2009-01-01 | BWBR0025044 | Besluit participatiebudget

This commit is contained in:
Coornhert 2009-01-01 12:00:00 +00:00
parent 4906023beb
commit 80735ee62f

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit participatiebudget
bwb_id: BWBR0025044
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2009-03-10'
datum_inwerkingtreding: '2009-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0025044
citeertitel: Besluit participatiebudget
---
@ -16,8 +16,14 @@ citeertitel: Besluit participatiebudget
In dit besluit wordt verstaan onder:
- *certificaat staatsexamen NT2 I of II:* certificaat als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal voor een door de desbetreffende gemeente ingekochte opleiding Nederlands als tweede taal op niveau B1 en B2 van het Raamwerk NT2 als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, behaald door een volwassen inwoner;
- *cursus basisvaardigheden:* opleiding gericht op breed maatschappelijk functioneren als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, opleiding Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of opleiding gericht op sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- *duale inburgeringsvoorziening:* inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang en ten minste voor een deel gelijktijdig met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd;
- *participatiebudget:* uitkering aan het college, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet;
- *staatsexamen NT2 I of II:* staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- *vavo:* opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- *vavo-diploma:* diploma voor een door de desbetreffende gemeente ingekocht traject vavo, behaald door een volwassen inwoner;
- *volwassen inwoner:* persoon van achttien jaar of ouder die op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij een gemeente is ingeschreven;
- *wet:*
Wet participatiebudget.
@ -39,56 +45,128 @@ a. a het aandeel van het totale bedrag is dat beschikbaar is gesteld door Onze M
b. O^W het aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewicht van de gemeente is;
c. OT^W het totaal is van de aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewichten van alle gemeenten samen;
d. K^W de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerst lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, zoals die luidde op 31 december 2008, voor het kalenderjaar 2003 is;
e. TK^W het totaal is van de uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, zoals die luidde op 31 december 2008, voor het kalenderjaar 2003 voor alle gemeenten samen;
e. TK^W het totaal is van de uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, zoals die luidde op 31 december 2008, voor het kalenderjaar 2003 voor alle gemeenten samen;
f. TB^W het bedrag is dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges voor het desbetreffende kalenderjaar.
**2.** Indien het aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewicht van de gemeente negatief is, wordt dat voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, op nihil gesteld.
**3.** Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor de verdeelmaatstaven in bijlage 1 bij dit besluit de peiljaren en de gewichten vastgesteld.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel en van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.
### Paragraaf 2. Verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
### Artikel 3
Vervallen
**1.**
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een participatiebudget voor alle colleges wordt voor de jaren 2009 tot en met 2011 berekend op grond van de formule:
waarbij:
a. Ng het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
b. Nn het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners in alle Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
c. Og het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van de gemeente is met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met het onder a bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
d. On het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van alle Nederlandse gemeenten is met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met het onder b bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
e. Ag het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
f. An het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van alle Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
g. ib het bedrag is dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het desbetreffende kalenderjaar.
**2.** Bij de berekening voor het jaar 2009 is, in afwijking van het eerste lid, ib het bedrag dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het kalenderjaar 2009 plus het bedrag dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld voor opleidingen educatie op grond van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
### Artikel 4
Vervallen
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een participatiebudget voor alle colleges wordt voor het jaar 2012 berekend op grond van de formule:
waarbij:
a. Ng het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
b. Nn het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners in alle Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
c. Og het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van de gemeente is met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met het onder a bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
d. On het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van alle Nederlandse gemeenten is met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met het onder b bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
e. Ag het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
f. An het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van alle Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
g. BVg het aantal door de gemeente ingekochte trajecten basisvaardigheden is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
h. BVn het totaal aantal door de Nederlandse gemeenten ingekochte trajecten basisvaardigheden is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
i. VTg het aantal door de gemeente ingekochte trajecten vavo is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
j. VTn het totaal aantal door de Nederlandse gemeenten ingekochte trajecten vavo is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
k. VDg het aantal door volwassen inwoners van de gemeente behaalde vavo-diplomas is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
l. VDn het totaal aantal door volwassen inwoners van de Nederlandse gemeenten behaalde vavo-diplomas is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
m. Cg het aantal door volwassen inwoners van de gemeente behaalde NT2-certificaten, dat niet meetelt bij de output-verdeelmaatstaven uit de verdeelsleutel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
n. Cn het totale aantal door volwassen inwoners van de Nederlandse gemeenten behaalde NT2-certificaten, dat niet meetelt bij de output-verdeelmaatstaven uit de verdeelsleutel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
o. ib het bedrag is dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het jaar 2012.
### Artikel 5
Vervallen
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een participatiebudget voor alle colleges wordt voor de jaren 2013 en verder berekend op grond van de formule:
waarbij:
a. Ng het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
b. Nn het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners in alle Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
c. Og het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van de gemeente is met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met het onder a bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
d. On het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen inwoners van alle Nederlandse gemeenten is met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met het onder b bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
e. Ag het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
f. An het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van alle Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een land dat niet is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
g. BVg het aantal door de gemeente ingekochte trajecten basisvaardigheden is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
h. BVn het totaal aantal door de Nederlandse gemeenten ingekochte trajecten basisvaardigheden is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
i. VTg het aantal door de gemeente ingekochte trajecten vavo is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
j. VTn het totaal aantal door de Nederlandse gemeenten ingekochte trajecten vavo is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
k. VDg het aantal door volwassen inwoners van de gemeente behaalde vavo-diplomas is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
l. VDn het totaal aantal door volwassen inwoners van de Nederlandse gemeenten behaalde vavo-diplomas is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
m. Cg het aantal door volwassen inwoners van de gemeente behaalde NT2-certificaten, dat niet meetelt bij de output-verdeelmaatstaven uit de verdeelsleutel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
n. Cn het totale aantal door volwassen inwoners van de Nederlandse gemeenten behaalde NT2-certificaten, dat niet meetelt bij de output-verdeelmaatstaven uit de verdeelsleutel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
o. ib het bedrag is dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het desbetreffende kalenderjaar.
### Artikel 6
Vervallen
Indien het college de gegevens, bedoeld in de artikelen 4 en 5, niet op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, heeft verstrekt, worden voor de berekening van het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een participatiebudget voor alle colleges de onderdelen VDg, Cg, BVg en VTg van de formules, bedoeld in de artikelen 4 en 5, op nihil gesteld.
### Paragraaf 3. Verdeelsleutel Minister voor Wonen, Wijken en Integratie
### Artikel 7
Vervallen
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges wordt voor het jaar 2009 berekend op grond van de formule:
waarbij:
a. *ag(1565)2007* de som is van het aantal eerste generatie niet-westerse allochtonen en het aantal allochtonen afkomstig uit voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie in de leeftijdscategorie 15 tot en met 65 jaar dat op 1 januari 2007 volgens de door het Centraal bureau voor de statistiek gepubliceerde bevolkingscijfers in de gemeente woonde;
b. *aN(1565)2007* de som is van het aantal eerste generatie niet-westerse allochtonen en het aantal allochtonen afkomstig uit voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie in de leeftijdscategorie 15 tot en met 65 jaar dat op 1 januari 2007 volgens de door het Centraal bureau voor de statistiek gepubliceerde bevolkingscijfers in de gemeenten die geen uitkering ontvangen op grond van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid woonde;
c. *ib2007* het bedrag is dat door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het jaar 2009.
### Artikel 8
Vervallen
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie voor een participatiebudget voor alle colleges wordt voor de jaren 2010 en 2011 berekend op grond van de formule:
waarbij:
a. *ag(1565)* de som is van het aantal eerste generatie niet-westerse allochtonen en het aantal allochtonen afkomstig uit voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie in de leeftijdscategorie 15 tot en met 65 jaar dat op 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, volgens de door het Centraal bureau voor de statistiek gepubliceerde bevolkingscijfers in de gemeente woont;
b. *aN(1565)* de som is van het aantal eerste generatie niet-westerse allochtonen en het aantal allochtonen afkomstig uit voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie in de leeftijdscategorie 15 tot en met 65 jaar dat op 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, volgens de door het Centraal bureau voor de statistiek gepubliceerde bevolkingscijfers in Nederland woont;
c. *ib* het bedrag is dat door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het desbetreffende kalenderjaar.
### Artikel 9
Vervallen
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie voor een participatiebudget voor alle colleges wordt voor de jaren 2012 en verder berekend op grond van de formule:
waarbij:
a. *ivg* het aantal personen uit de doelgroep is ten behoeve van wie het college in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
b. *ivN* het totale aantal personen uit de doelgroep is ten behoeve van wie een college in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;
c. *divg* het aantal personen uit de doelgroep is ten behoeve van wie het college in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, een duale inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet inburgering heeft vastgesteld;
d. *divN* het totale aantal personen uit de doelgroep is ten behoeve van wie een college in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, een duale inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet inburgering heeft vastgesteld;
e. *exg* het aantal personen uit de doelgroep in de gemeente is dat in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering of het staatsexamen NT2 I of II heeft behaald;
f. *exN* het aantal personen uit de doelgroep in Nederland is dat in het tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het bedrag, bedoeld in de aanhef, beschikbaar wordt gesteld, het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering, of het staatsexamen NT2 I of II heeft behaald;
g. *ib* het bedrag is dat door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges voor het desbetreffende kalenderjaar.
### Artikel 10
Vervallen
**1.** Het college betrekt de gegevens, bedoeld in artikel 9, onderdelen a, c en e, uit het Informatiesysteem Inburgering, bedoeld in artikel 47 van de Wet inburgering.
### Paragraaf 3a. Gemeenschappelijke regelingen
**2.**
### Artikel 10a
Indien het college de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, heeft verstrekt, wordt voor de berekening van het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie voor een participatiebudget voor alle colleges, uitgegaan van de helft van het aantal:
Vervallen
a. vastgestelde inburgeringsvoorzieningen;
b. vastgestelde duale inburgeringsvoorzieningen of taalkennisvoorzieningen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet inburgering; en
c. behaalde examens, bedoeld in artikel 9, onderdeel e,
op grond waarvan het aandeel van dat college in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop het bedrag dat door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beschikbaar is gesteld voor een participatiebudget voor alle colleges betrekking heeft, is berekend.
### Paragraaf 4. Gemeentelijke herindeling
@ -96,33 +174,27 @@ Vervallen
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van dit hoofdstuk worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan.
## Hoofdstuk 2a. Bevordering participatie inactieven 20092011
### Artikel 11a
Vervallen
### Artikel 11b
Vervallen
### Artikel 11c
Vervallen
## Hoofdstuk 3. Overige bepalingen
### Artikel 12
**1.** Indien in een kalenderjaar het participatiebudget niet volledig is besteed aan participatievoorzieningen, kan het college het niet bestede bedrag tot maximaal 25% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget reserveren voor besteding aan participatievoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.
**1.** Indien in een kalenderjaar het participatiebudget niet volledig is besteed aan participatievoorzieningen, kan het college het niet bestede bedrag tot maximaal 60% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget reserveren voor besteding aan participatievoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.
**2.** Indien in een kalenderjaar meer dan het participatiebudget is besteed aan participatievoorzieningen, kan het college het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget ten laste brengen van het participatiebudget voor het daaropvolgende kalenderjaar.
**2.** Indien in een kalenderjaar meer dan het participatiebudget is besteed aan participatievoorzieningen, kan het college het meer bestede bedrag tot maximaal 60% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget ten laste brengen van het participatiebudget voor het daaropvolgende kalenderjaar.
**3.** Voor het jaar 2009 bedragen de in het eerste en tweede lid genoemde percentages voor een college als bedoeld in artikel 13 van de wet 31,25.
**3.** Voor het jaar 2009 bedragen de in het eerste en tweede lid genoemde percentages voor een college als bedoeld in artikel 13 van de wet 75.
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op het bedrag dat in 2010 in strijd met artikel 14 van de wet niet is besteed bij een regionaal opleidingencentrum, dan wel in 2009 in strijd met artikel 14 van de wet niet is besteed aan opleidingen educatie bij een regionaal opleidingencentrum.
### Artikel 13
Iedere maand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat kalenderjaar vastgestelde participatiebudget betaald.
**1.** Iedere maand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat kalenderjaar vastgestelde participatiebudget betaald.
**2.** Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet niet door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen uiterlijk op 15 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, schort Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de betaling van het participatiebudget voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van 15 augustus van dat jaar, doch niet gedurende de periode waarover Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitstel heeft verleend dan wel Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet aan de desbetreffende gemeente geheel of gedeeltelijk hebben opgeschort.
**3.** De betaling van het participatiebudget wordt hervat op of omstreeks de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, is ontvangen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, maar niet eerder dan 15 september van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop deze verantwoordingsinformatie betrekking heeft.
**4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het college in gebreke blijft om binnen een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde termijn een beeld van de uitvoering in te dienen dan wel aanvullende informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor het financieel beheer van de wet.
## Hoofdstuk 4. Wijziging van andere besluiten
@ -157,5 +229,3 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit participatiebudget.
**Verdeling van het bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges**
## Bijlage 2. behorende bij de
Vervallen