diff --git a/amvb/besluit-algemene-regels-voor-inrichtingen-milieubeheer/BWBR0022762/README.md b/amvb/besluit-algemene-regels-voor-inrichtingen-milieubeheer/BWBR0022762/README.md index b93f105713d..1254fd287ef 100644 --- a/amvb/besluit-algemene-regels-voor-inrichtingen-milieubeheer/BWBR0022762/README.md +++ b/amvb/besluit-algemene-regels-voor-inrichtingen-milieubeheer/BWBR0022762/README.md @@ -48,9 +48,9 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *afvangrendement:* hoeveelheid damp van lichte olie die door een EU-systeem voor dampretour fase-II wordt afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid damp van lichte olie die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage; -*agrarische activiteiten:* geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden; +*agrarische activiteiten:* geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden, daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening; -*agrarische bedrijfsstoffen:* dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, kuilvoer, bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn, gebruikt substraatmateriaal en restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen; +*agrarische bedrijfsstoffen:* dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, kuilvoer, bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn, gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong en restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen, voor zover geen sprake is van inerte goederen; *ammoniakemissie:* emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram NH_3 per jaar; @@ -62,9 +62,11 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: *autowrak:* -1°. bedrijfsauto als bedoeld in de Regeling voertuigen, met een maximum gewicht van ten hoogste 3500 kilogram; -2°. personenauto als bedoeld in de Regeling voertuigen en -3°. bromfiets als bedoeld in de Regeling voertuigen, niet zijnde een voertuig op twee wielen, die een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet; +1°. bedrijfsauto als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met een gewicht van ten hoogste 3500 kilogram, +2°. personenauto als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en +3°. bromfiets als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, niet zijnde een voertuig op twee wielen, + +die een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet; *autowrakkenrichtlijn:* richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269); @@ -139,6 +141,8 @@ b. de volgende afvalstoffen: *debiet van lichte olie:* totale jaarlijkse hoeveelheid lichte olie die uit mobiele tanks aan een inrichting wordt geleverd; +*demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen:* inrichting voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen; + *diercategorie:* diercategorie als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij; *dieren met geuremissiefactor:* dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij; @@ -169,7 +173,7 @@ b. de volgende afvalstoffen: *drainwater:* voedingswater dat bij substraatteelt niet wordt opgenomen door het gewas; -*driftarme dop:* spuitdop als bedoeld in artikel 3.83, tweede lid, onderdeel a; +*driftarme dop:* spuitdop als bedoeld in artikel 3.83, eerste lid, onderdeel a; *drijfmest:* dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn; @@ -320,7 +324,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea *NRB:* door Agentschap NL uitgegeven Nederlandse Richtlijn Bodembescherming; -*odour unit:* Europese eenheid voor geurconcentratie volgens NEN-EN-13725; +*odour unit:* Europese eenheid voor geurconcentratie volgens NEN-EN 13725; *ondergrondse opslagtank:* opslagtank die geheel in de bodem ligt of ingeterpt is; @@ -413,6 +417,8 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer *tunnelspuit:* apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in een gewasrij waarbij het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt door een constructie die de gewasrij geheel of gedeeltelijk omsluit; +*tweewielig motorvoertuig:* bromfiets als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zijnde een voertuig op twee wielen of motorfiets als bedoeld in die regeling; + *vanggewas:* barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt; *vast object:* locatiegebonden constructie of gedeelte daarvan; @@ -423,7 +429,7 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer *venturidop:* dop die bestaat uit een voorkamer en uitstroomopening waarbij als gevolg van de constructie van de dop door de stromende vloeistof een onderdruk in de voorkamer ontstaat waardoor door een kleine opening in de voorkamer op natuurlijke wijze lucht wordt aangezogen dat zich in de voorkamer vermengt met de vloeistof waardoor grovere druppels ontstaan die verdeeld worden door een uitstroomopening; -*verblijfsruimten:* verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder; +*verblijfsruimten:* verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van het Besluit geluidhinder; *verdichten:* reduceren van het volume bij een gelijkblijvende massa of een gelijkblijvend gewicht; @@ -469,6 +475,8 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer *woning:* gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet; +*wrak van een tweewielig motorvoertuig:* tweewielig motorvoertuig dat een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet; + *zeer kwetsbaar gebied:* zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij. *zuiveringsvoorziening:* werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is; @@ -583,14 +591,21 @@ Vervallen ### Artikel 1.3a -Dit besluit berust mede op de artikelen 10.2, tweede lid, 10.30, derde lid, en 10.32 van de wet, de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6, 6.7 en 6.12, onderdeel e, van de Waterwet, de artikelen 78, 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onderdeel i, 2.17 en 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 6, 17 en 65 van de Wet bodembescherming en artikel 2, eerste lid, van de Meststoffenwet. +Dit besluit berust mede op de artikelen 10.2, tweede lid, en 10.32 van de wet, de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6, 6.7 en 6.12, onderdeel e, van de Waterwet, de artikelen 78, 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onderdeel i, 2.17 en 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 6, 17 en 65 van de Wet bodembescherming en artikel 2, eerste lid, van de Meststoffenwet. ### Artikel 1.3b -Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen waaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen plaatsvinden bij het verrichten van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden. +Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen waaromtrent regels zijn opgesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen plaatsvinden: + +a. bij het verrichten van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden; +b. bij het lozen van koelwater. #### Paragraaf 1.1.2. Reikwijdte en andere procedurele bepalingen +### Artikel 1.3c + +Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde beschouwd als onderdeel van die inrichting. + ### Artikel 1.4 Een ieder die loost vanuit een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C, voldoet voor lozen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet, aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2. @@ -617,13 +632,13 @@ In afwijking van de artikelen 1, 1.9b, 1.22, 2.1a, 2.3a, 2.8a, 2.11a, 2.14c, 2.1 Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet voor: -a. lozen vanuit een inrichting type A of een inrichting type B voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.6 tot en met 3.6b, 3.10k, 3.31, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138, 3.150, 3.152, 4.74c, 4.103g en 4.104e; -b. lozen vanuit een inrichting type C, voor zover aan dat het lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.6 tot en met 3.6b, 3.10k, 3.31, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138 en 3.150 en 3.152; -c. lozen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.3, 3.3a, 3.5, 3.6 tot en met 3.6b, 3.31, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138, 3.150 en 3.152. +a. lozen vanuit een inrichting type A of een inrichting type B voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.5e tot en met 3.5g, 3.6 tot en met 3.6b, 3.10k, 3.31, 3.32, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138, 3.150, 3.152, 4.74c, 4.74k, 4.74n, 4.103g en 4.104e; +b. lozen vanuit een inrichting type C, voor zover aan dat het lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.5e tot en met 3.5g, 3.6 tot en met 3.6b, 3.10k, 3.31, 3.32, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138 en 3.150 en 3.152; +c. lozen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.3, 3.31, 3.32, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105. **2.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, waarbij niet wordt voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels en voorschriften is verboden. -**3.** Van de verboden, bedoeld in de artikelen 10.2, eerste lid, en 10.30, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor lozen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee samenhangen, voor zover aan dat het lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6b, 3.34, 3.36, 3.70, 3.71 tot en met 3.73, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.126, 3.127 en 3.129. +**3.** Van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor lozen op of in de bodem anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee samenhangen. **4.** @@ -743,9 +758,9 @@ d. airbags of gordelspanners worden geneutraliseerd door deze te ontsteken; e. de melding betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in categorie 11.1, onderdeel b, van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, voor zover het een inrichting betreft voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren, of f. de melding betrekking heeft op een binnenschietbaan en de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde gevoelige object kleiner is dan 50 meter. -**4.** Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en de maximale geluidsniveaus (L_Amax) veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning. +**4.** Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a, 6.12, dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning kan worden voldaan. -**5.** Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het eerste tot en met zesde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) of het maximaal geluidsniveau (L_Amax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd. +**5.** Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het eerste tot en met derde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) of het maximaal geluidsniveau (L_Amax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd. **6.** Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 1.10, besluiten dat een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en een rapport van een akoestisch onderzoek noodzakelijk is voor zonebeheer. @@ -825,6 +840,17 @@ Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt een rapport met de onderbouwin **5.** Een geuronderzoek als bedoeld in het vierde lid wordt uitgevoerd overeenkomstig NTA 9065: 2012. +### Artikel 1.17a + +Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake is van de oprichting van een zuiveringtechnisch werk of de wijziging van een bestaand zuiveringtechnisch werk die de lozing van dat werk op een oppervlaktewaterlichaam beïnvloedt, tevens de volgende gegevens gemeld: + +a. de ontwerpcapaciteit, uitgedrukt in inwonerequivalenten, en de toename van de ontwerpcapaciteit tussen 1 september 1992 en het tijdstip van de melding, +b. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meter per dag, +c. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meter per uur, +d. de te verwachten concentraties biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, totaal fosfor en totaal stikstof in het te lozen afvalwater in milligram per liter, +e. de resultaten van een immissietoets van de concentraties totaal fosfor en totaal stikstof, uitgevoerd overeenkomstig een daartoe krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht aangewezen BBT-informatiedocument (Handboek immissietoets: toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater), en +f. de te verwerken afvalstoffen die per as van buiten de inrichting worden aangevoerd, de daarbij toe te passen best beschikbare verwerkingstechnieken en het acceptatie- en verwerkingsbeleid. + ### Artikel 1.18 **1.** @@ -886,7 +912,7 @@ c. de in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, en g, bedoelde gegevens. ### Afdeling 2.1. Zorgplicht -### Artikel 1.22 +### Artikel 2 Deze afdeling is van toepassing op degene die: @@ -934,9 +960,14 @@ b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op ac ### Artikel 2.2 -**1.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6a, 3.10k, 3.16h, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.126, 3.127, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.103g tot en met 4.104d, is toegestaan. +**1.** -**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken. +Het is verboden: + +a. afvalwater te lozen op of in de bodem, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.5, 3.6a, 3.10k, 3.16h, 3.23d, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.104, 4.104b en 4.104c, +b. afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.3, 3.6a, 3.60, 3.61, 3.62, 3.150, 4.74c en 4.104e. + +**2.** In afwijking van het eerste lid, onder a, is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken. **3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet. @@ -949,7 +980,7 @@ b. te treffen maatregelen; c. de duur van de lozing; en d. de plaats van het lozingspunt. -**5.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 6.4 of artikel 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning op grond van een verordening van het waterschap voorschriften zijn gesteld. +**5.** Het eerste lid, onder a, en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 6.4 of artikel 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning op grond van een verordening van het waterschap voorschriften zijn gesteld. **6.** Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid een lozing betreft die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben, is op de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. @@ -965,7 +996,7 @@ Indien er sprake is van een zodanige combinatie van meerdere activiteiten, dat e **3.** Het lozen van spoelwater ten gevolge van het ontwikkelen en het onderhoud van een open bodemenergiesysteem vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien lozen als bedoeld in het tweede lid, redelijkerwijs niet mogelijk is. -**4.** In afwijking van artikel 1.22, onder b, is artikel 2.1 van toepassing op degene die een inrichting type C drijft ten aanzien van het lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op of in de bodem ten gevolge van een open bodemenergiesysteem. +**4.** In afwijking van artikel 2, onder b, is artikel 2.1 van toepassing op degene die een inrichting type C drijft ten aanzien van het lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op of in de bodem ten gevolge van een open bodemenergiesysteem. ### Artikel 2.3 @@ -990,12 +1021,11 @@ n. NEN-ISO 5663 of NEN 6646 ten aanzien van organisch stikstof (Kjeldahlstikstof o. NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN 6604 ten aanzien van ammoniumstikstof; p. NEN-ISO 5813 of NEN-ISO 5814 ten aanzien van het zuurstofgehalte; q. NEN-EN 872 ten aanzien van onopgeloste stoffen; -r. NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal; +r. NEN-EN-ISO 15681-1 en NEN-EN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal; s. NEN 6414 ten aanzien van temperatuur; -t. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI; -u. NEN-ISO 15681-1/2 ten aanzien van totaal fosfor. +t. NEN-ISO 11083 ten aanzien van chroom VI. -**2.** De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN-6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse. +**2.** De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN 6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse. **3.** In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen andere methoden voor emissiemetingen, monstername en conservering worden gebruikt, indien deze gelijkwaardig zijn aan de in die leden genoemde methoden. @@ -1010,7 +1040,7 @@ b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op ac ### Artikel 2.4 -De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld. +De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld. ### Artikel 2.5 @@ -1076,7 +1106,7 @@ b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde s c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven; d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven. -**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek. +**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek. ### Artikel 2.8 @@ -1085,7 +1115,7 @@ d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperke Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast en degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten aanzien van de emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld: a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag éénmalig aangetoond of de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4, vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden; of -b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien een of meer grensmassastromen als bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6. +b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien een of meer grensmassastromen als bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6. **2.** Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie. @@ -1094,10 +1124,10 @@ b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien een of meer grensmassastromen a Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen worden uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR en volgens: a. NEN-EN 13284-1, dan wel in het geval van continue metingen, volgens NEN-EN 13284-2, ten aanzien van stofklasse S; -b. ISO 16740, ten aanzien van chroom VI -verbindingen; +b. NEN-ISO 16740, ten aanzien van chroom VI -verbindingen; c. NEN-EN 14385, ten aanzien van zware metalen; d. NEN-EN 1911, dan wel in het geval van continue metingen volgens VDI 3480-3, ten aanzien van zoutzuur; -e. ISO 5713, ten aanzien van waterstoffluoride; +e. NEN-ISO 15713, ten aanzien van waterstoffluoride; f. NEN-EN 14792, dan wel in het geval van continue metingen volgens NEN-ISO 10849, ten aanzien van stikstofoxiden; en g. NEN 2826, ten aanzien van ammoniak. @@ -1113,8 +1143,8 @@ g. NEN 2826, ten aanzien van ammoniak. Deze afdeling is van toepassing op degene die: -a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft of een C-inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, of -b. een inrichting type C drijft waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover deze activiteiten verricht binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is. +a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft of een inrichting type C waartoe een IPPC-installatie behoort, of +b. een inrichting type C drijft waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is. **2.** Voor zover het betreft een inrichting type C waartoe een IPPC-installatie behoort, is in afwijking van het eerste lid, onder a, artikel 2.11, eerste lid, niet van toepassing. @@ -1242,9 +1272,8 @@ Indien binnen een inrichting een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof, texti Het is verboden afvalstoffen te verdichten, tenzij: -a. het geen gevaarlijke afvalstof betreft; -b. de afvalstoffen niet afkomstig zijn van buiten de inrichting, en -c. het verdichten geen belemmering vormt voor nascheiding. +a. het geen gevaarlijke afvalstof betreft, en +b. het verdichten geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling. ### Artikel 2.14b @@ -1370,7 +1399,7 @@ g. de in tabel 2.17e en 2.17f aangegeven waarden niet gelden op gevoelige object In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied dat: a. voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, de niveaus op de in tabel 2.17g genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden; -b. de in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus (L_Amax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten; +b. de in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur in tabel 2.17g opgenomen maximale geluidsniveaus (L_Amax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten; c. de in tabel 2.17g aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; d. de in tabel 2.17g aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; e. de waarden binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, en @@ -1492,7 +1521,7 @@ Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inric ### Artikel 2.23a -Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type B of een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse opslagtank wordt opgeslagen. +Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type B of een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse opslagtank waarop artikel 3.29, aanhef en onderdeel a of b, van toepassing is, wordt opgeslagen. ### Artikel 2.24 @@ -1617,7 +1646,10 @@ De monitoring van emissies, het opstellen van een reductieprogramma en een oplos ### Artikel 3 -Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft. +Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die: + +a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft, of +b. een inrichting type C drijft, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121. ### Afdeling 3.1. Afvalwaterbeheer @@ -1685,7 +1717,7 @@ d. in enig steekmonster de emissiewaarden van de in dit artikel opgenomen tabel | Chroom | 2,4 microgram per liter | | Onopgeloste stoffen | 20 milligram per liter | -**4.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering 2009. +**4.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. **5.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is verboden. @@ -1803,7 +1835,7 @@ a. 40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 meter bij 25 doch minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1500 meter bij 50 doch minder dan 100 inwonerequivalenten; en -e. 3000 meter bij 100 tot en met 200 inwonerequivalenten. +e. 3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten. **2.** @@ -1874,6 +1906,51 @@ De geurbelasting, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, en artikel 6.19 **2.** De bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen over de goede werking van die voorzieningen en maatregelen, en over de controle van die eisen alsmede aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen over de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren en indien nodig te herstellen. +### Artikel 3.5e + +**1.** Bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met zevende lid. + +**2.** Een zuiveringtechnisch werk wordt zodanig ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat onder alle normale plaatselijke weersomstandigheden de doelmatige werking daarvan is gewaarborgd, ongebruikelijke situaties daarbij buiten beschouwing gelaten. + +**3.** De plaats van de lozing en de benedenstroomse afvoer zijn van dien aard dat nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk worden beperkt. + +**4.** + +Stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000 inwonerequivalenten of meer ondergaat in een zuiveringtechnisch werk een zodanige behandeling, dat het voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten minste voldoet aan de volgende grenswaarden: + +| Parameters | Grenswaarde in etmaalmonster | Grenswaarde als voortschrijdend jaargemiddelde | +| --- | --- | --- | +| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV_5 bij 20 °C) zonder nitrificatie | 20 milligram O_2 per liter | | +| Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | 125 milligram O_2 per liter | | +| Totale hoeveelheid onopgeloste stoffen | 30 milligram per liter | | +| Totaal fosfor (ontwerpcapaciteit van meer dan 100.000 inwonerequivalenten) | | 1,0 milligram per liter | +| Totaal fosfor (ontwerpcapaciteit van 2.000 tot en met 100.000 inwonerequivalenten) | | 2,0 milligram per liter | +| Totaal stikstof (ontwerpcapaciteit van 20.000 inwonerequivalenten of meer) | | 10 milligram per liter | +| Totaal stikstof (ontwerpcapaciteit van 2.000 tot 20.000 inwonerequivalenten) | | 15 milligram per liter | + +**5.** De beoordeling of bij het lozen wordt voldaan aan de grenswaarden, genoemd in het vierde lid, geschiedt overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen. + +**6.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam daartoe noodzaakt, bij maatwerkvoorschrift lagere grenswaarden vaststellen dan de grenswaarden, genoemd in het vierde lid. + +**7.** + +Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift op verzoek van het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon die krachtens artikel 3.4 van de Waterwet is belast met de zorg voor een zuiveringtechnisch werk, de grenswaarden voor de concentraties totaal fosfor en totaal stikstof, genoemd in het vierde lid, niet van toepassing verklaren en hogere grenswaarden vaststellen dan de grenswaarden, bedoeld in dat lid, indien het percentage van totaal fosfor onderscheidenlijk totaal stikstof dat uit het stedelijk afvalwater wordt verwijderd en dat op de onder de zorg van hetzelfde openbaar lichaam of dezelfde andere rechtspersoon staande gezamenlijke zuiveringtechnische werken wordt aangevoerd, ten minste 75 procent bedraagt en het een zuiveringtechnisch werk betreft: + +a. dat voor 1 september 1992 in bedrijf is genomen en waarvan de ontwerpcapaciteit sinds die datum met niet meer dan 25 procent is uitgebreid, of +b. met een ontwerpcapaciteit van minder dan 20.000 inwonerequivalenten. + +### Artikel 3.5f + +**1.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «voorzienbare bijzondere bedrijfsomstandigheden bij een zuiveringtechnisch werk» verstaan: andere dan de reguliere bedrijfsomstandigheden, niet zijnde een ongewoon voorval, zoals onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, waardoor onderdelen van het zuiveringsproces tijdelijk buiten bedrijf worden gesteld. + +**2.** In het geval van voorzienbare bijzondere bedrijfsomstandigheden als bedoeld in het eerste lid die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het na zuivering te lozen afvalwater, kan het bevoegd gezag op verzoek van het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon die krachtens artikel 3.4 van de Waterwet is belast met de zorg voor een zuiveringstechnisch werk voor een door hem vast te stellen periode bij maatwerkvoorschrift de grenswaarden, genoemd in artikel 3.5e, vierde, zesde of zevende lid, niet van toepassing verklaren en hogere grenswaarden vaststellen alsmede tijdelijk aanvullende maatregelen voorschrijven om de nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit zoveel mogelijk te beperken. + +### Artikel 3.5g + +**1.** Het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon welke krachtens artikel 3.4 van de Waterwet is belast met de zorg voor een zuiveringtechnisch werk voor de behandeling van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000 inwonerequivalenten of meer bemonstert zowel het inkomende, onbehandelde stedelijk afvalwater als het te lozen gezuiverde stedelijk afvalwater, analyseert de monsters en beoordeelt de resultaten daarvan overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen. + +**2.** Het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid legt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan Onze Minister een overzicht over van de onder zijn zorg staande zuiveringtechnische werken en van de resultaten van de bemonstering, analyse en beoordeling, bedoeld in dat lid. + #### Paragraaf 3.1.5. Lozen van koelwater ### Artikel 3.6 @@ -2437,25 +2514,30 @@ b. alle bewijzen van gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en inspectie die **4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. -#### Paragraaf 3.3.2. Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen +#### Paragraaf 3.3.2. Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen ### Artikel 3.23a -**1.** De artikelen 3.23b en 3.23c zijn van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen, waaronder tevens wordt verstaan het verwijderen van graffiti. +Deze paragraaf is van toepassing op: -**2.** Artikel 3.24 is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen, waaronder tevens wordt verstaan het verwijderen van graffiti. - -**3.** Artikel 3.25 is van toepassing op het stallen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee bij agrarische activiteiten gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. +a. het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, +b. het verwijderen van graffiti van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, of +c. het stallen en uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. ### Artikel 3.23b -**1.** Bij het in een inrichting uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. +**1.** Bij het in een inrichting uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien per week ten hoogste een motorvoertuig, werktuig of spoorvoertuig, waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen. +**2.** + +Het eerste lid is niet van toepassing, indien: + +a. per week ten hoogste een spoorvoertuig of een motorvoertuig of werktuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen, en +b. per jaar ten hoogste twee werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig worden gewassen. ### Artikel 3.23c -**1.** Bij het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid. +**1.** Bij het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid. **2.** @@ -2468,34 +2550,46 @@ b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. **4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. +### Artikel 3.23d + +**1.** Bij het lozen op of in de bodem of in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als gevolg van het uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid. + +**2.** Het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen, die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. + +**3.** Bij het lozen op of in de bodem bevat het afvalwater in enig steekmonster ten hoogste 20 milligram olie per liter en wordt het afvalwater gelijkmatig verspreid over een onverharde bodem. + +**4.** + +Bij het lozen in een vuilwaterriool bevat het afvalwater in enig steekmonster ten hoogste: + +a. 200 milligram olie per liter; +b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. + +**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. + ### Artikel 3.24 -**1.** Bij het op of in de bodem of in een vuilwaterriool lozen van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee bij agrarische activiteiten gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid. +Het lozen op of in de bodem van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, is toegestaan: -**2.** Bij het lozen in een vuilwaterriool wordt het afvalwater geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. - -**3.** - -Het lozen van afvalwater op of in de bodem is toegestaan: - -a. indien het uitwendig wassen plaatsvindt op een perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast; -b. indien het lozen plaatsvindt door middel van een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen, die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen, of -c. indien het lozen plaatsvindt als gevolg van het in een inrichting uitwendig wassen van ten hoogste twee motorvoertuigen of werktuigen per jaar. +a. indien in de inrichting per week ten hoogste een spoorvoertuig, motorvoertuig of werktuig, waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen, +b. indien in de inrichting per jaar ten hoogste twee werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig worden gewassen, of +c. indien het lozen plaatsvindt als gevolg van het uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. ### Artikel 3.25 -Onverminderd artikel 3.3, worden motorvoertuigen of werktuigen waarmee bij agrarische activiteiten gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een verhard oppervlak zodanig gestald, dat het te lozen hemelwater niet met de toegepaste gewasbeschermingsmiddelen kan worden verontreinigd. +Onverminderd artikel 3.3, worden motorvoertuigen of werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een verhard oppervlak zodanig gestald, dat het te lozen hemelwater niet met de toegepaste gewasbeschermingsmiddelen kan worden verontreinigd. -#### Paragraaf 3.3.3. Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten +#### Paragraaf 3.3.3. Het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten ### Artikel 3.26 Deze paragraaf is van toepassing op: -a. het demonteren van autowrakken; -b. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken; -c. het opslaan van bij het demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken vrijkomende afvalstoffen, en -d. het neutraliseren van airbags en gordelspanners. +a. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, +b. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, +c. het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan het demonteren en het aftappen van vloeistoffen, +d. het opslaan van afvalstoffen die vrijkomen bij het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, en +e. het neutraliseren van airbags en gordelspanners. ### Artikel 3.26a @@ -2520,7 +2614,15 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2 ### Artikel 3.26c -**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid. +**1.** + +Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van: + +a. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, +b. het voor demontage aanwezig hebben van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen die vloeistoffen bevatten, of +c. het opslaan van vloeistof bevattende onderdelen van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, + +wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid. **2.** @@ -2587,7 +2689,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op een jachthaven met meer dan 50 ligplaatsen. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan: -a. 20 milligram olie per liter, of +a. 20 milligram olie per liter; b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. **3.** In afwijking van het tweede lid, bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2. @@ -2703,12 +2805,7 @@ Met betrekking tot het vulpunt van een ondergrondse opslagtank met organische op **1.** Deze paragraaf is van toepassing op het op- en overslaan van inerte goederen. -**2.** - -Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type B van toepassing op: - -a. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.3., 3.4.1., 3.4.2., 3.4.5. tot en met 3.4.7., 4.1.1. tot en met 4.1.4. en 4.1.7.; -b. het composteren van groenafval. +**2.** Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type B van toepassing op het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.3, 3.4.1, 3.4.2, 3.4.5 tot en met 3.4.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7. **3.** @@ -2716,7 +2813,7 @@ Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtinge a. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.4.1, 3.4.2, 3.4.4 tot en met 3.4.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7, bij: -1°. een autodemontagebedrijf; +1°. een autodemontagebedrijf of een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; 2°. een zuiveringtechnisch werk, of 3°. een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet; b. het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het op- en overslaan van andere goederen dan inerte goederen. @@ -2794,7 +2891,7 @@ b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. **1.** Bij het opslaan en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. -**2.** Bij het opslaan en overslaan van bederfelijke afvalstoffen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. +**2.** Bij het opslaan en overslaan van bederfelijke afvalstoffen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. ### Artikel 3.37 @@ -3018,7 +3115,9 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een kas. ### Artikel 3.57 -Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd. +**1.** Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd. + +**2.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift buiten de donkerteperiode een ander percentage dan het percentage, bedoeld in het eerste lid, vaststellen. ### Artikel 3.58 @@ -3085,14 +3184,13 @@ Het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van: a. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; b. afvalwater dat bloemvoorbehandelingsmiddelen uitsluitend op basis van actief chloor bevat; -c. uitlek- en percolatiewater van gebruikt substraatmateriaal; -d. drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; -e. drainwater; -f. afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt; -g. reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend; -h. condenswater van stoomleidingen en condenswater van verwarmingsketels; -i. condenswater van warmtekrachtinstallaties, of -j. afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal; +c. drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; +d. drainwater; +e. afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt; +f. reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend; +g. condenswater van stoomleidingen en condenswater van verwarmingsketels; +h. condenswater van warmtekrachtinstallaties, of +i. afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal; is toegestaan, indien ten minste: @@ -3139,7 +3237,7 @@ Onverminderd de artikelen 3.56 tot en met 3.64, wordt bij substraatteelt in een ### Artikel 3.66 -**1.** Bij het lozen van drainwater in een vuilwaterriool wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende lid. +**1.** Bij het lozen van drainwater wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende lid. **2.** @@ -3213,7 +3311,7 @@ In afwijking van de artikelen 3.67 en 3.68 kan het bevoegd gezag, indien het met ### Artikel 3.70 -Onverminderd de artikelen 3.56 tot en met 3.63 wordt bij het telen in een kas, waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond, voldaan aan de artikelen 3.71 tot en met 3.74. +Onverminderd de artikelen 3.56 tot en met 3.64 wordt bij het telen in een kas, waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond, voldaan aan de artikelen 3.71 tot en met 3.74. ### Artikel 3.71 @@ -3234,7 +3332,7 @@ b. wordt water gebruikt met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan dat van **6.** -Bij het lozen van drainagewater in een vuilwaterriool geldt ten minste dat: +Bij het lozen van drainagewater geldt ten minste dat: a. voor het recirculeren daarvan een recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik is, en b. het te lozen drainagewater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd. @@ -3255,7 +3353,7 @@ c. de hoeveelheid drainagewater in kubieke meter die wordt geloosd; d. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor in het te lozen drainagewater; e. per gewas of groep van gewassen met eenzelfde bemestingsniveau, het gehalte aan totaal stikstof en totaal fosfor in de bodem op basis van een representatief grondmonster; f. na elk gebruik de hoeveelheid in kilogram per hectare toegediende meststoffen onder vermelding van de samenstelling van de meststof; -g. het gewas of de gewassen die worden geteeld en het teeltoppervlak per gewas en de teeltperiode, of +g. het gewas of de gewassen die worden geteeld en het teeltoppervlak per gewas en de teeltperiode, en h. jaarlijks de op 1 januari aanwezige meststoffen onder vermelding van de merknaam zoals die op de verpakking is vermeld, de naam en het adres van de leveranciers en de hoeveelheid, uitgedrukt in kilogrammen of liters. **2.** Indien op grond van artikel 3.63, eerste lid, drainagewater zowel in het vuilwaterriool als in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat beide hoeveelheden worden gemeten en geregistreerd overeenkomstig het eerste lid. @@ -3298,11 +3396,13 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een gebo Lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien: -a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool, waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt; -b. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt, van een ruimte waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast of van een ruimte waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden; -c. het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt; -d. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in het te lozen afvalwater ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en -e. het gehalte aan biochemisch zuurstofverbruik in het te lozen afvalwater ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt. +a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool, waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt, of +b. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt, van een ruimte waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast of van een ruimte waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden, en +c. in het te lozen afvalwater, bedoeld in de onderdelen a en b: + +1°. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt, +2°. het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en +3°. het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt. **3.** @@ -3348,7 +3448,7 @@ b. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedra ### Artikel 3.79 -**1.** Bij het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met zevende lid. +**1.** Bij het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met achtste lid. **2.** Langs een oppervlaktewaterlichaam wordt een teeltvrije zone aangehouden. @@ -3375,6 +3475,8 @@ b. bij teelt anders dan de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruc 1°. sprake is van een biologische productiemethode, of 2°. gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. +**8.** De toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud vindt pleksgewijs en driftvrij plaats. + ### Artikel 3.80 **1.** @@ -3470,7 +3572,7 @@ b. uitsluitend gebruik gemaakt van venturidoppen uit de 50% driftreductieklasse. **5.** Een drukregistratievoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. -**6.** Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden bij een windsnelheid van ten minste 5 meter per seconde, gemeten op spuitdophoogte, tenzij degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, kan aantonen dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruik van die middelen bij een windsnelheid van ten minste 5 meter per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend. +**6.** Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde, gemeten op spuitdophoogte, tenzij degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, kan aantonen dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruik van die middelen bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend. **7.** Het gebruik van een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer is verboden. @@ -3486,7 +3588,7 @@ Bij het op andere wijze dan door middel van een werk lozen van meststoffen in ee ### Artikel 3.85 -**1.** Binnen een teeltvrije zone worden geen meststoffen gebruikt. +**1.** Binnen een teeltvrije zone als bedoeld in artikel 3.79, tweede lid, worden geen meststoffen gebruikt. **2.** In afwijking van het eerste lid is het bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen of van appelen, peren en overige pitvruchten en steenvruchten, toegestaan binnen een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken op een afstand van ten minste 25 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, indien binnen die zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld. @@ -3554,7 +3656,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op de waterbehandeling voor agrarische activite ### Artikel 3.90 -**1.** Bij het lozen van het afvalwater afkomstig van het voor de gietwatervoorziening bij agrarische activiteiten zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid. +**1.** Bij het lozen van het afvalwater afkomstig van het voor de waterbehandeling voor agrarische activiteiten zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid. **2.** Het lozen in een vuilwaterriool is verboden. @@ -3565,8 +3667,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op de waterbehandeling voor agrarische activite Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien het gehalte aan: a. chloride ten hoogste 200 milligram per liter bedraagt; -b. ijzer ten hoogste 2 milligram per liter bedraagt; -c. organische stof ten hoogste 15 milligram per liter bedraagt; +b. ijzer ten hoogste 2 milligram per liter bedraagt. **5.** Indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of bij verordening bepalen dat de gehalten bedoeld in het vierde lid niet van toepassing zijn en kunnen hogere gehalten worden vastgesteld. @@ -3765,7 +3866,7 @@ Een composteringshoop is gelegen op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de ### Artikel 3.111 -**1.** De artikelen 3.112 tot en met 3.129 zijn van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren en het bereiden van brijvoer voor landbouwhuisdieren die binnen de inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt voor het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen. +**1.** De artikelen 3.112 tot en met 3.129 zijn van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren. **2.** @@ -3818,7 +3919,7 @@ Het oprichten, uitbreiden, of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geu Het eerste lid is niet van toepassing: -a. indien het geurgevoelig object een object als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, onderdelen a, b of c, of tweede lid, is met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 3.116, derde lid; +a. indien het geurgevoelig object een object als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, onderdelen a, b of c, of tweede lid, is; b. op de uitbreiding van een dierenverblijf indien een geurbelastingreducerende maatregel wordt toegepast en de totale geurbelasting na de uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de bij de betreffende situatie behorende waarde uit tabel 3.115 en de geurbelasting die de inrichting voorafgaand aan het toepassen van de maatregel veroorzaakte, of c. indien bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt, niet toeneemt en het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt. @@ -3842,12 +3943,7 @@ minder dan 50 meter bedraagt, indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c, **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de kavel, bedoeld in onderdeel c van dat lid, aanwezig is. -**3.** - -Het eerste lid is niet van toepassing indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c: - -a. binnen de bebouwde kom is gelegen en de geurbelasting op een afstand van 100 meter van het dierenverblijf lager is dan de waarde uit tabel 3.115 die van toepassing is, of -b. buiten de bebouwde kom is gelegen en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van het dierenverblijf lager is dan de waarde uit tabel 3.115 die van toepassing is. +**3.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de geurbelasting op het object, bedoeld in de onderdelen a, b of c van dat lid, lager is dan de waarde die volgens artikel 3.115, eerste lid, geldt voor het gebied waarin dat object ligt. **4.** Het eerste lid is eveneens niet van toepassing als bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt, het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt en de afstand van het dierenverblijf tot een geurgevoelig object niet afneemt. @@ -3855,7 +3951,7 @@ b. buiten de bebouwde kom is gelegen en de geurbelasting op een afstand van 50 m **1.** -Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging: +Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging: a. minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, of b. minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. @@ -3937,21 +4033,13 @@ Indien landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem dat is voor ### Artikel 3.126 -**1.** Het lozen van spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een vuilwaterriool is verboden. +**1.** Bij het lozen van spuiwater van een luchtwassysteem wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid. -**2.** +**2.** Het lozen van spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een vuilwaterriool is verboden. -Het lozen van spuiwater afkomstig van: +**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is en het lozen in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. -a. een biologisch luchtwassysteem; -b. een chemisch luchtwassysteem; -c. de biologische of chemische stap van een gecombineerd luchtwassysteem; -d. een biologisch luchtwassysteem of de biologische stap van een gecombineerd luchtwassysteem na een denitrificatiestap, of -e. een luchtwassysteem voor zover dat stof afvangt; - -op of in de bodem is toegestaan. - -**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is en het lozen in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. ### Artikel 3.127 @@ -3959,20 +4047,30 @@ op of in de bodem is toegestaan. **2.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter. -**3.** Het lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven op of in de bodem is toegestaan, indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem. +**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. ### Artikel 3.128 -Bij het bereiden van brijvoer wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. +Vervallen ### Artikel 3.129 **1.** Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het wassen en spoelen bij melkwinning wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid. -**2.** Afvalwater afkomstig van het wassen en spoelen van melkwininstallaties wordt zo veel mogelijk hergebruikt in de inrichting. +**2.** Afvalwater afkomstig van het wassen en spoelen van melkwininstallaties wordt zo veel mogelijk hergebruikt. **3.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem is toegestaan, indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem. +#### Paragraaf 3.5.9. Bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren + +### Artikel 3.129a + +Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen voor landbouwhuisdieren die binnen dezelfde inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit voor het bereiden van brijvoer ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt. + +### Artikel 3.129b + +Bij het bereiden van brijvoer wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. + ### Afdeling 3.6. Voedingsmiddelen #### Paragraaf 3.6.1. Bereiden van voedingsmiddelen @@ -4015,7 +4113,7 @@ b. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; c. het uitsnijden van vis, of d. het uitsnijden en pekelen van organen. -**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op IPPC-inrichtingen. +**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op een IPPC-installatie. ### Artikel 3.134 @@ -4025,11 +4123,9 @@ d. het uitsnijden en pekelen van organen. **3.** Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. -**4.** Bij de plaatsing van een vetafscheider die wordt ingezet voor het afvalwater wordt een rapport opgesteld waarin staat beschreven hoe invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Dit rapport wordt binnen de inrichting bewaard. +**4.** Het afvalwater wordt voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling. -**5.** Het afvalwater wordt voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling. - -**6.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het vijfde lid, een biologische behandeling toestaan voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool. +**5.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het vijfde lid, een biologische behandeling toestaan voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool. ### Artikel 3.135 @@ -4073,11 +4169,11 @@ d. de extractie van plantaardige oliën of veredeling van vetten; e. de productie van zetmeel of suiker, of f. de productie van alcohol. -**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op IPPC-inrichtingen. +**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op een IPPC-installatie. ### Artikel 3.138 -**1.** Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie is uitsluitend toegestaan, indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zesde lid. +**1.** Het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie is uitsluitend toegestaan, indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zesde lid. **2.** @@ -4117,13 +4213,15 @@ Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. **2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt. -**3.** Het afvalwater wordt voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling. +**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater, bedoeld in dat lid, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**4.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het derde lid, een biologische behandeling toestaan voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool. +**4.** Het afvalwater wordt voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling. -**5.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater waarbij olie, vet, zuivel, vlees of vis wordt verwerkt, wordt het afvalwater, voor vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. +**5.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het derde lid, een biologische behandeling toestaan voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool. -**6.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. +**6.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater waarbij olie, vet, zuivel, vlees of vis wordt verwerkt, wordt het afvalwater, voor vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. + +**7.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. ### Artikel 3.140 @@ -5269,14 +5367,12 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse Bij het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, bedraagt: -a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, of +a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, en b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan 200 milligram per liter. **3.** Bij het lozen in een vuilwaterriool bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter. -**4.** In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen. - -**5.** Het te lozen afvalwater kan op doelmatige wijze worden bemonsterd. +**4.** Het te lozen afvalwater kan op doelmatige wijze worden bemonsterd. ### Artikel 4.74l @@ -5288,13 +5384,9 @@ b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan Onverminderd artikel 2.12 kan het bevoegd gezag in afwijking van het tweede lid bepalen dat afvalstoffen die afzonderlijk niet aan de vereisten uit het Besluit bodemkwaliteit voldoen, voor het vervaardigen van betonmortel kunnen worden toegepast, indien: -a. de nuttige toepassing van de afvalstof is toegestaan, of +a. de nuttige toepassing van de afvalstof is toegestaan, en b. de toepassing van de afvalstof bijdraagt aan de fysische of bouwtechnische eigenschappen van de bouwstof en daarmee de inzet van primaire grondstoffen uitspaart. -### Artikel 4.74la - -In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20. - #### Paragraaf 4.5a.5. Het vormgeven van betonproducten ### Artikel 4.74m @@ -5309,14 +5401,12 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het vormgeven van betonproducten. Bij het lozen van afvalwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam bedraagt: -a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, of +a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, en b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan 200 milligram per liter. -**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag in belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen. +**3.** Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool bevat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. -**4.** Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool bevat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. - -**5.** Het te lozen afvalwater kan op doelmatige wijze worden bemonsterd. +**4.** Het te lozen afvalwater kan op doelmatige wijze worden bemonsterd. ### Artikel 4.74o @@ -5430,7 +5520,7 @@ d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. -#### Paragraaf 4.6.4. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorwegvoertuigen +#### Paragraaf 4.6.4. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen ### Artikel 4.80 @@ -5461,7 +5551,7 @@ Het inpandig afleveren van lichte olie vindt niet plaats. Bij het afleveren van vloeibare brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen, wordt: a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en -b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, +b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. @@ -5475,16 +5565,18 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden of repareren van motoren, mo **1.** In een inrichting voor onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een autodemontagebedrijf of een inrichting voor het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie, zijn niet meer dan vier autowrakken aanwezig. -**2.** +**2.** In een inrichting voor onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen of een inrichting voor het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie, zijn niet meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen aanwezig. -Het is niet toegestaan, anders dan bij een autodemontagebedrijf, een autowrak en de daarin aanwezige materialen of onderdelen te verwijderen of nuttig toe te passen, behoudens voor zover: +**3.** -1°. het de opslag betreft, of -2°. het accessoires betreft die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak hierom anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan hij eigenaar of houder is. +Het is niet toegestaan, anders dan bij een autodemontagebedrijf of een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen, een autowrak onderscheidenlijk een wrak van een tweewielig motorvoertuig en de daarin aanwezige materialen of onderdelen te verwijderen of nuttig toe te passen, tenzij het betreft: -**3.** Het proefdraaien van verbrandingsmotoren vindt niet in de buitenlucht plaats. +1°. de opslag, of +2°. accessoires die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig hierom anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan hij eigenaar of houder is. -**4.** +**4.** Het proefdraaien van verbrandingsmotoren vindt niet in de buitenlucht plaats. + +**5.** Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van verbrandingsmotoren wordt ten behoeve van: @@ -5497,7 +5589,7 @@ ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. ### Artikel 4.85 -In afwijking van artikel 4.84, derde lid, is het proefdraaien van motoren van pleziervaartuigen in de buitenlucht toegestaan voor zover de motor zich in het vaartuig bevindt. +In afwijking van artikel 4.84, vierde lid, is het proefdraaien van motoren van pleziervaartuigen in de buitenlucht toegestaan voor zover de motor zich in het vaartuig bevindt. #### Paragraaf 4.6.6. Onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen @@ -5612,7 +5704,7 @@ e. per jaar informatie over het verbruik aan vluchtige organische stoffen als ge Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van: a. het toepassen van vellenoffsettechnieken; -b. het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur, en +b. het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur, of c. de vormvervaardiging exclusief fotografische processen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid. @@ -6054,7 +6146,7 @@ a. tanks, b. tankwagens, c. vrachtwagens, d. andere transportmiddelen, of -e. werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen voor agrarische activiteiten zijn toegepast. +e. werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast. ### Artikel 4.103h @@ -6086,16 +6178,16 @@ Bij het in een inrichting inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of an ### Artikel 4.104c -**1.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid. +**1.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid. -**2.** Bij het lozen in een vuilwaterriool wordt het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van werktuigen waarin gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. +**2.** Bij het lozen in een vuilwaterriool wordt het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van werktuigen waarin gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. **3.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan, indien: a. het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem waarop de gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast, of -b. het lozen plaatsvindt door middel van een zuiveringsvoorziening als bedoeld in het tweede lid. +b. het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening als bedoeld in het tweede lid en wordt verspreid over een onverharde bodem. ### Artikel 4.104d @@ -6109,12 +6201,12 @@ Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig re Bij het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, bedraagt: -a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, of +a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, en b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan 200 milligram per liter. **3.** Bij het lozen in een vuilwaterriool bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter. -**4.** In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen. +**4.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen. **5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. @@ -6798,7 +6890,7 @@ Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inricht ### Artikel 6.3 -**1.** Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid. +**1.** Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, of tweede lid, wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid. **2.** In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b. @@ -6806,11 +6898,13 @@ Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inricht **4.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een inrichting het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel. -**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de ontheffing of vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning. +**5.** Voor het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, waarvoor op 24 april 2013 een ontheffing gold op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de wet, geldt gedurende de op die datum resterende termijn waarvoor de ontheffing was verleend, een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, waarvan de inhoud overeenkomt met de ontheffing. + +**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de ontheffing of vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning. ### Artikel 6.4 -**1.** Degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting geen vergunning als gedoeld in artikel 6.1, eerste lid, in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft. +**1.** Degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting geen vergunning als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft. **2.** Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing. @@ -6956,7 +7050,7 @@ b. voor 1 maart 1997 een slibvangput of een olieafscheider zijn geplaatst, die o **2.** -In afwijking van de artikelen 3.26c, derde lid, 3.26h, derde lid, 3.34, achtste lid, 3.44, derde lid, 4.71, tweede lid, en 4.75, vierde lid, zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing indien het afvalwater niet wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2, maar door: +In afwijking van de artikelen 3.26c, derde lid, 3.26f, derde lid, 3.26h, derde lid, 3.34, achtste lid, 4.71, tweede lid, en 4.75, vierde lid, zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing indien het afvalwater niet wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2, maar door: a. een slibvangput en een olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7089; of b. een slibvangput en een olieafscheider die zijn geplaatst voor 1 maart 1997 en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd. @@ -7011,6 +7105,8 @@ b. een slibvangput en een olieafscheider die zijn geplaatst voor 1 maart 1997 en **5.** Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt. +**5.** Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing. + ### Artikel 6.20a **1.** In afwijking van de artikelen 3.10a of 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid. @@ -7094,7 +7190,7 @@ Artikel 3.16d, zevende lid, is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunst Paragraaf 3.2.8, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van die paragraaf. -### Paragraaf 6.11. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer +### Paragraaf 6.11. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en aan spoorvoertuigen ### Artikel 6.22 @@ -7132,9 +7228,7 @@ Paragraaf 3.2.8, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op e ### Artikel 6.23 -**1.** Voor een inrichting type C worden de voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.41 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.7. - -**2.** De voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting type C die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.7 en onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.41 in werking waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van paragraaf 3.3.7 van het besluit strengere bepalingen gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. +Vervallen ### Paragraaf 6.13. Overgangsrecht met betrekking tot de opslag van propaan @@ -7148,9 +7242,7 @@ Paragraaf 3.2.8, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op e ### Artikel 6.24a -**1.** Voor een inrichting type C worden de voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.4.3. - -**2.** De voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting type C die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.4.3 en onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 in werking waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van paragraaf 3.4.3 van het besluit strengere bepalingen gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. +Vervallen ### Paragraaf 6.13b. Overgangsrecht voor het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten @@ -7194,7 +7286,7 @@ b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan we ### Artikel 6.24f -**1.** Artikel 3.56, eerste lid, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat lid. +**1.** Artikel 3.56, eerste lid, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat lid. **2.** Artikel 3.58, eerste lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas als bedoeld in het eerste lid. @@ -7208,15 +7300,15 @@ In afwijking van artikel 3.58 is, indien assimilatiebelichting met een verlichti ### Artikel 6.24i -Artikel 6.24g is tot 1 januari 2013 niet van toepassing op een kas als bedoeld in dat artikel die aan de bovenzijde reeds voor 1 april 2009 is voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 85% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd. +De artikelen 3.56 tot en met 3.59 zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op het moment van inwerkingtreding van dit artikel minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter. ### Artikel 6.24j -In afwijking van artikel 3.58 is de bovenzijde van een kas als bedoeld in artikel 6.24i, tot 1 januari 2013 vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 85% wordt gereduceerd. +In afwijking van artikel 3.63, tweede lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. ### Artikel 6.24k -De artikelen 3.56 tot en met 3.59 zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op het moment van inwerkingtreding van dit artikel minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter. +Door vernummering vervallen. ### Artikel 6.24l @@ -7237,11 +7329,15 @@ d. door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige is beoordeeld of aan wordt het lozen van drainwater in de bodem aangemerkt als het lozen van drainwater waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, is vastgesteld. +### Artikel 6.24m1 + +In afwijking van artikel 3.76, derde lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. + ### Paragraaf 6.13f. Telen van gewassen in de open lucht ### Artikel 6.24n -Artikel 3.83, derde tot en met vijfde lid, is gedurende vier jaar na de inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op veldspuitapparatuur die voor dat tijdstip niet was voorzien van een drukregistratievoorziening. +Artikel 3.83, derde tot en met vijfde lid, is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op veldspuitapparatuur die niet is voorzien van een drukregistratievoorziening als bedoeld in die leden. ### Paragraaf 6.13g. Overgangsrecht met betrekking tot de waterbehandeling voor agrarische activiteiten @@ -7249,8 +7345,22 @@ Artikel 3.83, derde tot en met vijfde lid, is gedurende vier jaar na de inwerkin In afwijking van artikel 6.3, eerste lid, wordt, bij een inrichting die per hectare waarop het telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt beschikt over een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter, een ontheffing die is verleend voor het in de bodem lozen van afvalwater als gevolg van het voor de gietwatervoorziening bij de teelt van gewassen zuiveren van water door omgekeerde osmose en die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.90 tot 1 juli 2022 aangemerkt als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid. +### Artikel 6.24o1 + +In afwijking van artikel 3.91, tweede lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. + ### Paragraaf 6.13h. Overgangsrecht met betrekking tot het behandelen van gewassen +### Artikel 6.24o2 + +**1.** In afwijking van artikel 3.100, vierde lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. + +**2.** In afwijking van artikel 3.100, vierde lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in de bodem dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. + +### Artikel 6.24o3 + +In afwijking van artikel 3.102, zevende lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. + ### Artikel 6.24p In afwijking van artikel 3.103 wordt bij het spoelen van bloembollen vanaf het tijdstip van het van toepassing worden van dat artikel tot aan het tijdstip waarop de eisen, bedoeld in dat artikel in werking treden, voldaan aan paragraaf 2.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, zoals die gold op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.103. @@ -7326,23 +7436,25 @@ Artikel 3.30a is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een opslagtank die is ### Artikel 6.24x -**1.** Artikel 3.131, vierde lid, is niet van toepassing indien voor 1 januari 2008 een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087. +**1.** Artikel 3.131, vierde lid, is niet van toepassing indien voor het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087. **2.** Indien op een inrichting voor 1 januari 2008 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel NEN 7087, geldt voor dat lozen een ontheffing die als maatwerkvoorschrift als bedoeld artikel 3.131, vijfde lid, wordt aangemerkt. -### Paragraaf 6.13m. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke bijproducten +**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een inrichting waarop met ingang van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit mestbassins milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was. + +### Paragraaf 6.13m. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis, bewerken van dierlijke bijproducten of industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken ### Artikel 6.24y -**1.** Artikel 3.134, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden. +**1.** Artikel 3.134, derde lid, en artikel 3.139, zesde lid, zijn niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden. -**2.** Artikel 3.134, derde en vierde lid, zijn eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden. +**2.** Artikel 3.134, derde lid, en artikel 3.139, zesde lid, zijn eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden. ### Paragraaf 6.13n. Overgangsrecht tandheelkunde ### Artikel 6.24z -Artikel 3.153 is tot 1 januari 2011 niet van toepassing indien het afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen wordt geleid door een amalgaamafscheider die voor de inwerkingtreding van dat artikel is geplaatst en de door de leverancier aangegeven maximale doorstroomsnelheid niet wordt overschreden. +Vervallen ### Paragraaf 6.14. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen @@ -7354,7 +7466,7 @@ Vervallen ### Artikel 6.25a -Artikel 4.5b is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor de datum inwerkingtreding van dat artikel. +Artikel 4.5b is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel. ### Paragraaf 6.15. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen @@ -7422,7 +7534,7 @@ Voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onder c, onder 2° en 3°, van **2.** In het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de locatie van een bunkerstation of een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie als bedoeld in het eerste lid. -### Paragraaf 6.23. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorwegvoertuigen +### Paragraaf 6.23. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen ### Artikel 6.34 @@ -7448,13 +7560,15 @@ Vervallen ### Artikel 6.34c -Artikel 4.104a, tweede lid, is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden. +**1.** Artikel 4.104a, tweede lid, is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden. -### Paragraaf 6.24. Overgangsrecht met betrekking tot het bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen +**2.** Artikel 4.104a, tweede lid, is eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd. + +### Paragraaf 6.24. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een laboratorium of praktijkruimte ### Artikel 6.35 -Vervallen +Artikel 4.124, derde lid, is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften zoals die luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in artikel 4.124, eerste lid. ### Paragraaf 6.25. Overgangsrecht met betrekking tot het vervaardigen en bereiden van voedingsmiddelen @@ -7505,6 +7619,7 @@ De volgende besluiten zijn vervallen: - Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer - Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer - Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer +- Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen - Besluit glastuinbouw - Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer - Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer @@ -7517,11 +7632,13 @@ De volgende besluiten zijn vervallen: - Besluit tankstations milieubeheer - Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer - Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden +- Besluit verbranden afvalstoffen - Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer - Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer. - Lozingenbesluit bodembescherming - Lozingenbesluit open teelt en veehouderij - Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater +- Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer ### Artikel 6.44