diff --git a/wet/mediawet-2008/BWBR0025028/README.md b/wet/mediawet-2008/BWBR0025028/README.md index 0717de593ea..1401267e6eb 100644 --- a/wet/mediawet-2008/BWBR0025028/README.md +++ b/wet/mediawet-2008/BWBR0025028/README.md @@ -26,7 +26,6 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *commerciële media-instelling:* natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële mediadienst verzorgt en die voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt; - *Commissariaat:* Commissariaat voor de Media, genoemd in artikel 7.1; - *dagbladmarkt:* door het Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1, vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste zes keer per week verschijnen; -- *educatieve media-instelling:* instelling als bedoeld in artikel 2.28, eerste lid; - *erkenningperiode:* periode als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid; - *Europese richtlijn:* Richtlijn 89/552/EEG van 3 oktober 1989 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn Audiovisuele mediadiensten); - *evenement:* georganiseerde voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op het terrein van sport of cultuur; @@ -37,15 +36,15 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *mediadienst op aanvraag:* mediadienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod dat op individueel verzoek en op een moment naar keuze kan worden afgenomen; - *NOS:* Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 2.34a; - *NPO:* Stichting Nederlandse Publieke Omroep, genoemd in artikel 2.2; -- *NPS:* Nederlandse Programma Stichting, genoemd in artikel 2.35; +- *NTR:* Stichting NTR, genoemd in artikel 2.35; - *omroepdienst:* mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen van media-aanbod dat op basis van een chronologisch schema dat is vastgesteld door de instelling die verantwoordelijk is voor het media-aanbod, al dan niet gecodeerd door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt verspreid voor gelijktijdige ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan; -- *omroepnet:* transmissiecapaciteit op een omroepnetwerk of een omroepzender die noodzakelijk is om continu programma-aanbod te verspreiden; - *omroepnetwerk:* openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma’s te verspreiden; +- *omroeporganisatie:* omroeporganisatie als bedoeld in artikel 2.23; - *omroepzender:* radiozendapparaat als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel kk, van de Telecommunicatiewet dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor het verspreiden van programma’s; - *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - *open televisieprogrammakanaal:* televisieprogrammakanaal dat ontvangen kan worden door ten minste vijfenzeventig procent van alle huishoudens in Nederland, waarvoor geen andere kosten verschuldigd zijn dan: -1°. het tarief dat een aanbieder van een omroepnetwerk aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in rekening brengt voor de ontvangst van het programma-aanbod van een door de aanbieder met inachtneming van de artikelen 6.12 tot en met 6.14 vast te stellen aantal omroepnetten; of +1°. het tarief dat een pakketaanbieder als bedoeld in artikel 6.9a aan zijn abonnees in rekening brengt voor de ontvangst van het programma-aanbod van een door die aanbieder met inachtneming van de artikelen 6.13 tot en met 6.14c vast te stellen aantal programmakanalen; of 2°. de kosten van aankoop of gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma’s mogelijk maken; - *politieke partij:* vereniging waarvan de aanduiding op grond van artikel G 1, Q 6 of Y 10 van de Kieswet is geregistreerd in het register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer of het Europees Parlement; - *productplaatsing:* het tegen betaling of soortgelijke vergoeding opnemen van of het verwijzen naar een product, dienst of (beeld)merk binnen het kader van een programma, of met een programma overeenkomend onderdeel van het media-aanbod; @@ -165,7 +164,7 @@ De organen van de NPO zijn een raad van toezicht, een raad van bestuur en een co **1.** De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen. -**2.** Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NPS en de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 onderscheidenlijk artikel 2.28 hebben verkregen personen voor benoeming aanbevelen. +**2.** Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, personen voor benoeming aanbevelen. **3.** Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk. @@ -180,8 +179,9 @@ b. het lidmaatschap van de raad van bestuur; c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling; d. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling; e. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur; -f. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en -g. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn. +f. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; +g. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en +h. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is. **2.** @@ -218,7 +218,7 @@ b. het wijzigen van de statuten van de NPO, op voorstel van de raad van bestuur; ### Artikel 2.9 -**1.** Op het lidmaatschap van de raad van bestuur is artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met g, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c, niet van overeenkomstige toepassing is op het lidmaatschap van een orgaan van de Ster. +**1.** Op het lidmaatschap van de raad van bestuur is artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met h, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c, niet van overeenkomstige toepassing is op het lidmaatschap van een orgaan van de Ster. **2.** De leden van de raad van bestuur zijn in dienst van de NPO. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast. @@ -261,12 +261,7 @@ e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van e **1.** Het college van omroepen adviseert de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst. -**2.** - -Het college van omroepen is als volgt samengesteld: - -a. de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 onderscheidenlijk artikel 2.28 hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, de NOS en de NPS benoemen elk één lid; en -b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag die op grond van artikel 2.42 zijn aangewezen, benoemen gezamenlijk één lid. +**2.** Het college van omroepen is zodanig samengesteld dat de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR daarin elk één lid benoemen. ### Artikel 2.13 @@ -276,7 +271,7 @@ b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag die op gr ### Artikel 2.14 -**1.** Voordat de raad van bestuur een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aangaat dan wel een besluit neemt over een taak als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdelen d, e, f, of g, over de wijze van aanwending van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel h, stelt hij het college van omroepen in de gelegenheid daarover zijn mening te geven binnen een door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn. +**1.** Voordat de raad van bestuur een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aangaat dan wel een besluit neemt over een taak als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdelen d, e, f, of g, over de wijze van aanwending van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, stelt hij het college van omroepen in de gelegenheid daarover zijn mening te geven binnen een door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn. **2.** Het uitblijven van de mening van het college staat aan het aangaan van een overeenkomst of het nemen van een besluit door de raad van bestuur niet in de weg. @@ -318,7 +313,7 @@ b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag die op gr **2.** De concessie geldt voor tien jaar en treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip. -**3.** Voor de toepassing van de artikelen 2.20, 2.29 en 2.43, eerste lid, bestaat de concessieperiode uit twee perioden van vijf jaar. +**3.** Voor de toepassing van de artikelen 2.20 en 2.29 bestaat de concessieperiode uit twee perioden van vijf jaar. ### Artikel 2.20 @@ -346,7 +341,7 @@ e. een beschrijving van de samenwerking met de regionale en lokale publieke medi **3.** Het concessiebeleidsplan behoeft de instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, waarbij de instemming geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in de Telecommunicatiewet. -**4.** Als de NPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing. +**4.** Als de NPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 2.21a @@ -368,59 +363,88 @@ c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandighede **3.** De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst. -##### Paragraaf 2.2.1.5. Media-aanbod +#### Afdeling 2.2.2. Omroeporganisaties ### Artikel 2.23 -Vervallen +**1.** Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan ten hoogste zes omroeporganisaties erkenningen verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. Een omroeporganisatie is een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24 of een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a. -#### Afdeling 2.2.2. Omroepverenigingen en een educatieve media-instelling +**2.** Onze Minister kan eens in de vijf jaar voorlopige erkenningen verlenen aan omroepverenigingen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. ### Artikel 2.24 -**1.** Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan omroepverenigingen erkenningen en voorlopige erkenningen verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. +**1.** -**2.** +Een omroepvereniging is een vereniging die: -Omroepverenigingen zijn verenigingen die: +a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is; +b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen; +c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften; +d. haar leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en +e. een jaarlijkse contributie heft van ten minste € 5,72, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen. -a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn; -b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen; -c. zich volgens de statuten ten doel stellen in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften; -d. hun leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geven op het beleid; en -e. een jaarlijkse contributie van ten minste € 5,72 heffen waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen. +**2.** Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast. -**3.** Het in het tweede lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast. +### Artikel 2.24a + +**1.** + +Een samenwerkingsomroep is een vereniging of stichting waarin twee of meer omroepverenigingen vertegenwoordigd zijn, die gericht is op het voeren van een landelijke publieke media-instelling en die: + +a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is; +b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen; +c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stromingen te vertegenwoordigen, overeenkomstig de statuten van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften; +d. als de samenwerkingsomroep een vereniging is, zijn leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en +e. ervoor zorg draagt dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, een jaarlijkse contributie heffen van ten minste € 5,72, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen. + +**2.** Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast. ### Artikel 2.25 **1.** -Voor een erkenning komen slechts in aanmerking omroepverenigingen die: +Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een omroeporganisatie: -a. in de voorafgaande erkenningsperiode een erkenning of een voorlopige erkenning hadden; -b. ten minste 150 000 leden hebben; en -c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief is. +a. 1°. die in de voorafgaande erkenningperiode een erkenning had; +2°. die is gevormd uit omroepverenigingen die in de voorafgaande periode een erkenning hadden; +3°. die is gevormd uit alle omroepverenigingen die waren vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep die in de voorafgaande periode een erkenning had; of +4°. die is gevormd uit omroepverenigingen als bedoeld onder 2° en 3°; +b. 1°. die voor zover het een omroepvereniging betreft, ten minste 150.000 leden heeft; of +2°. waarvan voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, samen ten minste 150.000 leden hebben en afzonderlijk niet minder dan 50.000 leden; +c. die op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is en voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, ook elke omroepvereniging die hij vertegenwoordigt, op die datum een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, tweede lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is; en +d. die de beschikbaarheid van het media-aanbod op de aanbodkanalen, bedoeld in artikel 2.55, derde lid, heeft zeker gesteld en voldoet aan de artikelen 2.142a en 2.178, eerste en derde lid. -**2.** De hoogte van het saldo, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. +**2.** De hoogte van het saldo, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. + +**3.** + +In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan ook in aanmerking komen voor een erkenning een samenwerkingsomroep waarin zijn vertegenwoordigd: + +a. een of meer omroepverenigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; en +b. een of meer omroepverenigingen die in de voorafgaande erkenningperiode een voorlopige erkenning hadden, waarbij voor elk van deze omroepverenigingen geldt dat: + +1°. die omroepvereniging ten minste 150.000 leden heeft; en +2°. van die omroepvereniging niet tijdens de periode van de voorlopige erkenning onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel d. ### Artikel 2.26 **1.** -Voor een voorlopige erkenning komen slechts in aanmerking omroepverenigingen die: +Voor een voorlopige erkenning komt slechts in aanmerking een omroepvereniging die: -a. in de voorafgaande erkenningperiode geen erkenning of voorlopige erkenning hadden; -b. ten minste 50 000 leden hebben; -c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a hebben waarvan het saldo nihil of positief is; -d. zich naar stroming als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel c, en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig onderscheiden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.25, dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en -e. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. +a. in de voorafgaande erkenningperiode geen erkenning of voorlopige erkenning had en niet vertegenwoordigd was in een samenwerkingsomroep die in die periode een erkenning had; +b. ten minste 50.000 leden heeft; +c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is; +d. zich naar stroming als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig onderscheidt van de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.25, dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; +e. de voorschriften met betrekking tot ledenwerving, bedoeld in artikel 2.137, in acht heeft genomen; +f. de verzorging van haar media-aanbod opdraagt aan de NTR of een omroeporganisatie die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen en waarmee zij overeenstemming heeft bereikt; en +g. voldoet aan de artikelen 2.142a, eerste en tweede lid, en 2.178, eerste lid. **2.** Artikel 2.25, tweede lid, is van toepassing. ### Artikel 2.27 -**1.** Het Commissariaat stelt het aantal leden per omroepvereniging die een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning heeft ingediend vast op een peildatum die door Onze Minister wordt bepaald. +**1.** Het Commissariaat stelt het aantal leden per omroeporganisatie die een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning heeft ingediend vast op een peildatum die door Onze Minister wordt bepaald. Bij een samenwerkingsomroep wordt het aantal leden bepaald door het totaal aantal leden van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt. **2.** @@ -428,33 +452,26 @@ Als lid tellen mee personen die: a. 16 jaar of ouder zijn; b. in Nederland woonachtig zijn; en -c. de jaarlijkse minimumcontributie, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel e, hebben betaald. +c. de jaarlijkse minimumcontributie, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel e, of 2.24a, eerste lid, onderdeel e, hebben betaald. -**3.** Het Commissariaat bepaalt de wijze waarop de vaststelling van het aantal leden gebeurt en omroepverenigingen verstrekken aan het Commissariaat alle gegevens die het daarvoor nodig acht. +**3.** Het Commissariaat bepaalt de wijze waarop de vaststelling van het aantal leden gebeurt en de aanvrager verstrekt aan het Commissariaat alle gegevens die het daarvoor nodig acht. ### Artikel 2.28 -**1.** Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan een instelling een erkenning verlenen voor de verzorging van educatief media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. - -**2.** - -Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een instelling die: - -a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is; -b. zich volgens de statuten uitsluitend ten doel stelt het verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming; -c. volgens de statuten een bestuur heeft waarin deskundigen uit de kring van representatieve landelijke organisaties op het gebied van onderwijs, scholing en vorming zitting hebben; en -d. volgens de statuten een orgaan heeft dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat representatief is voor maatschappelijke en levensbeschouwelijk organisaties op het terrein van onderwijs, scholing en vorming. - -**3.** De statuten en wijzigingen daarvan behoeven de instemming van Onze Minister. +Vervallen ### Artikel 2.29 -**1.** Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid. +**1.** Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode. -**2.** Een erkenning of voorlopige erkenning is niet overdraagbaar en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode. +**2.** Een erkenning kan alleen overgaan met toestemming van Onze Minister op aanvraag van de omroeporganisatie waaraan deze is verleend, en alleen aan een omroeporganisatie die door fusie is gevormd overeenkomstig artikel 2.25, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, 3° of 4°. Aan een toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 2.32, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wat betreft de artikelen 2.24 en 2.24a, en tweede lid, onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing. **3.** Een erkenning of voorlopige erkenning geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet. +**4.** Door overgang van een erkenning treedt de verkrijgende omroeporganisatie in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorganger. + +**4.** Door overgang van een erkenning treedt de verkrijgende omroepvereniging in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorganger. + ### Artikel 2.30 **1.** Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning bevat de statuten van de aanvrager en een beleidsplan. @@ -463,8 +480,9 @@ d. volgens de statuten een orgaan heeft dat het beleid voor het media-aanbod bep Het beleidsplan bevat in elk geval: -a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst; en -b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de NPO, de NOS of de NPS. +a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst; +b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de NPO, de NOS of de NTR; en +c. voor zover het betreft het beleidsplan van een aanvrager van een voorlopige erkenning, de voornemens en afspraken over de wijze waarop zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 2.88, eerste lid, in de samenwerking met de NTR of een omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, is gewaarborgd. **3.** Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers gezamenlijk worden ingediend. @@ -476,48 +494,44 @@ a. het tijdstip en de wijze van indiening van een aanvraag; b. de inrichting van een aanvraag en het beleidsplan; en c. de termijn en wijze waarop een besluit op een aanvraag wordt genomen. +**5.** Aangaande eenzelfde omroepvereniging kan slechts een aanvraag worden toegewezen. + ### Artikel 2.31 **1.** Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de NPO binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag. **2.** Het uitblijven van een advies staat aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning niet in de weg. +**3.** Als een aanvraag is ingediend door een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, onderdeel b, bevat het advies een concreet voorstel voor het samengaan van deze aanvrager met een of meer andere aanvragers, gericht op de totstandkoming van een samenwerkingsomroep. De mate waarin aanvragers kunnen bijdragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau met inachtneming van hun in het media-aanbod te weerspiegelen identiteit, is bepalend voor de inhoud van het voorstel. + +**4.** Als het advies een voorstel als bedoeld in het derde lid bevat, stelt Onze Minister na overweging van het advies, de betreffende aanvragers in de gelegenheid als samenwerkingsomroep gezamenlijk een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 2.30 en het eerste lid zijn van toepassing. + ### Artikel 2.32 -**1.** - -Onze Minister wijst een aanvraag voor een erkenning of een voorlopige erkenning af als de aanvrager: - -a. niet voldoet aan de artikelen 2.24, tweede lid, 2.25, eerste lid, onderdelen a en b, 2.26, eerste lid, onderdelen a, b, d en e, of 2.28, tweede lid; of -b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. +**1.** Onze Minister wijst een aanvraag voor een erkenning of een voorlopige erkenning af als de aanvrager niet voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdelen a, b en d, en derde lid, of 2.26, eerste lid, onderdelen a, b, en d tot en met g. **2.** Onze Minister kan een aanvraag afwijzen als: -a. de aanvrager blijkens de nieuwe evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan zijn publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b; -b. de aanvrager niet voldoet aan de krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen; +a. de aanvrager blijkens de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan zijn publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b; +b. de aanvrager niet voldoet aan artikel 2.30, eerste tot en met derde en vijfde lid, of de krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen; c. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet; of d. uit de aanvraag naar de mening van Onze Minister onvoldoende blijkt dat: 1°. in het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod de identiteit en missie van de aanvrager tot uitdrukking komt; 2°. het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen; of -3°. de aanvrager bereid is tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst. +3°. de aanvrager bereid is tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst en zijn verantwoordelijkheid gewaarborgd is als bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel c. -**3.** Een aanvraag van een omroepvereniging die een voorlopige erkenning heeft verkregen en die aansluitend voor een erkenning in aanmerking wil komen, kan daarnaast worden afgewezen als tijdens de periode van de voorlopige erkenning onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.26, onderdeel d. +**3.** Onze Minister kan daarnaast een aanvraag afwijzen als de aanvraag niet uitgaat van een voorstel als bedoeld in artikel 2.31, derde lid. ### Artikel 2.33 -**1.** - -Onze Minister trekt een erkenning of voorlopige erkenning in als een instelling: - -a. niet meer voldoet aan de artikelen 2.24, tweede lid, of 2.28, tweede lid, dan wel niet voldoet aan de artikelen 2.25, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, en 2.26, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid; of -b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. +**1.** Onze Minister trekt een erkenning of een voorlopige erkenning in als een instelling niet meer voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdeel d, of 2.26, eerste lid, onderdelen f en g, dan wel niet voldoet aan artikel 2.25, eerste lid, onderdeel c, of 2.26, eerste lid, onderdeel c. **2.** Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als het Commissariaat aan de instelling binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. -**3.** Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning intrekken, als bij de nieuwe evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat een omroepvereniging of de educatieve media-instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b. Artikel 2.31 is van overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste volzin. +**3.** Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning daarnaast intrekken als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b. Artikel 2.31, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste volzin. **4.** @@ -528,11 +542,9 @@ b. de instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering g ### Artikel 2.34 -**1.** De omroepverenigingen en de educatieve media-instelling zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s. +**1.** De omroeporganisaties zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s. -**2.** Het media-aanbod van een omroepvereniging weerspiegelt de identiteit en missie van die vereniging zoals die in de statuten zijn omschreven. - -**3.** Het media-aanbod van de educatieve media-instelling is geheel educatief van aard. +**2.** Het media-aanbod van een omroeporganisatie weerspiegelt de identiteit en missie van die organisatie zoals die in de statuten zijn omschreven. #### Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting @@ -574,8 +586,9 @@ a. de functie van lid van de directie van de NOS; b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke media-instelling; c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling; d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur; -e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf direct vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en -f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn. +e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf direct vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; +f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en +g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is. **2.** @@ -587,7 +600,7 @@ c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid. **3.** Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek. -**4.** De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de nieuwe evaluatie bedoeld, in artikel 2.184, vijfde lid, is vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.34a. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht. +**4.** De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.34a. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht. **5.** De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NOS een door Onze Minister vast te stellen vergoeding. @@ -601,7 +614,7 @@ c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid. **1.** De directie van de NOS bestaat uit ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. -**2.** Artikel 2.34d, eerste lid, onderdelen b tot en met f, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de directie. +**2.** Artikel 2.34d, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met g, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de directie. **3.** De directieleden zijn in dienst van de NOS. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast. @@ -633,40 +646,43 @@ c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid. **2.** De raad van toezicht en de directie kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NOS. -#### Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting +#### Afdeling 2.2.3. Stichting NTR ### Artikel 2.35 -**1.** De Nederlandse Programma Stichting heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland. +**1.** De Stichting NTR heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland. -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NPS wordt verzorgd. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NTR wordt verzorgd. + +**3.** De NTR heeft eveneens tot taak het voor de landelijke publieke mediadienst verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming. ### Artikel 2.35a -De organen van de NPS zijn een raad van toezicht, een algemeen directeur en een adviesraad. +De organen van de NTR zijn een raad van toezicht, een algemeen directeur en een adviesraad. ### Artikel 2.36 -**1.** De raad van toezicht van de NPS bestaat uit vijf of zeven leden die op voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen. +**1.** De raad van toezicht van de NTR bestaat uit vijf of zeven leden die op voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen. **2.** De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan. **3.** Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk. -**4.** De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NPS verzorgt, aanwezig zijn. +**4.** De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NTR verzorgt, aanwezig zijn. ### Artikel 2.37 **1.** -Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPS is onverenigbaar met: +Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NTR is onverenigbaar met: -a. de functie van algemeen directeur van de NPS; +a. de functie van algemeen directeur van de NTR; b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke media-instelling; c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling; d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal; -e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en -f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn. +e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; +f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en +g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is. **2.** @@ -678,130 +694,89 @@ c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid. **3.** Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek. -**4.** De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de evaluatie bedoeld, in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de NPS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht. +**4.** De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NTR onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht. -**5.** De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NPS een door Onze Minister vast te stellen vergoeding. +**5.** De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NTR een door Onze Minister vast te stellen vergoeding. ### Artikel 2.37a -**1.** De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur, op de algemene gang van zaken binnen de NPS en op de pluriformiteit van het media-aanbod van de NPS en staat de algemeen directeur met advies terzijde. +**1.** De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur, op de algemene gang van zaken binnen de NTR en op de pluriformiteit van het media-aanbod van de NTR en staat de algemeen directeur met advies terzijde. -**2.** Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NPS. +**2.** Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NTR. ### Artikel 2.37b -**1.** De algemeen directeur van de NPS wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. +**1.** De algemeen directeur van de NTR wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. -**2.** Artikel 2.37, eerste lid, onderdelen b tot en met f, is van overeenkomstige toepassing op de algemeen directeur. +**2.** Artikel 2.37, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met g, is van overeenkomstige toepassing op de algemeen directeur. -**3.** De algemeen directeur is in dienst van de NPS. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast. +**3.** De algemeen directeur is in dienst van de NTR. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast. ### Artikel 2.37c -**1.** De algemeen directeur bestuurt de NPS. +**1.** De algemeen directeur bestuurt de NTR. -**2.** De algemeen directeur is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NPS. +**2.** De algemeen directeur is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NTR. **3.** De algemeen directeur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort. ### Artikel 2.38 -De statuten van de NPS regelen de instelling van een adviesraad die de algemeen directeur adviseert over het media-aanbod van de NPS. +De statuten van de NTR regelen de instelling van een adviesraad die de algemeen directeur adviseert over het media-aanbod van de NTR. ### Artikel 2.39 -**1.** De NPS verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NPS. +**1.** De NTR verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NTR. -**2.** Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPS voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is. +**2.** Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NTR voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is. ### Artikel 2.40 -**1.** De NPS stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar. +**1.** De NTR stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar. -**2.** In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NPS, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder. +**2.** In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NTR, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder. -**3.** De NPS zendt het jaarverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar. +**3.** De NTR zendt het jaarverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar. ### Artikel 2.41 -**1.** Wijzigingen in de statuten van de NPS behoeven de instemming van Onze Minister. +**1.** Wijzigingen in de statuten van de NTR behoeven de instemming van Onze Minister. -**2.** De raad van toezicht en de algemeen directeur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NPS. +**2.** De raad van toezicht en de algemeen directeur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NTR. #### Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag ### Artikel 2.42 -**1.** Het Commissariaat kan eens in de vijf jaar kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag of rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken, aanwijzen voor het verzorgen van media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. - -**2.** Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die representatief geacht kunnen worden voor een in Nederland aanwezige kerkelijke of geestelijke hoofdstroming. +Vervallen ### Artikel 2.43 -**1.** Een aanwijzing geschiedt op aanvraag, geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van die periode. - -**2.** Een aanwijzing geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet. +Vervallen ### Artikel 2.44 -**1.** Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag tonen in hun aanvragen hun representativiteit voor een hoofdstroming naar genoegen van het Commissariaat aan. - -**2.** - -Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over: - -a. het tijdstip en de wijze van indiening van een aanvraag; -b. de inhoud van een aanvraag; en -c. de termijn waarbinnen een besluit op een aanvraag wordt genomen. +Vervallen ### Artikel 2.45 -**1.** Als meerdere aanvragers een aanvraag indienen voor een hoofdstroming bevordert het Commissariaat voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is samenwerking door of samengaan van die aanvragers. - -**2.** Per kerkelijke of geestelijke hoofdstroming vindt slechts één aanwijzing plaats. +Vervallen ### Artikel 2.46 -**1.** - -Het Commissariaat wijst een aanvraag voor een aanwijzing af als de aanvrager: - -a. niet voldoet aan de artikelen 2.42, tweede lid, of 2.44, eerste lid; of -b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. - -**2.** - -Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als: - -a. de aanvrager niet voldoet aan de krachtens artikel 2.44, tweede lid, gestelde eisen; of -b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij is aangewezen, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet. +Vervallen ### Artikel 2.47 -**1.** - -Het Commissariaat trekt een aanwijzing in als een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag: - -a. niet meer voldoet aan de eisen voor aanwijzing; of -b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. - -**2.** Het Commissariaat kan een aanwijzing intrekken als het Commissariaat aan het kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. - -**3.** Het Commissariaat kan op verzoek van de raad van bestuur een aanwijzing intrekken als de raad van bestuur aan een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag binnen de periode waarvoor de aanwijzing geldt twee maal een sanctie als bedoeld in artikel 2.154 is opgelegd. +Vervallen ### Artikel 2.48 -**1.** Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor aangewezen kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. - -**2.** Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen extra uren vaststellen en toewijzen. Deze extra uren geven geen aanspraak op een vergoeding boven de vergoeding, bedoeld in artikel 2.153. +Vervallen ### Artikel 2.49 -**1.** Het Commissariaat stelt jaarlijks voor elk van de aangewezen kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag vast hoeveel uren beschikbaar zijn op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst. - -**2.** Kerkgenootschappen respectievelijk genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit. - -**3.** Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag kunnen de verzorging van hun media-aanbod opdragen aan de NPS, een omroepvereniging of een door hen opgerichte rechtspersoon. +Vervallen #### Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen @@ -817,27 +792,20 @@ b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. Op de algemene programmakanalen: -a. beschikken de omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, per jaar over 325 uren voor televisie en over 1500 uren voor radio, aangevuld met een aantal uren dat wordt berekend naar rato van het aantal leden van de omroepverenigingen overeenkomstig het tweede lid; -b. beschikken de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, per jaar over 100 uren voor televisie en over 450 uren voor radio; -c. beschikt de NOS per jaar over 1300 uren voor televisie en over 1500 uren voor radio; -d. beschikt de NPS per jaar over 650 uren voor televisie en over 3000 uren voor radio; en -e. beschikt de educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.28 heeft verkregen, per jaar over 500 uren voor televisie en over 475 uren voor radio. +a. beschikken de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, per jaar over een aantal uren voor televisie en een aantal uren voor radio, dat wordt berekend naar rato van het aantal omroepverenigingen, overeenkomstig de formule -**2.** +(v : tv) * 2925 onderscheidenlijk (v: tv) * 13.500, waarbij -Het aanvullend aantal uren voor televisie en radio per omroepvereniging die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 heeft verkregen, wordt vastgesteld aan de hand van de formule (l : t) * 325 * o onderscheidenlijk (l : t) * 1500 * o, waarbij +v = het aantal omroepverenigingen als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, waaruit de omroeporganisatie die een erkenning heeft verkregen, is gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; en -l = het aantal leden per omroepvereniging die een erkenning heeft verkregen; +tv = alle omroepverenigingen waaruit alle omroeporganisaties die een erkenning hebben verkregen, zijn gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; +b. beschikken de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, per jaar over een aantal uren voor televisie en een aantal uren voor radio dat gelijk is aan dertig procent van de onderscheiden aantallen die gelden op grond van onderdeel a voor een omroeporganisatie die uit een omroepvereniging is gevormd; +c. beschikt de NOS per jaar over 1300 uren voor televisie en over 1500 uren voor radio; en +d. beschikt de NTR per jaar over 1.150 uren voor televisie en 3.475 uren voor radio. -t = het aantal leden van alle omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen; en +**2.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen meer uren gebruiken dan de aantallen, bedoeld in dat lid. -o = het aantal omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen. - -Voor de vaststelling van het aanvullend aantal uren telt het aantal leden dat het aantal van 400 000 leden overschrijdt, niet mee. Het aanvullend aantal uren wordt naar boven afgerond op het naastbij gelegen gehele getal. - -**3.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen meer uren gebruiken dan de aantallen, bedoeld in dat lid. - -**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de verdeling van het eerste lid, onderdelen a en b, worden herzien als het aantal omroepverenigingen daartoe aanleiding geeft. +**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de verdeling van het eerste lid, onderdelen a en b, worden herzien als het aantal het totale aantal omroepverenigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a daartoe aanleiding geeft. ### Artikel 2.52 @@ -847,21 +815,21 @@ Voor de vaststelling van het aanvullend aantal uren telt het aantal leden dat he ### Artikel 2.53 -**1.** De raad van bestuur deelt de uren in. +**1.** De raad van bestuur verzorgt de indeling van de uren voor de landelijke publieke media-instellingen op de algemene programmakanalen en de overige programmakanalen. **2.** -De raad van bestuur kan deze indeling herzien: +De raad van bestuur kan de urenindeling op de programmakanalen herzien: a. als een erkenning of een voorlopige erkenning wordt ingetrokken; b. als de aan een instelling ter beschikking staande uren worden ingetrokken of verminderd; -c. in het belang van de coördinatie en ordening op en tussen de verschillende programmakanalen van de programma’s; +c. in het belang van de coördinatie en ordening op en tussen de verschillende aanbodkanalen; d. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde van de indeling; of e. naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, tweede volzin. ### Artikel 2.54 -**1.** Bij de indeling zorgt de raad van bestuur er voor dat tussen 16.00 uur en 24.00 uur op de algemene televisieprogrammakanalen en tussen 7.00 uur en 19.00 uur op de algemene radioprogrammakanalen een evenwichtige verdeling van de uren wordt bereikt. Indien en voor zover een of meer landelijke publieke media-instellingen daarom verzoeken zorgt de raad van bestuur in afwijking van de vorige volzin voor een verdeling van de uren van deze landelijke publieke media-instellingen tussen 7.00 uur en 24.00 uur op de algemene televisieprogrammakanalen. +**1.** Bij de indeling van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, zorgt de raad van bestuur er voor dat tussen 16.00 uur en 24.00 uur op de algemene televisieprogrammakanalen en tussen 7.00 uur en 19.00 uur op de algemene radioprogrammakanalen een evenwichtige verdeling van de uren wordt bereikt. Indien en voor zover een of meer landelijke publieke media-instellingen daarom verzoeken zorgt de raad van bestuur in afwijking van de vorige volzin voor een verdeling van de uren van deze landelijke publieke media-instellingen tussen 7.00 uur en 24.00 uur op de algemene televisieprogrammakanalen. **2.** De raad van bestuur zorgt er in het kader van de coördinatie voor dat het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst past binnen de kaders van artikel 2.1, het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20, en de profielen van de aanbodkanalen en voldoet aan de artikelen 2.115, 2.116 en 2.119 tot en met 2.123. @@ -876,18 +844,25 @@ De instellingen: a. stellen het media-aanbod dat zij ter uitvoering van hun publieke taak verzorgen ter beschikking voor verspreiding op de aanbodkanalen; en b. zorgen voor voldoende gebruiksrechten op dat media-aanbod voor verspreiding, hergebruik en ontsluiting op de aanbodkanalen. +**3.** Het tweede lid is ook van toepassing op het media-aanbod dat omroepverenigingen die vertegenwoordigd zijn in een samenwerkingsomroep in eerdere erkenningperiodes hebben verzorgd. + ### Artikel 2.56 **1.** Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een algemeen televisieprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is samengesteld: -a. de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de NOS en de NPS van wie een door de raad van bestuur te bepalen belangrijk deel van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, is ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal tussen de uren waarvoor een evenwichtige verdeling is gemaakt als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, benoemen elk één lid; en -b. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag van wie uren zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen gezamenlijk één lid. +a. de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR waarvan een door de raad van bestuur te bepalen belangrijk deel van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, is ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal tussen de uren waarvoor een evenwichtige verdeling is gemaakt als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, benoemen elk één lid; en +b. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen waarvan de uren zijn ingedeeld als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden vertegenwoordigd door het voor de NTR benoemde lid of het voor de omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, benoemde lid. -**2.** Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een radioprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie waarin de instellingen van wie uren op het desbetreffende programmakanaal zijn ingedeeld elk één lid benoemen. +**2.** -**3.** Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een toezichts- of bestuursorgaan van de NPO of een landelijke publieke media-instelling. +Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een algemeen radioprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is samengesteld: + +a. de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarvan de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen elk één lid; en +b. de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de uren zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal, worden vertegenwoordigd door het voor de NTR benoemde lid of het voor de omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, benoemde lid. + +**3.** Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van de NPO, een landelijke publieke media-instelling of een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is. ### Artikel 2.57 @@ -910,9 +885,9 @@ e. de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid. ### Artikel 2.59 -**1.** De landelijke publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is. +**1.** De landelijke publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn. -**2.** De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de instellingen. +**2.** De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de instellingen en in die van de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn. ### Artikel 2.60 @@ -936,23 +911,23 @@ a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn; b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen het op regionaal respectievelijk lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in een provincie, een gemeente of een deel van de provincie waarop de instelling zich richt leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen; en c. volgens de statuten een orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat representatief is voor de belangrijkste in de desbetreffende provincie of gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. +**3.** Aanwijzing geschiedt nadat provinciale staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoet. + ### Artikel 2.62 -**1.** Aanwijzing geschiedt nadat Provinciale Staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet. - -**2.** Een regionale publieke media-instelling wordt alleen aangewezen als Provinciale Staten zich bereid verklaren voor de bekostiging ervan zorg te dragen. +Er wordt per provincie ten minste één regionale publieke media-instelling aangewezen, voor zover door één of meer instellingen uit de desbetreffende provincie een aanvraag voor een aanwijzing is ingediend. ### Artikel 2.63 -**1.** Als meer dan één lokale instelling in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet, bevordert het College van Burgemeester en Wethouders voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die instellingen. +**1.** Als meer dan één lokale instelling in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet, bevordert het college van burgemeester en wethouders voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die instellingen. **2.** Er kan per gemeente slechts één lokale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn. ### Artikel 2.64 -**1.** Een instelling die de publieke mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente, wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als Provinciale Staten of de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in artikel 2.62, eerste lid, bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht. +**1.** Een instelling die de publieke mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente, wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als provinciale staten of de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in artikel 2.61, derde lid bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht. -**2.** Het Commissariaat stelt Provinciale Staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in het eerste lid. +**2.** Het Commissariaat stelt provinciale staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 2.65 @@ -960,22 +935,15 @@ c. volgens de statuten een orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod be **2.** Zonodig wijst het Commissariaat de dagen waarop en de uren waarin programma-aanbod van regionale en lokale mediadiensten wordt uitgezonden op de voor de regionale dan wel lokale publieke mediadiensten beschikbare ruimte op een omroepzender. -**3.** Dit lid is nog niet in werking getreden. - ### Artikel 2.66 -**1.** Provinciale Staten brengen dan wel de gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening nog voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid. +**1.** Provinciale staten brengen dan wel de gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening nog voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid. **2.** Als tijdens de aanwijzingsperiode bij het Commissariaat ernstige twijfel bestaat of de regionale of lokale publieke media-instelling nog aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid, voldoet, kan hij een tussentijds advies vragen. ### Artikel 2.67 -**1.** - -Het Commissariaat trekt een aanwijzing in als de desbetreffende regionale of lokale publieke media-instelling: - -a. niet meer voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid; of -b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. +**1.** Het Commissariaat trekt een aanwijzing in, als de desbetreffende regionale of lokale publieke media-instelling niet meer voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid. **2.** Het Commissariaat trekt de aanwijzing van een regionale of lokale publieke media-instelling die niet meer voldoet aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen b of c, pas in nadat de desbetreffende media-instelling gedurende vier maanden, gerekend van de dag waarop het desbetreffende feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld opnieuw aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd. @@ -988,7 +956,7 @@ Een aanwijzing kan door het Commissariaat worden ingetrokken als: a. de regionale of lokale publieke media-instelling in een periode van een jaar geen media-aanbod dat voldoet aan de eisen van deze wet heeft verzorgd en dat aanbod gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is verspreid; of b. het Commissariaat aan de regionale of lokale publieke media-instelling binnen een periode van een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd voor overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. -**2.** Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij Gedeputeerde Staten, respectievelijk het College van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven. +**2.** Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven. **3.** Het uitblijven van een zienswijze binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door het Commissariaat niet in de weg. @@ -998,7 +966,7 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de wijze waarop aanvragen voor een aanwijzing worden ingediend; b. de termijn waarbinnen beslissingen op de aanvragen worden genomen; -c. de termijn waarop adviezen als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, worden uitgebracht; en +c. de termijn waarop adviezen als bedoeld in artikel 2.61, derde lid worden uitgebracht; en d. de termijn waarop beslissingen over aanwijzing of intrekking van een aanwijzing in werking treden. #### Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod @@ -1118,7 +1086,7 @@ Vervallen **1.** De publieke media-instellingen bepalen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod en zijn daar verantwoordelijk voor. -**2.** De publieke media-instellingen, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, brengen in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand. +**2.** De publieke media-instellingen brengen in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand. **3.** @@ -1127,6 +1095,8 @@ Het redactiestatuut bevat de journalistieke rechten en plichten van de werknemer a. waarborgen dat normen inzake journalistieke deontologie en kwaliteit worden gehanteerd; en b. waarborgen voor redactionele onafhankelijkheid ten opzichte van adverteerders, sponsors en anderen die bijdragen hebben verstrekt voor de totstandkoming van media-aanbod. +**4.** De NTR en omroeporganisaties, waaraan omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de verzorging van hun media-aanbod hebben opgedragen, dragen ervoor zorg dat de verantwoordelijkheid van die omroepverenigingen in de samenwerking is gewaarborgd. + ### Artikel 2.88a Publieke media-instellingen stellen ten minste de volgende gegevens van de media-instelling gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar voor het publiek: @@ -1166,7 +1136,7 @@ b. vermijdbare andere uitingen die onmiskenbaar tot gevolg hebben dat de afname ### Artikel 2.90 -Behoudens toestemming van het Commissariaat bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen oproepen in het kader van ledenwerving, andere verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten. +Behoudens toestemming van het Commissariaat bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen oproepen in het kader van ledenwerving, andere verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten als bedoeld in afdeling 2.5.6. ### Artikel 2.91 @@ -1295,7 +1265,7 @@ c. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen e ### Artikel 2.105 -**1.** De Ster doet jaarlijks vóór 1 augustus aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in het lopende en in het volgende kalenderjaar. +**1.** De Ster doet jaarlijks vóór 15 september aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in het lopende en in het volgende kalenderjaar. **2.** De Ster zendt een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat en de NPO. @@ -1390,7 +1360,7 @@ Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadie ### Artikel 2.116 -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoeveel procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, met uitzondering van onderdeel g, wordt besteed aan Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Het percentage, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld op ten minste tien en ten hoogste twintig procent. +**1.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoeveel procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, wordt besteed aan Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Het percentage, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld op ten minste tien en ten hoogste twintig procent. **2.** Op elk van de televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. @@ -1434,7 +1404,7 @@ a. dat bestaat uit nieuws; b. dat betrekking heeft op sport; c. dat het karakter van een spel heeft, met uitzondering van media-aanbod van culturele of educatieve aard dat mede het karakter van een spel heeft; d. dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie; -e. van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, politieke partijen en de overheid; en +e. dat van kerkelijke of geestelijke aard is, van politieke partijen en de overheid; en f. dat bestaat uit teletekst. ##### Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties @@ -1448,7 +1418,7 @@ f. dat bestaat uit teletekst. Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten beschouwing: a. programma-aanbod dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting; en -b. programma-aanbod van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, politieke partijen en de overheid. +b. programma-aanbod dat van kerkelijke of geestelijke aard is, van politieke partijen en de overheid. **3.** Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden. @@ -1535,13 +1505,31 @@ c. het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de samenwerking, be **1.** De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten. -**2.** Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten. +**2.** Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136. -**3.** Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke mediadienst, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is. +**3.** Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is. + +**4.** + +In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan: + +a. mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of +b. culturele instellingen. + +**5.** De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat. + +**6.** + +Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over: + +a. de wijze van melden; +b. de omvang en duur van het experiment; +c. de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en +d. de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen. ### Artikel 2.133 -Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of daaraan verbonden namen en merken buiten de publieke mediadienst te exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is. +Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of daaraan verbonden namen en merken buiten de landelijke publieke mediadienst te exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is. ### Artikel 2.134 @@ -1555,18 +1543,27 @@ Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten **1.** Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de NPO en de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht. -**2.** Het eerste lid en de artikelen 2.132 en 2.134 zijn niet van toepassing op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. +**2.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht gebruiken, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. ### Artikel 2.136 -**1.** Omroepverenigingen die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor verenigingsactiviteiten. +**1.** Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten. **2.** Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die: a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de vereniging en haar organen; of -b. die gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken. +b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken. + +**3.** + +Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten: + +a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de stichting en haar organen; of +b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende stichting om de band met en tussen de contribuanten te versterken. + +**4.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken. ### Artikel 2.137 @@ -1574,17 +1571,19 @@ b. die gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met **2.** De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister. +**3.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt de regels in acht nemen. + ### Artikel 2.138 -**1.** Als een omroepvereniging voornemens is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat. +**1.** Als een omroeporganisatie voornemens is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat. -**2.** Na de melding kan de omroepvereniging in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een commerciële omroepdienst kan verzorgen. +**2.** Na de melding kan de omroeporganisatie in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een commerciële omroepdienst kan verzorgen. -**3.** Tijdens de periode dat een omroepvereniging activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij beschouwd als omroepvereniging. +**3.** Tijdens de periode dat een omroeporganisatie activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij beschouwd als omroeporganisatie. ### Artikel 2.138a -**1.** Wanneer een omroepvereniging uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2.171, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het Commissariaat kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, verlengen met een door hem te stellen termijn. +**1.** Wanneer een omroeporganisatie uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2.171, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het Commissariaat kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, verlengen met een door hem te stellen termijn. **2.** Mede op basis van de eindafrekening, bedoeld in het eerste lid, stelt het Commissariaat het terug te betalen bedrag vast. Teruggevorderde bedragen voegt het Commissariaat toe aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166. @@ -1592,36 +1591,32 @@ b. die gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met In het geval, bedoeld in het eerste lid: -a. betaalt de omroepvereniging de op het moment, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, aanwezige gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke omroep, terug aan het Commissariaat; -b. draagt de omroepvereniging er zorg voor dat programmamateriaal dat verspreid is op de programmakanalen van de landelijke publieke omroep dan wel daarvoor is geproduceerd of aangekocht en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- of gebruiksrecht daarop bij de omroepvereniging berust, gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, om niet ter beschikking wordt gesteld aan de raad van bestuur voor gebruik op aanbodkanalen van de landelijke publieke omroep; -c. stelt de omroepvereniging het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel b, ter beschikking aan de door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief; en -d. onthoudt de omroepvereniging zich gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, van gebruik of exploitatie van het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel a, en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, tenzij daarover met de raad van bestuur een overeenkomst is gesloten tegen een marktconforme vergoeding. +a. betaalt de omroeporganisatie de op het moment, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, aanwezige gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke omroep, terug aan het Commissariaat; +b. draagt de omroeporganisatie er zorg voor dat programmamateriaal dat verspreid is op de programmakanalen van de landelijke publieke omroep dan wel daarvoor is geproduceerd of aangekocht en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- of gebruiksrecht daarop bij de omroeporganisatie berust, gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, om niet ter beschikking wordt gesteld aan de raad van bestuur voor gebruik op aanbodkanalen van de landelijke publieke omroep; +c. stelt de omroeporganisatie het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel b, ter beschikking aan de door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief; en +d. onthoudt de omroeporganisatie zich gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, van gebruik of exploitatie van het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel a, en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, tenzij daarover met de raad van bestuur een overeenkomst is gesloten tegen een marktconforme vergoeding. -**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder omroepvereniging tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende. +**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder omroeporganisatie tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende. **5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, als: -a. aan een omroepvereniging geen erkenning als bedoeld in artikel 2.24 wordt verleend; +a. aan een omroeporganisatie geen erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, wordt verleend; b. een erkenning of voorlopige erkenning overeenkomstig artikel 2.33 wordt ingetrokken; en -c. een omroepvereniging in strijd met artikel 2.34, eerste lid, tijdens een erkenningsperiode niet langer als omroepvereniging media-aanbod voor de landelijke publieke omroep verzorgt. +c. een omroeporganisatie in strijd met artikel 2.34, eerste lid, tijdens een erkenningsperiode niet langer als omroeporganisatie media-aanbod voor de landelijke publieke omroep verzorgt. ### Artikel 2.138b -**1.** Als een kerkgenootschap of een genootschap op geestelijke grondslag na afloop van de periode waarvoor hij overeenkomstig artikel 2.42 is aangewezen, niet opnieuw wordt aangewezen, draagt hij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor hij is aangewezen, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening wat betreft de financiën die betrekking hebben op de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst. Het Commissariaat kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, verlengen met een door hem te stellen termijn. - -**2.** Artikel 2.138a, eerste lid, tweede en derde volzin, en tweede lid, is van toepassing. Artikel 2.138a, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Het eerste en tweede lid zijn eveneens van toepassing, als een aanwijzing overeenkomstig artikel 2.47 wordt ingetrokken. +Vervallen ### Artikel 2.139 **1.** De landelijke publieke media-instellingen stellen de volgende gegevens van hun programma-aanbod ter beschikking van de NPO: per programma de titel, een korte omschrijving, de naam van de landelijke publieke media-instelling die het programma verzorgt, het programmakanaal waarop het programma wordt verspreid, de datum en het tijdstip van verspreiding, en de classificatie, bedoeld in artikel 4.2. -**2.** De landelijke publieke media-instellingen aanvaarden dat de NPO de gegevens voor vermenigvuldiging en openbaarmaking aan het publiek via gedrukte of elektronische programmagidsen ter beschikking stelt aan de omroepverenigingen en tegen een marktconforme vergoeding aan andere afnemers die daarom verzoeken. +**2.** De landelijke publieke media-instellingen aanvaarden dat de NPO de gegevens voor vermenigvuldiging en openbaarmaking aan het publiek via gedrukte of elektronische programmagidsen ter beschikking stelt aan de omroeporganisaties en tegen een marktconforme vergoeding aan andere afnemers die daarom verzoeken. -**3.** De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tijdig ter beschikking van de NPO. De NPO stelt die gegevens ten minste zes weken voorafgaand aan de verspreiding van het desbetreffende programma-aanbod ter beschikking van de omroepverenigingen en van de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid. +**3.** De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tijdig ter beschikking van de NPO. De NPO stelt die gegevens ten minste zes weken voorafgaand aan de verspreiding van het desbetreffende programma-aanbod ter beschikking van de omroeporganisaties en van de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid. **4.** De NPO sluit met de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid, een overeenkomst met betrekking tot de beschikbaarstelling van de gegevens. De overeenkomst bepaalt in elk geval dat de gegevens niet worden gewijzigd, en bevat overigens geen bepalingen of voorwaarden die de terbeschikkingstelling van de gegevens hinderen. @@ -1643,7 +1638,7 @@ Vervallen **1.** De NPO en de publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan. -**2.** Voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag is het eerste lid alleen van toepassing op de activiteiten ter verzorging van hun media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst. +**2.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, met al hun activiteiten niet dienstbaar zijn aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan. ### Artikel 2.142 @@ -1653,13 +1648,21 @@ Vervallen **3.** Een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde. +**4.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste tot en met derde lid handelen. + ### Artikel 2.142a -**1.** De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat er een helder onderscheid is tussen het dagelijks bestuur en het onafhankelijke toezicht daarop. +**1.** + +De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat overeenkomstig hun statuten en reglementen: + +a. er een helder onderscheid is tussen het dagelijks bestuur en het toezichthoudende orgaan; +b. deugdelijk, onafhankelijk en deskundig toezicht wordt uitgeoefend; en +c. de leden van het toezichthoudende orgaan worden benoemd op basis van vooraf vastgestelde openbare profielen. **2.** De NPO en de landelijke publieke media-instellingen volgen daarbij zo veel als mogelijk aanbevelingen uit de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid. -**3.** Dit artikel is ten aanzien kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag alleen van toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 2.42, eerste lid, en 2.49, derde lid. +**3.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen. ### Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten @@ -1673,7 +1676,7 @@ Vervallen ### Artikel 2.144 -**1.** De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag van € 577,093 miljoen, gebaseerd op de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende wettelijke bepalingen aan Onze Minister afgedragen inkomsten en de mutaties in de rijksbegroting vanaf dat moment. Dit bedrag wordt verminderd met € 201,258 miljoen. +**1.** De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag van € 577,093 miljoen, gebaseerd op de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende wettelijke bepalingen aan Onze Minister afgedragen inkomsten en de mutaties in de rijksbegroting vanaf dat moment. Dit bedrag wordt verminderd met € 57,284 miljoen. **2.** @@ -1691,19 +1694,18 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gest De rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan: a. de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijke niveau volgens afdeling 2.6.2; -b. vervallen; +b. de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau volgens afdeling 2.6.5; c. het Europese media-aanbod, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel e; d. het Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1; e. de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de advisering over radio, televisie, pers en andere vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag; f. het Commissariaat; g. door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de massacommunicatie; h. de bijdrage aan de stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties; -i. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek; +i. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren; j. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief; k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden; l. het door Onze Minister aangewezen overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen; -m. bijdragen voor de verzorging van media-aanbod van regionale en lokale publieke mediadiensten dat gericht is op minderheden; en -n. vergoedingen aan het landelijk orgaan dat informatie verstrekt en anderszins ondersteuning biedt aan de programmaraden, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid. +m. bijdragen voor de verzorging van media-aanbod van regionale en lokale publieke mediadiensten dat gericht is op minderheden. #### Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst @@ -1728,10 +1730,9 @@ e. een beschrijving van de samenwerking met de regionale en lokale publieke medi De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld: a. de financiële middelen voor de verzorging van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; -b. de financiële middelen voor programma-aanbod, bedoeld in de artikelen 2.115 tot en met 2.123; -c. de eigen inkomsten van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de NOS en de NPS, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod; -d. de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; en -e. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO. +b. de eigen inkomsten van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod; +c. de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; en +d. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO. ### Artikel 2.148 @@ -1745,75 +1746,71 @@ e. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van ### Artikel 2.148a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Voorafgaand aan elke periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, wordt door Onze Minister het bedrag vastgesteld dat de landelijke publieke mediadienst in die periode jaarlijks ten minste ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van zijn taakvervulling. + +**2.** + +Het in het eerste lid bedoelde bedrag is voor het eerste jaar van de genoemde periode gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig: + +a. de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland; en +b. de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex. + +**3.** Indien na aanvang van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de met inachtneming van het eerste en tweede lid vastgestelde bedragen, kan Onze Minister de hoogte van het voor resterende jaren ter beschikking te stellen bedrag wijzigen met inachtneming van een redelijke termijn. De hoogte van het aldus gewijzigde bedrag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende jaar waarin het gewijzigde bedrag voor het eerst van toepassing is ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig de onderdelen a en b van het tweede lid. + +**4.** In geval van een wijziging van het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, vergoedt Onze Minister de schade die de landelijke publieke mediadienst lijdt doordat hij in vertrouwen op het eerder vastgestelde bedrag anders heeft gehandeld dan hij met inachtneming van het gewijzigde bedrag zou hebben gedaan. ### Artikel 2.149 **1.** -Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten van de landelijke publieke mediadienst voor het komende jaar vast voor: +Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december met inachtneming van artikel 2.148a de budgetten van de landelijke publieke mediadienst voor het komende jaar vast voor: -a. de verzorging van het media-aanbod van de omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, gezamenlijk; -b. de verzorging van het media-aanbod van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, gezamenlijk; +a. de verzorging van het media-aanbod van de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, gezamenlijk; +b. de verzorging van het media-aanbod van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, gezamenlijk; c. de verzorging van het media-aanbod van de NOS; -d. de verzorging van het media-aanbod van de NPS; -e. de verzorging van het media-aanbod van de educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.28 heeft verkregen; -f. de verzorging van het media-aanbod van de op grond van artikel 2.42 aangewezen kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag gezamenlijk; -g. de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO; en -h. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst. - -Onze Minister stelt het budget, bedoeld in de eerste volzin, onderdeel d, niet hoger vast dan het gemiddelde budget dat met toepassing van artikel 2.152 voor een omroepvereniging kan worden vastgesteld. +d. de verzorging van het media-aanbod van de NTR; +e. de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO; en +f. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst. **2.** Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de NPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend. ### Artikel 2.150 -**1.** Het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel h, bedraagt dertig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met e. +**1.** Het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, bedraagt vijftig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a en b, en dertig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen c en d. -**2.** Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan de bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod. +**2.** Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan stimulering van de verzorging van media-aanbod en samenwerking ter bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod. -**3.** Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de NOS en de NPS. +**3.** Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR. ### Artikel 2.151 **1.** Onze Minister stelt de budgetten door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur. -**2.** De budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen g en h, besteedt de raad van bestuur aan de daar genoemde doelen. +**2.** De budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen e en f, besteedt de raad van bestuur aan de daar genoemde doelen. ### Artikel 2.152 -**1.** +De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a, over de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt waarvan de omvang wordt berekend naar rato van het aantal omroepverenigingen, overeenkomstig de formule -De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a, zodanig dat: +(v : tv) * b, waarbij -a. van de ene helft van het budget elke omroepvereniging een gelijk deel ontvangt; en -b. van de andere helft van het budget elke omroepvereniging een bedrag ontvangt waarvan de omvang wordt berekend naar rato van het aantal leden van de omroepvereniging overeenkomstig het tweede lid. +v = het aantal omroepverenigingen als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, waaruit de omroeporganisatie die een erkenning heeft verkregen, is gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; -Voor de vaststelling van het budget, bedoeld in onderdeel b, telt het aantal leden dat het aantal van 400 000 leden overschrijdt, niet mee. +tv = alle omroepverenigingen waaruit alle omroeporganisaties die een erkenning hebben verkregen, zijn gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; en -**2.** - -Het bedrag per omroepvereniging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt vastgesteld aan de hand van de formule - -(l : t) * b, waarbij - -l = het aantal leden per omroepvereniging; - -t = het totaal aantal leden van alle omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen; en - -b = de helft van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a. +b = het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a. ### Artikel 2.152a -**1.** De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel b, over de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, zodanig dat elke omroepvereniging een bedrag ontvangt van dertig procent van het basisbudget van een omroepvereniging, bedoeld in artikel 2.152, eerste lid, onderdeel a. +**1.** De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel b, over de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen zodanig dat elke omroepvereniging over een bedrag beschikt dat gelijk is aan vijftien procent van het bedrag dat geldt op grond van artikel 2.152 voor een omroeporganisatie die uit een omroepvereniging is gevormd. -**2.** De omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.152, eerste lid, onderdeel a, de omroepverenigingen, bedoeld in het eerste lid, de NOS, de NPS en de educatieve media-instelling, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel e, besteden de ontvangen bedragen en de budgetten aan de in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde doelen. +**2.** De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen de bedragen, bedoeld in het eerste lid en artikel 2.150, derde lid, van elk van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, ten beheer. + +**3.** De landelijke publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d, besteden de ontvangen bedragen en de budgetten aan de in de desbetreffende onderdelen genoemde doelen. ### Artikel 2.153 -**1.** De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, over de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag op basis van de verhouding tussen de hoeveelheid uren die voor elk kerkgenootschap en genootschap op geestelijke grondslag op grond van artikel 2.49, eerste lid, is vastgesteld en de totale hoeveelheid uren, bedoeld in artikel 2.48, eerste lid. - -**2.** Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag besteden de ontvangen bedragen aan de in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, genoemde doelen. +Vervallen ### Artikel 2.154 @@ -1822,9 +1819,9 @@ b = de helft van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a. De raad van bestuur kan ten hoogste vijftien procent van het voor een instelling vastgestelde bedrag inhouden als: a. de desbetreffende instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van bestuur; of -b. een omroepvereniging of de educatieve media-instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst. +b. een omroeporganisatie naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst. -**2.** Ingehouden bedragen worden toegevoegd aan het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel h. +**2.** Ingehouden bedragen worden toegevoegd aan het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f. ### Artikel 2.155 @@ -1836,7 +1833,7 @@ Vervallen ### Artikel 2.157 -**1.** De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. +**1.** De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen tevens de bedragen ten beheer die zijn gemoeid met de bevoorschotting van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen. **2.** @@ -1845,9 +1842,9 @@ Als een instelling zijn jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet a. verzoekt het Commissariaat de raad van bestuur de bevoorschotting met twintig procent te verminderen; en b. kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening. -**3.** Als een instelling voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan de raad van bestuur de bevoorschotting verminderen of beëindigen. +**3.** Als een instelling haar gelden in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet uitgeeft, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting te verminderen of te beëindigen. -**4.** De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken, bedoeld in het tweede lid. +**4.** De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken als bedoeld in het tweede en derde lid. ##### Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen @@ -1909,10 +1906,10 @@ c. de financiering van de door het Commissariaat aan te houden rekening-courantv Onze Minister kan, voor zover dat de financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt, uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten behoeve van: -a. de NPO en de landelijke publieke media-instellingen en; -b. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroepkoren, omroeporkesten en een muziekbibliotheek, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie. +a. de NPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen en; +b. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie. -**2.** Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de landelijke publieke media-instellingen door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur. +**2.** Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de landelijke en regionale publieke media-instellingen door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur. Artikel 2.152a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. **3.** Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door tussenkomst van het Commissariaat aan hen ter beschikking. @@ -1922,7 +1919,7 @@ b. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren v **2.** Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan de NPO en aan de landelijke publieke media-instellingen. -**3.** Artikel 2.167, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. +**3.** Artikel 2.167, tweede lid, is van toepassing. ### Artikel 2.169 @@ -1936,28 +1933,52 @@ b. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren v ### Artikel 2.170 -**1.** +**1.** Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het totaalbudget vast dat voor het volgend jaar beschikbaar is voor de bekostiging van de regionale publieke mediadiensten. -Gedeputeerde Staten zorgen voor de bekostiging van het functioneren van ten minste één regionale publieke media-instelling in de provincie door vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de regionale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat: +**2.** Het Commissariaat kan op aanvraag van regionale publieke media-instellingen uit het budget, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage verstrekken in de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van regionale publieke mediadiensten, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt. Het Commissariaat beslist jaarlijks vóór 1 januari op een aanvraag. -a. een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk is en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd; en -b. in ieder geval per provincie het in 2004 bestaande niveau van de activiteiten met betrekking tot de verzorging van media-aanbod door de regionale publieke media-instelling(en) ten minste gehandhaafd blijft. +**3.** Aan de verstrekking van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden geen voorwaarden verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet. -**2.** Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet. +**4.** Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van een begroting. -**3.** Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk. +**5.** + +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: + +a. de verdeling van het totaalbudget over de regionale publieke media-instellingen; +b. de inhoud, de inrichting en het tijdstip van indiening van een aanvraag; en +c. de inhoud en de inrichting van de begroting. + +**6.** Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begrotingen van de regionale publieke media-instellingen aan Onze Minister. + +**7.** De regionale publieke media-instellingen besteden de ontvangen bedragen aan de verzorging van publieke mediadiensten op regionaal niveau. + +**8.** De regionale publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. + +**9.** + +Als een regionale publieke media-instelling haar jaarrekening, bedoeld in artikel 2.173a, tweede lid, niet tijdig indient: + +a. vermindert het Commissariaat de bevoorschotting met twintig procent; en +b. kan het Commissariaat de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening. + +Als een instelling voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan het Commissariaat de bevoorschotting verminderen of beëindigen. + +**10.** De artikelen 2.138, 2.138a, eerste tot en met vierde lid, en 2.138b, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 2.170a -**1.** Het College van Burgemeester en Wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c. +**1.** Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c. **2.** De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd. -**3.** Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid. +**3.** Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de colleges van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid. -**4.** Artikel 2.170, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**4.** Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet. -#### Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst +**5.** Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk. + +#### Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten ##### Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening @@ -1983,7 +2004,11 @@ Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in ar ### Artikel 2.173a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de regionale publieke media-instellingen. + +**2.** De regionale publieke media-instellingen zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat. + +**3.** De artikelen 2.172 en 2.173 zijn van toepassing. ##### Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering @@ -1997,23 +2022,31 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 2.174a -**1.** Omroepverenigingen die een erkenning of voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag reserveren voor verenigingsactiviteiten. +**1.** Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136 tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag reserveren voor die verenigingsactiviteiten. -**2.** Artikel 2.174, derde lid, is van toepassing. +**2.** De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, slechts tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag overeenkomstig het eerste lid reserveren voor eigen verenigingsactiviteiten. De instelling ontvangt jaarlijks aan het einde van het boekjaar, bedoeld in artikel 2.172, tweede lid, van de omroepverenigingen over dat boekjaar het deel van hun exploitatiesaldo dat overblijft na aftrek van de overeenkomstig de eerste volzin voor verenigingsactiviteiten gereserveerde gelden. + +**3.** Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd of in strijd met het tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, worden terugbetaald aan de raad van bestuur. ### Artikel 2.175 -Vervallen +**1.** De regionale publieke media-instellingen kunnen met toestemming van het Commissariaat en onder door hem te stellen voorwaarden, die per instelling kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. + +**2.** Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van een regionale publieke media-instelling. + +**3.** Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan het Commissariaat. ### Artikel 2.176 **1.** Gereserveerde gelden voor de verzorging van media-aanbod worden in het volgende kalenderjaar besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn. -**2.** Onze Minister kan op verzoek van de raad van bestuur ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden. +**2.** Onze Minister kan voor de landelijke publieke media-instellingen op verzoek van de raad van bestuur ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden. + +**3.** Het Commissariaat kan op verzoek van een regionale publieke media-instelling ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden. ### Artikel 2.177 -**1.** Gelden die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gebruikt of die in strijd met de artikelen 2.174, tweede lid, en 2.174a, eerste lid, zijn gereserveerd, vordert het Commissariaat terug. +**1.** Gelden die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gebruikt of die in strijd met de artikelen 2.174, tweede lid, 2.174a, eerste lid, en 2.175, eerste lid, zijn gereserveerd, of die in strijd met artikel 2.174a, tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, vordert het Commissariaat van de landelijke publieke media-instelling terug. **2.** Teruggevorderde gelden worden toegevoegd aan de algemene mediareserve. @@ -2023,19 +2056,21 @@ Vervallen ### Artikel 2.178 -**1.** De landelijke publieke media-instellingen richten hun administratie zodanig in dat daaruit te allen tijde de voor de uitvoering van de taken van de raad van bestuur en het Commissariaat benodigde informatie op eenduidige en vergelijkbare wijze verkregen kan worden. +**1.** De landelijke en regionale en regionale publieke media-instellingen richten hun organisatie zodanig in dat een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van de bedrijfsprocessen gewaarborgd is. -**2.** De raad van bestuur bevordert dat de instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren. +**2.** De raad van bestuur en het Commissariaat bevorderen dat onderscheidenlijk de landelijke publieke media-instellingen en de regionale publieke media-instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren. + +**3.** De raad van bestuur bevordert dat de landelijke publieke media-instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren. ### Artikel 2.179 -Deze afdeling is op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag van toepassing voor zover het betreft de activiteiten en financiën die betrekking hebben op de verzorging van programma-aanbod en daaraan gerelateerd ander media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst. +Vervallen -#### Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, muziekbibliotheek, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie +#### Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie ### Artikel 2.180 -**1.** De instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek , van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vijf jaar in. +**1.** De instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vijf jaar in. **2.** De meerjarenplannen zijn afgestemd op het voor de desbetreffende periode geldende concessiebeleidsplan voor de landelijke publieke mediadienst. @@ -2053,7 +2088,7 @@ Deze afdeling is op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondsla ### Artikel 2.183 -**1.** Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen een bijdrage in de kosten ter beschikking. +**1.** Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen een bijdrage in de kosten ter beschikking. Onze Minister stelt de bijdrage voor de instelling die is aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur, die de bijdrage ter beschikking stelt aan de instelling. **2.** Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden. @@ -2072,11 +2107,9 @@ b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzig **2.** Een evaluatie vindt in elk geval eens in de vijf jaar plaats. -**3.** Als in de rapportage, bedoeld in artikel 2.186, is vastgesteld dat een omroepvereniging of de educatieve media-instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats van de wijze waarop de desbetreffende omroepvereniging of de educatieve media-instelling uitvoering geeft aan deze publieke taak. +**3.** Als de evaluatiecommissie in haar rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn aan te nemen dat een omroeporganisatie onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar en vier jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht een eerste respectievelijk tweede evaluatie plaats van de wijze waarop de betreffende omroeporganisatie uitvoering geeft aan deze publieke taak. -**4.** Als in de rapportage, bedoeld in artikel 2.186, betreffende de vorige evaluatie is vastgesteld dat de NPS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan haar publieke taak, bedoeld in artikel 2.35, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats. - -**5.** Als in de rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, betreffende de vorige evaluatie is vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan haar publieke taak, bedoeld in artikel 2.34a, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht, een nieuwe evaluatie plaats. +**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de NTR en de NOS en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun wettelijke taak. ### Artikel 2.185 @@ -2086,13 +2119,17 @@ b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzig ### Artikel 2.186 +**1.** + De evaluatiecommissie rapporteert in elk geval over: -a. de wijze waarop de NPO en de landelijke publieke media-instellingen zowel gezamenlijk als afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; +a. de wijze waarop de NPO en de landelijke publieke media-instellingen gezamenlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; b. de mate waarin het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst tegemoet komt aan de interesses en inzichten van het algemene publiek en van specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen; -c. de wijze waarop de omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en +c. de wijze waarop de omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie of die door Onze Minister zijn aangegeven. +**2.** De evaluatiecommissie rapporteert over de wijze waarop omroeporganisaties, de NTR of de NOS afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke media-opdracht op landelijk niveau als bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid. + ### Artikel 2.187 **1.** De evaluatiecommissie kan aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht in de komende jaren uitvoering wordt gegeven. @@ -2101,7 +2138,7 @@ d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de ev ### Artikel 2.188 -**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden criteria vastgesteld op basis waarvan afzonderlijke landelijke publieke media-instellingen worden geëvalueerd als bedoeld in artikel 2.186. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden criteria vastgesteld op basis waarvan afzonderlijke landelijke publieke media-instellingen worden geëvalueerd als bedoeld in artikel 2.186. **2.** De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. @@ -2131,10 +2168,6 @@ d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de ev ### Artikel 3.3 -**1.** Dit lid is nog niet in werking getreden. - -**2.** - Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als: a. de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn; of @@ -2146,9 +2179,8 @@ b. redelijkerwijs te verwachten is dat de aanvrager zich niet zal houden aan het Het Commissariaat trekt een toestemming in als de commerciële media-instelling: -a. daarom verzoekt; -b. in gebreke blijft met de betaling van de verschuldigde toezichtskosten, bedoeld in artikel 3.30; of -c. dit onderdeel is nog niet in werking getreden. +a. daarom verzoekt; of +b. in gebreke blijft met de betaling van de verschuldigde toezichtskosten, bedoeld in artikel 3.30. **2.** @@ -2566,7 +2598,7 @@ Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering v ### Artikel 5.4 -**1.** Aanbieders van omroepdiensten die exclusieve rechten hebben verworven ten aanzien van evenementen van groot belang, stellen korte fragmenten daarvan tegen vergoeding ter beschikking van andere aanbieders van omroepdiensten in de Europese Gemeenschap die daarom verzoeken. De verzoekende aanbieder van een omroepdienst is vrij in de keuze van fragmenten van evenementen van groot belang. +**1.** Aanbieders van omroepdiensten die exclusieve rechten hebben verworven ten aanzien van evenementen van groot belang, stellen korte fragmenten daarvan tegen vergoeding ter beschikking van andere aanbieders van omroepdiensten in de Europese Gemeenschap die daarom verzoeken. De verzoekende aanbieder van een omroepdienst is vrij in de keuze van fragmenten van evenementen van groot belang en mag deze verspreiden. **2.** Korte fragmenten duren maximaal 90 seconden per evenement en mogen onbeperkt worden herhaald binnen één etmaal. Als de wedstrijdbepalende sportmomenten van het evenement samen langer duren dan 90 seconden en de weergave zich beperkt tot die sportmomenten, mogen korte fragmenten bij uitzondering maximaal 180 seconden duren. @@ -2665,7 +2697,7 @@ De artikelen 2.53, 2.59, 2.60, 2.88, eerste lid, 2.89, 2.106 tot en met 2.109, 2 ### Artikel 6.9 -**1.** Het Commissariaat kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen voor het via een omroepzender verzorgen van een omroepdienst voor een bijzonder doel en met een beperkt bereik of van beperkte duur. +**1.** Het Commissariaat kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen voor het via een omroepzender verzorgen van een omroepdienst voor een bijzonder doel, met een beperkt bereik en van beperkte duur. Het Commissariaat kan tevens de toestemming verlenen voor het verzorgen van een omroepdienst zonder beperkte duur voor zover dit aangewezen is gelet op de aard van de omroepdienst. **2.** Het Commissariaat kan aan een toestemming voorschriften verbinden. @@ -2675,17 +2707,18 @@ De artikelen 2.53, 2.59, 2.60, 2.88, eerste lid, 2.89, 2.106 tot en met 2.109, 2 ### Artikel 6.9a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +In deze afdeling wordt verstaan onder: + +- *«abonnee»:* natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een pakketaanbieder met betrekking tot de ontvangst van een of meer programmapakketten; +- *«pakketaanbieder»:* een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een of meer programmapakketten tegen betaling verspreidt of laat verspreiden door middel van een omroepnetwerk of een omroepzender; +- *«programmapakket»:* een door een natuurlijk persoon of rechtspersoon samengesteld geheel van televisie- en radioprogrammakanalen die hoofdzakelijk door derden zijn geproduceerd; +- *«standaardprogrammapakket»:* een programmapakket als bedoeld in artikel 6.13 of in artikel 6.14. ##### Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod ### Artikel 6.10 -**1.** De aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk verspreidt geen programma-aanbod als de instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het desbetreffende programma-aanbod, krachtens deze wet of krachtens de op die instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving niet gerechtigd is voor verspreiding bestemd programma-aanbod te verzorgen. - -**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden. - -**3.** Dit lid is nog niet in werking getreden. +De aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk verspreidt geen programma-aanbod als de instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het desbetreffende programma-aanbod, krachtens deze wet of krachtens de op die instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving niet gerechtigd is voor verspreiding bestemd programma-aanbod te verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder. ### Artikel 6.11 @@ -2693,128 +2726,126 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Het is de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk toegestaan via de omroepzender of het omroepnetwerk: -a. programma-aanbod te verspreiden dat bestaat uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad; en +a. programma-aanbod te verspreiden dat bestaat uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten of van een gemeenteraad; en b. informatie over het via de omroepzender of het omroepnetwerk aangeboden programma-aanbod en diensten te verspreiden. +De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder. + **2.** Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing. -##### Paragraaf 6.3.1.2. Doorgifteverplichtingen omroepnetwerken +##### Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen ### Artikel 6.12 -Deze paragraaf is van toepassing als omroepnetwerken voor een significant aantal eindgebruikers in Nederland het belangrijkste middel zijn om programma-aanbod te ontvangen. +**1.** Deze paragraaf is van toepassing op pakketaanbieders die een of meer programmapakketten naar ten minste 100.000 abonnees in Nederland verspreiden of laten verspreiden. + +**2.** Als een pakketaanbieder programma-aanbod door middel van twee of meer omroepnetwerken of omroepzenders verspreidt of laat verspreiden, worden voor de toepassing van het eerste lid de desbetreffende aantallen abonnees samengevoegd. + +**3.** Als een pakketaanbieder een rechtspersoon is, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die pakketaanbieder en de aantallen abonnees van de dochtermaatschappijen die de pakketaanbieder in stand houdt. Als de pakketaanbieder een rechtspersoon is en een dochtermaatschappij die door een andere pakketaanbieder in stand wordt gehouden, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die dochtermaatschappij, het aantal abonnees van de pakketaanbieder die deze dochtermaatschappij in stand houdt, en de aantallen abonnees van de andere dochtermaatschappijen die deze pakketaanbieder in stand houdt. ### Artikel 6.13 -**1.** +**1.** Als een pakketaanbieder een of meer digitale programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer digitale programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een digitaal standaardprogrammapakket. -Als een significant aantal aangeslotenen op een omroepnetwerk programma-aanbod op analoge wijze ontvangt, verspreidt de aanbieder van dat omroepnetwerk naar die aangeslotenen in ieder geval ongewijzigd en vrij toegankelijk programma-aanbod op ten minste vijftien omroepnetten voor televisie en op ten minste vijfentwintig omroepnetten voor radio, waaronder: +**2.** Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste dertig televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. De programmakanalen worden ongewijzigd verspreid. Bij ministeriële regeling kunnen diensten worden aangewezen waarvan het signaal als integraal onderdeel van de programmakanalen moet worden doorgegeven en kunnen nadere regels worden gesteld voor de doorgifte van deze diensten. -a. het programma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst op drie algemene televisieprogrammakanalen en vijf algemene radioprogrammakanalen; -b. het in artikel 2.70 bedoelde programma-aanbod van de regionale publieke mediadienst dat bestemd is voor de provincie of deel van de provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt op één omroepnet voor televisie en één omroepnet voor radio; -c. het in artikel 2.70 bedoelde programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt op één omroepnet voor televisie en één omroepnet voor radio; -d. het programma-aanbod van twee televisieprogrammakanalen en twee radioprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst; en -e. ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel c, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat gericht is op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder minderheden, met dien verstande dat deze verplichting beperkt is tot het programma-aanbod op ten hoogste twee omroepnetten voor televisie en vijf omroepnetten voor radio. +**3.** -**2.** +Voor zover het betreft televisieprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval: -Als een significant aantal aangeslotenen op een omroepnetwerk programma-aanbod op digitale wijze ontvangt, verspreidt de aanbieder van dat omroepnetwerk naar die aangeslotenen in ieder geval ongewijzigd: +a. drie algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst; +b. één televisieprogrammakanaal van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincie of het deel van de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; +c. de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincies aangrenzend aan de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; +d. één televisieprogrammakanaal van de lokale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; +e. ten hoogste twee televisieprogrammakanalen van de lokale publieke mediadienst met ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel d, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat is gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden; en +f. drie televisieprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst. -a. het programma-aanbod, bedoeld in het eerste lid; en -b. het in artikel 2.70 bedoelde programma-aanbod van een regionale publieke mediadienst dat bestemd is voor een provincie of deel van een provincie aangrenzend aan de provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt op één omroepnet voor televisie. +**4.** + +Voor zover het betreft radioprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval: + +a. vijf algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst; +b. één radioprogrammakanaal van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincie of het deel van de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; +c. één radioprogrammakanaal van de lokale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; +d. ten hoogste vijf radioprogrammakanalen van de lokale publieke mediadienst met ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel c, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat is gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden; en +e. vijf radioprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst. + +**5.** + +Bij de vaststelling of een pakketaanbieder heeft voldaan aan het vereiste, bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, worden de volgende regels in acht genomen: + +a. ten minste dertig unieke televisieprogrammakanalen worden aangeboden in een door de pakketaanbieder te bepalen uitzendkwaliteit; +b. als televisieprogrammakanalen in verschillende uitzendkwaliteit worden aangeboden, worden programmakanalen met dezelfde naam en ordening van het programma-aanbod als één programmakanaal aangemerkt; +c. als televisieprogrammakanalen in verschillende uitzendkwaliteit worden aangeboden, worden programmakanalen met dezelfde naam maar met een verschillende ordening van het programma-aanbod als afzonderlijke programmakanalen aangemerkt; en +d. als televisieprogrammakanalen via omroepzenders worden verspreid zonder dat voor de ontvangst andere kosten moeten worden betaald dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken, en deze programmakanalen zijn opgenomen in de elektronische programmagids die onderdeel van de technische voorzieningen is, worden deze programmakanalen aangemerkt als televisieprogrammakanalen als bedoeld in onderdeel a. ### Artikel 6.14 -**1.** Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan naar een aangeslotene op het omroepnetwerk op diens verzoek minder programma-aanbod dan bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onderdelen a en b, dat door de aangeslotenen op analoge wijze of op digitale wijze wordt ontvangen, te verspreiden, mits hij een evenredig lager tarief in rekening brengt. +**1.** Als een pakketaanbieder een of meer analoge programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer analoge programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een analoog standaardprogrammapakket. -**2.** Het Commissariaat kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 6.13, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden. +**2.** Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste vijftien televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. De programmakanalen worden ongewijzigd verspreid. + +**3.** Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdelen a, b, d en e, is van toepassing. Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdeel f, is van toepassing met dien verstande dat het aantal televisieprogrammakanalen twee bedraagt. + +**4.** Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, is van toepassing. Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing met dien verstande dat het aantal radioprogrammakanalen twee bedraagt. ### Artikel 6.14a -**1.** De aanbieder van een omroepnetwerk, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, stelt zijn programma-aanbod op groothandelsniveau tegen kostengeoriënteerd tarief ter beschikking voor wederverkoop. +**1.** De aanbieder van een omroepnetwerk die analoog programma-aanbod verspreidt, stelt zijn programma-aanbod op groothandelsniveau tegen kostengeoriënteerd tarief ter beschikking voor wederverkoop. -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte of de vaststelling van het tarief en over de overige voorwaarden waaronder de aanbieder van een omroepnetwerk, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, zijn programma-aanbod ter beschikking stelt voor wederverkoop. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte of de vaststelling van het tarief en over de overige voorwaarden waaronder de aanbieder van een omroepnetwerk, bedoeld in het eerste lid, zijn programma-aanbod ter beschikking stelt voor wederverkoop. ### Artikel 6.14b -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Het digitale standaardprogrammapakket dat een pakketaanbieder door middel van een satelliet verspreidt of laat verspreiden, bevat in afwijking van artikel 6.13, derde en vierde lid, niet het programma-aanbod op programmakanalen als bedoeld in de onderdelen b, c, d en e van artikel 6.13, derde lid, onderscheidenlijk de onderdelen b, c en d van artikel 6.13, vierde lid. ### Artikel 6.14c -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** In afwijking van artikel 6.13, tweede lid, bestaat het digitale standaardprogrammapakket dat de pakketaanbieder, genoemd in de beschikking van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 31 januari 2002, nr. IVWT/691776, verspreidt, tot 1 februari 2017 uit ten minste vijfentwintig televisieprogrammakanalen. + +**2.** Artikel 6.13, derde lid, onderdelen c, d en e, en vierde lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op het programma-aanbod, bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 6.14d -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Het Commissariaat kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.13, 6.14, 6.14b en 6.14c, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden. -##### Paragraaf 6.3.1.3. Programmaraden +##### Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie ### Artikel 6.15 -**1.** In gemeenten waar een omroepnetwerk aanwezig is, stelt de gemeenteraad een programmaraad in. - -**2.** De programmaraad is representatief voor de belangrijkste in de gemeente of gemeenten voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen en beschikt als geheel over voldoende kennis van de informatiebehoeften van bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling binnen het kijk- en luisterpubliek. +Artikel 6.12 is van toepassing. ### Artikel 6.16 -**1.** Een programmaraad bestaat uit ten minste zeven en ten hoogste vijftien leden, die worden benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk aanwezig. +**1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een pakketaanbieder voorziet in de instelling van een geschillencommissie voor de behandeling van klachten van abonnees over de samenstelling van het digitale standaardprogrammapakket. -**2.** Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk. +**2.** Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, kunnen twee of meer pakketaanbieders besluiten gezamenlijk een geschillencommissie als bedoeld in het eerste lid in te stellen. -**3.** De gemeenteraad vervult een vacature zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen zes maanden. +**3.** Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, worden bij ministeriële regeling tevens voorschriften gegeven over de wijze van behandeling van de klachten, de samenstelling van de geschillencommissie en over de gevolgen van de beslissing van de geschillencommissie in geval van gegrondheid van een klacht. ### Artikel 6.17 -**1.** In gemeenten waar al een programmaraad functioneert, vindt de instelling en benoeming van de leden van de programmaraad plaats na overleg met deze programmaraad. - -**2.** Als een aantal omroepnetwerken gekoppeld is en daardoor feitelijk als één omroepnetwerk functioneert, stellen de betrokken gemeenteraden gezamenlijk één programmaraad in en benoemen zij gezamenlijk de leden. +Vervallen ### Artikel 6.18 -**1.** - -Voor benoeming tot lid van een programmaraad komen in aanmerking personen die: - -a. woonachtig zijn in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; en -b. aangesloten zijn op het omroepnetwerk in dat gebied dan wel deel uitmaken van een huishouden dat daarop is aangesloten. - -**2.** - -Met het lidmaatschap van een programmaraad zijn onverenigbaar: - -a. het lidmaatschap van een gemeenteraad in een gemeente die behoort tot het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; -b. het lidmaatschap van het College van Burgemeester en Wethouders in een gemeente als bedoeld in onderdeel a; -c. een binding met de aanbieder van het omroepnetwerk dat aanwezig is in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; en -d. het lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking bij de NPO, een publieke media-instelling of een commerciële media-instelling. +Vervallen ### Artikel 6.19 -**1.** - -Een programmaraad stelt een reglement vast waarin in ieder geval regels zijn opgenomen over: - -a. de wijze waarop de instelling, de taak en de samenstelling van de programmaraad kenbaar wordt gemaakt aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; en -b. de totstandkoming, de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de geldigheidsduur van het advies van de programmaraad. - -**2.** Het reglement voorziet in een transparante adviesprocedure. +Vervallen ### Artikel 6.20 -**1.** De programmaraad adviseert de aanbieder van het omroepnetwerk welk vrij toegankelijk programma-aanbod op vijftien omroepnetten voor televisie en vijfentwintig omroepnetten voor radio hij krachtens artikel 6.13, eerste lid, ten minste verspreidt naar alle aangeslotenen op het netwerk. - -**2.** De aanbieder van een omroepnetwerk volgt het advies, bedoeld in het eerste lid, tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten. - -**3.** De aanbieder van een omroepnetwerk kan de programmaraad voorts een advies vragen over het overige vrij toegankelijke programma-aanbod dat hij verspreidt naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk. +Vervallen ### Artikel 6.21 -**1.** De programmaraad maakt bij zijn advisering een duidelijk onderscheid tussen advisering als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, en advisering als bedoeld in het derde lid van dat artikel. - -**2.** Onverminderd de artikelen 6.13 en 6.14, gaat de programmaraad in zijn advisering uit van een pluriforme samenstelling van het pakket aan vrij toegankelijk programma-aanbod, rekening houdend met de in de gemeente levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften. +Vervallen ### Artikel 6.22 -Deze paragraaf is niet van toepassing op de aanbieder van een omroepnetwerk aan wie het Commissariaat ontheffing heeft verleend op grond van artikel 6.14, tweede lid. +Vervallen #### Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte @@ -2887,7 +2918,7 @@ Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn onvere a. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur; b. een dienstbetrekking bij een ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en -c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan. +c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan. ### Artikel 7.5 @@ -2935,7 +2966,7 @@ Het Commissariaat plaatst besluiten tot vaststelling van nadere regels op grond Het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van: -a. de artikelen 2.2 tot en met 2.22, 2.24 tot en met 2.33, 2.34a tot en met 2.34j, 2.36 tot en met 2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.125 tot en met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.149, 2.150, eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.180 tot en met 2.187, 4.2 tot en met 4.5 en 6.26; en +a. de artikelen 2.2 tot en met 2.27, 2.29 tot en met 2.33, 2.34a tot en met 2.34j, 2.36 tot en met 2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.125 tot en met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.148a, 2.149, 2.150, eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.180 tot en met 2.187, 4.2 tot en met 4.5 en 6.26; en b. hoofdstuk 8. **2.** Met het toezicht op de naleving zijn belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat. @@ -2946,9 +2977,9 @@ b. hoofdstuk 8. **1.** Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, eerste lid, 2.58, onderdelen a tot en met c, en e, 2.170 en 2.170a of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat aan de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 225 000 per overtreding. -**2.** De bestuurlijke boete bij overtreding van het bepaalde in artikel 2.34, eerste lid, bedraagt tien procent van het totale bedrag aan gelden dat gemiddeld in de kalenderjaren voorafgaand aan de overtreding tijdens de lopende erkenningsperiode aan de omroepvereniging ter beschikking is gesteld voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst. +**2.** De bestuurlijke boete bij overtreding van het bepaalde in artikel 2.34, eerste lid, bedraagt tien procent van het totale bedrag aan gelden dat gemiddeld in de kalenderjaren voorafgaand aan de overtreding tijdens de lopende erkenningperiode aan de omroeporganisatie ter beschikking is gesteld voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst. -**3.** Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.132 tot en met 2.134, 6.10 tot en met 6.14 en 6.20 kan het Commissariaat aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. +**3.** Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, tweede lid, 2.35, 2.58, onderdeel d, 2.70, 2.71, derde en vierde lid, 2.88b tot en met 2.92, 2.94 tot en met 2.99, 2.106 tot en met 2.108, 2.111, eerste lid, 2.115 tot en met 2.124, 2.150, tweede en derde lid, 2.151, tweede lid, 2.170 en 2.170a, 3.5b tot en met 3.14, 3.15, tweede lid, 3.16, 3.17, 3.19 tot en met 3.19b, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.29d, 4.1, 4.6, 5.1 tot en met 5.4, 6.4, 6.6, tweede lid, en 6.23 tot en met 6.25, kan het Commissariaat aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. ### Artikel 7.13 @@ -2961,7 +2992,7 @@ De te betalen geldsommen van de bestuurlijke boeten en dwangsommen komen toe aan Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat, naast of in plaats van het opleggen van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom: a. de in artikel 2.51 bedoelde uren van de desbetreffende instelling voor ten hoogste twaalf weken intrekken; -b. de in de artikelen 2.49, eerste lid, 6.1 en 6.5 bedoelde uren van de desbetreffende instelling verminderen of intrekken; en +b. de in de artikelen 6.1 en 6.5 bedoelde uren van de desbetreffende instelling verminderen of intrekken; en c. de uren intrekken of verminderen die de Ster op grond van artikel 2.95 op de programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst ter beschikking heeft. **2.** @@ -2969,13 +3000,28 @@ c. de uren intrekken of verminderen die de Ster op grond van artikel 2.95 op de De bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, heeft het Commissariaat ook wanneer de raad van bestuur het Commissariaat heeft verzocht de uren van de desbetreffende instelling te verminderen of in te trekken omdat: a. aan een landelijke publieke media-instelling voor twee achtereenvolgende jaren een sanctie als bedoeld in artikel 2.154 is opgelegd; of -b. een omroepvereniging of de educatieve media-instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst. +b. een omroeporganisatie naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst. ### Artikel 7.15 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/570. -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** + +Bij een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete op grond van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht verbiedt het Commissariaat: + +a. een omroepvereniging, de educatieve media-instelling en een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag tijdelijk een erkenning of aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2.2.2 respectievelijk afdeling 2.2.4, te gebruiken; +b. een regionale of lokale publieke media-instelling tijdelijk een aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.1, te gebruiken; en +c. een commerciële media-instelling tijdelijk een toestemming als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.1, te gebruiken. + +**2.** + +Een verbod geldt voor een periode van: + +a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125; +b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250; +c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en +d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer. ### Artikel 7.16 @@ -2983,20 +3029,41 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Tijdens de periode van intrekking van uren als bedoeld in artikel 7.14: -a. is artikel 2.51, derde lid, niet van toepassing; en +a. is artikel 2.51, tweede lid, niet van toepassing; en b. bestaat geen recht op een financiële bijdrage voor de verzorging van het programma-aanbod. **2.** Tijdens de periode van vermindering van uren wordt de financiële bijdrage voor de verzorging van het programma-aanbod evenredig verminderd. -**3.** Tijdens de periode van een verbod als bedoeld in artikel 7.15, eerste lid, bestaat geen recht op een financiële bijdrage voor de verzorging van het media-aanbod. - ### Artikel 7.16a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** + +Het Commissariaat kan aan een landelijke of regionale publieke media-instelling een aanwijzing geven, als: + +a. sprake is van wanbeheer van een of meer leden van het bestuur of van het toezichthoudende orgaan; of +b. deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. + +Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven. + +**2.** + +Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan: + +a. financieel wanbeleid; +b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de instelling, van de leden van het bestuur of het toezichthoudende orgaan zelf of van een derde; of +c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de instelling, van de leden van het bestuur of het toezichthoudende orgaan zelf of van een derde. + +**3.** In de aanwijzing geeft het Commissariaat gemotiveerd aan op welke punten sprake is van wanbeheer en de in verband daarmee te nemen maatregelen. + +**4.** Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de instelling aan de aanwijzing moet voldoen. + +**5.** Voordat het Commissariaat een aanwijzing geeft, stelt hij de instelling vier weken in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen. + +**6.** Een aanwijzing kan inhouden de opdracht om bestuurders of toezichthouders te vervangen. ### Artikel 7.17 -Bij intrekking of vermindering van uren of een verbod als bedoeld in artikel 7.15, eerste lid, kan het Commissariaat als dat nodig is de verdeling van de uren, bedoeld in de artikelen 2.49, eerste lid, 6.1 en 6.5, herzien. +Bij intrekking of vermindering van uren kan het Commissariaat als dat nodig is de verdeling van de uren, bedoeld in de artikelen 6.1 en 6.5, herzien. ### Artikel 7.18 @@ -3075,7 +3142,7 @@ Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn met he a. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur; b. een dienstbetrekking bij een ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en -c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan. +c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan. ### Artikel 8.6 @@ -3286,30 +3353,70 @@ Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tot twee jaar na het tijdstip waarop d #### Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021 +### Artikel 9.7 + +Voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 kan Onze Minister met inachtneming van afdeling 2.2.2 en onverminderd artikel 9.8a de erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, alleen verlenen aan: + +a. de omroepverenigingen Evangelische Omroep, MAX en VPRO; +b. de omroeporganisaties die gevormd zijn uit de omroepverenigingen Algemene Omroepvereniging AVRO en TROS, BNN en VARA onderscheidenlijk KRO en NCRV; en +c. de omroeporganisaties van de in de onderdelen a en b genoemde samenstelling met inbegrip van een of beide omroepverenigingen PowNed en WNL. + +### Artikel 9.8 + +**1.** In afwijking van artikel 2.32, eerste lid, onderdeel a, wijst Onze Minister een aanvraag voor een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens af, als de aanvrager niet voldoet aan artikel 9.7. + +**2.** In afwijking van artikel 2.33, eerste lid, onderdeel a, trekt Onze Minister een aanvraag voor een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens in, als de aanvrager niet meer voldoet aan artikel 9.7. + +### Artikel 9.8a + +De omroepverenigingen PowNed en WNL kunnen afzien van deelname aan de procedure tot verlening van de erkenningen, bedoeld in artikel 9.7, door het indienen van een aanvraag voor een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid. In afwijking van artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020, een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, verlenen aan een of beide van de omroepverenigingen. + #### Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR +### Artikel 9.9 + +De leden van de raad van toezicht van de Nederlandse Programma Stichting, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.36 van de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, zijn met ingang van dat tijdstip van inwerkingtreding, lid van de raad van toezicht van de NTR, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidt op dat tijdstip, voor het resterende gedeelte van hun benoemingstermijn. Deze leden van de raad van toezicht van de NTR kunnen voor een aansluitende periode van maximaal vier jaar eenmaal herbenoemd worden. + #### Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag +### Artikel 9.10 + +Ten behoeve van de financiële verantwoording over het jaar 2015 blijven met betrekking tot kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken waaraan een aanwijzing was verleend, bedoeld in artikel 2.42, zoals dat artikel luidde op 31 december 2015, de artikelen 2.171 tot en met 2.174 en 2.176 tot en met 2.178 van toepassing. De artikelen 2.138b en 2.179 zoals die artikelen luidden op 31 december 2015 zijn eveneens van toepassing. + #### Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016 +### Artikel 9.11 + +De vaststelling van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel d, is voor de kalenderjaren 2014 en 2015 ten minste gebaseerd op de wettelijke grondslagen zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.149 van de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, ten aanzien van de vaststelling van het budget van de Nederlandse Programma Stichting en de educatieve media-instelling die een erkenning had verkregen op grond van artikel 2.28, zoals dat artikel toen luidde. + #### Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021 -#### Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016 - -#### Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting - -#### Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen - -### Artikel 9.14a +### Artikel 9.12 **1.** -In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van: +In afwijking van artikel 2.150, derde lid, komt: -a. omroepverenigingen als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b, voor zover dat leidt tot de in dat onderdeel bedoelde omroeporganisaties; of -b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel c, met een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel a, of met een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b. +a. jaarlijks voor de kalenderjaren 2016 tot en met 2020 vijf procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, dat is vastgesteld voor het kalenderjaar 2016 ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b, of van de omroeporganisaties van de in dat onderdeel genoemde samenstelling met inbegrip van een of beide omroepverenigingen PowNed en WNL; en +b. het overige budget geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS, en de NTR. -**2.** Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015. +**2.** Aan elk van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde omroeporganisaties wordt een gelijk deel van het budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, besteed. + +#### Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016 + +### Artikel 9.13 + +De artikelen 2.184 tot en met 2.187 blijven buiten toepassing voor de vijfjaarlijkse periode van de concessie, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, die loopt van 1 september 2010 tot en met 31 december 2015. + +#### Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting + +### Artikel 9.14 + +**1.** Van overdrachtsbelasting zijn vrijgesteld verkrijgingen van onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, bij vorming van een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, aanhef en onderdelen b en c. + +**2.** Het eerste lid is alleen van toepassing als de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen uiterlijk 1 juli 2015 worden verkregen vanwege fusie tot een omroepvereniging of oprichting van een samenwerkingsomroep. + +**3.** Als onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, die zijn verkregen onder toepassing van het eerste en tweede lid, als gevolg van het niet finaal tot stand komen van een omroeporganisatie worden verkregen door de inbrenger, is die verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting. #### Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen