin geldt niet wanneer een ondernemer gebruik maakt van de Unieregeling, bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 7, paragraaf 3, van de wet.
|
||||
**1.** De buitenlandse ondernemer die in Nederland belasting verschuldigd is ingevolge artikel 5a, eerste lid, van de wet, stelt een fiscaal vertegenwoordiger met een algemene vergunning aan wanneer het hoofdkantoor of de vestiging van de ondernemer is gelegen in een derde-land waarmee geen rechtsinstrument van gelijke strekking is overeengekomen als bedoeld in artikel 21, lid 2, onder b, van de Zesde Richtlijn.
|
||||
|
||||
**2.** De buitenlandse ondernemer is gehouden een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen voor de levering die aan hem wordt verricht en waarvoor van hem de belasting wordt geheven ingevolge de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, Bijzondere bepaling, dan wel post 8, Bijzondere bepaling. De eerste volzin is eveneens van toepassing op de door de buitenlandse ondernemer verrichte levering die volgt op de aldaar bedoelde levering.
|
||||
**2.** De buitenlandse ondernemer is gehouden een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen voor de levering die aan hem wordt verricht en waarvoor van hem de belasting wordt geheven ingevolge de bij de wet behorende tabel II, onderdeel *a*, post 7, Bijzondere bepaling, dan wel post 8, Bijzondere bepaling. De eerste volzin is eveneens van toepassing op de door de buitenlandse ondernemer verrichte levering die volgt op de aldaar bedoelde levering.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Aanwijzingen
|
||||
## Hoofdstuk VI
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
De Dienst Wegverkeer, genoemd in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994, wordt aangewezen als nationale autoriteit als bedoeld in artikel 5 ter, vierde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 79/2012 van de Commissie van 31 januari 2012 tot vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2012, L 29) voor het verwerken van inkomende en uitgaande verzoeken om voertuigregistratiegegevens voor btw-doeleinden.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII
|
||||
|
||||
|
|
@ -580,13 +490,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Algemene aantekening
|
||||
|
||||
Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard worden niet aangemerkt de leveringen van goederen welke door de in onderdeel b bedoelde instellingen in het kader van arbeidstherapie zijn voortgebracht en de diensten welke door die instellingen in dat kader worden verricht.
|
||||
Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard worden niet aangemerkt de leveringen van goederen welke door de in de onderdelen *a* en *b* genoemde ondernemers in het kader van arbeidstherapie zijn voortgebracht en de diensten welke door die ondernemers in dat kader worden verricht.
|
||||
|
||||
Als diensten van sociale of culturele aard worden voorts niet aangemerkt diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2° en 3°, van de wet die worden verleend aan anderen dan de personen, bedoeld in dat onderdeel, onder 2° en 3°.
|
||||
|
||||
De in onderdeel b bedoelde instellingen, behoudens die bedoeld in de posten 9, voor zover betrekking hebbend op wijkverpleging, 12, voor zover betrekking hebbend op gehandicapten die beschikken over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat zij recht hebben op de daar bedoelde diensten, 15, onder a, 20, 29, 30 en 33, mogen niet systematisch het maken van winst beogen en, zo er wel winst wordt gemaakt, mogen zij deze niet uitkeren, maar moet die winst worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de leveringen en diensten die worden verleend.
|
||||
|
||||
De terbeschikkingstelling van personeel, bedoeld in onderdeel b, post 15, onder a, en post 30, dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
||||
Als diensten van sociale of culturele aard worden voorts niet aangemerkt diensten bestaande in thuiszorg.
|
||||
|
||||
## Bijlage C
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue