2010-10-23 | BWBR0028882 | Inkomstenbelasting, winst; landbouwproblematiek

This commit is contained in:
Coornhert 2010-10-23 12:00:00 +00:00
parent 0bab38b2af
commit 8023d7998d

View file

@ -10,17 +10,22 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, winst; landbouwproblematiek
# Inkomstenbelasting, winst; landbouwproblematiek
*In dit besluit is het beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector geactualiseerd en samengevoegd. Dit besluit vervangt de besluiten van 4 december 2000, nr. CPP2000/2075M, 15 december 2000, nr. CPP2000/2076M; 22 december 2000, nr. CPP2000/2442M; 6 februari 2003 nr. CPP2003/92M, 22 juni 2004, nr. CPP2004/1010M en 27 mei 2008, nr. CPP2008/830M. In dit besluit is een verduidelijking aangebracht voor de vrijstelling van het tweede pachtersvoordeel.*
*In dit besluit is het beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector geactualiseerd en samengevoegd. Dit besluit vervangt de besluiten van 4 december 2000, nr. CPP2000/2075M, 15 december 2000, nr. CPP2000/2076M; 22 december 2000, nr. CPP2000/2442M; 6 februari 2003 nr. CPP2003/92M, 22 juni 2004, nr. CPP2004/1010M en 27 mei 2008, nr. CPP2008/830M. In dit besluit is een verduidelijking aangebracht voor de vrijstelling van het tweede pachtersvoordeel.*
## 1. Inleiding
Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van een aantal voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 eerder uitgebrachte standpunten op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Van het besluit van 22 juni 2004, CPP2004/1010M, zijn niet alle onderdelen opnieuw opgenomen. De niet opgenomen onderdelen D1, D2 en D3 zijn verwerkt in het Besluit van 16 december 2009, nr. CPP2009/83M; de onderdelen C1, C2, E1 en E2 bevatten geen beleidsstandpunten maar hebben vooral een voorlichtend karakter. De onderdelen A2 en B2 hebben door nieuwe jurisprudentie hun belang verloren. Voor zoveel nodig worden deze onderdelen van het genoemde besluit geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal.
Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van een aantal voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 eerder uitgebrachte standpunten op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Van het besluit van 22 juni 2004, CPP2004/1010M, zijn niet alle onderdelen opnieuw opgenomen. De niet opgenomen onderdelen D1, D2 en D3 zijn verwerkt in het Besluit van 16 december 2009, nr. CPP2009/83M; de onderdelen C1, C2, E1 en E2 bevatten geen beleidsstandpunten maar hebben vooral een voorlichtend karakter. De onderdelen A2 en B2 hebben door nieuwe jurisprudentie hun belang verloren. Voor zoveel nodig worden deze onderdelen van het genoemde besluit geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal.
In het besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/2075M is een goedkeuring opgenomen over de toepassing van het tweede pachtersvoordeel. Gebleken is dat deze goedkeuring in bepaalde gevallen te ruim wordt toegepast waardoor winsten ten onrechte buiten de heffing van de inkomstenbelasting blijven. In onderdeel 2.3 van dit besluit is daarom een verduidelijking van het bestaande beleid opgenomen waarmee dat onbedoelde gebruik wordt voorkomen. Dit besluit beoogt verder geen inhoudelijke wijzigingen. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule).
### . Gebruikte begrippen en afkortingen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
| Wet IB 1964 | Wet op de inkomstenbelasting 1964 |
| --- | --- |
| de Wet IB 2001 | Wet inkomstenbelasting 2001 |
| WEV | Waarde in het economisch verkeer |
| WEVAB | Waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming |
| SBL | Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden |
## 2. Doorgeschoven pachtersvoordelen ter zake van landbouwgrond
@ -77,7 +82,7 @@ Om dit gevolg weg te nemen keur ik onder voorwaarden goed dat de realisatie van
Als de grond in het kader van de bedrijfsopvolging zakelijk is verpacht, is een tweede pachtersvoordeel niet vrijgesteld tot het bedrag dat bij de overdrager zou zijn belast indien hij de grond tegen de waarde in het economisch verkeer in vrije staat zou hebben verkocht. Dit bedrag wordt verminderd met het bedrag dat ter zake al bij de overdrager als belaste boekwinst in aanmerking is genomen in het kader van het feit dat de grond het ondernemingsvermogen verlaat. Onder overdrager wordt verstaan degene die de grond voorafgaand aan de overdracht in het kader van de bedrijfsopvolging heeft verpacht en bij wie de belaste claim is opgekomen of degene die in het kader van een eerdere bedrijfsopvolging de belaste claim doorgeschoven heeft gekregen.
Vader heeft landbouwgrond gekocht voor € 45.000 per ha. Hierop heeft hij een herinvesteringsreserve afgeboekt van € 40.000 per ha. De boekwaarde van de grond bij vader bedraagt aldus € 5.000 per ha. In het kader van de bedrijfsopvolging verpacht vader de grond zakelijk aan zijn zoon. Bij staking onttrekt vader de grond aan zijn onderneming tegen de waarde in verpachte staat van € 25.000 per ha. De boekwinst van (€ 25.000 minus € 5.000) € 20.000 per ha is bij vader belast (geen landbouwvrijstelling). De waarde in vrije staat bedraagt op dat moment € 50.000. Als de zoon de grond later als pachter koopt voor de waarde in verpachte staat (stel: € 30.000) ontstaat er een tweede pachtersvoordeel. Indien op dat moment de waarde van de grond in vrije staat € 65.000 bedraagt, beloopt het tweede pachtersvoordeel € 35.000. Wanneer de zoon dit tweede pachtersvoordeel van € 35.000 realiseert is hiervan € 20.000 niet vrijgesteld. Als vader de grond namelijk ten tijde van de onttrekking zou hebben verkocht tegen de waarde in het economisch verkeer in vrije staat (€ 50.000), zou van deze opbrengst € 40.000 zijn belast. Bij hem is al belast € 20.000, zodat bij de zoon bij de realisatie van het tweede pachtersvoordeel € 20.000 is belast (€ 40.000  20.000). De overige € 15.000 van het door de zoon gerealiseerde tweede pachtersvoordeel is vrijgesteld.
Vader heeft landbouwgrond gekocht voor € 45.000 per ha. Hierop heeft hij een herinvesteringsreserve afgeboekt van € 40.000 per ha. De boekwaarde van de grond bij vader bedraagt aldus € 5.000 per ha. In het kader van de bedrijfsopvolging verpacht vader de grond zakelijk aan zijn zoon. Bij staking onttrekt vader de grond aan zijn onderneming tegen de waarde in verpachte staat van € 25.000 per ha. De boekwinst van (€ 25.000 minus € 5.000) € 20.000 per ha is bij vader belast (geen landbouwvrijstelling). De waarde in vrije staat bedraagt op dat moment € 50.000. Als de zoon de grond later als pachter koopt voor de waarde in verpachte staat (stel: € 30.000) ontstaat er een tweede pachtersvoordeel. Indien op dat moment de waarde van de grond in vrije staat € 65.000 bedraagt, beloopt het tweede pachtersvoordeel € 35.000. Wanneer de zoon dit tweede pachtersvoordeel van € 35.000 realiseert is hiervan € 20.000 niet vrijgesteld. Als vader de grond namelijk ten tijde van de onttrekking zou hebben verkocht tegen de waarde in het economisch verkeer in vrije staat (€ 50.000), zou van deze opbrengst € 40.000 zijn belast. Bij hem is al belast € 20.000, zodat bij de zoon bij de realisatie van het tweede pachtersvoordeel € 20.000 is belast (€ 40.000 € 20.000). De overige € 15.000 van het door de zoon gerealiseerde tweede pachtersvoordeel is vrijgesteld.
In geval van realisatie van een tweede pachtersvoordeel gelden ter verkrijging van de goedkeuring de volgende voorwaarden.
@ -114,7 +119,7 @@ b. ter compensatie van inkomensderving als gevolg van de aanleg van bos op landb
De subsidie ter compensatie van inkomensderving wordt bij aanleg van tijdelijk bos gedurende 15 jaar verstrekt en bij aanleg van blijvend bos gedurende 20 jaar. In het kader van de genoemde regeling wordt onder tijdelijk bos verstaan: bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg een vrijstelling is verleend op grond van de Beschikking vrijstelling meldings- en herinplantplicht. Onder blijvend bos wordt verstaan: bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg geen vrijstelling is verleend op grond van de Beschikking vrijstelling meldings- en herinplantplicht.
Subsidies die in het kader van de onderneming worden verstrekt, behoren tot de winst. Zijn ze verstrekt in het kader van een bosbedrijf, dan zijn ze vrijgesteld op grond van de bosbouwvrijstelling ex artikel 3.11 van de Wet IB 2001. Uit het arrest van de Hoge Raad van 16 december 1998, nr. 33 179, BNB 1999/102, blijkt dat subsidies voor het uit productie nemen van bouwland, worden toegekend in het kader van de uitoefening van het (voormalige) landbouwbedrijf, ook al gaat het uit productie nemen gepaard met bebossing. Dit betekent dat subsidies ingevolge artikel 2, onderdeel b, van de SBL niet alleen op bos, maar voor een substantieel deel betrekking hebben op het (voormalige) landbouwbedrijf. Het deel dat betrekking heeft op het (voormalig) landbouwbedrijf moet in de belastingheffing worden betrokken.
Subsidies die in het kader van de onderneming worden verstrekt, behoren tot de winst. Zijn ze verstrekt in het kader van een bosbedrijf, dan zijn ze vrijgesteld op grond van de bosbouwvrijstelling ex artikel 3.11 van de Wet IB 2001. Uit het arrest van de Hoge Raad van 16 december 1998, nr. 33 179, BNB 1999/102, blijkt dat subsidies voor het uit productie nemen van bouwland, worden toegekend in het kader van de uitoefening van het (voormalige) landbouwbedrijf, ook al gaat het uit productie nemen gepaard met bebossing. Dit betekent dat subsidies ingevolge artikel 2, onderdeel b, van de SBL niet alleen op bos, maar voor een substantieel deel betrekking hebben op het (voormalige) landbouwbedrijf. Het deel dat betrekking heeft op het (voormalig) landbouwbedrijf moet in de belastingheffing worden betrokken.
Om procedures over de omvang van het te belasten deel te voorkomen zal de Belastingdienst in ieder geval accepteren dat de onbelaste bosbouwcomponent in de subsidie ex artikel 2, onderdeel b, van de SBL voor tijdelijk respectievelijk blijvend bos, 40% respectievelijk 80% bedraagt.
@ -128,9 +133,9 @@ Het gebruikersvoordeel is het verschil tussen de waarde in het economische verke
De toepassing van artikel 3.63 van de Wet IB 2001 verandert aan het bovenstaande niets. Dit artikel beoogt immers belastingheffing ten aanzien van de bedrijfsoverdrager te voorkomen. Het gebruikersvoordeel ontstaat bij de bedrijfsopvolger. Artikel 3.63 van de Wet IB 2001 beïnvloedt de fiscale behandeling van het gebruikersvoordeel dus niet.
A en B drijven in firmaverband een onderneming. De grond is eigendom van A. De boekwaarde van de grond bedraagt € 25.000. Op het overnamemoment is de waarde in het economische verkeer van de grond € 60.000. Op grond van het firmacontract kan de bedrijfsopvolger de grond overnemen voor € 40.000. A treedt uit en B neemt de grond over voor € 40.000. A maakt gebruik van artikel 3.63 van de Wet IB 2001. B verkoopt de grond na vijf jaren voor € 75.000.
A en B drijven in firmaverband een onderneming. De grond is eigendom van A. De boekwaarde van de grond bedraagt € 25.000. Op het overnamemoment is de waarde in het economische verkeer van de grond € 60.000. Op grond van het firmacontract kan de bedrijfsopvolger de grond overnemen voor € 40.000. A treedt uit en B neemt de grond over voor € 40.000. A maakt gebruik van artikel 3.63 van de Wet IB 2001. B verkoopt de grond na vijf jaren voor € 75.000.
A is geen belasting verschuldigd omdat artikel 3.63 van de Wet IB 2001 van toepassing is. B realiseert na vijf jaren een boekwinst van € 50.000 (€ 75.000 (verkoopprijs) -/- € 25.000 (boekwaarde)). Van deze boekwinst is € 20.000 aan te merken als een gebruikersvoordeel (€ 60.000 -/- € 40.000). Dit voordeel wordt in de heffing betrokken. Er van uitgaande dat de overige € 30.000 is aan te merken als een waardeverandering van grond die is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming, is deze vrijgesteld op basis van artikel 3.12, eerste lid, van de Wet IB 2001.
A is geen belasting verschuldigd omdat artikel 3.63 van de Wet IB 2001 van toepassing is. B realiseert na vijf jaren een boekwinst van € 50.000 (€ 75.000 (verkoopprijs) -/- € 25.000 (boekwaarde)). Van deze boekwinst is € 20.000 aan te merken als een gebruikersvoordeel (€ 60.000 -/- € 40.000). Dit voordeel wordt in de heffing betrokken. Er van uitgaande dat de overige € 30.000 is aan te merken als een waardeverandering van grond die is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming, is deze vrijgesteld op basis van artikel 3.12, eerste lid, van de Wet IB 2001.
## 5. Landbouwvrijstelling bij gebruikmaking van de regeling Ruimte voor Ruimte
@ -144,7 +149,31 @@ Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat voor zover de waarde van het bo
## 6. Fiscale behandeling overdracht quota
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
In dit besluit wordt onder quotum verstaan: melkquotum, visquotum, bietenquotum, varkensrecht, fokzeugenrecht en pluimveerecht.
In de arresten van 11 juni 1997, nr. 31 891, BNB 1997/303 en van 15 juli 1998, nr. 33 468, BNB 1998/313, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 1964 in de voorgelegde situaties de vervreemding van het melkquotum staking van een zelfstandig onderdeel van de onderneming betekent. Deze uitleg van de Hoge Raad is relevant voor de toepassing van de artikelen 3.59, 3.62, 3.63 en 3.129 van de Wet IB 2001.
Gelet op deze uitleg van de Hoge Raad is het niet bezwaarlijk als een geheel quotum wordt overgedragen, de overdracht aan te merken als staking van een zelfstandig deel van de onderneming. De overdracht van een geheel quotum kan daarmee rechtstreeks onder de werking van genoemde artikelen worden gebracht. Als een geheel quotum wordt overgedragen aan twee of meer verkrijgers is het voor de toepassing van de artikelen 3.59, 3.62 en 3.63 van de Wet IB 2001 niet nodig dat hetgeen overgedragen wordt voor de verkrijgers van het quotum een (gedeelte van een) onderneming vormt. Voor de verkrijger is het in dat geval slechts van belang dat het overgedragen (gedeelte van het) quotum tot diens ondernemingsvermogen behoort en duurzaam in de onderneming wordt aangewend.
Als een belastingplichtige een voor zijn rekening gedreven gedeelte van een onderneming overdraagt zonder gebruik te maken van artikel 3.63 van de Wet IB 2001, kan dit artikel eveneens worden toegepast op uitsluitend het gedeelte van het quotum voor zover dat onderdeel uitmaakt van deze overdracht.
A oefent tezamen met zijn zoons B en C een landbouwbedrijf uit op 20 ha grond. Het melkquotum bedraagt 200.000 kg.
A draagt zijn gehele melkquotum over aan zoon B die het quotum in zijn onderneming gaat aanwenden.
Aangezien de overdracht van een geheel quotum mag worden aangemerkt als de overdracht van een zelfstandig onderdeel van de onderneming, kan met toepassing van artikel 3.63 van de Wet IB 2001 het melkquotum geruisloos worden overgedragen.
Als voorbeeld 1 maar nu draagt A 150.000 kg quotum over aan zoon B en 50.000 kg aan zoon C.
Aangezien het gehele quotum wordt overgedragen hoeft niet te worden beoordeeld of het overgedragen gedeelte voor de overnemer een zelfstandig onderdeel van een onderneming vormt. Indien zoon B en zoon C het quotum tot hun ondernemingsvermogen rekenen kan de overdracht op verzoek geruisloos geschieden.
Als voorbeeld 1 maar nu draagt A 10 ha. grond, 100.000 kg quotum alsmede de helft van de overige bedrijfsmiddelen over aan zoon B.
Zowel het overgedragen gedeelte als het niet overgedragen gedeelte kan een zelfstandige onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet IB 2001 vormen. Het gedeeltelijk overgedragen quotum maakt derhalve onderdeel uit van de overdracht van een zelfstandig deel van de onderneming. Indien geen beroep wordt gedaan op artikel 3.63 van de Wet IB 2001, kan op grond van dit besluit het quotum geruisloos worden doorgeschoven.
Als voorbeeld 1 maar nu draagt A uitsluitend de helft van het quotum over aan zoon B.
De overdracht van uitsluitend een gedeelte van een quotum is niet te beschouwen als de overdracht van zelfstandig deel van de onderneming. Geruisloze doorschuiving is niet mogelijk.
## 7. Wevab en feitelijke agrarische aanwending
@ -152,7 +181,7 @@ Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet ondernemerspakket 2001 is met be
Voor de bepaling van de WEVAB is niet in alle gevallen de feitelijke aanwending door de koper beslissend. De WEVAB is de prijs die de meestbiedende agrarische gegadigde na de beste voorbereiding zou betalen, er van uitgaande dat de grond in het kader van een landbouwbedrijf blijft aangewend, waarbij geen rekening wordt gehouden met eventuele niet-agrarische bestemmingen. De WEVAB wordt objectief vastgesteld. Het gaat er dus om wie de hiervoor bedoelde “meestbiedende agrarische gegadigde” voor die grond zou kunnen zijn.
Een melkveehouder verkoopt weiland aan een andere melkveehouder voor € 40.000. De boekwaarde bedraagt € 8.000. Dit betreft ook de WEVAB-aanschaf/inbreng. De prijs die een andere willekeurige melkveehouder bereid is te betalen voor weiland bedraagt € 20.000. De koper blijft de grond binnen zijn onderneming aanwenden als weiland. Er zijn evenwel ook tuinders in de markt die de grond feitelijk willen en kunnen gebruiken als tuinbouwgrond. Een tuinder zou bereid zijn € 40.000 te betalen. Tuinbouwgrond is immers duurder dan weiland. Een tuinder is dan de meestbiedende agrarische gegadigde. De WEVAB bedraagt dan € 40.000. De landbouwvrijstelling voor de verkopende melkveehouder bedraagt derhalve € 40.000  8.000 = € 32.000.
Een melkveehouder verkoopt weiland aan een andere melkveehouder voor € 40.000. De boekwaarde bedraagt € 8.000. Dit betreft ook de WEVAB-aanschaf/inbreng. De prijs die een andere willekeurige melkveehouder bereid is te betalen voor weiland bedraagt € 20.000. De koper blijft de grond binnen zijn onderneming aanwenden als weiland. Er zijn evenwel ook tuinders in de markt die de grond feitelijk willen en kunnen gebruiken als tuinbouwgrond. Een tuinder zou bereid zijn € 40.000 te betalen. Tuinbouwgrond is immers duurder dan weiland. Een tuinder is dan de meestbiedende agrarische gegadigde. De WEVAB bedraagt dan € 40.000. De landbouwvrijstelling voor de verkopende melkveehouder bedraagt derhalve € 40.000 € 8.000 = € 32.000.
## 8. Ingetrokken regelingen