From 80071964b4029cd6ecc8d72073a376b0e2ec1d5c Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 22 Mar 2002 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2002-03-22 | BWBR0003936 | Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen --- .../BWBR0003936/README.md | 267 +++++++++--------- 1 file changed, 139 insertions(+), 128 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-voorkoming-olieverontreiniging-door-schepen/BWBR0003936/README.md b/amvb/besluit-voorkoming-olieverontreiniging-door-schepen/BWBR0003936/README.md index 9603a595382..ed4761ae2bd 100644 --- a/amvb/besluit-voorkoming-olieverontreiniging-door-schepen/BWBR0003936/README.md +++ b/amvb/besluit-voorkoming-olieverontreiniging-door-schepen/BWBR0003936/README.md @@ -38,7 +38,7 @@ h. 1°. belangrijke verbouwing: de verbouwing van een bestaand schip: (i). waardoor de afmetingen of het laadvermogen van het schip in belangrijke mate worden gewijzigd; of (ii). waardoor het scheepstype wordt gewijzigd; of -(iii). welke naar het oordeel van de inspecteur-generaal voornamelijk is gericht op het verlengen van de levensduur van het schip; +(iii). welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voornamelijk is gericht op het verlengen van de levensduur van het schip; of (iv). waardoor anderszins het schip zodanig verandert, dat het, indien het een nieuw schip betrof, daardoor zou zijn onderworpen aan de bepalingen van dit besluit, waaraan het als bestaand schip niet zou zijn onderworpen. @@ -87,12 +87,10 @@ y. ruwe olie: elk vloeibaar koolwaterstofmengsel dat in natuurlijke staat in de z. ruwe olietankschip: een olietankschip gebruikt voor het vervoer van ruwe olie; aa. produktentankschip: een olietankschip gebruikt voor het vervoer van olie, geen ruwe olie zijnde; bb. chemicaliëntankschip: een schip dat is gebouwd voor of aangepast aan voornamelijk het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen geen olie zijnde; -cc. goedgekeurd: door de inspecteur-generaal goedgekeurd. +cc. goedgekeurd: door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd. dd. tonnage: bruto-tonnage als bedoeld in de Meetbrievenwet 1981; ee. gesloten tankwassysteem: een zodanig tankwassysteem dat, wanneer de sloptank of tanks eenmaal zijn voorzien van waswater, dit waswater voldoende is voor tankwassen en, indien van toepassing, ter voorziening van aandrijfwater voor ejecteurs, zonder toevoegen van extra water in het systeem; -ff. verjaardatum: de datum van afgifte van het eerste certificaat, bedoeld in artikel 5, in elk kalenderjaar, volgend op het jaar waarin dit certificaat is afgegeven; -gg. richtlijn nr. 96/98/EG: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46); -hh. bijlage A.1/2: bijlage A.1/2 van richtlijn nr. 96/98/EG, voorzover het uitrusting betreft waarop dit besluit van toepassing is. +ff. verjaardatum: de datum van afgifte van het eerste certificaat, bedoeld in artikel 5, in elk kalenderjaar, volgend op het jaar waarin dit certificaat is afgegeven. **2.** @@ -110,7 +108,7 @@ a. Ongeacht het bepaalde onder f van het eerste lid, wordt voor de toepassing va (iii). welke na 1 juni 1982 is voltooid, met dien verstande dat voor olietankschepen met een draagvermogen van 70 000 tonmassa of meer de omschrijving onder *f* van het eerste lid van toepassing is met betrekking tot het tweede lid van artikel 13. -b. Ongeacht het bepaalde onder *g* van het eerste lid, wordt voor de toepassing van de artikelen 13, 13 A, 13 B, 13 C, 13 D en 18, vijfde lid en zesde lid onder c, onder een "bestaand olietankschip" verstaan een olietankschip, geen nieuw olietankschip zijnde, als omschreven onder *a*; +b. Ongeacht het bepaalde onder *g* van het eerste lid, wordt voor de toepassing van de artikelen 13, 13 A, 13 B, 13 C, 13 D en 18, vijfde lid en zesde lid onder *c*, onder een "bestaand olietankschip" verstaan een olietankschip, geen nieuw olietankschip zijnde, als omschreven onder *a*. ### Artikel 2 @@ -121,29 +119,12 @@ b. Indien echter de totale inhoud van de onder *a* van dit lid bedoelde laadruim **3.** Indien een lading waarop de bepalingen van het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen van toepassing zijn, in de ladingtanks van een olietankschip of combinatietankschip wordt vervoerd, dient eveneens te worden voldaan aan de desbetreffende voorschriften van dat besluit. -**4.** a. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III ten aanzien van constructieve aspecten en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de inspecteur-generaal van de toepassing van deze bepalingen worden ontheven, mits de constructie en de uitrusting van deze schepen gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, een en ander met inachtneming van het doel waarvoor deze schepen zijn bestemd en met inachtneming van artikel 2a, eerste en tweede lid. -b. Indien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, op een vaartuig als bedoeld onder *a* van toepassing is, worden de bijzonderheden betreffende een ontheffing door de inspecteur-generaal vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5. - -### Artikel 2a - -**1.** - -Uitrusting als bedoeld in bijlage A.1/2 mag slechts aan boord van schepen worden geplaatst indien die uitrusting: - -a. is voorzien van het merk van overeenstemming, weergegeven in bijlage D van richtlijn nr. 96/98/EG, of -b. vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in de artikelen 20 respectievelijk 21 van de Wet scheepsuitrusting. - -**2.** Indien uitrusting als bedoeld in het eerste lid vervangen moet worden terwijl het schip zich bevindt in een haven van een andere staat dan een van de lidstaten van de Europese Unie, en het uit oogpunt van tijd, vertraging en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn nr. 96/98/EG een EG-typegoedkeuring is verleend, mag andere dan de in het eerste lid bedoelde uitrusting worden geplaatst, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 16, eerste en tweede lid, van die richtlijn. - -**3.** Gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen. - -**4.** Indien ten aanzien van uitrusting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting, neemt de inspecteur-generaal de passende voorlopige maatregelen om het gebruik van die uitrusting te beperken. Zo nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik van die uitrusting aan boord van schepen. - -**5.** Artikel 23, tweede lid, van de Wet scheepsuitrusting is van overeenkomstige toepassing indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid. +**4.** a. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III ten aanzien van constructieve aspecten en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van de toepassing van deze bepalingen worden ontheven, mits de constructie en de uitrusting van deze schepen gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, een en ander met inachtneming van het doel waarvoor deze schepen zijn bestemd. +b. Indien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, op een vaartuig als bedoeld onder *a* van toepassing is, worden de bijzonderheden betreffende een ontheffing door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5. ### Artikel 3 -**1.** De inspecteur-generaal kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur, voorzover het geen uitrusting als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, betreft, dan welke in dit besluit worden voorgeschreven, in een schip toestaan, mits deze ten minste even doelmatig zijn als die welke in dit besluit worden vereist. +**1.** Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur, dan welke in dit besluit worden voorgeschreven, in een schip toestaan, mits deze ten minste even doelmatig zijn als die welke in dit besluit worden vereist. **2.** In geen geval zullen vormen van ontwerp en constructie ter regeling van het lozen van olie, zoals deze in dit besluit zijn voorgeschreven, kunnen worden vervangen door operationele methoden, behoudens het bepaalde in artikel 13. @@ -154,27 +135,37 @@ b. vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat t Elk olietankschip met een tonnage van 150 of meer, alsmede elk schip geen olietankschip zijnde, met een tonnage van 400 of meer is onderworpen aan: a. een eerste onderzoek dat wordt verricht voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, bedoeld in artikel 5, voor de eerste maal wordt afgegeven, en dat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip omvat teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld; -b. een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met door de inspecteur-generaal vast te stellen tussenpozen die, behoudens indien artikel 8, tweede, vijfde, zesde of zevende lid, van toepassing is, niet langer dan vijf jaar zijn, en dat de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip omvat teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld; -c. een tussentijds onderzoek dat wordt verricht binnen drie maanden voor of na de tweede of de derde verjaardatum en dat in de plaats komt van een van de jaarlijkse onderzoeken als bedoeld onder *d* , en dat de uitrusting en de daarbij behorende pompen en pijpleidingen, de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het schoonmaken van tanks met ruwe olie, de olie-water afscheider en de oliefiltersystemen van het schip omvat teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. Van dit tussentijds onderzoek wordt een aantekening geplaatst op het certificaat; +b. een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen tussenpozen die, behoudens indien artikel 8, tweede, vijfde, zesde of zevende lid, van toepassing is, niet langer dan vijf jaar zijn, en dat de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip omvat teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld; +c. een tussentijds onderzoek dat wordt verricht binnen drie maanden voor of na de tweede of de derde verjaardatum en dat in de plaats komt van een van de jaarlijkse onderzoeken als bedoeld onder *d*, en dat de uitrusting en de daarbij behorende pompen en pijpleidingen, de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het schoonmaken van tanks met ruwe olie, de olie-water afscheider en de oliefiltersystemen van het schip omvat teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. Van dit tussentijds onderzoek wordt een aantekening geplaatst op het certificaat; d. een jaarlijks onderzoek dat wordt verricht binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum en dat de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip omvat teneinde na te gaan of zij zijn onderhouden overeenkomstig het derde lid, onder *a*, en zich in goede staat bevinden. Van dit jaarlijks onderzoek wordt een aantekening geplaatst op het certificaat; e. een aanvullend onderzoek dat afhankelijk van de omstandigheden hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk wordt verricht, indien herstellingen of vernieuwingen zijn uitgevoerd, of indien zich een ongeval heeft voorgedaan, waarbij wordt nagegaan of de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn doorgevoerd en of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. -**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van onderzoeken van schepen die niet vallen onder het eerste lid, teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. Op verzoek van de reder geeft ten aanzien van dergelijke onderzoeken de inspecteur-generaal een verklaring af. +**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van onderzoeken van schepen die niet vallen onder het eerste lid, teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. Op verzoek van de reder geeft ten aanzien van dergelijke onderzoeken het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een verklaring af. De daaraan verbonden kosten worden in rekening gebracht volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief. **3.** a. De toestand van het schip en van de uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met de bepalingen vastgesteld bij of krachtens dit besluit om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft tot het verlaten van een haven zonder dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu. -b. Nadat een onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid is voltooid, mag zonder de toestemming van de inspecteur-generaal en onverminderd artikel 2a, eerste en tweede lid, geen verandering worden aangebracht in de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen die aan het onderzoek zijn onderworpen, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft. -c. Indien een schip een ongeval overkomt, of indien gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip, de doelmatigheid of de volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van dit besluit in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein van het schip de inspecteur-generaal zo spoedig mogelijk in te lichten. +b. Nadat een onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid is voltooid, mag zonder de toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, geen verandering worden aangebracht in de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen die aan het onderzoek zijn onderworpen, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft. +c. Indien een schip een ongeval overkomt, of indien gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip, de doelmatigheid of de volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van dit besluit in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein van het schip het betreffende districtshoofd van de Scheepvaartinspectie zo spoedig mogelijk in te lichten. Indien het schip zich in een haven buiten Nederland bevindt, dient de kapitein tevens onmiddellijk de ter plaatse bevoegde autoriteiten in te lichten. ### Artikel 5 -Het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie wordt door de inspecteur-generaal afgegeven na de voltooiing van een eerste of een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a* en *b*, ten behoeve van elk olietankschip met een tonnage van 150 of meer, alsmede ten behoeve van elk schip geen olietankschip zijnde, met een tonnage van 400 of meer. +**1.** Het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie wordt door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afgegeven na de voltooiing van een eerste of een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a* en *b*, ten behoeve van elk olietankschip met een tonnage van 150 of meer, alsmede ten behoeve van elk schip geen olietankschip zijnde, met een tonnage van 400 of meer. + +**2.** Het certificaat wordt afgegeven tegen betaling van de kosten verbonden aan het onderzoek ter verkrijging van het certificaat alsmede de afgifte daarvan. Onze Minister stelt de tarieven vast voor de vergoeding van de kosten, verbonden aan een onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a* tot en met *d*, voorzover dit door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is verricht, en voor de vergoeding van de kosten, verbonden aan de afgifte van het certificaat. + +**3.** Indien afgifte wordt verlangd van meer exemplaren van het certificaat, dan wel indien afgifte wordt verlangd van een certificaat in verband met tussentijdse vervanging, behalve voor die welke door scheepsongevallen verloren zijn gegaan, worden de kosten verbonden aan de afgifte van dergelijke certificaten in rekening gebracht volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief. + +**4.** Indien een onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a* en *b*, buiten Nederland noodzakelijk is, komen de reis- en verblijfkosten van de uit te zenden ambtenaren ten laste van de eigenaar. + +**5.** Indien in Nederland een onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a* en *b*, ten gevolge van de regeling der werkzaamheden in het bedrijf plaatsvindt tussen 18 uur en 8 uur, op een zaterdag, op een zondag of op een bij het Algemeen Rijksambtenarenreglement daarmee gelijkgestelde dag, is daarvoor door de eigenaar een vergoeding verschuldigd, volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief. + +**6.** Indien buiten Nederland een onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder *a* en *b*, ten gevolge van de regeling der werkzaamheden in het bedrijf plaatsvindt buiten de ter plaatse geldende normale werkuren, is daarvoor door de eigenaar een vergoeding verschuldigd volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief. ### Artikel 6 -**1.** a. De inspecteur-generaal kan een daartoe bevoegde regering verzoeken de onderzoeken als bedoeld in artikel 4 uit te voeren en het certificaat als bedoeld in artikel 5 af te geven, of, voorzover van toepassing, een aantekening te plaatsen. -b. Op verzoek van de daartoe bevoegde buitenlandse regering kan namens de inspecteur-generaal een schip dat niet gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren, aan de in artikel 4 genoemde onderzoeken worden onderworpen en ten behoeve van dat schip een certificaat als bedoeld in artikel 5, worden afgegeven, of, voorzover van toepassing, een aantekening worden geplaatst. Indien het een communautair schip als bedoeld in artikel 2 van richtlijn nr. 96/98/EG betreft, moet uitrusting als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, zijn voorzien van het in dat artikel bedoelde merk van overeenstemming. Indien het een schip betreft dat een vlag voert van een van de andere lidstaten van de Europese Unie, zijn ten aanzien van de uitrusting, bedoeld in bijlage A.1/2 de desbetreffende voorschriften van het Verdrag van toepassing. +**1.** a. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een daartoe bevoegde regering verzoeken de onderzoeken als bedoeld in artikel 4 uit te voeren en het certificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, af te geven, of, voorzover van toepassing, een aantekening te plaatsen. +b. Op verzoek van de daartoe bevoegde buitenlandse regering kan namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een schip dat niet gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren, aan de in artikel 4 genoemde onderzoeken worden onderworpen en ten behoeve van dat schip een certificaat als bedoeld in artikel 5, worden afgegeven, of, voorzover van toepassing, een aantekening worden geplaatst. **2.** In het geval genoemd in het eerste lid onder *b* wordt een afschrift van het certificaat en een afschrift van het rapport van onderzoek zo spoedig mogelijk toegezonden aan de regering die het verzoek heeft gedaan. @@ -188,19 +179,19 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de aa ### Artikel 8 -**1.** Het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie wordt door de inspecteur-generaal afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar. +**1.** Het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie wordt door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar. **2.** In afwijking van het eerste lid is, indien het hernieuwde onderzoek binnen drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat wordt voltooid, het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van dit onderzoek tot een datum niet later dan vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat. **3.** Onverminderd het eerste lid is, indien het hernieuwde onderzoek binnen drie maanden na de vervaldatum van het bestaande certificaat wordt voltooid, het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van dit onderzoek tot een datum niet later dan vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat. -**4.** Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode korter dan vijf jaar, kan de inspecteur-generaal na de voltooiing van een tussentijds of jaarlijks onderzoek de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot een periode van vijf jaar. +**4.** Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode korter dan vijf jaar, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie na de voltooiing van een tussentijds of jaarlijks onderzoek de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot een periode van vijf jaar. **5.** Indien een hernieuwd onderzoek wordt voltooid en indien geen nieuw certificaat ten behoeve van het schip kan worden afgegeven voor de vervaldatum van het bestaande certificaat, kan daarvan een aantekening op het bestaande certificaat worden geplaatst. In afwijking van het eerste lid wordt in dat geval de geldigheidsduur van het certificaat verlengd voor een periode van niet langer dan vijf maanden na de vervaldatum. -**6.** In afwijking van het eerste lid kan, indien een schip zich op het tijdstip waarop het certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het hernieuwde onderzoek kan plaatsvinden, de inspecteur-generaal de geldigheidsduur van het certificaat verlengen voor een periode van ten hoogste drie maanden na de vervaldatum, uitsluitend om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien. Na de voltooiing van het hernieuwde onderzoek in die haven is het nieuwe certificaat geldig tot een datum niet later dan vijf jaar na de oorspronkelijke vervaldatum van het bestaande certificaat. +**6.** In afwijking van het eerste lid kan, indien een schip zich op het tijdstip waarop het certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het hernieuwde onderzoek kan plaatsvinden, het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen voor een periode van ten hoogste drie maanden na de vervaldatum, uitsluitend om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien. Na de voltooiing van het hernieuwde onderzoek in die haven is het nieuwe certificaat geldig tot een datum niet later dan vijf jaar na de oorspronkelijke vervaldatum van het bestaande certificaat. -**7.** In afwijking van het eerste lid kan, indien een certificaat is afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en de geldigheidsduur van het certificaat niet is verlengd ingevolge een van de andere leden, de inspecteur-generaal de geldigheidsduur van het certificaat verlengen voor een periode van ten hoogste een maand na de vervaldatum. Na de voltooiing van het hernieuwde onderzoek is het nieuwe certificaat geldig tot een datum niet later dan vijf jaar na de oorspronkelijke vervaldatum van het bestaande certificaat. +**7.** In afwijking van het eerste lid kan, indien een certificaat is afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en de geldigheidsduur van het certificaat niet is verlengd ingevolge een van de andere leden, het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen voor een periode van ten hoogste een maand na de vervaldatum. Na de voltooiing van het hernieuwde onderzoek is het nieuwe certificaat geldig tot een datum niet later dan vijf jaar na de oorspronkelijke vervaldatum van het bestaande certificaat. **8.** In bijzondere omstandigheden behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat. Na de voltooiing van het hernieuwde onderzoek in deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum niet later dan vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek. @@ -213,22 +204,22 @@ Het certificaat verliest zijn geldigheid wanneer: a. de op het certificaat aangegeven periode van geldigheid is verstreken; b. het tussentijdse of jaarlijkse onderzoek niet is uitgevoerd binnen de gestelde periode danwel indien daarvan geen aantekening is gemaakt op het certificaat; c. het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen, waarop dit besluit van toepassing is; -d. de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip op ingrijpende wijze worden gewijzigd zonder de toestemming van de inspecteur-generaal en onverminderd artikel 2a, eerste en tweede lid, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft; +d. de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip op ingrijpende wijze worden gewijzigd zonder de toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft; e. de naam van het schip wordt veranderd of het schip een ander letterteken of nummer krijgt. In dat geval wordt op aanvraag een nieuw certificaat afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak, waarvoor het vervallen certificaat zou hebben gegolden; f. het schip niet meer gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren. -**11.** a. Het certificaat kan door de inspecteur-generaal worden ingetrokken: +**11.** a. Het certificaat kan door de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie worden ingetrokken: 1°. wanneer het schip schade van betekenis heeft belopen en de herstelling daarvan niet naar behoren is geschied, of -2°. wanneer uit een onderzoek van de bevoegde ambtenaar van de divisie Scheepvaart is gebleken dat het schip niet zonder gevaar voor verontreiniging van het mariene milieu de haven kan verlaten. +2°. wanneer uit een onderzoek van de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is gebleken dat het schip niet zonder gevaar voor verontreiniging van het mariene milieu de haven kan verlaten. Van de intrekking wordt de eigenaar bericht gezonden, onder vermelding van de redenen, welke tot de intrekking hebben geleid; -b. Een vervallen of ingetrokken certificaat moet door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan de inspecteur-generaal worden ingezonden door tussenkomst van ambtenaren van de divisie Scheepvaart, de ambtenaren met de in- of uitklaring belast, dan wel de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren. +b. Een vervallen of ingetrokken certificaat moet door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden ingezonden door tussenkomst van ambtenaren der Scheepvaartinspectie, de ambtenaren met de in- of uitklaring belast, dan wel de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren. c. Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een bewijs van ontvangst afgegeven. -**12.** In afwijking van het tiende lid, onder *b*, kan de inspecteur-generaal, indien het certificaat zijn geldigheid heeft verloren omdat een tussentijds of jaarlijks onderzoek niet binnen de gestelde periode is verricht, in bijzondere omstandigheden de geldigheid van het certificaat herstellen, nadat door middel van een inspectie is vastgesteld dat het schip voldoet aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. De omvang van deze inspectie is ter beoordeling van de inspecteur-generaal. +**12.** In afwijking van het tiende lid, onder *b*, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, indien het certificaat zijn geldigheid heeft verloren omdat een tussentijds of jaarlijks onderzoek niet binnen de gestelde periode is verricht, in bijzondere omstandigheden de geldigheid van het certificaat herstellen, nadat door middel van een inspectie is vastgesteld dat het schip voldoet aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. De omvang van deze inspectie is ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. ## Hoofdstuk II. Bepalingen ter beperking van verontreiniging voortvloeiend uit de bedrijfsvoering @@ -238,7 +229,7 @@ c. Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een bewijs van ontvangst af Behoudens het bepaalde in de artikelen 10 en 11, en het bepaalde in het tweede lid, is elke lozing in zee van olierestanten of oliehoudende mengsels vanaf schepen verboden, tenzij wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: -a. voor een olietankschip, behalve zoals bepaald onder *b* : +a. voor een olietankschip, behalve zoals bepaald onder *b*: 1°. het olietankschip bevindt zich niet in een bijzonder gebied, als bedoeld in artikel 10; 2°. het olietankschip bevindt zich meer dan 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land; @@ -253,13 +244,13 @@ b. voor een schip dat geen olietankschip is, met een tonnage van 400 of meer en 3°. het oliegehalte van de geloosde vloeistof is zonder verdunning niet hoger dan 15 delen per miljoen; 4°. het schip heeft de apparatuur, bedoeld in artikel 16, in bedrijf. -**2.** Een schip geen olietankschip zijnde, met een tonnage van minder dan 400, dat zich buiten een bijzonder gebied bevindt, dient olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord op te slaan en af te geven aan havenontvangstvoorzieningen of in zee te lozen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, onder *b*. +**2.** Een schip geen olietankschip zijnde, met een tonnage van minder dan 400, dat zich buiten een bijzonder gebied bevindt, dient olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord op te slaan en af te geven aan ontvangstvoorzieningen of in zee te lozen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, onder *b*. **3.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de lozing van schone of gescheiden ballast of van niet behandelde oliehoudende mengsels waarvan zonder verdunning het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen en deze mengsels niet afkomstig zijn van de vullings van de ladingpompkamer en niet vermengd zijn met olierestanten van de lading. **4.** Lozingen in zee van olierestanten of oliehoudende mengsels mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, dan wel chemicaliën of andere stoffen welke worden aangewend teneinde de in dit artikel aangegeven lozingsvoorwaarden ter zijde te stellen. -**5.** De olierestanten welke niet in zee kunnen worden geloosd volgens het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel, dienen aan boord te worden gehouden of aan havenontvangstvoorzieningen te worden afgegeven. +**5.** De olierestanten welke niet in zee kunnen worden geloosd volgens het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel, dienen aan boord te worden gehouden of aan ontvangstvoorzieningen te worden afgegeven. **6.** @@ -319,7 +310,7 @@ b. Het bepaalde in het tweede lid, onder *a*, is niet van toepassing op de lozin a. Lozingen in zee van olierestanten of oliehoudende mengsels mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, dan wel chemicaliën of andere stoffen aangewend teneinde de in dit artikel aangegeven lozingsvoorwaarden ter zijde te stellen. -b. De olierestanten welke niet in zee mogen worden geloosd volgens het bepaalde onder het tweede en derde lid, dienen aan boord te worden gehouden of aan havenontvangstvoorzieningen te worden afgegeven. +b. De olierestanten welke niet in zee mogen worden geloosd volgens het bepaalde onder het tweede en derde lid, dienen aan boord te worden gehouden of aan ontvangstvoorzieningen te worden afgegeven. **5.** Tot een nader bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip mogen schepen in het gebied van de Rode Zee, van de Perzische Golf en van de Golf van Aden lozen volgens het bepaalde in artikel 9 in plaats van het bepaalde in het tweede en derde lid. @@ -338,11 +329,23 @@ c. het lozen in zee van oliehoudende stoffen met toestemming van Onze Minister, ### Artikel 12 -Vervallen +**1.** Onze Minister wijst de havens aan, waarvan de beheerders zorg dienen te dragen voor voldoende voorzieningen welke, overeenkomstig de behoeften van schepen die van die havens gebruik maken en waarop het lozingsverbod als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van toepassing is, geschikt zijn voor het in ontvangst nemen van olierestanten en oliehoudende mengsels afkomstig van die schepen. + +**2.** De beheerder van een ingevolge het eerste lid aangewezen haven wijst een zodanig aantal personen aan, die over voorzieningen beschikken voor het in ontvangst nemen van olierestanten en oliehoudende mengsels dat onnodig oponthoud voor de schepen bij afgifte van die stoffen wordt voorkomen. + +**3.** Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid kan slechts plaatsvinden indien de aan te wijzen persoon op grond van artikel 10.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer bevoegd is tot het inzamelen of anderszins verwijderen van olierestanten en oliehoudende mengsels. Aan een aanwijzing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. + +**4.** Het is een persoon die niet is aangewezen, verboden om olierestanten en oliehoudende mengsels van schepen, bedoeld in het eerste lid, in ontvangst te nemen. + +**5.** Havenbeheerders doen op deugdelijke wijze mededeling van de personen die zijn aangewezen. Zij dragen ervoor zorg dat van de kosten die in rekening worden gebracht aan het schip dat olierestanten en oliehoudende mengsels afgeeft, op deugdelijke wijze mededeling wordt gedaan. + +**6.** Havenbeheerders stellen regels ten aanzien van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde schepen hun olierestanten en oliehoudende mengsels dienen af te geven, alsmede ten aanzien van de wijze waarop deze schepen van hun behoefte tot afgifte kennis dienen te geven. Van deze regels wordt op deugdelijke wijze mededeling gedaan. ### Artikel 12A -Vervallen +**1.** De afgifte van olierestanten en oliehoudende mengsels, afkomstig van schepen als bedoeld in het eerste lid van artikel 12, mag uitsluitend geschieden aan personen welke zijn aangewezen overeenkomstig het tweede lid van artikel 12. + +**2.** Indien in een haven, naar het oordeel van de kapitein van een schip waarop het lozingsverbod van toepassing is, de voorzieningen voor het in ontvangst nemen van olierestanten en oliehoudende mengsels ontoereikend zijn, dient hij zulks te melden aan de havenbeheerder en aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Tevens dient daarvan aantekening te worden gemaakt in het oliejournaal als bedoeld in artikel 20. ### Artikel 13 @@ -352,8 +355,8 @@ Vervallen Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 tonmassa of meer dienen aan het onderstaande te voldoen: -a. Elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 tonmassa of meer en elk nieuw produktentankschip met een draagvermogen van 30.000 tonmassa of meer dient te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks en te voldoen aan het bepaalde onder *b*, c en *d* of, indien toepasselijk, aan het bepaalde onder *e*. -b De capaciteit van de gescheiden ballasttanks dient zodanig te zijn dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen, zonder dat, behoudens het bepaalde onder *c* en *d*, voor het benodigde ballastwater gebruik behoeft te worden gemaakt van ladingtanks. Echter dient in alle gevallen de gezamenlijke inhoud van de gescheiden ballasttanks ten minste zodanig te zijn, dat gedurende elk deel van de reis in elke ballasttoestand - met inbegrip van de toestand van leeg schip plus uitsluitend gescheiden ballast - de diepgang en trim van het schip aan elk van de volgende voorwaarden kunnen voldoen: +a. Elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 tonmassa of meer en elk nieuw produktentankschip met een draagvermogen van 30.000 tonmassa of meer dient te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks en te voldoen aan het bepaalde onder b, c en d of, indien toepasselijk, aan het bepaalde onder e. +b. De capaciteit van de gescheiden ballasttanks dient zodanig te zijn dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen, zonder dat, behoudens het bepaalde onder c en d, voor het benodigde ballastwater gebruik behoeft te worden gemaakt van ladingtanks. Echter dient in alle gevallen de gezamenlijke inhoud van de gescheiden ballasttanks ten minste zodanig te zijn, dat gedurende elk deel van de reis in elke ballasttoestand - met inbegrip van de toestand van leeg schip plus uitsluitend gescheiden ballast - de diepgang en trim van het schip aan elk van de volgende voorwaarden kunnen voldoen: 1°. de diepgang naar de mal (dm) midscheeps gemeten in meters zonder rekening te houden met enige vervorming van het schip dient niet minder te zijn dan: @@ -364,8 +367,8 @@ c. In geen geval mag ballastwater in ladingtanks worden vervoerd, behalve: 1°. in het bijzondere geval dat de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd; of 2°. in de uitzonderlijke gevallen waarbij de bijzondere aard van de bedrijfsvoering van een olietankschip het noodzakelijk maakt dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. -d. Het extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 9 en 15, tevens dient daarvan aantekening te worden gehouden in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20. Ten aanzien van het bepaalde in onderdeel *c* , onder 2°, kunnen door de inspecteur-generaal nadere voorschriften worden gegeven. -e. In afwijking van het bepaalde onder *b* , dient de capaciteit van de gescheiden ballasttanks van een olietankschip met een lengte van minder dan 150 m, ten genoegen van de inspecteur-generaal te zijn. +d. Het extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 9 en 15, tevens dient daarvan aantekening te worden gehouden in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20. Ten aanzien van het bepaalde in onderdeel *c*, onder 2°, kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere voorschriften worden gegeven. +e. In afwijking van het bepaalde onder *b* , dient de capaciteit van de gescheiden ballasttanks van een olietankschip met een lengte van minder dan 150 m, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn. f. Elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 tonmassa of meer dient te zijn uitgerust met een installatie voor het schoonmaken van de ladingtanks door middel van het wassen met ruwe olie. Deze installatie moet geheel voldoen aan het bepaalde in artikel 13 B, één jaar nadat het tankschip voor het eerst voor het vervoer van ruwe olie is gebezigd, dan wel aan het einde van de derde reis gemaakt met een ruwe olie geschikt voor deze wasmethode waarbij de langste periode bepalend is. g. De installatie dient te worden gebruikt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13 B, tenzij het olietankschip een ruwe olie vervoert die niet geschikt is voor de wasmethode met ruwe olie. @@ -381,23 +384,23 @@ g. De installatie dient te worden gebruikt in overeenstemming met het bepaalde i **1.** Een olietankschip dat de methode van aangewezen schone ballasttanks gebruikt in overeenstemming met het bepaalde in het vijfde lid van artikel 13, dient te beschikken over tanks van voldoende inhoud en welke zijn aangewezen voor het vervoeren van uitsluitend schone ballast zoals omschreven in het eerste lid van artikel 1, onder *o*, teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in het tweede lid, onder *b*, van artikel 13. -**2.** De voorzieningen voor en de werkwijze met de methode van aangewezen schone ballasttanks dienen te voldoen aan de voorschriften vastgesteld door de inspecteur-generaal. +**2.** De voorzieningen voor en de werkwijze met de methode van aangewezen schone ballasttanks dienen te voldoen aan de voorschriften vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. **3.** Een olietankschip dat de methode van aangewezen schone ballasttanks gebruikt, moet zijn uitgerust met een goedgekeurde oliegehaltemeter, welke controle mogelijk maakt van het oliegehalte van het geloosde ballastwater. -**4.** Elk olietankschip dat de methode van aangewezen schone ballasttanks gebruikt, moet zijn voorzien van een handboek waarin het systeem, de uitrusting en de werkwijze daarmee beschreven staan en dat ten genoegen van de inspecteur-generaal is. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het systeem van aangewezen schone ballasttanks beïnvloedt, dient het handboek overeenkomstig te worden herzien. +**4.** Elk olietankschip dat de methode van aangewezen schone ballasttanks gebruikt, moet zijn voorzien van een handboek waarin het systeem, de uitrusting en de werkwijze daarmee beschreven staan en dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het systeem van aangewezen schone ballasttanks beïnvloedt, dient het handboek overeenkomstig te worden herzien. ### Artikel 13B **1.** Elk systeem voor het wassen met ruwe olie, voorgeschreven ingevolge het bepaalde in het tweede lid, onder *f* en vierde lid van artikel 13, moet voldoen aan het bepaalde in dit artikel. -**2.** De installatie voor het wassen met ruwe olie alsmede de bijbehorende uitrusting en voorzieningen moeten voldoen aan de voorschriften vastgesteld door de inspecteur-generaal. +**2.** De installatie voor het wassen met ruwe olie alsmede de bijbehorende uitrusting en voorzieningen moeten voldoen aan de voorschriften vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. **3.** Een inert-gasinstallatie moet zijn aangebracht en aangesloten op elke ladingtank en sloptank in overeenstemming met de van toepassing zijnde artikelen van Bijlage IV van het Schepenbesluit 1965. **4.** Alvorens een ballastreis wordt aangevangen, dienen voldoende ladingtanks met ruwe olie te zijn gewassen opdat, rekening houdend met het vaarschema van het schip en de te verwachten weersomstandigheden, ballastwater alleen wordt vervoerd in ladingtanks die met ruwe olie zijn gewassen. -**5.** Elk olietankschip uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, moet zijn voorzien van een handboek waarin het systeem, de uitrusting en de werkwijze daarmee beschreven staan en dat ten genoegen van de inspecteur-generaal is. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het systeem voor het wassen met ruwe olie beïnvloedt, dient het handboek overeenkomstig te worden herzien. +**5.** Elk olietankschip uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, moet zijn voorzien van een handboek waarin het systeem, de uitrusting en de werkwijze daarmee beschreven staan en dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het systeem voor het wassen met ruwe olie beïnvloedt, dient het handboek overeenkomstig te worden herzien. ### Artikel 13C @@ -412,8 +415,8 @@ b. tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag, voorzover deze reiz Het bepaalde in het eerste lid is alleen van toepassing indien tevens wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden: -a. de havens waar lading wordt ingenomen, zijn voorzien van havenontvangstvoorzieningen die naar het oordeel van Onze Minister toereikend zijn voor het ontvangen en verwerken van alle ballast- en tankwaswater van het schip; -b. alle ballastwater daarbij inbegrepen schone ballast en restanten van het tankwassen, worden tijdens de reis aan boord gehouden en bij aankomst in de haven afgegeven aan havenontvangstvoorzieningen, behoudens het bepaalde in artikel 11; +a. de havens waar lading wordt ingenomen, zijn voorzien van ontvangstvoorzieningen die naar het oordeel van Onze Minister toereikend zijn voor het ontvangen en verwerken van alle ballast- en tankwaswater van het schip; +b. alle ballastwater daarbij inbegrepen schone ballast en restanten van het tankwassen, worden tijdens de reis aan boord gehouden en bij aankomst in de haven afgegeven aan ontvangstvoorzieningen, behoudens het bepaalde in artikel 11; c. van het bepaalde onder *b* aantekening wordt gehouden in het oliejournaal als bedoeld in artikel 20, welke aantekening dient te worden gewaarmerkt door de bevoegde autoriteiten van de havenstaat; d. op het certificaat als bedoeld in artikel 5 wordt aangetekend dat het schip uitsluitend wordt gebezigd voor de reizen als bedoeld in het eerste lid. @@ -426,7 +429,7 @@ Een bestaand ruwe olietankschip wordt geacht te voldoen aan het bepaalde in het a. het schip zodanig is gebouwd of zodanig wordt gebruikt dat te allen tijde zonder het gebruik van ballastwater wordt voldaan aan het bepaalde ten aanzien van de diepgang en de stuurlast als bedoeld in het tweede lid, onder *b*, van artikel 13; -b. de werkwijze en ballastvoorzieningen zijn goedgekeurd door de inspecteur-generaal; +b. de werkwijze en ballastvoorzieningen zijn goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie; c. op het certificaat als bedoeld in artikel 5 is aangetekend dat het schip met speciale ballastvoorzieningen vaart. **2.** Op schepen als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde in artikel 13, lid 2, onder *c*, van overeenkomstige toepassing. @@ -583,13 +586,38 @@ figuur 3 ### Artikel 13G -Een olietankschip waarvoor het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie, bedoeld in artikel 5 vereist is, voldoet ter verkrijging en behoud van dat certificaat mede aan de eisen van verordening (EG) nr. 417/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2002, betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 64). +**1.** a. Dit artikel is van toepassing op ruwe-olietankschepen met een draagvermogen van 20 000 tonmassa of meer en op produktentankschepen met een draagvermogen van 30 000 tonmassa of meer waarvan het bouwcontract is gesloten, de kiel is gelegd of de opleveringsdatum is gelegen vóór de data genoemd in artikel 13f, eerste lid. +b. Dit artikel is niet van toepassing op: + +1°. olietankschepen waarvoor het bouwcontract is gesloten, de kiel is gelegd of de opleveringsdatum is gelegen vóór de data genoemd in artikel 13f, eerste lid, en die voldoen aan het bepaalde in artikel 13f; en +2°. olietankschepen als bedoeld onder *a*, die voldoen aan het bepaalde in artikel 13f, derde lid, onder *a* en *b*, vierde of vijfde lid, met uitzondering van de eisen voor de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating. In dat geval mag de eerderbedoelde afstand ter bescherming van de zijden niet minder zijn dan de minimum afstand gesteld aan de plaats van de ladingtank voor een schip van het type 2 in de code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (Internationale Bulk Chemicaliën Code/IBC-code, Resolutie MEPC.19(22)), terwijl de afstand ter bescherming van de bodem voldoet aan het bepaalde in artikel 13e, vierde lid, onder *b*. + +**2.** Dit artikel treedt in werking met ingang van 6 juli 1995. + +**3.** a. Een olietankschip dat dient te voldoen aan het bepaalde in dit artikel is onderworpen aan een aanvullend uitgebreid inspectie-programma tijdens de periodieke, tussentijdse en jaarlijkse onderzoeken. +b. Een olietankschip ouder dan vijf jaar, waarop dit artikel van toepassing is, moet aan boord hebben een volledig dossier van de onderzoekrapporten, inclusief de resultaten van de diktemetingen van de beplating en van de verbanddelen alsmede een verklaring omtrent de uitgevoerde werkzaamheden aan de scheepsconstructie. Dit dossier dient beschikbaar te zijn voor de bevoegde autoriteit van de regering van iedere staat die partij is bij het Verdrag. +c. Bij het dossier behoort een evaluatierapport waarin conclusies zijn opgenomen over de staat van de scheepsconstructie en van de restafmetingen van de beplating en de verbanddelen. Het rapport is voorzien van een aantekening door of namens de bevoegde autoriteit van de vlaggestaat. + +**4.** + +Een olietankschip dat niet voldoet aan de vereisten voor een nieuw olietankschip als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder *a*, voldoet uiterlijk 25 jaar na de datum van oplevering aan het bepaalde in artikel 13f, tenzij het schip is voorzien van: + +a. zijtanks waarin geen olie wordt vervoerd en welke voldoen aan het bepaalde in artikel 13e, vierde lid, die zich aan elke zijde uitstrekken over ten minste 0,3Lt en over de volle holte; of +b. ruimten voor de dubbele bodem waarin geen olie wordt vervoerd, die zich uitstrekken over ten minste 30% van de binnen de lengte Lt gelegen horizontale projectie van de opppervlakte van de vlaktebeplating, waarin Lt is als bedoeld in artikel 13e, tweede lid. + +In de onder *a* en *b* genoemde gevallen voldoet het olietankschip uiterlijk 30 jaar na de datum van oplevering aan het bepaalde in artikel 13f. + +**5.** Een olietankschip dat voldoet aan de vereisten voor een nieuw olietankschip als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder *a*, voldoet uiterlijk 30 jaar na de datum van oplevering aan artikel 13f. + +**6.** Nieuwe ballast- en beladingtoestanden die het gevolg zijn van de toepassing van het vierde lid, in het bijzonder met betrekking tot langsscheepse en plaatselijke sterkte, stabiliteit in onbeschadigde en in beschadigde toestand, moeten zijn goedgekeurd. + +**7.** Andere constructieve of operationele voorzieningen zoals een hydrostatisch gebalanceerde belading, kunnen worden aangemerkt als alternatief voor het bepaalde in het vierde lid mits dergelijke alternatieven een zelfde mate van bescherming tegen olieverontreiniging bieden in geval van aanvaring of stranding en zijn goedgekeurd. ### Artikel 14 **1.** Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel is het verboden ballastwater in enige brandstofolietank te vervoeren aan boord van nieuwe schepen geen olietankschepen zijnde, met een tonnage van 4000 of meer alsmede aan boord van nieuwe olietankschepen met een tonnage van 150 of meer. -**2.** Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing, indien ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstof mee te voeren ertoe leiden dat ballastwater moet worden vervoerd in enige brandstofolietank. In dergelijke gevallen dient zulk ballastwater te worden afgegeven aan havenontvangstvoorzieningen, dan wel is lozing ervan in zee toegestaan met inachtname van het bepaalde in de artikelen 9 en 20, waarbij het gebruik van apparatuur als bedoeld in artikel 16, tweede lid, is vereist. +**2.** Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing, indien ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstof mee te voeren ertoe leiden dat ballastwater moet worden vervoerd in enige brandstofolietank. In dergelijke gevallen dient zulk ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstvoorzieningen, dan wel is lozing ervan in zee toegestaan met inachtname van het bepaalde in de artikelen 9 en 20, waarbij het gebruik van apparatuur als bedoeld in artikel 16, tweede lid, is vereist. **3.** @@ -598,7 +626,7 @@ Het is niet toegestaan olie te vervoeren in de voorpiektank of in een tank die v a. waarvoor het bouwcontract is gesloten na 1 januari 1982; of b. indien geen bouwcontract is gesloten, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt na 1 juli 1982. -**4.** Schepen niet vallende onder het eerste en derde lid dienen aan het bepaalde in deze leden te voldoen, tenzij zulks naar het oordeel van de inspecteur-generaal niet redelijk en praktisch uitvoerbaar is. +**4.** Schepen niet vallende onder het eerste en derde lid dienen aan het bepaalde in deze leden te voldoen, tenzij zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet redelijk en praktisch uitvoerbaar is. ### Artikel 15 @@ -609,7 +637,7 @@ Olietankschepen met een tonnage van 150 of meer dienen te zijn uitgerust met: a. toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks, alsmede voor het overbrengen van de verontreinigde ballastrestanten en het tankwaswater naar een goedgekeurde sloptank, waarbij zodanige voorzieningen voor het overbrengen van de oliehoudende restanten naar een sloptank of een combinatie van sloptanks zijn getroffen, dat de lozing van elke vloeistof in de zee voldoet aan het bepaalde in artikel 9; b. een sloptank of een combinatie van sloptanks die voldoen aan het bepaalde in het vierde lid; c. een bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie dat voldoet aan het bepaalde in het vijfde lid; -d. doelmatige apparatuur om snel en nauwkeurig het oliewater scheidingsvlak in de sloptank vast te stellen; en +d. goedgekeurde en doelmatige apparatuur om snel en nauwkeurig het oliewater scheidingsvlak in de sloptank vast te stellen; en e. een goedgekeurd handboek waarin richtlijnen met betrekking tot het gebruik van de bewakings- en regelapparatuur zijn opgenomen en waarin zowel de automatische als de hand bediende werkwijze is beschreven. De apparatuur als bedoeld onder *d* dient ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin scheiding van olie en water tot stand komt, en van waaruit men lozing rechtstreeks in de zee wil doen plaatsvinden. @@ -620,7 +648,7 @@ De apparatuur als bedoeld onder *d* dient ook beschikbaar te zijn voor gebruik i **4.** a. Sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaatsing van de in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voor zover aangebracht, dat overmatige turbulentie met het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water, wordt voorkomen. b. 1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet minder zijn dan 3% van de inhoud van de ladingtanks van het schip. -2°. De inspecteur-generaal kan toestaan dat de onder 1° voorgeschreven inhoud van de sloptanks of van de combinatie van sloptanks wordt verminderd: +2°. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat de onder 1° voorgeschreven inhoud van de sloptanks of van de combinatie van sloptanks wordt verminderd: (i). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met een gesloten tankwassysteem; (ii). tot 2% voor een olietankschip dat is uitgerust met gescheiden ballasttanks of aangewezen schone ballasttanks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 of dat is uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, met dien verstande dat de inhoud mag worden verminderd tot 1½% indien het schip tevens is uitgerust met een gesloten tankwassysteem; @@ -628,15 +656,16 @@ b. 1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet m **5.** a. Het bewaking- en regelsysteem voor olielozingen als bedoeld in het eerste lid, onder *c* dient: -1°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en -2°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder *a*, van artikel 9 overschrijdt. +1°. van een goedgekeurd type te zijn; +2°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en +3°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder *a*, van artikel 9 overschrijdt. b. Elke storing in het bewakings- en regelsysteem dient de lozing automatisch te doen stoppen en moet worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20. c. Er dient een andere methode door middel van handbediening aanwezig te zijn, die in geval van een dergelijke storing kan worden gebruikt. Het onklaar onderdeel van de apparatuur dient echter zo spoedig mogelijk bedrijfsklaar te worden gemaakt. De havenautoriteit kan een olietankschip met een onklaar onderdeel van de apparatuur toestemming verlenen een ballastreis te ondernemen voordat het zich naar een reparatiehaven begeeft. -**6.** Op olietankschepen met een tonnage van minder dan 150 is het bepaalde in de vorige leden niet van toepassing. Olie en verontreinigd tankwaswater dienen aan boord te worden gehouden en te worden verzameld in een opslagtank voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen, tenzij voldoende voorzieningen zijn getroffen voor het zodanig bewaken van de lozing van deze vloeistoffen in de zee dat verzekerd is dat daarbij aan het bepaalde in artikel 9 wordt voldaan. +**6.** Op olietankschepen met een tonnage van minder dan 150 is het bepaalde in de vorige leden niet van toepassing. Olie en verontreinigd tankwaswater dienen aan boord te worden gehouden en te worden verzameld in een opslagtank voor afgifte aan ontvangstvoorzieningen, tenzij voldoende voorzieningen zijn getroffen voor het zodanig bewaken van de lozing van deze vloeistoffen in de zee dat verzekerd is dat daarbij aan het bepaalde in artikel 9 wordt voldaan. -**7.** a. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid indien een olietankschip uitsluitend reizen maakt gelegen binnen een afstand van 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarvan de reisduur niet meer bedraagt dan 72 uur en de reizen uitsluitend gemaakt worden tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag. Een zodanige ontheffing kan slechts worden verleend indien het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt, ter latere afgifte aan havenontvangstvoorzieningen, en deze havenontvangstvoorzieningen toereikend zijn, dit ter beoordeling van de inspecteur-generaal. -b. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijfde lid, voor schepen niet vallende onder *a*, in de volgende gevallen: +**7.** a. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid indien een olietankschip uitsluitend reizen maakt gelegen binnen een afstand van 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarvan de reisduur niet meer bedraagt dan 72 uur en de reizen uitsluitend gemaakt worden tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag. Een zodanige ontheffing kan slechts worden verleend indien het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt, ter latere afgifte aan ontvangstvoorzieningen, en deze ontvangstvoorzieningen toereikend zijn, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. +b. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijfde lid, voor schepen niet vallende onder *a*, in de volgende gevallen: 1°. voor bestaande olietankschepen met een draagvermogen van 40 000 tonmassa of meer ingezet op reizen als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, en welke daarbij voldoen aan het bepaalde in artikel 13c, tweede lid; of 2°. voor olietankschepen die uitsluitend reizen maken: @@ -645,19 +674,21 @@ b. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vijfde (ii). binnen 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land buiten een bijzonder gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, waarbij het olietankschip ingezet wordt: 1e. voor reizen tussen havens van staten die partij zijn bij het Verdrag; of -2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door de inspecteur-generaal, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt. +2e. voor reizen binnen een beperkt vaargebied, vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, waarvan de reisduur niet meer dan 72 uur bedraagt. c. Indien een ontheffing wordt verleend overeenkomstig het bepaalde onder *b*, dient tevens te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: -1°. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden voor afgifte aan havenontvangstvoorzieningen; en +1°. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden voor afgifte aan ontvangstvoorzieningen; en 2°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip van afgifte en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20. -d. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel *b*, onder 2°, onder (ii), dienen binnen het genoemde gebied de havenontvangstvoorzieningen toereikend te zijn, dit ter beoordeling van de inspecteur-generaal. -e. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel *b*, onder 2° (i) en 2° (ii), ten 2e, zullen de genoemde gebieden worden vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5. +d. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel *b*, onder 2°, onder (ii), dienen binnen het genoemde gebied de ontvangstvoorzieningen toereikend te zijn, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. +e. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel *b*, onder 2°(i) en 2° (ii), ten 2e, zullen de genoemde gebieden worden vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5. -**8.** a. De inspecteur-generaal kan vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder *a* 6° en in het eerste lid onder *c* van dit artikel, indien geen apparatuur voor de bewaking en regeling van het lozen van geraffineerde lichte produkten beschikbaar is. -b. Indien een vrijstelling als bedoeld onder *a* is verleend, dient de lozing te geschieden volgens door de inspecteur-generaal te stellen voorschriften. -c. De inspecteur-generaal zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder *a* genoemde apparatuur beschikbaar is. +**8.** a. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder *a* 6° en in het eerste lid onder *c* van dit artikel, indien geen apparatuur voor de bewaking en regeling van het lozen van geraffineerde lichte produkten beschikbaar is. +b. Indien een vrijstelling als bedoeld onder *a* is verleend, dient de lozing te geschieden volgens door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorschriften. +c. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder *a* genoemde apparatuur beschikbaar is. -**9.** Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is niet van toepassing op een olietankschip dat asfalt vervoert of andere producten waarop de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, waarvan de fysische eigenschappen een effectieve scheiding van het product en water alsmede een effectief bewaken van de lozing belemmeren. Alle ladingrestanten dienen aan boord te worden gehouden en tezamen met alle verontreinigd waswater aan een havenontvangstvoorziening te worden afgegeven. +**9.** Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is niet van toepassing op een olietankschip dat asfalt vervoert of andere producten waarop de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, waarvan de fysische eigenschappen een effectieve scheiding van het product en water alsmede een effectief bewaken van de lozing belemmeren. Alle ladingrestanten dienen aan boord te worden gehouden en tezamen met alle verontreinigd waswater aan een ontvangstvoorziening te worden afgegeven. + +**10.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, onder *d*, alsmede het bepaalde in het vijfde lid. ### Artikel 16 @@ -665,37 +696,39 @@ c. De inspecteur-generaal zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder *a* ge **2.** Elk schip met een tonnage van 10 000 of meer is uitgerust met apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels en met een inrichting voor een alarm en een automatische stop indien het oliegehalte van de te lozen vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. -**3.** a. De inspecteur-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: +**3.** a. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: 1°. het schip is voorzien van een verzameltank met een voldoende inhoud voor het aan boord opslaan van alle met olie verontreinigd lenswater; -2°. al het met olie verontreinigd lenswater wordt aan boord opgeslagen om vervolgens te worden afgegeven aan havenontvangstvoorzieningen; -3°. in de havens waarnaar het schip reizen maakt, zijn voldoende havenontvangstvoorzieningen beschikbaar voor het in ontvangst nemen van het met olie verontreinigd lenswater; +2°. al het met olie verontreinigd lenswater wordt aan boord opgeslagen om vervolgens te worden afgegeven aan ontvangstvoorzieningen; +3°. in de havens waarnaar het schip reizen maakt, zijn voldoende ontvangstvoorzieningen beschikbaar voor het in ontvangst nemen van het met olie verontreinigd lenswater; 4°. op het certificaat is aangetekend dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden; 5°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal. b. Een schip met een tonnage van minder dan 400 dient, voor zover praktisch uitvoerbaar, zodanig te zijn uitgerust dat olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord kunnen worden opgeslagen of dat lozing daarvan kan geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder *b*. -**4.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het eerste lid, moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen. +**4.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het eerste lid, dient van een goedgekeurd type te zijn en moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen. -**5.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het tweede lid moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. De apparatuur dient zodanig te zijn ingericht dat elke lozing automatisch wordt gestopt indien het oliegehalte van de te lozen vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. +**5.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het tweede lid dient van een goedgekeurd type te zijn en moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. De apparatuur dient zodanig te zijn ingericht dat elke lozing automatisch wordt gestopt indien het oliegehalte van de te lozen vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. **6.** Schepen opgeleverd voor 6 juli 1993 moeten met ingang van 6 juli 1998 aan dit artikel voldoen indien deze schepen zijn uitgerust met apparatuur voor het scheiden van olie en water tot 100 delen per miljoen. +**7.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het bepaalde in het vierde en vijfde lid. + ### Artikel 17 **1.** Elk schip met een tonnage van 400 of meer dient te zijn uitgerust met een of meer tanks met een inhoud die, met inachtneming van het type van de machine-installatie en de duur van de reis, toereikend is voor het opslaan van olierestanten welke ontstaan bij het reinigen van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de ruimten voor machines, en welke niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. -**2.** Aan boord van nieuwe schepen dienen deze tanks zodanig te zijn ontworpen en gebouwd dat de reiniging ervan en de afgifte van restanten aan havenontvangstvoorzieningen wordt vergemakkelijkt. Inrichtingen voor het ontluchten van de tanks, het ledigen ervan en het meten van de in de tanks aanwezige vloeistof, dienen ten genoegen van de inspecteur-generaal te zijn aangebracht. +**2.** Aan boord van nieuwe schepen dienen deze tanks zodanig te zijn ontworpen en gebouwd dat de reiniging ervan en de afgifte van restanten aan ontvangstvoorzieningen wordt vergemakkelijkt. Inrichtingen voor het ontluchten van de tanks, het ledigen ervan en het meten van de in de tanks aanwezige vloeistof, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te zijn aangebracht. -**3.** Op bestaande schepen is het bepaalde in het tweede lid van toepassing, indien zulks naar het oordeel van de inspecteur-generaal redelijk en praktisch uitvoerbaar is. +**3.** Op bestaande schepen is het bepaalde in het tweede lid van toepassing, indien zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie redelijk en praktisch uitvoerbaar is. **4.** Pijpleidingen naar en van tanks voor olierestanten welke ontstaan bij het reinigen van brandstof en smeeroliën mogen geen andere directe aansluiting overboord hebben dan de standaard aansluiting, bedoeld in artikel 19 . ### Artikel 18 -**1.** Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een losaansluiting te zijn aangebracht voor de afgifte van door olie verontreinigd ballastwater of tankwaswater aan havenontvangstvoorzieningen. +**1.** Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een losaansluiting te zijn aangebracht voor de afgifte van door olie verontreinigd ballastwater of tankwaswater aan ontvangstvoorzieningen. **2.** a. Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen van ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte van het schip, zoals toegestaan krachtens artikel 9 of 10, te zijn geleid naar het open dek, of naar de zijde van het schip boven de waterlijn, behorende bij de ballasttoestand met de grootste diepgang. -b. Voor lozingen toegestaan krachtens het bepaalde in het zesde lid kan een afwijkend systeem worden aanvaard, zulks naar het oordeel van de inspecteur-generaal. +b. Voor lozingen toegestaan krachtens het bepaalde in het zesde lid kan een afwijkend systeem worden aanvaard, zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. **3.** a. Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te zijn getroffen voor het stoppen van de lozing van ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte van het schip, vanaf een zodanige plaats op het bovendek of hoger, dat de in gebruik zijnde losaansluiting, bedoeld in het eerste lid, en de lozing in zee uit de pijpleidingen, bedoeld in het tweede lid, onder *a*, vanaf die plaats met het oog waarneembaar zijn. b. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien is voorzien in een goed werkende radio- of telefoonverbinding tussen de waarnemingsplaats en de plaats waar de lozing kan worden gestopt. @@ -725,14 +758,14 @@ d. olietankschepen mogen verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd wa 1°. er voldoende tijd is verstreken zodat scheiding van olie en water heeft plaatsgevonden; en 2°. het ballastwater is onderzocht onmiddellijk voorafgaand aan de lozing met apparatuur voor het vaststellen van het oliewater scheidingsvlak, bedoeld in artikel 15, eerste lid onder *d*, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico met zich meebrengt voor het mariene milieu. -e. In afwijking van het bepaalde onder *d* , mag een bestaand olietankschip verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte op zee onder de waterlijn lozen mits: +e. In afwijking van het bepaalde onder *d*, mag een bestaand olietankschip verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water afkomstig van het ladinggedeelte op zee onder de waterlijn lozen mits: 1°. een deel van het te lozen water door een vaste leiding wordt geleid naar een gemakkelijk bereikbare plaats op het bovendek of daarboven, alwaar de lozing visueel kan worden gecontroleerd; en -2°. deze voorzieningen van lozen voldoen aan nadere door de inspecteur-generaal te geven voorschriften. +2°. deze voorzieningen van lozen voldoen aan nadere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te geven voorschriften. ### Artikel 19 -Teneinde de leidingen van havenontvangstvoorzieningen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding bestemd voor de afgifte van restanten afkomstig van de ruimten voor machines, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel: +Teneinde de leidingen van ontvangstvoorzieningen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding bestemd voor de afgifte van restanten afkomstig van de ruimten voor machines, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel: Standaardafmetingen van flenzen voor aansluitingen voor afgifte @@ -837,7 +870,7 @@ waarin: li = lengte van de betreffende lege ruimte of gescheiden ballasttank in a. De hoogte hi van de dubbele bodem als bedoeld in het eerste lid, onder *a*, mag alleen in rekening worden gebracht indien zij leeg zijn of schoon water bevatten, en wanneer in de daarboven gelegen tanks lading wordt vervoerd. b. Indien de dubbele bodem zich niet uitstrekt over de gehele lengte en breedte van de betreffende tank, wordt de dubbele bodem geacht niet aanwezig te zijn en dient de inhoud van de tanks boven het gebied van de bodemschade in formule (II) inbegrepen te worden, zelf indien de tank wegens het aanbrengen van een dergelijke gedeeltelijke dubbele bodem als onbeschadigd kan worden beschouwd. -c. Voor de bepaling van de waarde hi mogen zuigputten buiten beschouwing worden gelaten, mits deze geen buitensporig groot oppervlak hebben, zulks ter beoordeling van de inspecteur-generaal, en welke zo weinig mogelijk, in geen geval meer dan de halve hoogte van de dubbele bodem, onder de tank uitsteken. +c. Voor de bepaling van de waarde hi mogen zuigputten buiten beschouwing worden gelaten, mits deze geen buitensporig groot oppervlak hebben, zulks ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, en welke zo weinig mogelijk, in geen geval meer dan de halve hoogte van de dubbele bodem, onder de tank uitsteken. Indien de diepte van dergelijke zuigputten groter is dan de halve hoogte van de dubbele bodem, dient voor hi de hoogte van de dubbele bodem, verminderd met de hoogte van de zuigput, te worden aangenomen. @@ -853,7 +886,7 @@ Os = 1/4 (σ ZiWi + σ ZiCi) (III) **5.** -Indien elke ladingtank is voorzien van een inrichting voor het verpompen van lading welke is uitgevoerd met een hoog aangebrachte noodzuigaansluiting en waarmee lading vanuit één of meer beschadigde tanks kan worden overgepompt naar gescheiden ballasttanks of naar andere ladingtanks waarvan het zeker is dat de ullage in deze tanks voldoende is, kan de inspecteur-generaal toestaan dat bij bodemschade rekening wordt gehouden met een geringere hoeveelheid uitgestroomde olie. +Indien elke ladingtank is voorzien van een inrichting voor het verpompen van lading welke is uitgevoerd met een hoog aangebrachte noodzuigaansluiting en waarmee lading vanuit één of meer beschadigde tanks kan worden overgepompt naar gescheiden ballasttanks of naar andere ladingtanks waarvan het zeker is dat de ullage in deze tanks voldoende is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat bij bodemschade rekening wordt gehouden met een geringere hoeveelheid uitgestroomde olie. Het al of niet rekening houden met een zodanig leidingstelsel is afhankelijk van het vermogen om in twee uur tijd een hoeveelheid olie over te pompen, die gelijk is aan de helft van de inhoud van de grootste van de betreffende beschadigde tanks en van de beschikbaarheid van een daarmede overeenkomende opnamecapaciteit in ballast- of ladingtanks. @@ -933,7 +966,7 @@ b. bij olietankschepen met een lengte van meer dan 150 m, maar niet meer dan 225 De machinekamer dient te worden beschouwd als een afzonderlijke afdeling die lek kan worden; c. bij olietankschepen met een lengte van niet meer dan 150 m: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip tussen aangrenzende dwarsschotten, met uitzondering van de machinekamer; -d. aan olietankschepen met een lengte van 100 m of minder die niet aan alle criteria van het vierde lid kunnen voldoen zonder daarbij ingrijpend afbreuk te doen aan de bedrijfshoedanigheden van het schip, kan de inspecteur-generaal een verlichting van deze criteria toestaan; +d. aan olietankschepen met een lengte van 100 m of minder die niet aan alle criteria van het vierde lid kunnen voldoen zonder daarbij ingrijpend afbreuk te doen aan de bedrijfshoedanigheden van het schip, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een verlichting van deze criteria toestaan; e. ballasttoestanden, waarbij het olietankschip geen olie behalve olierestanten, in ladingtanks vervoert, behoeven niet in beschouwing te worden genomen. **2.** @@ -943,8 +976,8 @@ De volgende bepalingen met betrekking tot de overgang en de aard van de aangenom a. Beschadiging in de zijde: b. Bodem schade b. Bodem schade -c. Indien een beschadiging van geringere omvang dan de maximale beschadiging onder *a* en *b* , een ernstiger situatie ten gevolge heeft, moet een dergelijke beschadiging worden aangenomen. -d. In gevallen waarin beschadiging aan dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in het eerste lid, onder *a* en *b*, dienen waterdichte dwarsschotten, teneinde als doelmatig te kunnen worden beschouwd te worden geplaatst op een onderlinge afstand die ten minste gelijk is aan de lengte waarover de veronderstelde beschadiging, bedoeld onder *a* , zich uitstrekt. In gevallen waarin de dwarsschotten op een kleinere onderlinge afstand zijn geplaatst, worden binnen het beschadigde gedeelte een of meer van deze schotten geacht niet aanwezig te zijn bij het vaststellen van afdelingen die vol kunnen lopen. +c. Indien een beschadiging van geringere omvang dan de maximale beschadiging onder a en b, een ernstiger situatie ten gevolge heeft, moet een dergelijke beschadiging worden aangenomen. +d. In gevallen waarin beschadiging aan dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in het eerste lid, onder a en b, dienen waterdichte dwarsschotten, teneinde als doelmatig te kunnen worden beschouwd te worden geplaatst op een onderlinge afstand die ten minste gelijk is aan de lengte waarover de veronderstelde beschadiging, bedoeld onder a, zich uitstrekt. In gevallen waarin de dwarsschotten op een kleinere onderlinge afstand zijn geplaatst, worden binnen het beschadigde gedeelte een of meer van deze schotten geacht niet aanwezig te zijn bij het vaststellen van afdelingen die vol kunnen lopen. e. In gevallen waarin beschadiging tussen aangrenzende waterdichte dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in het eerste lid, onder *c*, wordt aangenomen dat een hoofddwarsschot of een dwarsschot dat de afscheiding vormt tussen zijtanks of dubbele bodemtanks niet beschadigd is, tenzij: 1°. de aangrenzende schotten dichter bij elkaar zijn geplaatst dan de lengte waarover de veronderstelde beschadiging zich uitstrekt, zoals bedoeld onder *a* van dit lid, of @@ -961,13 +994,13 @@ Onder deze openingen worden begrepen luchtpijpen en andere openingen die worden b. in de eindtoestand na het vollopen de slagzij, ten gevolge van onsymmetrisch vollopen, niet groter is dan 25 graden. Indien geen enkel deel van het dek is ondergedompeld is een slagzij van niet meer dan 30 graden aanvaardbaar. -c. de kromme van armen van statische stabiliteit dient een minimum bereik te hebben van 20 graden voorbij de evenwichtstoestand, te zamen met een resterende maximale oprichtende arm van ten minste 0,1 m binnen het bereik van 20 graden. Daarbij dient de oppervlakte onder de kromme binnen dit bereik niet minder dan 0,0175 meter radialen te bedragen. Binnen bovengenoemd bereik van de kromme van armen van statische stabiliteit mogen onbeschermde openingen niet onder water komen, tenzij de desbetreffende ruimte wordt verondersteld vervuld te zijn geraakt. Voor openingen als bedoeld onder *a* en andere tegen weer en wind afsluitbare openingen is het toegestaan dat deze worden ondergedompeld binnen het bereik van 20 graden. -d. ten genoegen van de inspecteur-generaal wordt aangetoond dat de stabiliteit tijdens het vollopen steeds voldoende is. -e. Overvloeiinrichtingen waarvoor mechanische hulpmiddelen nodig zijn, zoals afsluiters of eventueel aangebrachte overvloeipijpen, mogen niet in aanmerking worden genomen voor het verminderen van slagzij of voor het verkrijgen van het minimaal vereiste bereik van de reststabiliteit teneinde te voldoen aan het bepaalde onder *a* , b en *c.* Gedurende alle stadia van het overvloeien dient voldoende reststabiliteit te worden gehandhaafd. Ruimten die door kokers van grote doorsnede zijn verbonden, kunnen als één ruimte worden beschouwd. +c. de kromme van armen van statische stabiliteit dient een minimum bereik te hebben van 20 graden voorbij de evenwichtstoestand, te zamen met een resterende maximale oprichtende arm van ten minste 0,1 m binnen het bereik van 20 graden. Daarbij dient de oppervlakte onder de kromme binnen dit bereik niet minder dan 0,0175 meter radialen te bedragen. Binnen bovengenoemd bereik van de kromme van armen van statische stabiliteit mogen onbeschermde openingen niet onder water komen, tenzij de desbetreffende ruimte wordt verondersteld vervuld te zijn geraakt. Voor openingen als bedoeld onder a en andere tegen weer en wind afsluitbare openingen is het toegestaan dat deze worden ondergedompeld binnen het bereik van 20 graden. +d. ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat de stabiliteit tijdens het vollopen steeds voldoende is. +e. Overvloeiinrichtingen waarvoor mechanische hulpmiddelen nodig zijn, zoals afsluiters of eventueel aangebrachte overvloeipijpen, mogen niet in aanmerking worden genomen voor het verminderen van slagzij of voor het verkrijgen van het minimaal vereiste bereik van de reststabiliteit teneinde te voldoen aan het bepaalde onder a, b en c. Gedurende alle stadia van het overvloeien dient voldoende reststabiliteit te worden gehandhaafd. Ruimten die door kokers van grote doorsnede zijn verbonden, kunnen als één ruimte worden beschouwd. **4.** -Er dient ten genoegen van de inspecteur-generaal met berekeningen te worden aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt voldaan. +Er dient ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie met berekeningen te worden aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt voldaan. Hierbij moet rekening worden gehouden met de ontwerpeigenschappen van het schip, de indeling, ligging en inhoud van de beschadigde afdelingen, alsmede met de verdeling, het soortelijk gewicht en de invloed van vrije vloeistofoppervlakken. Bij de berekeningen moet worden uitgegaan van de volgende aannamen: @@ -978,7 +1011,7 @@ b. de volgende permeabiliteiten moeten worden aangenomen: c. Het drijfvermogen van een bovenbouw die zich onmiddellijk boven de beschadigde plaats in de zijde van het schip bevindt, dient buiten beschouwing te worden gelaten. De niet volgelopen gedeelten van de bovenbouwen die buiten het beschadigde gedeelte vallen, kunnen echter wel in de beschouwing worden betrokken, mits zij van het beschadigde gedeelte worden gescheiden door waterdichte schotten en aan de bepalingen van het derde lid onder *a* met betrekking tot deze onbeschadigde ruimten is voldaan. In waterdichte schotten binnen de bovenbouw zijn waterdichte scharnierende deuren toegestaan. d. De invloed van vrije vloeistofoppervlakken dient voor elke afdeling afzonderlijk te worden berekend bij een slagzij van 5 graden. -de inspecteur-generaal kan eisen dan wel toestaan dat de invloed van vrije vloeistofoppervlakken in gedeeltelijk gevulde tanks wordt berekend bij een slagzij van meer dan 5 graden. +Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan eisen dan wel toestaan dat de invloed van vrije vloeistofoppervlakken in gedeeltelijk gevulde tanks wordt berekend bij een slagzij van meer dan 5 graden. e. Bij het berekenen van de invloed van vrije vloeistofoppervlakken van verbruiksvloeistoffen dient te worden aangenomen dat, voor elk soort vloeistof, ten minste twee dwarsscheeps naast elkaar gelegen tanks of een middentank een vrije vloeistofoppervlak hebben: rekening dient te worden gehouden met de tank of combinatie van tanks waar de invloed van het vrije vloeistofoppervlak het grootst is. **5.** @@ -1013,7 +1046,7 @@ d. die een belangrijke verbouwing hebben ondergaan: Indien het schip zich op zee bevindt gelden de volgende bepalingen: -1° De dynamische weg bij een helling van 30 graden is ten minste 0,055 meterradialen en bij een helling van 40 graden of bij een andere helling waarbij het schip vervuld raakt (Φ_f) indien deze kleiner is dan 40 graden, niet minder dan 0,09 meterradialen. voorts is de toename van de dynamische weg tussen een helling van 30 graden en een helling van 40 graden of de helling (Φ_f) indien deze kleiner is dan 40 graden, niet minder dan 0,03 meterradialen. de helling waarbij een schip vervuld raakt (Φ_f) is de helling waarbij openingen in de romp, de bovenbouwen of dekhuizen die niet waterdicht kunnen worden afgesloten, onder water komen, met dien verstande dat bij de toepassing van dit criterium kleine openingen waar doorheen, naar het oordeel van de inspecteur-generaal, binnenstromend water niet verder het schip kan binnendringen, niet als open behoeven te worden beschouwd; +1° De dynamische weg bij een helling van 30 graden is ten minste 0,055 meterradialen en bij een helling van 40 graden of bij een andere helling waarbij het schip vervuld raakt (Φ_f) indien deze kleiner is dan 40 graden, niet minder dan 0,09 meterradialen. voorts is de toename van de dynamische weg tussen een helling van 30 graden en een helling van 40 graden of de helling (Φ_f) indien deze kleiner is dan 40 graden, niet minder dan 0,03 meterradialen. de helling waarbij een schip vervuld raakt (Φ_f) is de helling waarbij openingen in de romp, de bovenbouwen of dekhuizen die niet waterdicht kunnen worden afgesloten, onder water komen, met dien verstande dat bij de toepassing van dit criterium kleine openingen waar doorheen, naar het oordeel van het hoofd van de scheepvaartinspectie, binnenstromend water niet verder het schip kan binnendringen, niet als open behoeven te worden beschouwd; 2° de arm van statische stabiliteit bedraagt ten minste 0,20 meter bij een helling van 30 graden of meer; 3° de maximale waarde van de armen van statische stabiliteit wordt bij voorkeur bereikt bij een helling van ten minste 30 graden, doch in geen geval bij een helling van minder dan 25 graden; en 4° de aanvangsmetacenterhoogte (GM_0), gecorrigeerd voor de invloed van vrije vloeistofoppervlakken bij 0 graden helling, is ten minste 0,15 meter. @@ -1024,7 +1057,7 @@ Indien het schip zich op zee bevindt gelden de volgende bepalingen: Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende operationele procedures voor vloeistofverplaatsing worden toegepast, die aan de kapitein schriftelijk ter beschikking worden gesteld en die: -1°. ten aanzien van Nederlandse schepen door de inspecteur-generaal zijn goedgekeurd; +1°. ten aanzien van Nederlandse schepen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd; 2°. aangeven in welke lading- en ballasttanks, onder alle van toepassing zijnde toestanden van vloeistofverplaatsing en de voorkomende soortelijke massa's van de lading, vrije vloeistofoppervlakken mogen voorkomen waarbij aan de stabiliteitscriteria, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt voldaan. Deze tanks behoeven niet steeds dezelfde te zijn tijdens de vloeistofverplaatsing en elke combinatie is toegestaan, mits aan de stabiliteitscriteria, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt voldaan; 3°. duidelijk en begrijpelijk zijn voor de dienstdoende officier, belast met de vloeistofverplaatsing; 4°. voorzien in een vastgestelde volgorde van operaties waarbij lading, ballast dan wel beide worden verplaatst; @@ -1037,48 +1070,26 @@ Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende operationele procedures ### Artikel 26 -**1.** Elk olietankschip met een tonnage van 150 of meer en elk schip dat geen olietankschip is, met een tonnage van 400 of meer, heeft een goedgekeurd scheepsnoodplan voor olieverontreiniging aan boord. +**1.** Elk olietankschip met een tonnage van 150 of meer en elk schip dat geen olietankschip is, met een tonnage van 400 of meer, heeft een goedgekeurd scheepsnoodplan voor olieverontreinigingen aan boord. Schepen gebouwd vóór 4 april 1993 moeten 24 maanden na deze datum hieraan voldoen. **2.** Een scheepsnoodplan voor olieverontreiniging bevat ten minste: a. de procedure die de kapitein of een ander bemanningslid dat de leiding van het schip heeft, moet volgen voor het melden van een voorval van olieverontreiniging; -b. een lijst van autoriteiten of personen aan wie een voorval van olieverontreiniging moet worden gemeld; -c. een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen welke de bemanning onmiddellijk moet nemen om de uitstroom van olie ten gevolge van een voorval zoveel mogelijk te beperken; +b. een lijst van autoriteiten of personen aan wie moet worden gemeld in geval van een voorval van olieverontreiniging; +c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen welke de bemanning onmiddellijk moet nemen om de uitstroom van olie ten gevolge van een voorval zoveel mogelijk te beperken; d. de procedure en contactpersoon aan boord van het schip voor het coördineren van de maatregelen aan boord met nationale en plaatselijke autoriteiten bij het bestrijden van een olieverontreiniging. -**3.** Een schip waarop artikel 14A van het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen naast dit artikel van toepassing is, mag het scheepsnoodplan voor olieverontreinigingen combineren met het scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen, bedoeld in dat artikel. In dat geval is de titel van het plan: scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee. - ### Artikel 26a Ter uitvoering van internationale afspraken en besluiten van volkenrechtelijke organisaties over voorkoming van olieverontreiniging door schepen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. -### Artikel 26b - -**1.** - -Artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, is gedurende een termijn van twee jaar niet van toepassing op uitrusting die ingevolge een besluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie in bijlage A.1/2 is opgenomen indien die uitrusting: - -a. is vervaardigd voor de dag waarop het desbetreffende wijzigingsbesluit voor de toepassing van dit besluit is gaan gelden, en -b. is goedgekeurd op grond van regels gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. - -**2.** - -De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan: - -a. voor uitrusting die van bijlage A.2 naar bijlage A.1/2 is overgeschreven op het tijdstip waarop ingevolge artikel 7, zesde lid, jo. artikel 5 van richtlijn nr. 96/98/EG de overschrijving van kracht wordt; -b. voor uitrusting die in bijlage A.1/2 is opgenomen en niet voordien reeds in bijlage A.2/2 was opgenomen op het in het desbetreffende wijzigingsbesluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie bepaalde tijdstip. - -### Artikel 26c - -Een wijziging van richtlijn nr. 96/98/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. - ## Hoofdstuk V. Slotbepalingen ### Artikel 27 -**1.** De inspecteur-generaal kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, onverminderd artikel 2a, eerste en tweede lid geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen met betrekking tot de bouw, inrichting of uitrusting van een schip. +**1.** Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen met betrekking tot de bouw, inrichting of uitrusting van een schip. **2.** Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan een schip dat een certificaat behoeft als bedoeld in artikel 5, dient daarvan aantekening te worden gemaakt op het certificaat.