From 81f589c60ab87567c28e8549d5bfa7bdc7fc102c Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 1 Jan 2013 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2013-01-01 | BWBR0004364 | Scheepvaartverkeerswet --- .../BWBR0004364/README.md | 18 +++++++++--------- 1 file changed, 9 insertions(+), 9 deletions(-) diff --git a/wet/scheepvaartverkeerswet/BWBR0004364/README.md b/wet/scheepvaartverkeerswet/BWBR0004364/README.md index b01245aa923..60b1de83a88 100644 --- a/wet/scheepvaartverkeerswet/BWBR0004364/README.md +++ b/wet/scheepvaartverkeerswet/BWBR0004364/README.md @@ -192,7 +192,7 @@ De artikelen 5 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking t **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de eisen waaraan in het eerste lid bedoelde personen wat opleiding, kundigheid en ervaring betreft moeten voldoen voor de uitvoering van de in dat lid genoemde taken. -**3.** Indien krachtens de in het tweede lid bedoelde maatregel regels worden gesteld voor ambtenaren, aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, worden die regels gesteld in overeenstemming met Onze Minister van Justitie. +**3.** Indien krachtens de in het tweede lid bedoelde maatregel regels worden gesteld voor ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, worden die regels gesteld in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie. ### Paragraaf 3. Het loodsen @@ -442,7 +442,7 @@ b. een schip met een lengte van minder dan 5 meter dat uitsluitend door middel v ### Artikel 28a -**1.** Indien degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verdacht wordt van handelen in strijd met artikel 27, eerste, tweede of vierde lid, kan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a . +**1.** Indien degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie, verdacht wordt van handelen in strijd met artikel 27, eerste, tweede of vierde lid, kan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a. **2.** De verdachte aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. @@ -452,17 +452,17 @@ b. een schip met een lengte van minder dan 5 meter dat uitsluitend door middel v **5.** In het geval bedoeld in het vierde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid onderzoek van uitgeademde lucht, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 27, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert. -**6.** Indien de verdachte zijn op grond van het vijfde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. +**6.** Indien de verdachte zijn op grond van het vijfde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. **7.** De verdachte die is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. **8.** De in het zevende lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. -**9.** De krachtens het achtste lid van de in het zevende lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 27, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 27, tweede lid, onderdeel *b*, genoemde gehalte vast te stellen. +**9.** De krachtens het achtste lid van de in het zevende lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 27, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 27, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen. -**10.** Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met de toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zevende lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het zesde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen wordt het bloedmonster vernietigd. +**10.** Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met de toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zevende lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het zesde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen wordt het bloedmonster vernietigd. -**11.** Bij algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Justitie, worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 28 en van dit artikel. Deze regels hebben mede betrekking op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. +**11.** Bij algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 28 en van dit artikel. Deze regels hebben mede betrekking op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. ### Artikel 29 @@ -549,7 +549,7 @@ b. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categor ### Artikel 32 -**1.** Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten en van de in de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten, voor zover deze laatste de overtreding betreffen van bepalingen die krachtens deze wet zijn vastgesteld, zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door het bevoegd gezag, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. +**1.** Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten en van de in de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten, voor zover deze laatste de overtreding betreffen van bepalingen die krachtens deze wet zijn vastgesteld, zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door het bevoegd gezag, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. **2.** Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. @@ -757,7 +757,7 @@ Bevat wijzigingen in andere regelgeving. ### Artikel 51 -Het koninklijk besluit van 30 juni 1983 (*Stb.* 389), houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart (Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983), en de besluiten tot wijziging van dat besluit, worden geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet. +Vervallen ### Artikel 52 @@ -773,7 +773,7 @@ Het koninklijk besluit van 30 juni 1983 (*Stb.* 389), houdende het van kracht zi **1.** De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. -**2.** Bij de inwerkingtreding van deze wet stelt Onze Minister van Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming. Hij draagt zorg dat de overeenkomstig de eerste volzin bijgewerkte tekst van deze wet in het *Staatsblad* wordt geplaatst. +**2.** Bij de inwerkingtreding van deze wet stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming. Hij draagt zorg dat de overeenkomstig de eerste volzin bijgewerkte tekst van deze wet in het *Staatsblad* wordt geplaatst. ### Artikel 54