2012-07-01 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2012-07-01 12:00:00 +00:00
parent 42a37a1223
commit 8117a43023

View file

@ -72,7 +72,7 @@ Dit is alleen anders wanneer de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij niet n
Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland (zie C4/3.11.3).
#### 2.3. Karakter van de vervolging
#### 2.3. Uitgangspunten beoordeling vervolging
Of iemand als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken persoon vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of de persoon in een voor hem gevaar opleverende mate persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken.
@ -158,9 +158,11 @@ Voor de elementen waarmee rekening gehouden dient te worden bij de beoordeling v
In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.36 VV kan vervolging om reden van godsdienst zich ook nog op andere manieren voordoen, denk bijvoorbeeld aan het verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstige discriminerende maatregelen tegen personen met een bepaalde godsdienstige overtuiging.
Er bestaat geen verplichting om een vreemdeling bescherming te bieden op grond van het Vluchtelingenverdrag indien de betreffende vreemdeling in zijn/haar land van herkomst zijn godsdienst niet op gelijke wijze kan uitoefenen als hier te lande. Een enkele beperking of ingreep in de vrijheid van godsdienst zal daarom op zichzelf niet snel als daad van vervolging worden aangemerkt. Slechts indien er sprake is van ernstige schending van de godsdienstvrijheid is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Of er sprake is van een ernstige schending zal afhangen van het specifieke geval en zal moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van hetgeen uit openbare bronnen bekend is over de situatie van aanhangers van een bepaalde godsdienst.
Er bestaat geen verplichting om een vreemdeling bescherming te bieden op grond van het Vluchtelingenverdrag indien de betreffende vreemdeling in zijn/haar land van herkomst zijn godsdienst niet op gelijke wijze kan uitoefenen als hier te lande. Een enkele beperking of ingreep in de vrijheid van godsdienst zal daarom op zichzelf niet snel als daad van vervolging worden aangemerkt. Slechts indien er sprake is van ernstige schending van de godsdienstvrijheid is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Of er sprake is van een ernstige schending zal afhangen van het specifieke geval en zal moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is over de situatie van aanhangers van een bepaalde godsdienst.
Van personen die in het land van herkomst een (minderheids)godsdienst aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Wel kan van de vreemdelingeen bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht om daden van vervolging te voorkomen, o.a. wat betreft het actief willen uitoefenen van bekeringsactiviteiten in het land van herkomst.
Van personen die in het land van herkomst een (minderheids)godsdienst aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloof verborgen heeft gehouden.
De omstandigheid dat de algehele situatie met zich brengt dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op vergelijkbare wijze als in Nederland zijn geloof kan uitoefenen, is onvoldoende om voor verblijf in aanmerking te komen. Het is immers niet aan Nederland om te garanderen dat de hier te lande bestaande vrijheden ook bestaan in het land van herkomst. De situatie in het land van herkomst kan met zich meebrengen dat de vreemdeling een bepaalde mate van terughoudendheid betracht bij het uitoefenen van het geloof om ernstige schendingen van diens grondrechten te voorkomen, o.a. wat betreft het actief willen uitoefenen van bekeringsactiviteiten in het land van herkomst. Deze terughoudendheid mag echter niet dusdanig ver strekken, dat geoordeeld wordt dat de vreemdeling niet op betekenisvolle wijze zijn geloof kan uitoefenen.
##### 2.7.2. Politieke overtuiging
@ -186,13 +188,25 @@ In artikel 3.37, eerste lid, onder d, VV is opgenomen onder welke omstandigheden
##### 2.10.2. Gender (gerelateerde aspecten)
Indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar homoseksuele geaardheid, kan dit onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag.
Deze paragraaf ziet naast de homoseksuele asielzoeker ook op beoordeling van de asielaanvraag van de lesbische, biseksuele en transseksuele asielzoeker.
Indien er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De asielzoeker moet aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en dat er sprake is van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo zal een enkele boete veelal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.
Indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar (toegedichte) homoseksuele geaardheid, kan dit onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag.
Van personen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur verborgen houden.
Bij de toets of de homoseksuele asielzoeker wordt aangemerkt als Vluchteling wordt eerst door de IND beoordeeld of betrokkene op grond van zijn seksuele geaardheid is, of dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld zo ernstig van aard dat zij een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen.
Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.
Indien daar geen sprake van is, wordt beoordeeld of ten aanzien van de asielzoeker op grond van de seksuele geaardheid maatregelen worden uitgevoerd die discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd en voldoende ernstig zijn om te spreken van daden van vervolging in de zin van het Vluchtelingverdrag.
Voor deze beoordeling van de daden wordt verwezen naar artikel 3.36 VV(zie ook paragraaf C2/2.3.2).
De IND beoordeelt of en in welke mate aan de homoseksuele asielzoeker beperkingen worden opgelegd bij het bekend zijn of worden van de seksuele geaardheid in de directe (leef)omgeving van de asielzoeker. Indien uit de verklaringen van de vreemdeling danwel uit algemene informatie kan worden afgeleid dat de positie van homoseksuelen dusdanig is dat bij het bekend geraken van de seksuele geaardheid de vreemdeling een voorzienbaar risico loopt te worden blootgesteld aan daden van geweld die zo ernstig van aard zijn dat zij een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen, komt de vreemdeling in aanmerking voor bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag.
Van een homoseksuele asielzoeker wordt niet verlangd dat hij zijn geaardheid verborgen houdt, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geaardheid verborgen heeft gehouden.
De omstandigheid dat de algehele situatie met zich brengt dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op vergelijkbare wijze als in Nederland uiting kan geven aan diens homoseksualiteit, is onvoldoende om voor verblijf in aanmerking te komen. Het is immers niet aan Nederland om te garanderen dat de hier te lande bestaande vrijheden ook bestaan in het land van herkomst. De situatie in het land van herkomst kan dan ook met zich meebrengen dat de vreemdeling een bepaalde mate van terughoudendheid betracht bij het uiting geven aan zijn homoseksuele geaardheid om ernstige schendingen van diens grondrechten te voorkomen. Deze terughoudendheid mag echter niet dusdanig ver strekken, dat geoordeeld wordt dat de vreemdeling niet op betekenisvolle wijze invulling kan geven aan zijn seksuele geaardheid.
Indien sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. Hierbij is van belang of uit algemene informatie blijkt of de autoriteiten in het land van herkomst homoseksuelen of homoseksuelen handelingen actief (strafrechtelijk) vervolgen. Voorts moet de asielzoeker aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en dat er sprake is van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo zal een enkele boete veelal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.
Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten tegen daden van geweld om redenen van de seksuele geaardheid niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst, ongeacht het gewicht van de bestraffingsmaatregel.
Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een bepaalde sociale groep. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. In het asielbeleid is het individualiseringsvereiste het uitgangspunt.
@ -951,12 +965,16 @@ Het vereiste dat de bescherming effectief is, betekent derhalve niet dat de besc
Bij de beoordeling van de mogelijkheid van effectieve bescherming is het in eerste instantie aan de vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat effectieve bescherming niet kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast echter meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven. De bewijslastverdeling wordt derhalve bepaald door de individuele omstandigheden van de vreemdeling, mede in het licht van de algehele situatie in het land van herkomst.
Wanneer uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is of een verzoek daartoe bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is, zal niet verder van de vreemdeling worden verlangd voor zijn individuele situatie aannemelijk te maken dat bescherming niet kan worden geboden.
Bij de beoordeling van de mogelijkheid van effectieve bescherming wordt door de IND onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt door de IND informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties betrokken.
Ook bijzondere aspecten van het individuele relaas kunnen aanleiding vormen om in redelijkheid niet van de vreemdeling te verlangen aannemelijk te maken dat bescherming niet mogelijk is. Zo kan een acute vluchtsituatie aanleiding zijn om te oordelen dat het zoeken van bescherming niet zonder gevaar mogelijk was. Dit laat overigens onverlet dat bescherming op een later moment alsnog kan worden gezocht, nadat de vreemdeling zich aan de acute vluchtsituatie heeft onttrokken.
Indien er in het land van herkomst in het algemeen bescherming wordt geboden is het in eerste instantie aan de vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
Indien uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming niet eenvoudig kan worden verkregen, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat bescherming in zijn geval in het geheel niet kan worden verkregen. Wel kan in dat geval de algemene informatie aanleiding zijn sneller te oordelen dat de vreemdeling voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming niet mogelijk is. Ook in die gevallen dat de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, maar dit niet reeds uit openbare bron blijkt, is het aan de vreemdeling om dit voor zijn individuele situatie voldoende aannemelijk te maken.
Wanneer uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is of een verzoek daartoe bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is, zal in beginsel niet verder van de vreemdeling worden verlangd voor zijn individuele situatie aannemelijk te maken dat bescherming niet kan worden geboden. Voorgaande kan anders zijn indien uit het individuele relaas blijkt dat de autoriteiten in weerwil van de algemene informatie de betreffende vreemdeling bescherming hebben geboden of daartoe bereid waren.
Ook bijzondere aspecten van het individuele relaas kunnen aanleiding vormen om in redelijkheid niet van de vreemdeling te verlangen aannemelijk te maken dat bescherming niet mogelijk is. Zo kan een acute vluchtsituatie aanleiding zijn om te oordelen dat het zoeken van bescherming niet zonder gevaar mogelijk was. Dit laat overigens onverlet dat bescherming op een later moment alsnog kan worden gezocht, nadat de vreemdeling zich aan de acute vluchtsituatie heeft onttrokken.
#### 2.3. Beschermingsalternatief
Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de asielzoeker na indiening van zijn verblijfsaanvraag naar zijn land van herkomst is gegaan, vormt dit een grond om geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw te verlenen. Het doel van de verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van een van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde risico's bij terugkeer naar het land van herkomst of tegen terugkeer die van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Indien een persoon, die in het bezit is van de hier bedoelde vergunning, uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist, bestaat aanleiding te veronderstellen dat hij bij terugkeer geen onverantwoorde risico's zal lopen en dat de terugkeer niet van onevenredige hardheid is.
@ -7118,6 +7136,8 @@ Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure om
Op grond van de Turkse wetgeving kan een Turk zijn nationaliteit verliezen, bijvoorbeeld door verblijf in het buitenland, of door zich aan de dienstplicht te onttrekken. Indien een Turkse asielzoeker zich beroept op het feit dat zijn staatsburgerschap hem is ontnomen, is het volgende van belang.
##### 6.6. Algehele veiligheidssituatie
#### 7. Opvangmogelijkheden Amvs
Minderjarigen hebben in de regel opvangmogelijkheden binnen hun familie. Ook de Turkse staat biedt opvang. Er zijn provincies waar de kwaliteit van de opvang van overheidswege wellicht moeilijker is te beoordelen. Echter, niet is gebleken dat de minderjarige gebonden is aan juist deze opvanginstellingen.