2013-07-01 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
This commit is contained in:
parent
a27a1cfb6a
commit
81ca174aa4
1 changed files with 134 additions and 5 deletions
|
|
@ -111,6 +111,8 @@ b. de volgende afvalstoffen:
|
|||
|
||||
*bodembeschermende voorziening:* een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;
|
||||
|
||||
*bodemzijdig vermogen:* grootste hoeveelheid energie, uitgedrukt in kW, die het bodemzijdig deel van een gesloten bodemenergiesysteem bij normaal gebruik kan uitwisselen met de bodem;
|
||||
|
||||
*bovengrondse opslagtank:* opslagtank niet zijnde een ondergrondse opslagtank en niet zijnde een ladingtank van een bunkerstation;
|
||||
|
||||
*brandcompartiment:* brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012;
|
||||
|
|
@ -204,6 +206,8 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*geluidsniveau:* geluidsniveau in dB(A) als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
|
||||
|
||||
*gesloten bodemenergiesysteem:* installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp, circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig;
|
||||
|
||||
*geurgevoelig object:* geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij;
|
||||
|
||||
*gevaarlijke stoffen:* stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code;
|
||||
|
|
@ -320,6 +324,8 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*ondergrondse opslagtank:* opslagtank die geheel in de bodem ligt of ingeterpt is;
|
||||
|
||||
*open bodemenergiesysteem:* installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening;
|
||||
|
||||
*oplosmiddelenhergebruik:* gebruik van uit een oplosmiddeleninstallatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar met uitzondering van het verwijderen van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;
|
||||
|
||||
*oplosmiddeleninput:* de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de hergebruikte oplosmiddelen, binnen en buiten de installatie, die telkens worden meegerekend wanneer zij worden gebruikt om de betrokken activiteit uit te oefenen;
|
||||
|
|
@ -372,6 +378,8 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer
|
|||
|
||||
*reflectiescherm:* verticale constructie aan apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die een zodanige hoogte en breedte heeft, dat het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt;
|
||||
|
||||
*retourbuis van een gesloten bodemenergiesysteem:* de leiding die de circulatievloeistof terug geleidt door de bodem, waardoor warmte of koude wordt afgegeven aan de bodem;
|
||||
|
||||
*richtlijn 2003/30/EG:*
|
||||
richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer;
|
||||
|
||||
|
|
@ -379,6 +387,8 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer
|
|||
|
||||
*schoorsteen:* structuur met een of meer afgaskanalen voor de afvoer van afgassen met het oog op de emissie ervan in de lucht;
|
||||
|
||||
*SPF:* Seasonal Performance Factor, waarmee het rendement van een bodemenergiesysteem wordt weergegeven, uitgedrukt als de door het systeem geleverde hoeveelheden warmte en koude per jaar in MWh, gedeeld door het gemeten of berekende energieverbruik van het systeem per jaar in MWh;
|
||||
|
||||
*spoorvoertuig:* voertuig, bestemd voor het verkeer over spoorstaven met inbegrip van de carrosserieonderdelen daarvan;
|
||||
|
||||
*spuitbus:* niet-hervulbare houder van metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien van een aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van schuim, pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige toestand;
|
||||
|
|
@ -846,6 +856,30 @@ Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 of artikel 1.10a, worden, voor lozen
|
|||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt, indien sprake is van een lozing in het vuilwaterriool van zuurstofbindende stoffen met een jaargemiddelde vervuilingswaarde van 5.000 inwonerequivalenten of meer, inzicht gegeven in de spreiding van de lozing over het jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.21a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake is van het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem waarop paragraaf 3.2.8 van toepassing is, tevens de volgende gegevens gemeld:
|
||||
|
||||
a. de naam en het adres van degene die boringen of andere werkzaamheden ten behoeve van de installatie uitvoert;
|
||||
b. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:1.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van het systeem ten opzichte van de omgeving is aangegeven;
|
||||
c. de einddiepte waarop het systeem zal worden geïnstalleerd;
|
||||
d. de x-y-coördinaten van het middelpunt van het systeem;
|
||||
e. een onderbouwing waaruit blijkt dat het in werking hebben van het systeem niet leidt tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad;
|
||||
f. het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het bodemenergiesysteem zal behalen bij voorzien gebruik van het gebouw overeenkomstig de bestemming waarvoor het systeem is ontworpen, blijkend uit een schriftelijke verklaring van de installateur;
|
||||
g. het bodemzijdig vermogen van het systeem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem voorziet.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 die werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.16p betreft, worden de naam en het adres vermeld van degene die die werkzaamheden verricht.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien een gesloten bodemenergiesysteem is geïnstalleerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 3.2.8 en vanaf dat tijdstip vrijwillig een melding wordt gedaan van het in werking hebben van dat systeem, worden bij de melding de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. de naam en het adres van degene die het systeem in werking heeft;
|
||||
b. een beschrijving van de kenmerken van het systeem;
|
||||
c. de in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, en g, bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.1. Zorgplicht
|
||||
|
|
@ -898,7 +932,7 @@ b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op ac
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6a, 3.10k, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.126, 3.127, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.103g tot en met 4.104d, is toegestaan.
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6a, 3.10k, 3.16h, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.126, 3.127, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.103g tot en met 4.104d, is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -921,6 +955,16 @@ d. de plaats van het lozingspunt.
|
|||
|
||||
Indien er sprake is van een zodanige combinatie van meerdere activiteiten, dat een scheiding van het afvalwater, afkomstig van die activiteiten, niet doelmatig is, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op verzoek van de aanvrager bij maatwerkvoorschrift aan het lozen voorwaarden stellen, die afwijken van de voorwaarden die aan het lozen als gevolg van een afzonderlijke activiteit bij of krachtens hoofdstuk 3 of 4 zijn gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2b
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 2.2, eerste lid, is het lozen van spoelwater ten gevolge van het boren ten behoeve van een open bodemenergiesysteem op de bodem toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 2.2, eerste lid, is het lozen van spoelwater ten gevolge van het ontwikkelen en het onderhoud van een open bodemenergiesysteem in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van spoelwater ten gevolge van het ontwikkelen en het onderhoud van een open bodemenergiesysteem vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien lozen als bedoeld in het tweede lid, redelijkerwijs niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 1.22, onder b, is artikel 2.1 van toepassing op degene die een inrichting type C drijft ten aanzien van het lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op of in de bodem ten gevolge van een open bodemenergiesysteem.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -2194,6 +2238,87 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een wisselverwarmi
|
|||
|
||||
Bij het in werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.8. Installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16g
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16h
|
||||
|
||||
Het lozen van spoelwater ten gevolge van het boren ten behoeve van een gesloten bodemenergiesysteem op de bodem is toegestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16i
|
||||
|
||||
**1.** Indien een redelijk vermoeden bestaat dat in een gesloten bodemenergiesysteem lekkage optreedt, wordt het onmiddellijk buiten werking gesteld en wordt de circulatievloeistof daaruit onmiddellijk verwijderd, tenzij water zonder toevoegingen wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het opslaan van circulatievloeistof in een buffertank wordt de druk in het systeem continu gemeten en worden voorzieningen toegepast waarmee drukverlagingen kunnen worden gesignaleerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16j
|
||||
|
||||
**1.** De temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis van een gesloten bodemenergiesysteem bedraagt niet minder dan –3°C en niet meer dan 30°C.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift een hogere temperatuur dan 30°C toestaan, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16k
|
||||
|
||||
**1.** Een gesloten bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikneming een moment waarop geen sprake is van een warmteoverschot en herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Van een warmteoverschot is sprake indien de hoeveelheid warmte groter is dan de hoeveelheid koude, die, uitgedrukt in MWh, vanaf de datum van ingebruikneming door het systeem aan de bodem zijn toegevoegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift eisen stellen ter beperking van het koudeoverschot dat het systeem mag veroorzaken.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift een warmteoverschot toestaan, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16l
|
||||
|
||||
**1.** Het ontwerp van een gesloten bodemenergiesysteem is afgestemd op aard en omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet.
|
||||
|
||||
**2.** Een gesloten bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik en goed onderhoud kan worden behaald.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een gesloten bodemenergiesysteem een energierendement levert dat lager is dan in de melding bij de installatie is opgegeven, kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen om binnen een daarbij bepaalde termijn onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of wordt voldaan aan het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Indien uit het onderzoek, bedoeld in het derde lid, blijkt dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen om binnen een daarbij bepaalde termijn de daarbij aangegeven maatregelen te treffen teneinde te voldoen aan het eerste lid, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, onderscheidenlijk het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16m
|
||||
|
||||
**1.** Het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem leidt niet tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd gesloten of open bodemenergiesysteem, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem, indien:
|
||||
|
||||
a. het een open bodemenergiesysteem betreft waarvoor een vergunning is verleend krachtens artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, of dat aan het bevoegd gezag is gemeld krachtens artikel 6.6 van die wet;
|
||||
b. het een gesloten bodemenergiesysteem betreft, dat is geïnstalleerd:
|
||||
|
||||
1°. voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 3.2.8, indien het in werking hebben van het systeem na dat tijdstip aan het bevoegd gezag is gemeld overeenkomstig artikel 1.10 juncto artikel 1.21a, derde lid, dan wel artikel 1.10a, vijfde lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen;
|
||||
2°. na het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 3.2.8, indien de installatie overeenkomstig artikel 1.10 juncto artikel 1.21a, eerste lid, dan wel artikel 1.10a, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen aan het bevoegd gezag is gemeld of voor de installatie een omgevingsvergunning is verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16n
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem wordt een registratie bijgehouden, die de volgende gegevens bevat:
|
||||
|
||||
a. de temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis;
|
||||
b. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum van ingebruikneming aan de bodem zijn toegevoegd, op zodanige wijze dat daaruit de data kunnen worden afgelezen, waarop aan artikel 3.16k is voldaan;
|
||||
c. het energierendement dat het systeem jaarlijks vanaf de datum van ingebruikneming heeft geleverd.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de geregistreerde gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer, worden zij binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar toegezonden aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de geregistreerde gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW, worden zij ten minste tien jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16o
|
||||
|
||||
Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een gesloten bodemenergiesysteem vindt plaats overeenkomstig de daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocumenten door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16p
|
||||
|
||||
Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem wordt:
|
||||
|
||||
a. de circulatievloeistof uit de buizen verwijderd, en
|
||||
b. het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.3. Activiteiten met voer- of vaartuigen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.1. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen
|
||||
|
|
@ -2283,6 +2408,8 @@ Het inpandig afleveren van lichte olie vindt niet plaats.
|
|||
|
||||
**3.** Indien op een afleverpunt van vloeibare brandstof voor motorvoertuigen voor het wegverkeer de doorzet aan lichte olie meer dan 500 kubieke meter per jaar bedraagt, is ten minste één afleverpunt aanwezig van lichte olie waaraan ten hoogste 5% ethanol is toegevoegd.
|
||||
|
||||
**4.** Op of direct bij een afleverzuil die bestemd is voor het afleveren van vloeibare brandstof ten behoeve van openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die voor meer dan 10% bestaat uit biobrandstof, wordt duidelijk zichtbaar de volgende tekst vermeld: Deze brandstof bevat meer dan 10% biobrandstoffen en is niet geschikt voor motorvoertuigen die voor het gebruik daarvan niet zijn uitgerust.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.22
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt de resultaten van de metingen, keuringen en controles, bedoeld in artikel 3.20 op in een installatieboek.
|
||||
|
|
@ -5164,10 +5291,6 @@ Onverminderd artikel 2.12 kan het bevoegd gezag in afwijking van het tweede lid
|
|||
a. de nuttige toepassing van de afvalstof is toegestaan, of
|
||||
b. de toepassing van de afvalstof bijdraagt aan de fysische of bouwtechnische eigenschappen van de bouwstof en daarmee de inzet van primaire grondstoffen uitspaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74la
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.5. Het vormgeven van betonproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74m
|
||||
|
|
@ -6959,6 +7082,12 @@ Artikel 3.15a is niet van toepassing op een windturbine of een combinatie daarva
|
|||
|
||||
Artikel 3.16d, zevende lid, is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2010.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.10c. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem
|
||||
|
||||
### Artikel 6.21d
|
||||
|
||||
Paragraaf 3.2.8, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van die paragraaf.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.11. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer
|
||||
|
||||
### Artikel 6.22
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue