From 82143d62e057920091a00b0a2cebcfb00bb6e869 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 8 Nov 2000 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2000-11-08 | BWBR0005946 | Inrichtingsbesluit W.V.O. --- .../BWBR0005946/README.md | 1038 ++++++++--------- 1 file changed, 487 insertions(+), 551 deletions(-) diff --git a/amvb/inrichtingsbesluit-wvo/BWBR0005946/README.md b/amvb/inrichtingsbesluit-wvo/BWBR0005946/README.md index 9cc972a2b60..f493893f316 100644 --- a/amvb/inrichtingsbesluit-wvo/BWBR0005946/README.md +++ b/amvb/inrichtingsbesluit-wvo/BWBR0005946/README.md @@ -1,81 +1,98 @@ --- -titel: Inrichtingsbesluit WVO +titel: Inrichtingsbesluit W.V.O. bwb_id: BWBR0005946 type: AMvB status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2015-08-01' +datum_inwerkingtreding: '1998-08-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005946 -citeertitel: Inrichtingsbesluit WVO +citeertitel: Inrichtingsbesluit W.V.O. --- -# Inrichtingsbesluit WVO +# Inrichtingsbesluit W.V.O. -## Hoofdstuk I. Algemene bepalingen +## Deel I. VOORTGEZET ONDERWIJS + +### Hoofdstuk I. Algemene bepalingen ### Artikel 1 -In dit besluit wordt verstaan onder: +In deel I van dit besluit wordt verstaan onder: -- *agrarisch opleidingscentrum:* een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; -- *basisberoepsgerichte leerweg:* de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet; -- *beroepsgericht keuzevak:* beroepsgericht keuzevak als bedoeld in artikel 10b, zevende lid, onderdeel a, of artikel 10d, zevende lid, onderdeel b, van de wet; -- *beroepsgericht programma:* beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, 24, eerste lid, onderdeel c, of 25 eerste lid, onderdeel d, van het Eindexamenbesluit VO; -- *bevoegd gezag:* het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de wet; -- *gemeenschappelijk deel:* het in artikel 12, vierde lid, onderdeel a, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel; -- *gemengde leerweg:* de gemengde leerweg, genoemd in artikel 10d van de wet; -- *havo:* hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8 van de wet; -- *intelligentiequotiënt:* quotiënt dat de cognitieve capaciteiten van een leerling uitdrukt, vastgesteld op basis van scores op verbaal en op niet-verbaal gebied; -- *inspectie:* de inspectie, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht; -- *instelling voor middelbaar beroepsonderwijs:* instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; -- *kaderberoepsgerichte leerweg:* de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet; -- *leerachterstand:* achterstand van een leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen en inzichtelijk rekenen, gemeten op basis van didactische leeftijdseenheden (DLE) in relatie tot de didactische leeftijd (DL) op het moment van toetsing; -- *leerwegondersteunend onderwijs:* onderwijs als bedoeld in artikel 10e van de wet; -- *maatschappelijke stage:* maatschappelijke stage als bedoeld in artikel 6f van de wet; -- *mavo:* middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 9 van de wet; -- *normatieve studielast:* de normatieve studielast, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet; -- *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; -- *ouders:* ouders, voogden of verzorgers; -- *praktijkonderwijs:* het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f van de wet; -- *profiel:* profiel, bedoeld in artikel 10, tweede lid, 10b, tweede lid, 10d, tweede lid, of 12, tweede lid, van de wet; -- *profieldeel:* het in artikel 12, vierde lid, onderdeel b, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel; -- *profielvak:* profielvak als bedoeld in artikel 10b, zesde lid, of artikel 10d, zesde lid, van de wet; -- *regionaal opleidingscentrum:* een regionaal opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs; -- *samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet; -- *school:* een school voor vwo, een school voor havo, een school voor mavo, een school voor vbo of een school voor praktijkonderwijs; -- *sociaal-emotionele problematiek:* problematiek als gevolg van het sociaal-emotioneel functioneren van een leerling waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd; -- *stage:* de stage, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel d, van de wet; -- *stagebegeleider:* degene die is belast met de begeleiding van de leerling en werkzaam is bij de stagegever; -- *stagebieder:* de rechtspersoon of natuurlijke persoon bij wie de maatschappelijke stage wordt doorlopen; -- *stagegever:* de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bij wie de stage wordt doorlopen; -- *stageleraar:* de leraar van de school waarop de leerling is ingeschreven, belast met het toezicht op de leerling tijdens het verloop van de stage; -- *theoretische leerweg:* de theoretische leerweg, genoemd in artikel 10 van de wet; -- *vakken behorende tot de beeldende vorming:* tekenen, handvaardigheid, textiele vormgeving, fotografie, film, audio-visuele vorming; -- *vbo:* voorbereidend beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 10a van de wet; -- *vmbo:* voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 21 van de wet; -- *vwo:* voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in artikel 7 van de wet; -- *vrij deel:* het in artikel 12, vierde lid, onderdeel c, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel; -- *wet:* - Wet op het voortgezet onderwijs. +wet: deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs; -## Hoofdstuk II. Toelating, voorwaardelijke bevordering, verwijdering +Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en wat het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving betreft, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; + +inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 113 of 114 van de wet; + +v.w.o.: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs; + +h.a.v.o.: hoger algemeen voortgezet onderwijs; + +m.a.v.o.: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs; + +v.b.o.: voorbereidend beroepsonderwijs; + +v.m.b.o.: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 21 van de wet, verzorgd door een in dat artikel bedoelde school of scholengemeenschap; + +school: een school voor v.w.o., een school voor h.a.v.o., een school voor m.a.v.o. , een school voor v.b.o. of een school voor praktijkonderwijs. + +profiel: het profiel, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet; + +gemeenschappelijk deel: het in artikel 12, vierde lid, onderdeel *a*, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel; + +profieldeel: het in artikel 12, vierde lid, onderdeel *b*, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel; + +vrij deel: het in artikel 12, vierde lid, onderdeel *c*, van de wet bedoelde onderdeel van het profiel; + +normatieve studielast: de normatieve studielast, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet;. + +theoretische leerweg: de theoretische leerweg, genoemd in artikel 10 van de wet; + +basisberoepsgerichte leerweg: de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet; + +kaderberoepsgerichte leerweg: de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 10b van de wet; + +gemengde leerweg: de gemengde leerweg, genoemd in artikel 10d van de wet; + +praktijkonderwijs: het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f van de wet; + +intrasectoraal programma: een in artikel 26j genoemd intrasectoraal programma; + +bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de wet; + +stage: de stage, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel *b*, van de wet; + +stagegever: de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bij wie de stage wordt doorlopen; + +stageleraar: de leraar van de school waarop de leerling is ingeschreven, belast met de begeleiding van de leerling tijdens de stage; + +stagebegeleider: degene die is belast met de begeleiding van de leerling en werkzaam is bij de stagegever; + +de vakken behorende tot de beeldende vorming: tekenen, handvaardigheid (handenarbeid), handvaardigheid (textiele werkvormen), fotografie, film, audio-visuele vorming; + +kunstvakken: de vakken behorende tot de beeldende vorming, alsmede muziek, dans en drama. + +### Hoofdstuk II. Toelating, voorwaardelijke bevordering, verwijdering ### Artikel 2 -**1.** Het bevoegd gezag kan bepalen dat de in artikel 27, eerste lid, van de wet bedoelde bevoegdheid tot toelating onder zijn verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door een door het bevoegd gezag in te stellen toelatingscommissie. +**1.** Het bevoegd gezag beslist over de toelating van leerlingen. -**2.** Het bevoegd gezag regelt de werkzaamheden, omvang en samenstelling van de in het eerste lid bedoelde toelatingscommissie en kan de uitoefening van de bevoegdheid door de commissie nader regelen. +**2.** Het bevoegd gezag kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid onder zijn verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door een door het bevoegd gezag in te stellen toelatingscommissie. + +**3.** Het bevoegd gezag regelt de werkzaamheden, omvang en samenstelling van de in het tweede lid bedoelde toelatingscommissie en kan de uitoefening van de bevoegdheid door de commissie nader regelen. ### Artikel 3 **1.** -Tot het eerste leerjaar van een school kan als leerling slechts worden toegelaten degene die: +Tot het eerste leerjaar van een school, behalve voor zover het betreft een school voor praktijkonderwijs; kan als leerling slechts worden toegelaten degene die: a. afkomstig is van een school voor basisonderwijs en bij wie naar het oordeel van de directeur van de school voor basisonderwijs de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, of b. afkomstig is van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en aan het einde van het schooljaar de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt, of -c. afkomstig is van een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en bij wie naar het oordeel van de directeur van de desbetreffende school of instelling de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd. +c. afkomstig is van een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en bij wie naar het oordeel van de directeur van de desbetreffende school of instelling de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd. -**2.** Het bevoegd gezag baseert zijn beslissing over de toelating op grond van het eerste lid op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs, of artikel 43, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de expertisecentra, dat voor 1 maart wordt vastgesteld. Indien het schooladvies naar aanleiding van het resultaat van de centrale eindtoets of een andere eindtoets wordt gewijzigd, dan baseert het bevoegd gezag zijn beslissing op dat gewijzigde schooladvies. +**2.** Bij beslissingen over de toelating op grond van het eerste lid betrekt het bevoegd gezag het onderwijskundig rapport dat ingevolge artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs dan wel ingevolge artikel 43, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 163, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs is opgesteld. **3.** De toelating tot het eerste leerjaar van een school kan niet voorwaardelijk geschieden. @@ -83,9 +100,22 @@ c. afkomstig is van een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgez ### Artikel 4 -**1.** Een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling voor het volgen van het onderwijs aan de school waarvoor de toelating wordt gevraagd, kan uitsluitend worden afgenomen indien voor de kandidaat-leerling geen schooladvies is vastgesteld of indien de kandidaat-leerling geen centrale eindtoets of andere eindtoets als bedoeld in artikel 9b van de Wet op het primair onderwijs, of artikel 18b van de Wet op de expertisecentra heeft afgelegd. +**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 3 wordt de beslissing over de toelating van een kandidaat-leerling tot het eerste leerjaar van een school voor v.w.o., voor h.a.v.o. of voor m.a.v.o., mede gebaseerd op een onderzoek naar de geschiktheid voor het volgen van het onderwijs aan de school waarvoor de toelating wordt gevraagd. -**2.** Onverminderd artikel 3, tweede lid, kan het bevoegd gezag van een school met een bijzondere inrichting waarvoor specifieke kennis of vaardigheden van de kandidaat-leerling noodzakelijk zijn, een onderzoek naar die specifieke kennis of vaardigheden bij de kandidaat-leerling afnemen. +**2.** + +Het onderzoek naar de geschiktheid vindt plaats met behulp van ten minste één van de hierna genoemde middelen, ter keuze van het bevoegd gezag: + +a. een toelatingsexamen, door de leraren van de school afgenomen, dat zich ten minste uitstrekt over de vakken Nederlandse taal en rekenen; +b. een proefklasse; +c. een onderzoek naar de kennis en het inzicht van de kandidaat-leerling in ten minste het laatstelijk door hem gevolgde schooljaar aan de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs, de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; +d. een psychologisch onderzoek. + +**3.** Een kandidaat-leerling wordt niet onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onderdeel *d*, dan met toestemming van hen die de ouderlijke macht of de voogdij over hem uitoefenen. Dezen worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld van de resultaten van het onderzoek kennis te nemen. + +**4.** Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het rapport van het in het tweede lid, onderdeel *d*, bedoelde psychologisch onderzoek wordt bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor het bevoegd gezag en de met het onderzoek belaste functionarissen. De ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat-leerling en de inspectie krijgen desgewenst inzage in dit psychologisch rapport. Het psychologisch rapport wordt in de school bewaard tot ten minste drie jaren en ten hoogste vijf jaren na het tijdstip waarop de leerling de school heeft verlaten en wordt in elk geval binnen twee maanden na het verstrijken van laatstbedoelde termijn van ten hoogste vijf jaren vernietigd. + +**5.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een in het eerste lid genoemde school die een gemeenschappelijk eerste leerjaar heeft met een school voor v.b.o. ### Artikel 5 @@ -97,27 +127,27 @@ c. afkomstig is van een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgez **1.** -In afwijking van artikel 3 of artikel 4 kan het bevoegd gezag van een school voor vwo of voor havo tot het eerste leerjaar van die school toelaten: +In afwijking van artikel 3 of artikel 4 kan het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. of voor h.a.v.o. tot het eerste leerjaar van die school toelaten: -a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor vwo of voor havo is toegelaten; -b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor mavo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven. +a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor v.w.o. of voor h.a.v.o. is toegelaten; +b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor m.a.v.o. gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven. **2.** -In afwijking van artikel 3 of artikel 4 kan het bevoegd gezag van een school voor mavo tot het eerste leerjaar van die school toelaten: +In afwijking van artikel 3 of artikel 4 kan het bevoegd gezag van een school voor m.a.v.o. tot het eerste leerjaar van die school toelaten: -a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor mavo of tot het eerste leerjaar van een school voor vwo of voor havo is toegelaten; -b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor vbo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven. +a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor m.a.v.o. of tot het eerste leerjaar van een school voor v.w.o. of voor h.a.v.o. is toegelaten; +b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor v.b.o. gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven. -**3.** In afwijking van artikel 3 kan het bevoegd gezag van een school voor vbo tot het eerste leerjaar van die school toelaten de kandidaat die tot het eerste leerjaar van enige school is toegelaten. +**3.** In afwijking van artikel 3 kan het bevoegd gezag van een school voor v.b.o. tot het eerste leerjaar van die school toelaten de kandidaat die tot het eerste leerjaar van enige school is toegelaten. ### Artikel 7 -Vervallen +Tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs kan als leerling worden toegelaten degene die de leeftijd van ten minste 12 jaar heeft bereikt. ### Artikel 8 -Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 en 7 wordt een kandidaat-leerling niet toegelaten tot een school of profiel, aangewezen op grond van artikel 24, vijfde lid, van de wet, dan nadat het bevoegd gezag zich ervan heeft vergewist dat dit onderwijs voor hem het meest aangewezen is, gelet op de bijzondere aard en doelstelling van het desbetreffende onderwijs. +Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3, 7 en 10, eerste lid, wordt een kandidaat-leerling niet toegelaten tot een school of afdeling, aangewezen op grond van artikel 24, zesde lid, van de wet, dan nadat het bevoegd gezag zich ervan heeft vergewist dat dit onderwijs voor hem het meest aangewezen is, gelet op de bijzondere aard en doelstelling van het desbetreffende onderwijs. ### Artikel 9 @@ -125,26 +155,22 @@ Een leerling, komende van een gelijksoortige school, wordt bij toelating geplaat ### Artikel 10 -**1.** - -Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de theoretische leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat: - -a. de vakken, genoemd in artikel 10, zesde lid, van de wet; -b. de vakken, genoemd in artikel 10, zevende lid, onderdeel b, van de wet; -c. de vakken, genoemd in artikel 26b, derde tot en met zevende lid, met uitzondering van de vakken genoemd in artikel 26b, zevende lid, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d; of -d. de vakken, genoemd in artikel 26c, tweede tot en met zesde lid, met uitzondering van de vakken, genoemd in artikel 26c, zesde lid, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d. +**1.** Tenzij artikel 9 van toepassing is, wordt een leerling niet tot een hoger leerjaar dan het eerste toegelaten dan nadat uit een door het bevoegd gezag ingesteld onderzoek is gebleken dat de leerling het onderwijs in het leerjaar waarvoor toelating wordt gevraagd, naar verwachting met voldoende resultaat zal kunnen volgen, met dien verstande dat toelating van een leerling tot het tweede of derde leerjaar niet wordt geweigerd op de grond dat de leerling een of meer vakken niet heeft gevolgd. **2.** -Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de gemengde leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat: +Tot het vierde leerjaar van een school of afdeling voor h.a.v.o. kan als leerling slechts worden toegelaten degene die in het bezit is van een hierna genoemd bewijs, diploma of getuigschrift: -a. de vakken, genoemd in artikel 10d, zesde lid, van de wet; -b. de vakken, genoemd in artikel 10d, zevende lid, onderdeel c, van de wet; of -c. de vakken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d. +a. een bewijs de eerste drie leerjaren van een school voor v.w.o. of van een school voor h.a.v.o. met gunstig gevolg te hebben doorlopen; +b. het diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg, mits examen is afgelegd in ten minste wiskunde en, tenzij daarvoor een vrijstelling op grond van artikel 11e, eerste lid, van de wet is verleend, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat voor toelating tot het profiel natuur en techniek onderscheidenlijk het profiel natuur en gezondheid, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet, tevens examen moet zijn afgelegd in natuur- en scheikunde I onderscheidenlijk in natuur- en scheikunde I of biologie;. +c. een diploma waaruit blijkt dat een school die aansluitend op het basisonderwijs op grond van de Experimentenwet onderwijs heeft geëxperimenteerd met het geven van middenschoolonderwijs, met goed gevolg is doorlopen en een bewijs waaruit blijkt dat de resultaten van het gevolgde onderwijs overeenstemmen met het niveau dat ingevolge het bepaalde in onderdeel *a* of *b* van dit lid voor toelating van een leerling is voorgeschreven; +d. een getuigschrift basisvorming van een school die aansluitend op het basisonderwijs op grond van de Experimentenwet onderwijs heeft geëxperimenteerd met basisvorming en primair beroepsonderwijs en een verklaring waaruit blijkt dat de resultaten van het gevolgde onderwijs overeenstemmen met het niveau dat ingevolge het bepaalde in onderdeel *a* of *b* van dit lid voor toelating van een leerling is voorgeschreven. + +**3.** De inspectie kan in bijzondere gevallen afwijking van het bepaalde in het tweede lid toestaan, indien de leerling naar verwachting het onderwijs in het vierde leerjaar met voldoende resultaat zal kunnen volgen. ### Artikel 11 -Vervallen +Alvorens toepassing te geven aan artikel 27, tiende lid, van de wet, vergewist de inspectie zich ervan, dat het bevoegd gezag de ouders van de betrokken leerling in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over het verzoek van het bevoegd gezag. De inspectie betrekt bij haar beslissing in elk geval de zienswijze van de ouders. ### Artikel 12 @@ -168,10 +194,6 @@ Vervallen **3.** Het bevoegd gezag stelt de inspectie van een definitieve verwijdering schriftelijk en met opgave van redenen in kennis. -### Artikel 14a - -Het bevoegd gezag maakt bij beslissingen tot verwijdering van leerlingen op de grond dat deze niet zijn bevorderd tot het zesde leerjaar van het vwo dan wel het vijfde leerjaar van het havo, geen onderscheid tussen leerlingen op basis van de schoolsoort of leerweg waarvoor zij eerder stonden ingeschreven. - ### Artikel 15 **1.** De besluiten tot weigering van de toelating van een kandidaat-leerling of tot definitieve verwijdering van een leerling worden schriftelijk en met opgave van redenen aan de leerling en, indien deze nog niet de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt, ook aan diens ouders, voogden of verzorgers, bekendgemaakt, waarbij tevens de inhoud van het tweede lid wordt vermeld. @@ -182,151 +204,43 @@ Het bevoegd gezag maakt bij beslissingen tot verwijdering van leerlingen op de g **4.** Het bevoegd gezag kan de desbetreffende leerling, gedurende de behandeling van het bezwaar tegen een besluit tot definitieve verwijdering de toegang tot de school ontzeggen. -### Artikel 15a +### Hoofdstuk III. Inrichting van het onderwijs -**1.** De deskundigen, bedoeld in artikel 17a, twaalfde lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts. - -**2.** Indien het samenwerkingsverband besluit of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs kan de tweede deskundige, bedoeld in het eerste lid, ook een deskundige op het terrein van vbo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs zijn. - -### Artikel 15b - -**1.** De geschillencommissie, bedoeld in artikel 27c van de wet, bestaat uit ten minste 7 leden met verschillende deskundigheden. De leden worden benoemd op gezamenlijke bindende voordracht van de landelijke ouderorganisaties, de landelijke patiënten- en gehandicaptenorganisaties en de sectororganisaties. - -**2.** De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister. - -**3.** De leden worden benoemd voor een periode van 4 jaar en kunnen ten hoogste 2 maal worden herbenoemd. - -**4.** De commissie is zodanig samengesteld dat zij beschikt over (ortho)pedagogische, psychologische, onderwijskundige, maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en medische deskundigheid. Voor de behandeling van ieder ingediend geschil kiest de commissie uit haar leden één voorzitter en twee leden. De commissie bepaalt welke samenstelling bij de behandeling van het geschil het meest geschikt is. - -**5.** De leden worden ontslagen indien zij daarom verzoeken. - -**6.** De leden mogen niet deel uitmaken van het bevoegd gezag van een van de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag van dat samenwerkingsverband dat betrokken is in het geschil en zij functioneren zonder last of ruggenspraak. - -**7.** De commissie zendt haar oordeel aan het bevoegd gezag en een afschrift van haar oordeel aan de ouders. Indien de beslissing van het bevoegd gezag van de school afwijkt van het oordeel van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld. - -**8.** Het bevoegd gezag van de school die het oordeel van de commissie heeft ontvangen, deelt schriftelijk aan de ouders en aan de commissie mee wat er met het oordeel wordt gedaan. - -### Artikel 15c - -**1.** Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 26 van de wet, bevat ten minste informatie over naar welk vervolgonderwijs, en indien het een leerling betreft die praktijkonderwijs volgt naar welke soort arbeid uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan. - -**2.** De onderbouwing bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling. - -## Hoofdstuk IIa. Toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs - -### Artikel 15d - -**1.** - -Een samenwerkingsverband baseert de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, en 10g, tweede lid, van de wet, uitsluitend op: - -a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering die gebaseerd is op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 43 van de Wet op de expertisecentra, -b. de leerachterstand van de leerling, -c. het intelligentiequotiënt van de leerling, en -d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken met betrekking tot prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van de sociaal-emotionele problematiek van de leerling in relatie tot de leerprestaties, en -e. indien het een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs betreft: de zienswijze van de ouders. - -**2.** Bij de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, de jaarlijks voor 1 oktober bij ministeriële regeling vastgestelde screenings- of testinstrumenten, heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog. - -**3.** - -De leerachterstand van de leerling is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin: - -a. DLE de afkorting is van didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt, en -b. DL de afkorting is van didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra. - -**4.** - -Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe, indien de leerling: - -a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80, en -b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand gelijk is aan of groter is dan 0,5. - -**5.** - -Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe, indien de leerling: - -a. 1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en -2° een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of -b. 1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en -2° een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en -3° een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. - -**6.** Voor een leerling die wat intelligentiequotiënt of leerachterstand betreft, voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die wat de overige vereisten betreft voldoet aan de vereisten om aangewezen te zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, kan een leerling toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. - -### Artikel 15e - -**1.** - -Op grond van artikel 10g, vijfde lid, van de wet kan het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs tevens een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs bij een samenwerkingsverband indienen voor een leerling voor wie het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs naar het oordeel van dat bevoegd gezag het beste aansluit bij de behoeften van deze leerling en die: - -a. het voorbereidend beroepsonderwijs of het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs bezoekt en op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen: - -1° met scores op de criteria, bedoeld in artikel 15d, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs, -2° naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen, of -3° naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs, dan wel -b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van een samenwerkingsverband dan wel een ontwikkelingsperspectief en die: - -1° voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 15d, vierde lid, blijkens gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 15d, tweede lid, of -2° naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht een dergelijk intelligentiequotiënt of een dergelijke leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is. - -**2.** - -Het samenwerkingsverband baseert de beschikking over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs uitsluitend op de volgende, bij de aanvraag gevoegde, gegevens: - -a. een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, of een kopie van de toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, danwel een kopie van het ontwikkelingsperspectief, -b. de op schrift gestelde zienswijze en instemming van de ouders, -c. een motivering waaruit blijkt dat de leerling voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, en -d. een leerling-dossier dat in elk geval bevat: - -1° het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 43 van de Wet op de expertisecentra, -2° een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten, -3° een document dat aangeeft welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling, -4° een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling voorbereidend beroepsonderwijs, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen, en -5° mogelijk relevante test- en toetsgegevens. - -### Artikel 15f - -**1.** Indien een samenwerkingsverband gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 17a1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, heeft de beslissing over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs bedoeld in artikel 10e, vierde lid, van de wet, betrekking op een periode van één of meer schooljaren. Indien de beslissing bedoeld in de eerste volzin wordt gegeven in de loop van een schooljaar, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode. - -**2.** Onze Minister kan nadere regels stellen over de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 17a1, eerste en tweede lid, van de wet. - -## Hoofdstuk III. Inrichting van het onderwijs - -### Paragraaf 1. Algemeen +#### Paragraaf 1. Algemeen ### Artikel 16 -**1.** Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste voor vakanties op grond van artikel 6g1, derde lid, van de wet, mag worden besteed, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek. +**1.** De tijd die per cursusjaar ten hoogste voor vakantie van de leerlingen mag worden besteed, bedraagt 72 schooldagen bij een zesdaagse schoolweek en 60 schooldagen bij een vijfdaagse schoolweek. -**2.** Indien na aftrek van het aantal dagen dat wordt besteed voor vakanties die centraal worden vastgesteld op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet, dagen resteren van de in het eerste lid bedoelde aantallen, kan het bevoegd gezag voor het betreffende schooljaar een of meer vakanties vaststellen waarvoor ten hoogste dat resterend aantal dagen mag worden besteed. +**2.** -**3.** Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek. Op die zondagen respectievelijk zaterdagen en zondagen wordt geen onderwijs verzorgd. +Onder schooldag wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek. Niet tot schooldagen worden gerekend: -**4.** +a. nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en de beide kerstdagen, alsmede +b. nationale feestdagen. -Tenzij vallend binnen een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet vastgestelde vakantie, worden de volgende dagen, waarop eveneens geen onderwijs wordt verzorgd, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid: - -a. nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en de beide kerstdagen, alsmede -b. Koningsdag en Bevrijdingsdag. - -**5.** Indien aan een bijzondere school onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kan in plaats van op de dagen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, die vallen buiten een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet vastgestelde vakantie, geen onderwijs worden verzorgd op andere dagen. Bij toepassing van de eerste volzin worden laatstgenoemde dagen niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid. De eerste volzin kan per schooljaar worden toegepast voor ten hoogste het aantal dagen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, dat buiten een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet vastgestelde vakantie valt. +**3.** Indien aan een bijzondere school onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het tweede lid, onderdeel *a*, genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kunnen in plaats daarvan ten hoogste zes andere dagen niet tot schooldagen worden gerekend. ### Artikel 17 -Buiten de vakanties en de andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd op grond van artikel 16, wijst het bevoegd gezag bij een zesdaagse schoolweek ten hoogste dertien dagen per schooljaar aan en bij een vijfdaagse schoolweek ten hoogste twaalf dagen per schooljaar aan waarop geen onderwijs wordt verzorgd, waarvan ten hoogste zes dagen onmiddellijk aansluitend voor of na de voor de school op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet vastgestelde zomervakantie. +Bij ministeriële regeling worden het begin en het einde van de zomervakantie vastgesteld. De begin- en einddatum kunnen per groep van scholen verschillen. -### Paragraaf 2. Eerste leerjaren VO +#### Paragraaf 2. Basisvorming ### Artikel 18 -Vervallen +Gedurende de periode van basisvorming kunnen de onderstaande vakken in combinatie met elkaar worden gegeven: + +a. natuur- en scheikunde, biologie; +b. twee of drie van de vakken geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, economie; +c. twee of meer van de vakken behorende tot de beeldende vorming; +d. informatiekunde en een van de vakken Nederlandse taal, economie, wiskunde, natuur- en scheikunde, techniek. ### Artikel 19 -**1.** Voor afwijkingen als bedoeld in artikel 11d, tweede lid, eerste volzin, van de wet kunnen in aanmerking komen leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in staat zijn al het onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen te volgen. +**1.** Voor afwijkingen als bedoeld in artikel 11e, derde lid, eerste volzin, van de wet kunnen in aanmerking komen leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in staat zijn aan het eind van de basisvorming de kerndoelen te bereiken. -**2.** Het bevoegd gezag stelt een commissie in die adviseert ten aanzien van welke leerlingen artikel 11d, tweede lid, van de wet toepassing kan vinden. Het bevoegd gezag regelt de omvang en samenstelling van de commissie. +**2.** Het bevoegd gezag stelt een commissie in die adviseert ten aanzien van welke leerlingen artikel 11e, derde lid, van de wet toepassing kan vinden. Het bevoegd gezag regelt de omvang en samenstelling van de commissie. **3.** In haar advies doet de commissie aan het bevoegd gezag voorstellen ten aanzien van de aard van de in het tweede lid bedoelde afwijkingen. Daarbij geeft zij aan waarop deze voorstellen zijn gegrond. @@ -337,54 +251,63 @@ De commissie betrekt in elk geval bij haar oordeelsvorming: a. in voorkomende gevallen het in artikel 3, tweede lid, bedoelde onderwijskundig rapport en de resultaten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek naar de geschiktheid; b. indien de omstandigheid op grond waarvan afwijking wordt voorgesteld daartoe aanleiding geeft, de van een deskundige verkregen verklaring; c. de zienswijze van de ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen, welke zienswijze blijkt uit een schriftelijke verklaring; -d. de zienswijze van de leraar of leraren, belast met het betrokken onderwijs, welke zienswijze blijkt uit een schriftelijke verklaring. +d. de zienswijze van de leraar of leraren, belast met het onderwijs in het betrokken vak of de betrokken vakken, welke zienswijze blijkt uit een schriftelijke verklaring. **5.** Het advies wordt schriftelijk uitgebracht aan het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag voornemens is af te wijken van het advies van de commissie, overlegt het over dit voornemen met de commissie. De beslissing van het bevoegd gezag is met redenen omkleed. Het bevoegd gezag zendt een afschrift van zijn beslissing, vergezeld van het advies van de commissie en de daarbij gevoegde verklaringen, bedoeld in het vierde lid, aan de ouders, voogden of verzorgers van de betrokken leerlingen, aan de betrokken leraar of leraren en aan de inspectie. ### Artikel 20 -Vervallen +**1.** -### Paragraaf 3. Overige inrichtingsvoorschriften vwo, havo, mavo, vbo +De opgaven, bedoeld in artikel 28*a*, derde lid, van de wet strekken ertoe, vast te stellen in welke mate kennis, inzicht en vaardigheden zijn verworven. Opgaven bestaan uit: + +a. een geheel van schriftelijk te beantwoorden vragen, +b. een opdracht voor een werkstuk, of +c. richtlijnen voor het op andere wijze vaststellen van de mate waarin kennis, inzicht en vaardigheden zijn verworven. + +**2.** Van de opgaven maken onderdeel uit, voorschriften voor de beoordeling. + +**3.** Onze Minister deelt het bevoegd gezag jaarlijks in de maand juni mede, welke opgaven beschikbaar zullen worden gesteld in het daarop volgende schooljaar. De opgaven worden in enkelvoud beschikbaar gesteld. + +**4.** Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat de opgaven en het gemaakte schriftelijke werk na afname worden ingenomen. + +**5.** De opgaven worden gemaakt in de tijd die daarvoor op de opgaven is vermeld en met de in voorkomende gevallen voor het maken van de opgave toegestane hulpmiddelen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag ten behoeve van een individuele leerling afwijken van de in de eerste volzin bedoelde tijd of hulpmiddelen. + +**6.** Het bevoegd gezag bewaart de resultaten van de toetsing waarvoor de in het eerste lid bedoelde opgaven zijn vastgesteld, in elk geval tot drie maanden na afloop van het schooljaar waarin de leerling de toetsen heeft afgelegd. + +**7.** Het bevoegd gezag verleent desgevraagd medewerking aan het beproeven van de in het eerste lid bedoelde opgaven, behoudens indien artikel 28*a*, vierde lid, van de wet toepassing vindt. + +#### Paragraaf 3. Overige inrichtingsvoorschriften v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., v.b.o. ### Artikel 21 -**1.** Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een school voor vwo en een school voor havo omvat tevens onderwijs in Franse taal en Duitse taal. - -**2.** Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Russische taal, Italiaanse taal, Arabische taal, Turkse taal of, in het vwo, Chinese taal en cultuur. - -**3.** - -Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal dan wel in beide talen, indien de leerling - -a. voor de eerste maal tot een school voor havo of een school voor vwo is toegelaten, -b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste, -c. voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd, en -d. daarbij geen of te weinig onderwijs in de desbetreffende taal of talen heeft gevolgd. - -**4.** In de eerste drie leerjaren van een gymnasium wordt tevens onderwijs verzorgd in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur. - -### Artikel 22 - -**1.** Het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren aan een school voor mavo en een school voor vbo omvat tevens onderwijs in Franse taal of Duitse taal. Deze verplichting geldt niet voor leerlingen voor wie naar de verwachting van het bevoegd gezag het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet het meest geschikt is. +**1.** In de eerste drie leerjaren te zamen van een school voor v.w.o. en een school voor h.a.v.o. wordt, naast het onderwijs in de vakken genoemd in artikel 11*a*, tweede lid, van de wet, onderwijs verzorgd in een derde moderne taal, zijnde Franse taal of Duitse taal. In de eerste drie leerjaren te zamen van een gymnasium wordt daarnaast nog onderwijs verzorgd in de vakken Latijnse taal en letterkunde en Griekse taal en letterkunde. **2.** -Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal: +Het bevoegd gezag kan goedkeuren dat een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid, wordt vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de vakken Franse taal of Duitse taal, dan wel in deze beide vakken. Deze goedkeuring kan slechts worden verleend ten behoeve van leerlingen in de eerste drie leerjaren die: -a. indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal, of -b. indien de leerling +a. onderwijs in de taal van het land van oorsprong, bedoeld in artikel 16 van de wet, volgen, of +b. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten en daarbij zijn geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste en voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs hebben gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het desbetreffende vak hebben genoten. -1°. voor de eerste maal tot een school voor mavo of een school voor vbo is toegelaten, -2°. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste, -3°. voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd, en -4°. daarbij geen of te weinig onderwijs in de desbetreffende taal of talen heeft gevolgd. +### Artikel 22 -**3.** De leerling die op basis van het eerste lid, geen onderwijs volgt in de Franse taal of Duitse taal, volgt in het profiel economie en ondernemen of het profiel horeca, bakkerij en recreatie van de basisberoepsgerichte leerweg in plaats hiervan, naar keuze van de leerling, het vak Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde. +Vervallen ### Artikel 23 -Vervallen +**1.** In alle leerjaren tezamen van een school voor v.w.o. of h.a.v.o. wordt in lichamelijke opvoeding ten minste een aantal lessen verzorgd, gelijk aan 400 respectievelijk 360 uren. + +**2.** + +In alle leerjaren tezamen van een school voor m.a.v.o. of v.b.o. wordt in de vakken, vermeld in de onderstaande tabel, ten minste het daarbij aangegeven aantal lessen verzorgd, waarbij wordt uitgegaan van lessen van elk 50 minuten onderwijs: + +| maatschappijleer | 80 | +| --- | --- | +| kunstvakken | 320 | +| lichamelijke opvoeding | 400 | + +**3.** Indien het onderwijs in een in het tweede lid genoemd vak wordt verzorgd in een geringer aantal minuten per lesuur dan 50, dient de totale tijd waarin onderwijs voor dat vak wordt verzorgd, niet te dalen beneden die welke in dat lid is voorgeschreven. ### Artikel 24 @@ -392,412 +315,338 @@ Vervallen ### Artikel 25 -Vervallen +Onderwijs dat door het bevoegd gezag van een school voor m.a.v.o. of voor v.b.o. wordt verzorgd met het oog op een goede aansluiting op vervolgonderwijs, omvat ten minste de vakken waarvan het bevoegd gezag, na overleg met het vervolgonderwijs, heeft vastgesteld dat deze van belang zijn voor doorstroming van de leerling naar assistentopleidingen en basisberoepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. ### Artikel 25a -Praktijkonderwijs omvat ten minste Nederlandse taal, rekenen/wiskunde, informatiekunde en lichamelijke opvoeding, alsmede het onderwijs waarvan het bevoegd gezag, na overleg met het college van burgemeester en wethouders dat daarbij de werkgevers betrekt die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt, heeft vastgesteld dat dit van belang is voor het uitoefenen van functies binnen die arbeidsmarkt. +Praktijkonderwijs omvat ten minste Nederlandse taal, rekenen/wiskunde, informatiekunde en lichamelijke opvoeding, alsmede de vakken waarvan het bevoegd gezag, na overleg met de gemeente die daarbij de werkgevers betrekt die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt, heeft vastgesteld dat deze van belang zijn voor het uitoefenen van functies binnen die arbeidsmarkt. ### Artikel 26 -**1.** Indien een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet een orthopedagogisch-didactisch centrum omvat, wordt dat vermeld in het ondersteuningsplan. +**1.** -**2.** Een leerling die is of wordt ingeschreven bij een school, kan gedurende ten hoogste 2 jaren het onderwijsprogramma of een gedeelte daarvan volgen bij een orthopedagogisch-didactisch centrum. +Onverminderd artikel 23 zijn de adviesurentabellen, bedoeld in artikel 23 van de wet, voor v.m.b.o. als volgt, waarbij is gerekend met: -**3.** Het onderwijs van leerlingen die langer dan 3 maanden een programma volgen bij het orthopedagogisch-didactisch centrum, wordt gegeven door daartoe bevoegde leraren. +a. lessen van elk 50 minuten, +b. het totaal aantal lessen per vak, en +c. een totaal van 1280 uren in elk van de eerste drie leerjaren, gebaseerd op 32 lesuren per week, en van 1200 uren in het vierde leerjaar, gebaseerd op 30 lesuren per week. + +**2.** + +Waar nodig bevatten de in het eerste lid bedoelde adviesurentabellen een uitsplitsing tussen uren die gelden voor alle leerlingen (links van de stippellijn), en uren in aanvulling daarop voor leerlingen die het desbetreffende vak hebben gekozen (rechts van de stippellijn). + +| Vak | theoretische leerweg | beroepsgerichte leerwegen | Gemengde leerweg | | | | | | +| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | +| basis | kader | | | | | | | | +| Nederlands | 600 | 520 | 560 | 600 | | | | | +| Engels | 480 | 400 | 440 | 480 | | | | | +| Maatschappijleer | 80 | 80 | 80 | 80 | | | | | +| Kunstvakken I | 320 | 320 | 320 | 320 | | | | | +| Lichamelijke opvoeding | 400 | 400 | 400 | 400 | | | | | +| Afdelingsvak of | | | | | | | | | +| Intrasectoraal programma | | 960 | 960 | 320 | | | | | +| Tweede moderne | l | l | l | l | | | | | +| vreemde taal | 240 l 200 | 240 l 120 | 240 l 160 | 240 l 200 | | | | | +| Derde moderne | l | l | l | l | | | | | +| vreemde taal | 200 l 200 | l | l | 200 l 200 | | | | | +| Geschiedenis en | l | l | l | l | | | | | +| staatsinrichting | 200 l 200 | 200 l 120 | 200 l 160 | 200 l 200 | | | | | +| Aardrijkskunde | 140 l 200 | 140 l 120 | 140 l 160 | 140 l 200 | | | | | +| Maatschappijleer II | l 200 | l 120 | l 160 | l 200 | | | | | +| Wiskunde | 400 l 200 | 400 l 120 | 400 l 160 | 400 l 200 | | | | | +| Natuur- en | l | l | l | l | | | | | +| scheikunde I | 200 l 200 | 200 l 120 | 200 l 160 | 200 l 200 | | | | | +| Natuur- en | l | l | l | l | | | | | +| scheikunde II | l 200 | l | l | l 200 | | | | | +| Biologie | 120 l 200 | 120 l 120 | 120 l 160 | 120 l 200 | | | | | +| Economie | 80 l 200 | 80 l 120 | 80 l 160 | 80 l 200 | | | | | +| Kunstvakken II | l 200 | l | l | l 200 | | | | | +| Informatiekunde | 20 | 20 | 20 | 20 | | | | | +| Verzorging | 100 | 100 | 100 | 100 | | | | | +| Techniek | 180 | 180 | 180 | 180 | | | | | +| Studielessen | 80 | 80 | 80 | 80 | | | | | + +In deze tabel wordt verstaan onder: + +kunstvakken I: de kunstvakken van het gemeenschappelijk deel van de leerwegen, bedoeld in het vijfde lid van de artikelen 10, 10b en 10d van de wet, en + +kunstvakken II: de kunstvakken van het vrije deel van de theoretische leerweg, bedoeld in artikel 10, zevende lid, onder b, van de wet en van de gemengde leerweg, bedoeld in artikel 10d, zevende lid, onder c, van de wet. ### Artikel 26a -Vervallen +**1.** In het v.w.o. is de normatieve studielast van het gemeenschappelijk deel 1960 uren, van het profieldeel 1840 uren en van het vrije deel 1000 uren. + +**2.** In het h.a.v.o. is de normatieve studielast van het gemeenschappelijk deel 1480 uren, van het profieldeel 1160 uren en van het vrije deel 560 uren. ### Artikel 26b -**1.** +**1.** Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het v.w.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: - -a. Nederlandse taal en literatuur: 480, -b. Engelse taal en literatuur: 400, -c. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 480, -d. maatschappijleer: 120, -e. culturele en kunstzinnige vorming: 160, en -f. lichamelijke opvoeding : 160. - -**2.** - -Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het gymnasium omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: - -a. Nederlandse taal en literatuur: 480, -b. Engelse taal en literatuur: 400, -c. Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur: 760, -d. maatschappijleer: 120, en -e. lichamelijke opvoeding : 160. +**2.** Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het v.w.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: **3.** -Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het gymnasium en atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het v.w.o. omvat volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -a. wiskunde B: 600, -b. natuurkunde: 480, -c. scheikunde: 440, en -d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. natuur, leven en technologie: 440; -2°. informatica: 440; -3°. biologie: 480; -4°. wiskunde D: 440. +met dien verstande dat de leerling de deelvakken wiskunde B1, natuurkunde 1 en scheikunde 1 mag vervangen door respectievelijk de vakken wiskunde B1,2, natuurkunde 1,2 en scheikunde 1,2. **4.** -Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het gymnasium en atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het v.w.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt, -b. biologie: 480, -c. scheikunde: 440, en -d. een van de volgende profielkeuzevakken ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. natuur, leven en technologie: 440; -2°. aardrijkskunde: 440; -3°. natuurkunde: 480. +met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A1,2 mag vervangen door het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2. **5.** -Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het gymnasium en atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het v.w.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt, -b. economie: 480, -c. geschiedenis: 440, en -d. een van de volgende profielkeuzevakken ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: +a. een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak van het gemeenschappelijk deel: -1°. bedrijfseconomie: 440; -2°. aardrijkskunde: 440; -3°. maatschappijwetenschappen: 440; -4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur: 480. +dan wel een van de volgende vakken: +b. een onder *a* genoemd vak of deelvak, met de daarbij vermelde normatieve studielast, of filosofie met een normatieve studielast van 320 uren, +c. de combinatie van het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 2 met een normatieve studielast van 200 uren, met een van de volgende deelvakken: +d. +e. met dien verstande dat de leerling het deelvak wiskunde A1 mag vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2. -**6.** - -Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het gymnasium en atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: - -a. wiskunde C: 480, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde C kan vervangen door wiskunde A of wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van dit profiel aanbiedt, -b. geschiedenis: 480, -c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 480; -2°. filosofie: 480; -3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur, Friese taal en cultuur met een normatieve studielast van 480 uren, Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur met een normatieve studielast van 760 uren, -d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. aardrijkskunde: 440; -2°. maatschappijwetenschappen: 440; -3°. economie: 480. +**6.** De toepassing van het derde tot en met vijfde lid kan in afwijking van artikel 26*a*, eerste lid, leiden tot een grotere normatieve studielast van het profieldeel dan 1840 uren. **7.** -Het vrije deel van elk profiel in het gymnasium en atheneum kan omvatten: +Het vrije deel van elk profiel in het v.w.o. kan omvatten: -a. de vakken, genoemd in het eerste tot en met het zesde lid, voor zover nog niet gekozen, met dien verstande dat: +a. vakken en deelvakken, genoemd in het tweede tot en met vijfde lid, met dien verstande dat indien het profiel het deelvak wiskunde A1 of het vak wiskunde A1,2 omvat, in combinatie met het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2, de normatieve studielast van het in het vrije deel gekozen vak of deelvak wiskunde wordt verminderd met 280 uren, +b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, met dien verstande dat deze vakken slechts deel kunnen uitmaken van het vrije deel voorzover in de desbetreffende taal niet reeds in de periode van basisvorming onderwijs is gevolgd: +c. de volgende deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +d. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +e. klassieke culturele vorming met een normatieve studielast van 200 uren, met dien verstande dat dit vak in elk geval deel uitmaakt van het profiel indien Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, dan wel beide, deel uitmaken van het profiel, en +f. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen. -1°. van de vakken wiskunde A, wiskunde B en wiskunde C er slechts één deel kan uitmaken van het profiel, dat wiskunde D uitsluitend kan worden gekozen indien ook wiskunde B deel uitmaakt van het profiel, en -2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek, en -3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er slechts één deel kan uitmaken van het profiel, -b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, met dien verstande dat deze vakken slechts deel kunnen uitmaken van het vrije deel voor zover de desbetreffende taal niet reeds eerder is gevolgd of al deel uitmaakt van het profiel: +**8.** In afwijking van het eerste lid omvat het profiel in het gymnasium voor elke leerling het vak klassieke culturele vorming in plaats van het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 1. Dit laatste deelvak kan in het gymnasium behoren tot het vrije deel. Het profiel in het gymnasium omvat bovendien voor elke leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, dan wel beide, elk met een normatieve studielast van 480 uren. -1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 480, -2°. Russische taal en literatuur (elementair): 480, -3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 480, -4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 480, -5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 480, en -6° Chinese taal en cultuur (elementair): 480, -c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast in uren: - -1°. kunst (algemeen): 200. -2°. algemene natuurwetenschappen: 120, en -3°. bewegen, sport en maatschappij: 440, -d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen. - -**8.** Het zevende lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, vindt toepassing onverminderd de mogelijkheid voor de leerling om een in dat onderdeel bedoeld wiskundevak dat het bevoegd gezag aanbiedt, te kiezen als extra vak, met dien verstande dat alleen zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B, en de combinatie van wiskunde B en wiskunde C. +**9.** Onverminderd de artikelen 11, eerste lid, onder c, en 12, eerste lid, onder c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. kan het vrije deel van elk profiel ook omvatten: aanvullend onderwijs in vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen als bedoeld in het eerste tot en met achtste lid. ### Artikel 26c -**1.** +**1.** Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: - -a. Nederlandse taal en literatuur: 400, -b. Engelse taal en literatuur: 360, -c. maatschappijleer: 120, -d. culturele en kunstzinnige vorming : 120, en -e. lichamelijke opvoeding: 120. - -**2.** - -Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: - -a. wiskunde B: 360, -b. natuurkunde: 400, -c. scheikunde: 320, en -d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. natuur, leven en technologie: 320; -2°. informatica: 320; -3°. biologie: 400; -4°. wiskunde D: 320. +**2.** Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: **3.** -Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt, -b. biologie: 400, -c. scheikunde: 320, en -d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. natuur, leven en technologie: 320; -2°. aardrijkskunde: 320; -3°. natuurkunde: 400. +met dien verstande dat de leerling de deelvakken wiskunde B1 en natuurkunde 1 mag vervangen door respectievelijk het vak wiskunde B1,2 en het vak natuurkunde 1,2. **4.** -Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt, -b. economie: 400, -c. geschiedenis: 320, en -d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: - -1°. bedrijfseconomie: 320; -2°. aardrijkskunde: 320; -3°. maatschappijwetenschappen: 320; -4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400. +met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A1,2 mag vervangen door het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2. **5.** -Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het h.a.v.o. omvat de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: -a. geschiedenis: 320, -b. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur ter keuze van de leerling voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 400, -c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: +a. een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak uit het gemeenschappelijk deel: -1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 320; -2°. filosofie: 320; -3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400, -d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: +dan wel een van de volgende vakken: +b. de combinatie van het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 2 met een normatieve studielast van 120 uren, met een van de volgende deelvakken: +c. +d. +e. met dien verstande dat de leerling het deelvak economie 1 mag vervangen door het vak economie 1,2 en het deelvak wiskunde A1 mag vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2. -1°. aardrijkskunde: 320; -2°. maatschappijwetenschappen: 320; -3°. economie: 400. +**6.** De toepassing van het derde tot en met vijfde lid kan in afwijking van artikel 26*a*, tweede lid, leiden tot een grotere normatieve studielast van het profieldeel dan 1160 uren. -**6.** +**7.** -Het vrije deel van elk profiel in het havo kan omvatten: +Het vrije deel van elk profiel in het h.a.v.o. kan omvatten: -a. de vakken, genoemd in het eerste tot en met het vijfde lid, voor zover nog niet gekozen, met dien verstande dat: +a. vakken en deelvakken, genoemd in het tweede tot en met vijfde lid, met dien verstande dat indien het profiel het deelvak wiskunde A1 of het vak wiskunde A1,2 omvat, in combinatie met het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2, de normatieve studielast van het in het vrije deel gekozen vak of deelvak wiskunde wordt verminderd met 160 uren, +b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, met dien verstande dat deze vakken slechts deel kunnen uitmaken van het vrije deel voorzover in de desbetreffende taal niet reeds in de periode van basisvorming onderwijs is gevolgd: +c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen, +e. de volgende deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren: +f. vakken en deelvakken, genoemd in artikel 26*b*, voorzover zij niet geheel of gedeeltelijk inhoudelijk overeenkomen met een van de andere vakken en deelvakken die het profiel omvat. -1°. van de vakken wiskunde A en wiskunde B er slechts één deel kan uitmaken van het profiel, dat wiskunde D uitsluitend kan worden gekozen indien ook wiskunde B deel uitmaakt van het profiel, en -2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek, en -3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er slechts één deel kan uitmaken van het profiel, -b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, met dien verstande dat deze vakken slechts deel kunnen uitmaken van het vrije deel voor zover de desbetreffende taal niet reeds eerder is gevolgd of al deel uitmaakt van het profiel: - -1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 320, -2°. Russische taal en literatuur (elementair): 320, -3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 320, -4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 320, en -5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 320, -c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast in uren: - -1°. kunst (algemeen): 120, -2°. algemene natuurwetenschappen: 120, en -3°. bewegen, sport en maatschappij: 320, en -d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen. - -**7.** Het zesde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, vindt toepassing onverminderd de mogelijkheid voor de leerling om een in dat onderdeel bedoeld wiskundevak dat het bevoegd gezag aanbiedt, te kiezen als extra vak, met dien verstande dat alleen is toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B. +**8.** Onverminderd artikel 13, eerste lid, onder c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. kan het vrije deel van elk profiel ook omvatten: aanvullend onderwijs in vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen als bedoeld in het eerste tot en met zevende lid. ### Artikel 26d -Indien het bevoegd gezag bij de vaststelling van vakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel andere instellingen of deskundige personen van buiten de school betrekt, kan het onderwijs in die vakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel, onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het onderwijs aan de school, mede worden verzorgd door die andere instellingen of deskundige personen. Daarbij stelt het bevoegd gezag als voorwaarde dat die instellingen of deskundige personen voldoen aan de met betrekking tot hun geldende wettelijke voorschriften en voorzover die voorschriften ontbreken, aan de binnen de beroepsgroep algemeen erkende normen. Artikel 33, eerste lid, van de wet is ten aanzien van degenen die dit onderwijs verzorgen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als getuigschrift als bedoeld in onderdeel b. 1° van dat lid geldt een kwalificatie die, gelet op de eerste en tweede volzin, passend is. Het bevoegd gezag stelt de inspectie in kennis van de kwalificatie. +**1.** Door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen van het vrije deel, behoudens godsdienstonderwijs aan bijzondere scholen, hebben een normatieve studielast van 40 uren of een geheel veelvoud daarvan. Het bevoegd gezag kan, indien de aard van het desbetreffende andere programma-onderdeel daartoe noodzaakt, de studielast van dat andere programma-onderdeel in afwijking van de eerste volzin vaststellen op een kleiner aantal dan 40 uren. + +**2.** Indien het bevoegd gezag bij de vaststelling van vakken en andere programma-onderdelen andere instellingen of deskundige personen van buiten de school betrekt, kan het onderwijs in die vakken en andere programma-onderdelen, onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het onderwijs aan de school, mede worden verzorgd door die andere instellingen of deskundige personen. Daarbij stelt het bevoegd gezag als voorwaarde dat die instellingen of deskundige personen voldoen aan de met betrekking tot hun geldende wettelijke voorschriften en voorzover die voorschriften ontbreken, aan de binnen de beroepsgroep algemeen erkende normen. Artikel 33, eerste lid, van de wet is ten aanzien van degenen die dit onderwijs verzorgen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat als bewijs van bekwaamheid en bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding geldt een kwalificatie die, gelet op de eerste en tweede volzin, passend is. Het bevoegd gezag stelt de inspectie in kennis van de kwalificatie. ### Artikel 26e -**1.** Het bevoegd gezag van een school voor vwo of havo kan een leerling ontheffing verlenen van het volgen van het onderwijs in het vak lichamelijke opvoeding indien de leerling vanwege diens lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende ontheffing en vermeldt daarbij de gronden waarop deze ontheffing berust. +**1.** Het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. of h.a.v.o. kan een leerling, na overleg met de leerling en, indien de leerling minderjarig is, met diens ouders, voogden of verzorgers, vrijstelling verlenen van het volgen van het onderwijs in het deelvak lichamelijke opvoeding 1 indien de leerling vanwege diens lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende vrijstelling en vermeldt daarbij de gronden waarop deze vrijstelling berust. -**2.** De leerling van een school voor vwo die in het bezit is van het diploma havo is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak maatschappijleer. Indien het betreft het atheneum is deze leerling tevens vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak culturele en kunstzinnige vorming. +**2.** De leerling van een school voor v.w.o. die in het bezit is van het diploma h.a.v.o. is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel: algemene natuurwetenschappen, geschiedenis en maatschappijleer. Indien het betreft het atheneum is deze leerling tevens vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het deelvak culturele en kunstzinnige vorming 1. -**3.** De leerling van een school voor vwo die in het bezit is van het diploma havo of het diploma vmbo en die in plaats van de vakken, genoemd in artikel 26c, respectievelijk artikel 10, artikel 10b of artikel 10d van de wet, of als extra vak examen heeft afgelegd in één of meer vakken van artikel 26b, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak respectievelijk deze vakken. +**3.** + +Het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. kan een leerling op diens verzoek, of indien de leerling minderjarig is, op verzoek van zijn ouders, voogden of verzorgers, vrijstellen van het volgen van onderwijs in de deelvakken Franse taal en letterkunde 1 of Duitse taal en letterkunde 1, genoemd in artikel 26*b*, eerste lid, of van beide, in de volgende gevallen: + +a. de leerling werd in de eerste drie leerjaren met toepassing van artikel 21, tweede lid, vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de vakken Franse taal of Duitse taal, respectievelijk van het volgen van onderwijs in beide; +b. de leerling is voor de eerste maal tot een school voor v.w.o. toegelaten, is geplaatst in een hoger leerjaar dan het derde en heeft voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak, respectievelijk in de overeenkomstige vakken, gevolgd; +c. de leerling is in het bezit van het diploma h.a.v.o. en werd met toepassing van het vierde lid vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het deelvak moderne taal en letterkunde 1. **4.** -Het bevoegd gezag van een atheneum kan een leerling ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in de taal genoemd in artikel 26b, eerste lid, onder c, in de volgende gevallen: +Het bevoegd gezag van een school voor h.a.v.o. kan een leerling op diens verzoek, of indien de leerling minderjarig is, op verzoek van zijn ouders, voogden of verzorgers, vrijstellen van het volgen van onderwijs in het deelvak moderne taal en letterkunde 1, genoemd in artikel 26*c*, eerste lid, in de volgende gevallen: -a. de leerling heeft een stoornis die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis die effect heeft op taal; -b. de leerling heeft een andere moedertaal dan de Nederlandse taal of de Friese taal; -c. de leerling volgt onderwijs in het profiel natuur en techniek of het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal verhindert naar verwachting een succesvolle afronding van de opleiding. +a. de leerling werd in de eerste drie leerjaren met toepassing van artikel 21, tweede lid, vrijgesteld van het volgen van onderwijs in de beide vakken Franse taal en Duitse taal; +b. de leerling is voor de eerste maal tot een school voor h.a.v.o. toegelaten, is geplaatst in een hoger leerjaar dan het derde en heeft voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het overeenkomstige vak gevolgd; +c. de leerling is in het bezit van het diploma m.a.v.o. en werd met toepassing van artikel 11*e*, eerste lid, van de wet vrijgesteld van het volgen van het onderwijs in een tweede moderne taal. -**5.** Bij toepassing van het vierde lid, wordt de taal vervangen door een van de vakken of programma-onderdelen, genoemd in artikel 26b, derde tot en met zesde lid, of in het zevende lid, onder c of d, met een normatieve studielast van tenminste 440 uren, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze als zodanig aanbiedt. +**5.** Het bevoegd gezag kan de in het derde of vierde lid bedoelde vrijstelling in bijzondere gevallen ook verlenen aan een leerling die niet voldoet aan een van de in die leden genoemde voorwaarden. De vrijstelling behoeft de goedkeuring van de inspectie. -**6.** De leerling van een school voor havo die in het bezit is van het diploma vmbo en die in plaats van de vakken, genoemd in artikel 10, artikel 10b of artikel 10d van de wet, of als extra vak examen heeft afgelegd in één of meer vakken van artikel 26c of 26b, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak respectievelijk deze vakken. +**6.** Het bevoegd gezag bepaalt in de in het derde, vierde en vijfde lid genoemde gevallen welk onderwijs voor de leerling in de plaats komt van het onderwijs waarvoor vrijstelling is verleend, met dien verstande dat het vervangende onderwijs ten minste dezelfde normatieve studielast heeft als het onderwijs waarvoor vrijstelling is verleend, en betrekking heeft op taal en letterkunde. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit laatste niet mogelijk is of ondoelmatig is, stelt het de inspectie daarvan in kennis. Daarbij doet het bevoegd gezag een voorstel voor een andere vervanging. Deze vervanging behoeft de goedkeuring van de inspectie. ### Artikel 26f -Vervallen +Het in schooltijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet omvat in het laatste leerjaar van het v.w.o. en h.a.v.o. een aantal van ten minste 700 uren onderwijs. ### Artikel 26g -**1.** In het derde leerjaar van een school voor mavo volgt de leerling in de theoretische leerweg onderwijs in ten minste zeven vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, niet behorend tot het gemeenschappelijk deel. +**1.** In het derde leerjaar van een school voor m.a.v.o. volgt de leerling in de theoretische leerweg onderwijs in ten minste zeven vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, niet behorend tot het gemeenschappelijk deel. **2.** Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in enig voorafgaand leerjaar, is in afwijking van het eerste lid het aantal vakken, bedoeld in dat lid, zes. ### Artikel 26h -**1.** - -De profielvakken, bedoeld in artikel 10b, zesde lid, van de wet zijn: - -a. bouwen, wonen en interieur; -b. produceren, installeren en energie; -c. mobiliteit en transport; -d. media, vormgeving en ICT; -e. maritiem en techniek; -f. zorg en welzijn; -g. economie en ondernemen; -h. horeca, bakkerij en recreatie; -i. groen; en -j. dienstverlening en producten. - -**2.** Het extra vak bedoeld in artikel 10b, negende lid, onderdeel d, van de wet, is Friese taal en cultuur. +De afdelingsvakken, bedoeld in artikel 10b, zevende lid, onderdeel a, van de wet, zijn bouwtechniek, metaaltechniek, elektrotechniek, voertuigentechniek, installatietechniek, grafische techniek, transport en logistiek, verzorging, uiterlijke verzorging, administratie, handel en verkoop, mode en commercie, consumptief, en landbouw en natuurlijke omgeving. ### Artikel 26i -**1.** De profielvakken, bedoeld in artikel 10d, zesde lid, van de wet, zijn de vakken, genoemd in artikel 26h, eerste lid. +**1.** De afdelingsvakken, bedoeld in artikel 10d, zevende lid, onderdeel b, van de wet, zijn de vakken, genoemd in artikel 26h. -**2.** In het derde leerjaar volgt de leerling in de gemengde leerweg ten minste onderwijs in een beroepsgericht programma en vijf algemene vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, niet behorend tot het gemeenschappelijk deel. Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in enig voorafgaand leerjaar, is het aantal algemene vakken, bedoeld in de eerste volzin, vier. +**2.** In het derde leerjaar volgt de leerling in de gemengde leerweg ten minste onderwijs in zes vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, niet behorend tot het gemeenschappelijk deel. Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in enig voorafgaand leerjaar, is het aantal vakken, bedoeld in de eerste volzin, vijf. ### Artikel 26j -**1.** Bij ministeriële regeling worden beroepsgerichte keuzevakken vastgesteld die deel kunnen uitmaken van het beroepsgerichte programma van leerlingen in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg van het vmbo. +**1.** -**2.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de school voldoende beroepsgerichte keuzevakken verzorgt waar leerlingen uit kunnen kiezen in het kader van hun beroepsgerichte programma. +De intrasectorale programma's voor de sector techniek zijn: -**3.** Bij zijn keuze welke beroepsgerichte keuzevakken door de school worden verzorgd, consulteert het bevoegd gezag een of meer instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen. +a. het programma metalektro, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdelingen elektrotechniek en metaaltechniek, +b. het programma bouw-breed, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdeling bouwtechniek, en +c. het programma instalektro, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdelingen elektrotechniek en installatietechniek. + +**2.** Het intrasectorale programma voor de sector zorg en welzijn is het programma zorg- en welzijn-breed, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdelingen verzorging en uiterlijke verzorging. + +**3.** + +De intrasectorale programma's voor de sector economie zijn: + +a. het programma handel en administratie, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdelingen handel en verkoop, administratie, en mode en commercie, en +b. het programma consumptief-breed, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdeling consumptief, aangevuld met programma-onderdelen op het gebied van toerisme en recreatie. + +**4.** Het intrasectorale programma voor de sector landbouw is het programma landbouw-breed, bestaande uit een combinatie van programma-onderdelen behorende bij de afdeling landbouw en natuurlijke omgeving. ### Artikel 26k -**1.** In samenwerking met een of meer instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen kan het bevoegd gezag van een school voor vbo een nieuw beroepsgericht keuzevak ontwikkelen. +**1.** Het bevoegd gezag van een school voor v.b.o. of van een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor v.b.o. deel uitmaakt, zendt een aanvraag als bedoeld in artikel 10b, negende lid, of artikel 10d, negende lid, van de wet, voor 1 november voorafgaand aan het schooljaar met ingang waarvan het bevoegd gezag intrasectorale programma's wil verzorgen, dan wel voor 1 november van het jaar daarvoor, aan Onze Minister. -**2.** Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad van de school vooraf op de hoogte van het voornemen tot ontwikkeling van een nieuw beroepsgericht keuzevak. +**2.** -**3.** Het bevoegd gezag meldt het voornemen tot ontwikkeling van een nieuw beroepsgericht keuzevak zo spoedig mogelijk aan Onze Minister door middel van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier. +De in het eerste lid bedoelde aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van: -**4.** Onze Minister brengt binnen zes weken na de melding schriftelijk advies uit over het voornemen. +a. een overzicht van de afdelingen voor v.b.o. die aan de school of scholengemeenschap zijn verbonden en een overzicht van de plaatsen waar de school of scholengemeenschap die afdelingen verzorgt; +b. een aanduiding van de onder a bedoelde plaatsen waar het bevoegd gezag voornemens is de desbetreffende intrasectorale programma's te verzorgen; +c. een aanduiding van de leerwegen die het bevoegd gezag voornemens is te verzorgen in het intrasectorale programma en in de afdelingen die daarvan deel uitmaken. -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften gegeven worden over de procedure voor het melden van het voornemen tot ontwikkeling van beroepsgerichte keuzevakken. +**3.** + +Tevens toont het bevoegd gezag bij de aanvraag met bescheiden aan: + +a. dat het in artikel 26l, eerste lid, bedoelde overleg is gevoerd, en +b. indien van toepassing, dat aan de voorwaarde van artikel 26l, tweede lid, eerste volzin, wordt voldaan. + +**4.** Direct na ontvangst van de aanvraag zendt Onze Minister deze aan de betrokken provincie en aan de organisaties waarmee Onze Minister op grond van artikel 65, eerste lid, van de wet overlegt over het plan van scholen. + +**5.** De provincie en de organisaties brengen voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend, hun daarop betrekking hebbende adviezen uit aan Onze Minister. + +**6.** Onze Minister beslist voor 15 mei van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend. Indien zich bij de aanvraag knelpunten voordoen, beslist Onze Minister in afwijking van de eerste volzin binnen tien maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen tien maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. ### Artikel 26l -**1.** Een aanvraag tot goedkeuring van een nieuw ontwikkeld beroepsgericht keuzevak wordt ingediend bij Onze Minister door middel van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier. +**1.** Het bevoegd gezag van de in artikel 26k, eerste lid, bedoelde scholen en scholengemeenschappen overlegt met de andere soortgelijke scholen en scholengemeenschappen in de door Onze Minister op voorstel van de provincie aangewezen regio, over de doelmatigheid van het verzorgen van de intrasectorale programma's, gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van v.b.o. -**2.** +**2.** Bij inwilliging van een aanvraag voor het verzorgen van het intrasectorale programma metalektro, instalektro of bouw-breed dienen in de regio, bedoeld in het eerste lid, ten minste verzorgd te blijven worden de afdelingsprogramma's van onderscheidenlijk de afdelingen bouwtechniek, metaaltechniek en elektrotechniek in de basisberoepsgerichte leerweg. Onze Minister kan de eerste volzin buiten toepassing laten indien de situatie in de regio daar aanleiding toe geeft. -Bij ministeriële regeling worden voorwaarden vastgesteld waaraan nieuwe beroepsgerichte keuzevakken moeten voldoen. Daartoe behoren in elk geval voorwaarden met betrekking tot: +**3.** Onze Minister kan aan het bevoegd gezag van een in artikel 26k, eerste lid, bedoelde school of scholengemeenschap toestemming verlenen tot het verzorgen van intrasectorale programma's, indien deze school of scholengemeenschap gerechtigd is, onderwijs te verzorgen in de afdelingen die onderdeel uitmaken van die intrasectorale programma's. De in de eerste volzin bedoelde toestemming geldt voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg in elk geval voor de plaatsen waar het onderwijs in al deze afdelingen wordt verzorgd. -a. de aard en omvang van het beroepsgerichte keuzevak; -b. de opbouw van de leerstof, gedifferentieerd naar de verschillende leerwegen waarin het beroepsgerichte keuzevak kan worden aangeboden; en -c. de mate waarin het nieuwe beroepsgerichte keuzevak zich onderscheidt van reeds bestaande beroepsgerichte keuzevakken. +**4.** Indien de aanvraag betrekking heeft op het intrasectorale programma zorg en welzijn-breed of op het intrasectorale programma handel en administratie, kan in afwijking van de eerste volzin van het derde lid, de toestemming worden verleend ondanks het ontbreken van een afdeling, indien de school of scholengemeenschap gerechtigd is onderwijs te verzorgen in de afdeling verzorging respectievelijk in de afdeling handel en verkoop. -**3.** Onze Minister besluit binnen dertien weken op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid en laat zich daarbij adviseren door een onafhankelijke adviescommissie. +**5.** Onze Minister kan bij de beoordeling van aanvragen voor het verzorgen van intrasectorale programma's ook andere dan de in de voorgaande leden bedoelde aspecten betrekken die verband houden met de doelmatigheid van het verzorgen van de intrasectorale programma's gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van v.b.o. -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften gegeven worden over de procedure voor het verlenen van goedkeuring aan nieuw ontwikkelde beroepsgerichte keuzevakken. - -**5.** Als Onze Minister de aanvraag inwilligt, neemt hij het nieuwe beroepsgerichte keuzevak uiterlijk met ingang van 1 augustus daaropvolgend op in de regeling, bedoeld in artikel 26j, eerste lid. +**6.** Onze Minister kan in bijzondere gevallen, verband houdend met de doelmatigheid van het verzorgen van de intrasectorale programma's gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van v.b.o., afwijken van de voorschriften in de voorgaande leden, met dien verstande dat afwijking van de in het derde of vierde lid bedoelde voorwaarden niet kan geschieden indien de school of scholengemeenschap niet over ten minste één afdeling beschikt die onderdeel uitmaakt van het intrasectorale programma. ### Artikel 26m -Vervallen +Een ingevolge artikel 26k verleende toestemming tot het verzorgen van een intrasectoraal programma vervalt van rechtswege met ingang van een schooljaar indien het desbetreffende intrasectorale programma gedurende de twee daaraan voorafgaande schooljaren door geen leerlingen is bezocht. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt uitgegaan van het aantal leerlingen op 1 oktober van elk van de twee in die volzin bedoelde schooljaren. ### Artikel 26n -**1.** Het bevoegd gezag van een school voor mavo of vbo kan een leerling, na overleg met de leerling en, indien de leerling minderjarig is, met diens ouders, voogden of verzorgers, ontheffing verlenen van het volgen van het onderwijs in lichamelijke opvoeding, indien de leerling vanwege diens lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende ontheffing en vermeldt daarbij de gronden waarop deze ontheffing berust. +**1.** Het bevoegd gezag van een school voor m.a.v.o. of v.b.o. kan een leerling, na overleg met de leerling en, indien de leerling minderjarig is, met diens ouders, voogden of verzorgers, vrijstelling verlenen van het volgen van het onderwijs in het vak lichamelijke opvoeding, indien de leerling vanwege diens lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag geeft de inspectie kennis van de verleende vrijstelling en vermeldt daarbij de gronden waarop deze vrijstelling berust. **2.** -Het bevoegd gezag kan toestaan dat een ontheffing, verleend voor de eerste twee leerjaren van het volgen van een tweede moderne vreemde taal, tevens geldt als ontheffing voor die taal voor de periode waarin de leerling onderwijs in de kaderberoepsgerichte, theoretische of gemengde leerweg volgt, met dien verstande dat Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde in de plaats komt van het onderwijs in de taal waarvoor de vrijstelling is verleend. Deze toestemming kan slechts worden verleend ten behoeve van leerlingen die: +Het bevoegd gezag kan goedkeuren dat een vrijstelling die op grond van artikel 11e van de wet voor de periode van de basisvorming is verleend voor de tweede moderne vreemde taal, zijnde Franse taal of Duitse taal, tevens geldt als vrijstelling voor dat vak voor de periode waarin de leerling onderwijs in de sector economie van een van de leerwegen volgt, met dien verstande dat een van de vakken Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal of maatschappijleer II in de plaats komt van het onderwijs in de taal waarvoor de vrijstelling is verleend. Deze goedkeuring kan slechts worden verleend ten behoeve van leerlingen die: -a. op grond van artikel 22, tweede lid, beschikken over een ontheffing en deze ontheffing wordt voortgezet, -b. in de periode van de eerste twee leerjaren onderwijs in de Arabische taal, de Turkse taal, of Spaanse taal volgden, of +a. in de periode van de basisvorming onderwijs in de taal van het land van oorsprong, bedoeld in artikel 16 van de wet, volgden, of +b. voor de eerste maal tot een school zijn toegelaten en daarbij zijn geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste en voordien buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs hebben gevolgd en daarbij geen of te weinig onderwijs in het desbetreffende vak hebben genoten, of c. onderwijs gaan volgen in de basisberoepsgerichte leerweg en die in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar leerwegondersteunend onderwijs volgden. -**3.** Dit artikel geldt tevens voor leerlingen die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school zijn toegelaten. - -**4.** De leerling van een school voor vmbo, voor zover het betreft de theoretische leerweg, die in het bezit is van het diploma vmbo in de kaderberoepsgerichte leerweg of de basisberoepsgerichte leerweg en die in plaats van de vakken, als bedoeld in artikel 10b van de wet, of als extra vak examen heeft afgelegd in één of meer vakken van artikel 10 van de wet of artikel 26c dan wel 26b, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak respectievelijk deze vakken. - -**5.** De leerling van een school voor vmbo, voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg, die in het bezit is van een diploma vmbo in een andere leerweg, en die in plaats van de vakken, bedoeld in artikel 10b, of als extra vak, examen heeft afgelegd in één of meer vakken van artikel 10 van de wet, artikel 26b of artikel 26c, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak respectievelijk deze vakken. - -**6.** De leerling van een school voor vmbo, voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, die in het bezit is van een diploma vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg, de theoretische leerweg of de gemengde leerweg, en die in plaats van de vakken, bedoeld in artikel 10b van de wet, of als extra vak, examen heeft afgelegd in één of meer vakken van artikel 10b van de wet, artikel 26b dan wel artikel 26c, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak respectievelijk deze vakken. - -**7.** De leerling van een school voor vmbo, voor zover het betreft de gemengde leerweg, die in het bezit is van een diploma vmbo en die in plaats van de vakken, bedoeld in artikel 10d, of als extra vak, examen heeft afgelegd in één of meer vakken van artikel 10 of artikel 10b van de wet, of artikel 26b dan wel artikel 26c, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak, respectievelijk deze vakken. - -### Artikel 26o - -Vervallen - -### Paragraaf 4. Toevoeging gemengde leerweg en profielen in het kader van regionale samenwerking +#### Paragraaf 4. Voorwaarden verzorgen onderdelen programma v.m.b.o. beroepsgerichte leerwegen of gemengde leerweg door andere school ### Artikel 27 -**1.** Onderwijs in de gemengde leerweg als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel e, van de wet kan worden gegeven aan een school voor vbo of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien het bevoegd gezag met het bevoegd gezag van een school voor mavo een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding en de examinering. +**1.** Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school voor v.b.o. of het bevoegd gezag van een scholengemeenschap of school als bedoeld in artikel 10d, eerste lid, van de wet, toestemming verlenen aan datzelfde bevoegd gezag voor zover het betreft een andere school voor v.b.o., of aan een ander bevoegd gezag van een school voor v.b.o. dan die waar de desbetreffende leerlingen zijn ingeschreven, om vakken en programma-onderdelen te verzorgen als bedoeld in artikel 10b, tiende lid, onderdeel d, of artikel 10d, tiende lid, onderdeel d, van de wet, mits dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van v.b.o. -**2.** Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op onderwijs in de gemengde leerweg als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel e, van de wet dat wordt gegeven aan een school voor mavo. +**2.** Aan de aanvraag ligt een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst ten grondslag tussen de in het eerste lid bedoelde bevoegde gezagsorganen, tenzij de in het eerste lid bedoelde scholen in stand worden gehouden door hetzelfde bevoegd gezag. Uit de samenwerkingsovereenkomst moet blijken dat noch de aanvang noch de beëindiging van het verzorgen van vakken en programma-onderdelen door een andere school voor v.b.o., bedoeld in het eerste lid, leidt tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel. + +**3.** De aanvraag kan ertoe strekken dat het bevoegd gezag dat de aanvraag indient, de mogelijkheid krijgt leerlingen in te schrijven voor v.b.o.-afdelingen waarin dat bevoegd gezag niet gerechtigd is onderwijs te verzorgen maar waartoe het bevoegd gezag waarmee de in het tweede lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst is gesloten, wel gerechtigd is. + +**4.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 november voorafgaand aan het eerste schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, aan Onze Minister gezonden. Bij de aanvraag wordt meegezonden de in het tweede lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst. + +**5.** Artikel 26k, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +**6.** De in het eerste lid bedoelde toestemming vervalt zodra een bevoegd gezag niet meer deelneemt aan de in het tweede lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst. + +**7.** Zodra een bevoegd gezag niet meer deelneemt aan de in het tweede lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst terwijl die samenwerkingsovereenkomst voor het overige in stand blijft, stelt dit bevoegd gezag Onze Minister daarvan in kennis. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde toestemming voor zover het de andere dan de in de eerste volzin bedoelde bevoegde gezagsorganen betreft intrekken indien het verzorgen van de vakken of programma-onderdelen gelet op het uittreden van het bevoegd gezag niet langer doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van v.b.o. ### Artikel 28 -Het profiel groen, bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdeel i, van de wet kan op grond van artikel 72, derde lid, onderdeel f, van de wet worden toegevoegd aan een school voor vbo indien: - -a. het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum deelneemt aan de desbetreffende regionale samenwerking, of -b. het bevoegd gezag van het agrarisch opleidingscentrum waarvan een vestiging het dichtst gelegen is bij de vestiging waar het onderwijs in het profiel groen zal worden verzorgd, heeft verklaard daarmee in te stemmen. - -### Artikel 28a - -Het profiel dienstverlening en producten, bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdeel j, van de wet kan op grond van artikel 72, derde lid, onderdeel g, van de wet worden toegevoegd aan een agrarisch opleidingscentrum indien het onderwijs binnen dat profiel voorbereidend beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel betreft. - -### Paragraaf 5. Maatschappelijke stage +Vervallen ### Artikel 29 -Vervallen +Vervallen. + +#### Paragraaf 5. Stichten van afdelingen v.b.o. ### Artikel 30 -Vervallen +Onze Minister neemt een afdeling als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de wet, op in het plan van scholen, bedoeld in artikel 65 van de wet, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die afdeling zal worden bezocht door ten minste 120 leerlingen, gelet op: -### Artikel 30a +a. het bepaalde in artikel 69, vijfde lid, van de wet, +b. de belangstelling voor de desbetreffende afdeling en +c. het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, waaronder die verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. -**1.** - -De stage-overeenkomst voor de maatschappelijke stage bevat in elk geval: - -a. de leerdoelen; -b. de activiteiten die de leerling moet ontplooien om de leerdoelen te bereiken; -c. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de onder b bedoelde activiteiten; -d. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder. - -**2.** De stage-overeenkomst bepaalt voorts wie de verzekering tegen het financiële risico van ongevallen en tegen wettelijke aansprakelijkheid van de leerling voor de tijd dat deze zich bevindt bij de stagebieder zal sluiten en ten laste van wie de te betalen premie zal komen, indien een zodanige verzekering wordt gesloten. - -**3.** Indien er geen externe stagebieder is aan te wijzen, dan wordt de stage-overeenkomst gesloten tussen het bevoegd gezag en de leerling. - -**4.** In geval van minderjarigheid van de leerling wordt de stage-overeenkomst mede door diens ouders, voogden of verzorgers ondertekend. - -### Paragraaf 6. Beroepsstage +#### Paragraaf 6. Stages ### Artikel 31 -**1.** Deze paragraaf is van toepassing op scholen voor mavo voor zover daaraan onderwijs in de gemengde leerweg wordt verzorgd, en op scholen voor vbo. +**1.** Deze paragraaf is van toepassing op scholen voor m.a.v.o. voor zover daaraan onderwijs in de gemengde leerweg wordt verzorgd, en op scholen voor v.b.o. -**2.** Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op arbeidstraining. Onder arbeidstraining wordt verstaan het onderricht in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep aan scholen voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, van de wet, voor zover dat onderricht plaatsvindt buiten de school voor praktijkonderwijs. +**2.** Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op arbeidstraining. Onder arbeidstraining wordt verstaan het onderricht in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep aan scholen en afdelingen voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, van de wet, voor zover dat onderricht plaatsvindt buiten de school of afdeling voor praktijkonderwijs. ### Artikel 32 -**1.** In het derde en vierde leerjaar kunnen de lessen in profielvakken of beroepsgerichte keuzevakken worden besteed aan stage. +**1.** In het derde en vierde leerjaar kunnen de lessen in afdelingsvakken of intrasectorale programma's worden besteed aan stage, met dien verstande dat in het derde leerjaar de stage ten hoogste 60 lesuren omvat, onverminderd het tweede lid. -**2.** Voor een school voor praktijkonderwijs bedraagt het in artikel 10f, vijfde lid, van de wet bedoelde aantal uren stage of arbeidstraining gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt verzorgd, met dien verstande dat voor leerlingen tot en met het schooljaar waarop zij de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt de stage of arbeidstraining per schoolweek ten hoogste 80% bedraagt van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt verzorgd. +**2.** Voor een school voor praktijkonderwijs bedraagt het in artikel 10f, vijfde lid, van de wet bedoelde aantal uren stage of arbeidstraining gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt verzorgd, met dien verstande dat voor leerlingen voor wie de partiële leerplicht nog niet is geëindigd, tot het einde van die leerplicht de stage of arbeidstraining per schoolweek ten hoogste 80% bedraagt van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt verzorgd. ### Artikel 33 @@ -829,68 +678,155 @@ e. een regeling die de inspectie in staat stelt toezicht te houden op de leeract Met het oog op de stage kan het bevoegd gezag ten behoeve van de leerlingen een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst met een of meer stagegevers aangaan waarin mede een of meer onderdelen van de stage-overeenkomst, bedoeld in artikel 35, tweede lid, worden opgenomen. -## Hoofdstuk IV. Beoordeling leerresultaten en monitor veiligheid op school +#### Paragraaf 7. Aanwijzing groepen leerlingen in verband met onderwijs in taal land van oorsprong ### Artikel 37 -**1.** +Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de volgende groepen leerlingen, onderwijs in de taal van het land van oorsprong van die leerlingen in het schoolplan opnemen: -De inspectie hanteert voor zover van toepassing de volgende indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten: +a. leerlingen die behoren tot de Molukse bevolkingsgroep; +b. leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije; +c. leerlingen die ten laste komen van een onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, niet zijnde Nederland; +d. leerlingen van wie ten minste een der ouders door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet. -a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaren; -b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren; -c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en -d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen. +## Deel II. VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS -**2.** De indicatoren worden onderscheiden naar de in artikel 23a1, eerste lid, van de wet genoemde schoolsoorten en leerwegen. - -**3.** Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid , onder a tot en met d, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaal-economische situatie van de leerlingen. - -**4.** De scores waarop het oordeel over de in het eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd. - -### Artikel 37a - -Bij ministeriële regeling worden nadere regels gegeven met betrekking tot de berekening van de indicatoren, genoemd in artikel 37, eerste lid, waaronder begrepen de toe te passen correcties, bedoeld in het derde en vierde lid van dat artikel. Voorts worden bij die regeling regels gegeven met betrekking tot: - -a. de aard en de aantallen gegevens die ten minste nodig zijn voor de toepassing van de indicatoren; -b. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende onderwijsresultaat baseert, na toepassing van de indicatoren; -c. de wijze waarop per schoolsoort of leerweg de beoordelingen, gebaseerd op de afzonderlijke indicatoren, leiden tot een oordeel over de leerresultaten van die schoolsoort onderscheidenlijk leerweg. - -### Artikel 37b - -**1.** - -De indicatoren worden vastgesteld dan wel gewijzigd met inachtneming van de volgende procedure: - -a. gelet op recente ontwikkelingen, een eigen analyse en signalen van organisaties uit het onderwijsveld, beslist de inspecteur-generaal van het onderwijs of hij Onze Minister een voorstel doet voor het aanpassen van een indicator of voor het vaststellen van een nieuwe indicator; -b. over het concept-voorstel overlegt de inspecteur-generaal van het onderwijs met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld; -c. de inspecteur-generaal van het onderwijs legt het voorstel voor aan Onze Minister, onder vermelding van de wijze waarop in het voorstel rekening is gehouden met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld; -d. Onze Minister besluit naar aanleiding van het voorstel over wijziging van een indicator of vaststelling van een nieuwe indicator of een daarvoor noodzakelijk voorstel van wet of ontwerp-algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid. - -**2.** De wijze van meting en de aanpassing van de wijze van meting in het kader van toepassing van de indicatoren, alsmede de normering en de aanpassing van de normering, worden vastgesteld op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs. - -### Artikel 37b1 - -Het instrument ter monitoring van de veiligheid van leerlingen, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, onderdeel b, van de wet: - -a. geeft inzicht in de ervaren en feitelijke veiligheid en het welbevinden van de leerlingen, voor zover dat verband houdt met de veiligheid, op school; -b. wordt ten minste eens per schooljaar afgenomen onder een representatief deel van de leerlingen; en -c. is gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar. - -## Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen - -### Artikel 37c - -Dit besluit berust mede op artikel 23a1, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs. +### Hoofdstuk I. Algemene bepalingen ### Artikel 38 -Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. +In deel II van dit besluit wordt verstaan onder: + +*wet:* + deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs; + +*Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; + +*school:* een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 125 van de Wet op het voortgezet onderwijs, tenzij het tegendeel blijkt; + +*bevoegd gezag* voor wat betreft: + +a. een openbare school: het college van burgemeester en wethouders voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens een gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; +b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 175 van de wet; + +*ouders:* ouders, voogden of verzorgers; + +*schooljaar:* het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend; + +*stage:* de stage bedoeld in artikel 137 van de wet; + +*stagegever:* de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bij wie de stage wordt doorlopen; + +*stageleraar:* leraar van de school waarop de leerling is ingeschreven, belast met de begeleiding van de leerling tijdens de stage; + +*stagebegeleider:* degene die is belast met de begeleiding van de leerling en werkzaam is bij de stagegever; + +*symbiose:* onderwijs waarbij een leerling of leerlingen, ter uitvoering van een deel van het schoolplan, onderwijs ontvangt onderscheidenlijk ontvangen op een school voor voortgezet onderwijs; + +*ambulante begeleiding*: de begeleiding door een aan een school verbonden leraar van een of meer leerlingen het voortgezet onderwijs die zonder deze begeleiding zou onderscheidenlijk zouden zijn aangewezen op het onderwijs dat de school verzorgt, alsmede de ondersteuning van een school voor voortgezet onderwijs bij de opvang van zodanige leerlingen door een leraar, orthopedagoog, psycholoog of logopedist van de school; + +*teldatum:* een van de data, bedoeld in artikel 234 van de wet. + +### Hoofdstuk II. Stage ### Artikel 39 -Dit besluit wordt aangehaald als: Inrichtingsbesluit WVO. +Het onderwijs kan een stage omvatten die wordt gegeven op een of meer stageplaatsen. -## Bijlage 1 +### Artikel 40 + +Indien het onderwijs een stage omvat, worden het doel, de inhoud, de omvang, de opbouw en de organisatie van de stage beschreven in een stageplan. + +### Artikel 41 + +**1.** De duur van de stage bedraagt ten hoogste twintig weken per schooljaar, gedurende ten hoogste 3 schooljaren. + +**2.** Ten behoeve van het voorzien in of de voltooiing van een stage kan de inspecteur op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Hij kan daarbij voorschriften geven. + +### Artikel 42 + +**1.** Het bevoegd gezag sluit met de leerling of diens wettelijke vertegenwoordiger en de stagegever te zamen een schriftelijke stage-overeenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten ontplooit in het kader van het stageplan. + +**2.** + +De stage-overeenkomst bevat in elk geval: + +a. de leeractiviteiten die de leerling moet ontplooien en de werkzaamheden die hij bij de stagegever moet verrichten; +b. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de stage; +c. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagegever waarin in elk geval duidelijk wordt gemaakt welk aandeel in de begeleiding door de stageleraar van de school waarop de leerling is ingeschreven, alsmede door de stagebegeleider, aan te wijzen door of namens het bevoegd gezag onderscheidenlijk de stagegever, wordt verzorgd; +d. de wijze waarop de stagegever bij de beoordeling van de leeractiviteiten van de leerling wordt betrokken; +e. een regeling die de inspecteur in staat stelt zich op de hoogte te stellen van de leeractiviteiten die de leerling bij de stagegever ontplooit. + +### Artikel 43 + +Het bevoegd gezag draagt zorg dat de leerling gedurende de stage en gedurende de reis van de school naar het terrein van de stagegever en omgekeerd, alsmede de stageleraar gedurende de tijd dat hij zich bevindt op het terrein van de stagegever, zijn verzekerd tegen het risico van ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid. Van de verplichting bedoeld in de vorige volzin, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen, indien het godsdienstige of levensbeschouwelijke bezwaren heeft tegen verzekering. Onze Minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen waaruit de gevolgen van een ongeval of van aansprakelijkheid in geval van schade aan derden kunnen worden gedekt. + +### Hoofdstuk III. Symbiose + +### Artikel 44 + +Indien symbiose plaatsheeft, volgt de leerling, dan wel volgen de leerlingen aan de school of inrichting voor voortgezet onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs. + +### Artikel 45 + +**1.** Voor symbiose is vereist dat tussen het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een school of inrichting voor voortgezet onderwijs een schriftelijke overeenkomst inzake de uitvoering daarvan wordt gesloten. + +**2.** + +De overeenkomst bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan voor een termijn van ten minste 2 aaneengesloten schooljaren en bevat in elk geval: + +a. de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan; +b. de vakken waarin de leerling, dan wel de leerlingen van de school onderwijs zullen ontvangen op de school of inrichting voor voortgezet onderwijs; +c. het aantal lesuren per week dat per vak als bedoeld in onderdeel *b*, ten minste zal kunnen worden geboden; +d. de afspraken welke worden gemaakt inzake de aanwezigheid bij de lessen van een leraar van de school; +e. of en zo ja, welk bedrag voor door de leerling, dan wel de leerlingen van de school verbruikte materialen jaarlijks aan het bevoegd gezag van de school of inrichting voor voortgezet onderwijs zal worden betaald; +f. of en zo ja, welk bedrag voor het gebruik van de lokalen van de school of inrichting voor voortgezet onderwijs jaarlijks aan het bevoegd gezag van die school of inrichting zal worden betaald. + +### Artikel 46 Vervallen + +### Hoofdstuk IV. Ambulante begeleiding, partieel en tijdelijk meetellen van leerlingen + +### Artikel 47 + +Leerlingen die ten minste 1 jaar voortgezet speciaal onderwijs hebben gevolgd op een school waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 125, tweede lid, van de wet en die op grond van een advies van de commissie waarin ambulante begeleiding als voorwaarde wordt gesteld, zijn ingeschreven bij een school voor voortgezet onderwijs of een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs tellen op de eerstvolgende teldatum na die inschrijving voor ^1/_4 mee bij het bepalen van de formatie, bedoeld in artikel 233 van de wet. + +### Artikel 48 + +De leerlingen bedoeld in artikel 47, komen gedurende ten hoogste 1 jaar direct volgend op hun in dat artikel bedoelde inschrijving voor ambulante begeleiding in aanmerking. + +### Hoofdstuk V. Bewijzen van bekwaamheid + +### Artikel 49 + +De bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in een allochtone levende taal als bedoeld in artikel 273 van de wet zijn: + +a. het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer voor buitenlandse onderwijsgevenden; +b. het diploma van de applicatiecursus eigen taal en cultuur te zamen met + +1°. een verklaring van het Instituut voor Toetsontwikkeling dat de toets Nederlands als tweede taal voor OETC-leraren met goed gevolg is afgelegd, +2°. een diploma van het staatsexamen Nederlands als tweede taal volgens programma II, +3°. een verklaring van het Instituut voor Toetsontwikkeling dat een, twee of drie onderdelen van de toets Nederlands als tweede taal voor OETC-leraren met goed gevolg is onderscheidenlijk zijn afgelegd alsmede de met de overige onderdelen van die toets overeenkomende certificaten van het staatsexamen Nederlands als tweede taal volgens programma II, +4°. een certificaat Nederlands als vreemde taal van de Nederlandse Taalunie waarbij de examens op het hoogste niveau zijn afgelegd, +5°. een diploma, een certificaat Nederlandse taal en letterkunde of een certificaat Nederlandse taal van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het hoger algemeen voortgezet onderwijs of een opleiding van het middelbaar beroepsonderwijs die uitsluitend of mede is gericht op doorstroming naar het hoger beroepsonderwijs, +6°. één van de bewijzen van bekwaamheid, genoemd in artikel 286, eerste lid, van de wet, dan wel een bevoegdheid op grond van artikel 286, tweede lid eerste volzin, van de wet, +7°. een met een onder 5° of 6° bedoeld diploma vergelijkbaar diploma behaald in het Nederlandstalige onderwijs in België, +8°. een getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de vierjarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Arabisch, of +9°. een getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de vierjarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Turks; +c. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar in één der allochtone levende talen in het primair onderwijs; +d. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, tezamen met een verklaring dat de leerroute onderwijs in allochtone levende talen met gunstig resultaat is voltooid; +e. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de vierjarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Turks, of in Arabisch, tezamen met een verklaring dat de leerroute onderwijs in allochtone levende talen met gunstig resultaat is voltooid; +f. het diploma van de pedagogisch-didactische cursus onderwijs in een allochtone levende taal. + +De bevoegdheid bedoeld in de eerste volzin betreft het geven van onderwijs in de taal van het land van oorsprong van de bezitter van het diploma of van diens ouders. + +### Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen + +### Artikel 50 + +Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. + +### Artikel 51 + +Dit besluit wordt aangehaald als: Inrichtingsbesluit W.V.O.