2002-09-01 | BWBR0005682 | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
This commit is contained in:
parent
96c0c14a7d
commit
82abdfb844
1 changed files with 417 additions and 251 deletions
|
|
@ -22,7 +22,7 @@ a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor
|
|||
b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;
|
||||
c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;
|
||||
d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;
|
||||
e. initieel onderwijs: hoger onderwijs dat aansluit op de tweede fase van het voortgezet onderwijs;
|
||||
e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a;
|
||||
f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.2;
|
||||
g. instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder *a* of *b*;
|
||||
h. openbare instelling: een instelling die uitgaat van de overheid;
|
||||
|
|
@ -36,14 +36,15 @@ j. instellingsbestuur:
|
|||
- voorzover het een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid betreft: het ingevolge deze wet terzake bevoegde orgaan;
|
||||
k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
|
||||
l. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 5.1;
|
||||
m. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3;
|
||||
m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3;
|
||||
n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, of artikel 7.7a ;
|
||||
o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleiding voor het beroep van arts is ingesteld;
|
||||
o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld;
|
||||
p. waarborgfonds: het fonds bedoeld in artikel 2.15;
|
||||
q. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.
|
||||
q. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank;
|
||||
r. accreditatieorgaan: accreditatieorgaan hoger onderwijs als bedoeld in artikel 5a.2;
|
||||
s. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld;
|
||||
t. toets nieuwe opleiding: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuwe opleiding positief is beoordeeld.
|
||||
t. toets nieuwe opleiding: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuwe opleiding positief is beoordeeld;
|
||||
u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -58,9 +59,9 @@ d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koni
|
|||
|
||||
**1.** Universiteiten hebben het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek tot taak. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.
|
||||
|
||||
**2.** Hogescholen hebben het verzorgen van hoger beroepsonderwijs tot taak. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.
|
||||
**2.** Hogescholen hebben het verzorgen van hoger beroepsonderwijs tot taak. Zij kunnen onderzoek verrichten voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen, zij verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht.
|
||||
|
||||
**3.** De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. In elk geval verzorgt zij initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.
|
||||
**3.** De Open Universiteit heeft het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en van hoger beroepsonderwijs tot taak, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** De universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
|
||||
|
||||
|
|
@ -72,7 +73,7 @@ d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koni
|
|||
|
||||
**3.** Het ondersteunen van leerlingen, bedoeld in het tweede lid, kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.
|
||||
|
||||
**4.** Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid.
|
||||
**4.** Het academisch ziekenhuis, de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in het tweede lid, in stand houdt en het personeel van de educatieve voorziening zijn gehouden aan de inspectie, alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de ondersteuning bij het onderwijs, bedoeld in het tweede en het derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -102,9 +103,9 @@ Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische asp
|
|||
|
||||
### Artikel 1.9
|
||||
|
||||
**1.** Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder *a*, *c* en *h* genoemde instellingen en de gemeenten en openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet genoemde instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover opleidingen zijn geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.
|
||||
**1.** Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder *a*, *c* en *h* genoemde instellingen en de gemeenten en openbare lichamen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet genoemde instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid wordt het onderwijsgebonden onderzoek aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende initieel onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door de bekostigde instellingen, is een getuigschrift verbonden als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, voorzover opleidingen zijn geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen die in het bezit zijn van een dergelijk getuigschrift onderscheidenlijk hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de titels te voeren, genoemd in de artikelen 7.20 tot en met 7.22.
|
||||
**2.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -114,7 +115,7 @@ a. de kwaliteitszorg,
|
|||
b. de planning en bekostiging,
|
||||
c. het personeel,
|
||||
d. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,
|
||||
e. de vooropleidingseisen,
|
||||
e. de vooropleidings- of toelatingseisen,
|
||||
f. de studenten en extraneï,
|
||||
g. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en
|
||||
h. het bestuur en de inrichting.
|
||||
|
|
@ -127,9 +128,9 @@ h. het bestuur en de inrichting.
|
|||
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
**1.** De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7 met uitzondering van titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titels 1 en 2, 10, met uitzondering van de artikelen 10.8 en 10.33, en 11 regelen het openbaar hoger onderwijs.
|
||||
**1.** De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7 met uitzondering van artikel 7.3b en titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titels 1 en 2, 10, met uitzondering van de artikelen 10.8 en 10.33, en 11 regelen het openbaar hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7, met uitzondering van titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titel 3 en 10, titel 1, paragrafen 1, 2 en 4, titel 3, zijn voor het bijzonder hoger onderwijs, met uitzondering van artikel 9.51 voorzover het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, betreft, en artikel 10.33, voorwaarden voor bekostiging. Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, gelden in plaats van de bepalingen van hoofdstuk 7, titels 1 en 2, de bepalingen van artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, als zodanige voorwaarden.
|
||||
**2.** De bepalingen van de hoofdstukken 1, titel 3, 2, artikel 2.2 en titels 2, 3 en 4, 4, 6, artikel 6.2 en titel 4, 7, met uitzondering van artikel 7.3b en titel 1, paragraaf 4, 8, 9, titel 3 en 10, titel 1, paragrafen 1, 2 en 4, titel 3, zijn voor het bijzonder hoger onderwijs, met uitzondering van artikel 9.51 voorzover het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, betreft, en artikel 10.33, voorwaarden voor bekostiging. Ten aanzien van het onderwijs in opleidingen, bedoeld in artikel 1.9, vierde lid, gelden in plaats van de bepalingen van hoofdstuk 7, titels 1 en 2, de bepalingen van artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, als zodanige voorwaarden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Aangewezen instellingen voor hoger onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -139,7 +140,7 @@ Andere instellingen voor hoger onderwijs dan die genoemd in de bijlage van deze
|
|||
|
||||
### Artikel 1.12
|
||||
|
||||
**1.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door de aangewezen instellingen, is een getuigschrift verbonden als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, voorzover deze opleidingen zijn geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen die in het bezit zijn van een dergelijk getuigschrift onderscheidenlijk hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de titels te voeren, genoemd in de artikelen 7.20 tot en met 7.22.
|
||||
**1.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door aangewezen instellingen, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -153,6 +154,12 @@ c. de vooropleidingseisen.
|
|||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het instellingsbestuur doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2a. Postinitiële masteropleidingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.12a
|
||||
|
||||
Aan de met goed gevolg afgelegde examens van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3b, verzorgd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden, voorzover aan die opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.13
|
||||
|
|
@ -210,6 +217,8 @@ d. het bestuur en de inrichting.
|
|||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur van een in artikel 1.2, onderdelen a en b, bedoelde instelling draagt er tevens zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De laatste twee volzinnen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. Bij de beoordeling worden ten minste de accreditatiekaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, in acht genomen.
|
||||
|
||||
**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1
|
||||
|
|
@ -315,9 +324,7 @@ De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de minister
|
|||
|
||||
### Artikel 2.11
|
||||
|
||||
**1.** Een in artikel 7.5 bedoelde universiteit en de daarmee samenwerkende hogescholen bereiken jaarlijks overeenstemming over de besteding van dat gedeelte van de rijksbijdrage dat blijkens mededeling van Onze minister ten behoeve van de desbetreffende lerarenopleiding beschikbaar is. Het bestuur van de universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan de met die universiteit samenwerkende hogescholen het in de eerste volzin bedoelde gedeelte van de rijksbijdrage.
|
||||
|
||||
**2.** Het gedeelte van de rijksbijdrage dat wordt berekend op de wijze als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, tweede volzin, wordt besteed aan het desbetreffende onderwijs.
|
||||
Het gedeelte van de rijksbijdrage dat wordt berekend op de wijze als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, tweede volzin, wordt besteed aan het desbetreffende onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -514,33 +521,15 @@ e. de wijze waarop in het secretariaat van de commissie van beroep wordt voorzie
|
|||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
**1.** Het toezicht op het hoger onderwijs, met uitzondering van het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, is opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het onderwijs onder leiding van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Het toezicht op het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving is opgedragen aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het landbouwonderwijs.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De inspectie is belast met:
|
||||
|
||||
a. het onderzoek betreffende het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.18, tweede lid,
|
||||
b. het bekend blijven met de toestand van het hoger onderwijs onder meer door bezoek aan de instellingen voor hoger onderwijs,
|
||||
c. het toezien op de naleving van de op het hoger onderwijs betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen en reglementen,
|
||||
d. het desgevraagd of uit eigen beweging rapporteren aan Onze minister over de toestand van het hoger onderwijs en het doen van voorstellen die zij in het belang van dat onderwijs nodig acht, en met
|
||||
e. het bijdragen aan de ontwikkeling van het hoger onderwijs door overleg met de organen van de instellingen voor hoger onderwijs alsmede met personeel en studenten van die instellingen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
**1.** Ter uitvoering van artikel 5.2, onder *a*, kan de inspectie commissies van onafhankelijke deskundigen instellen. Zij draagt zorg voor de organisatie en administratieve ondersteuning van die commissies.
|
||||
|
||||
**2.** Een commissie als bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een door de inspectie te bepalen aantal deskundigen. De inspectie benoemt de voorzitter en de overige leden. Aan hen kan een tegemoetkoming, vergoeding van kosten dan wel beide worden toegekend. De benoeming geschiedt voor de duur van de werkzaamheden van de commissie.
|
||||
|
||||
**3.** De commissie maakt een verslag van haar werkzaamheden en bevindingen. Zij zendt dit verslag door tussenkomst van de inspectie aan Onze minister. Onze minister maakt het verslag, vergezeld van zijn oordeel, openbaar uiterlijk twee maanden nadat het verslag door hem is ontvangen.
|
||||
|
||||
**4.** Voordat de commissie tot verzending van haar verslag overgaat, stelt zij de betrokken instelling of instellingen in de gelegenheid daarvan kennis te nemen en desgewenst met haar binnen een door haar te bepalen termijn overleg te plegen. Indien binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn geen overleg heeft plaatsgevonden dan wel in dat overleg geen overeenstemming wordt bereikt over door de betrokken instelling of instellingen gewenste wijzigingen van het verslag, wordt daarvan in een bijlage bij dat verslag melding gemaakt met alle in verband daarmede van belang zijnde gegevens.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -548,13 +537,15 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, pleegt de inspectie overleg met door Onze minister welke het aangaat, aangewezen ambtenaren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.1
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
**2.** Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b verzorgen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder instellingsbestuur mede begrepen het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
### Titel 1. Accreditatieorgaan
|
||||
|
||||
|
|
@ -613,7 +604,7 @@ Het accreditatieorgaan stelt een bestuursreglement vast. Het bestuursreglement e
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.8
|
||||
|
||||
**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de accreditatie van opleidingen vast in afzonderlijke accreditatiekaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. In de accreditatiekaders wordt tevens bepaald welke gegevens het instellingsbestuur meezendt bij een verzoek om accreditatie.
|
||||
**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de accreditatie van opleidingen vast in afzonderlijke accreditatiekaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen. In de accreditatiekaders wordt tevens bepaald welke gegevens het instellingsbestuur meezendt bij een verzoek om accreditatie, waartoe in elk geval behoort de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur zal worden verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het verlenen van accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit, die betrekking hebben op het niveau van de opleiding, de onderwijsinhoud, het onderwijsproces, de opbrengsten van het onderwijs van de opleiding, voldoende voorzieningen die noodzakelijk zijn om de opleiding te kunnen verzorgen, een adequate methode die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, wordt gehanteerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -662,13 +653,15 @@ Dit artikel is nog niet in werking getreden.
|
|||
|
||||
**1.** Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. De instelling stelt de redelijke termijn vast gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van studenten voor wie het niet mogelijk is de opleiding aan een andere instelling te voltooien, indien zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen.
|
||||
|
||||
**2.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
**2.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**3.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een aangewezen instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
**3.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een aangewezen instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, eerste lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.9, zesde lid, geen accreditatie is verleend.
|
||||
**4.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste tot en met vierde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
|
||||
**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, eerste lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.9, zesde lid, geen accreditatie is verleend.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.12a
|
||||
|
||||
|
|
@ -710,7 +703,11 @@ De tarieven die het accreditatieorgaan op grond van de artikelen 5a.9, achtste l
|
|||
|
||||
### Artikel 6.1
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van titel 4, en wat betreft de titels 2 en 3, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
|
||||
**1.** De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.
|
||||
|
||||
**2.** Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
**3.** Titel 3 heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.3b.
|
||||
|
||||
### Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -748,7 +745,7 @@ Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een bestaande opleiding de recht
|
|||
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van het onderwijs in die opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest,
|
||||
b. de verzorging van de opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, dan wel
|
||||
c. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.
|
||||
c. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidings- of toelatingseisen.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 6.4, tweede lid, is van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -789,7 +786,7 @@ Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een bestaande opleiding de recht
|
|||
a. gebleken is dat de kwaliteit van het onderwijs in die opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest, dan wel
|
||||
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen.
|
||||
|
||||
**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 6.5, derde lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -810,17 +807,25 @@ b. indien uit de gegevens betreffende de aanmelding voor registratie, bedoeld in
|
|||
|
||||
### Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 6.12a
|
||||
|
||||
In deze titel wordt mede begrepen onder:
|
||||
|
||||
a. instelling: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid,
|
||||
b. instellingsbestuur: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, en
|
||||
c. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, tenzij anders bepaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.13
|
||||
|
||||
**1.** Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. De Informatie Beheer Groep is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.
|
||||
|
||||
**2.** Het register wordt jaarlijks voor 1 juli bekendgemaakt. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de *Staatscourant*. Het register heeft betrekking op het studiejaar dat aanvangt in het kalenderjaar na die bekendmaking.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, en taal en cultuur. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding de volgende gegevens:
|
||||
Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt,
|
||||
b. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,
|
||||
|
|
@ -829,17 +834,24 @@ d. de indeling in het register,
|
|||
e. de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.15, daaronder ten minste begrepen afstudeerrichtingen binnen opleidingen en differentiaties binnen opleidingen op het gebied van de kunst en binnen lerarenopleidingen op het gebied van de kunst,
|
||||
f. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,
|
||||
g. de studielast,
|
||||
h. of aan een opleiding een propedeutisch examen is verbonden en tevens een kandidaatsexamen,
|
||||
h. of aan een opleiding een propedeutisch examen is verbonden,
|
||||
i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,
|
||||
j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,
|
||||
k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,
|
||||
l. de gemeente waar de opleiding wordt verzorgd;
|
||||
m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, eerste lid, tweede volzin, vastgestelde termijn,
|
||||
n. de door de minister op grond van de artikelen 5a.12, vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, vastgestelde termijn,
|
||||
n. de door de minister op grond van de artikelen 5a.12, vijfde lid, of 5a.15, tweede lid, vastgestelde termijn,
|
||||
o. het door een instelling op grond van artikel 5a.12a, eerste lid, genomen besluit,
|
||||
p. de bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.
|
||||
|
||||
**5.** Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:
|
||||
|
||||
a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en
|
||||
b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen c, m en n.
|
||||
|
||||
**6.** Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.14
|
||||
|
||||
|
|
@ -859,34 +871,30 @@ p. de bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip wa
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van een opleiding indien:
|
||||
De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:
|
||||
|
||||
a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,
|
||||
b. Onze minister met toepassing van artikel 6.4 dan wel 6.8 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden,
|
||||
c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel
|
||||
d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.10, 6.11 of 6.12 heeft besloten dat de aanwijzing niet betrekking zal hebben op de opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de opleiding niet meer openstaat.
|
||||
**2.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de bacheloropleiding niet meer openstaat.
|
||||
|
||||
### Titel 4
|
||||
|
||||
### Artikel 6.16
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van voortgezette kunstopleidingen en voortgezette opleidingen bouwkunst als bedoeld in artikel 7.4, vijfde lid, bestaat uitsluitend aanspraak op de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, indien Onze minister, na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, heeft ingestemd met de instelling van een dergelijke opleiding. De artikelen 6.4 en 6.8 zijn niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Bij zijn besluit neemt Onze minister in acht een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het desbetreffende onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister kan aan zijn instemming beperkingen verbinden ten aanzien van de gemeente of gemeenten waar het onderwijs wordt aangeboden. Artikel 7.17 is in een dergelijk geval niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** De aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, eerste lid, geldt als verzoek om instemming. De artikelen 6.3 en 6.14, tweede lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Onze minister neemt een besluit omtrent de instemming vóór 1 mei van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin een aanvang gemaakt zal worden met het onderwijs. Indien Onze minister besluit die instemming te geven, registreert de Informatie Beheer Groep de opleiding in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 7.1
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van artikel 7.17, en wat betreft de titels 1, 2 en 2a, met uitzondering van artikel 7.17, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk met uitzondering van artikel 7.17 heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen en op de Open Universiteit.
|
||||
|
||||
**2.** De titels 1, 2 en 2a van dit hoofdstuk met uitzondering van artikel 7.17 hebben betrekking op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 7.10a heeft tevens betrekking op masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.3b.
|
||||
|
||||
### Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties
|
||||
|
||||
|
|
@ -902,64 +910,83 @@ c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs da
|
|||
|
||||
### Artikel 7.3
|
||||
|
||||
**1.** Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.
|
||||
**1.** Het initiële onderwijs wordt door de instelling aangeboden in de vorm van bacheloropleidingen en masteropleidingen.
|
||||
|
||||
**2.** Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Een onderwijseenheid kan betrekking hebben op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening en op de beroepsuitoefening in verband met het onderwijs in een duale opleiding, voorzover deze activiteiten onder begeleiding van het instellingsbestuur plaatsvinden.
|
||||
|
||||
**3.** Aan elke opleiding is een examen verbonden. Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden.
|
||||
|
||||
**4.** Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, met toestemming van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
|
||||
**4.** Elke opleiding wordt op de voet van titel 3 van hoofdstuk 6 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het vierde lid bedoelde toestemming aan tot welke door de instelling aangeboden opleiding het door betrokkene samengestelde programma voor de toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.
|
||||
|
||||
**6.** Elke opleiding, met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in het vierde lid, wordt op de voet van hoofdstuk 6, titel 3 geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. Een studiepunt is gelijk aan veertig uren studie. De studielast van een onderwijseenheid wordt uitgedrukt in hele studiepunten.
|
||||
|
||||
**2.** Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een opleiding 168 studiepunten.
|
||||
|
||||
**3.** De studielast van opleidingen voor het beroep van tandarts en wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 210 studiepunten. De studielast van opleidingen voor het beroep van arts, dierenarts en apotheker bedraagt 252 studiepunten.
|
||||
|
||||
**4.** De studielast van universitaire eerstegraads lerarenopleidingen en van lerarenopleidingen speciaal onderwijs bedraagt 42 studiepunten. De universitaire eerstegraads lerarenopleidingen kunnen volgen op opleidingen met een studielast van 168 of 210 studiepunten en de lerarenopleidingen speciaal onderwijs volgen op opleidingen met een studielast van 168 studiepunten. De studielast van de opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken en van de deeltijdse hogere kaderopleiding pedagogiek, die volgen onderscheidenlijk mede volgen op opleidingen gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in algemene vakken, bedraagt 63 studiepunten.
|
||||
|
||||
**5.** De studielast van voortgezette kunstopleidingen bedraagt ten hoogste 84 studiepunten. Deze opleidingen volgen op opleidingen op het gebied van de kunst met een studielast van 168 studiepunten. De studielast van voortgezette opleidingen bouwkunst bedraagt 168 studiepunten. Deze opleidingen volgen op bouwkunde opleidingen op het gebied van de techniek met een studielast van 168 studiepunten.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De studielast van de volgende opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt eveneens 210 studiepunten:
|
||||
|
||||
a. biomedische technologie, bouwkunde, civiele techniek, elektrotechniek, geodesie, industrieel ontwerpen, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, materiaalkunde, maritieme techniek, technische aardwetenschappen, scheikundige technologie, technische bedrijfskunde, technische bestuurskunde, technische informatica, techniek en maatschappij, technische natuurkunde, technische wiskunde, en werktuigbouwkunde aan de openbare universiteiten te Delft, Eindhoven en Enschede,
|
||||
b. biologie, farmaceutische wetenschappen, informatica, kunstmatige intelligentie, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, scheikundige technologie, technische natuurkunde, technische wiskunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Groningen,
|
||||
c. biologie, biotechnologie, bodem, water en atmosfeer, bos- en natuurbeheer, dierwetenschappen, landinrichting, levensmiddelentechnologie, milieukunde, moleculaire wetenschappen, plant- en gewaswetenschappen, en technologie en milieumanagement aan de openbare universiteit te Wageningen,
|
||||
d. biologie, biomedische wetenschappen, farmaceutische wetenschappen, informatica, life science and technology, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Leiden,
|
||||
e. aardwetenschappen, biologie, biomedische wetenschappen, informatica, kunstmatige intelligentie, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Amsterdam,
|
||||
f. aardwetenschappen, biologie, biomedische wetenschappen, cognitieve kunstmatige intelligentie, informatica, informatiekunde, milieu-natuurwetenschappen, natuur- en sterrenkunde, natuurwetenschap en innovatiemanagement, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de openbare universiteit te Utrecht,
|
||||
g. aardwetenschappen, bedrijfswiskunde en informatica, biologie, biomedische wetenschappen, farmaceutische wetenschappen, informatica, kunstmatige intelligentie, milieu-natuurwetenschappen, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de bijzondere universiteit te Amsterdam,
|
||||
h. algemene natuurwetenschappen, biologie, biomedische wetenschappen, informatica, milieu-natuurwetenschappen, moleculaire levenswetenschappen, natuur- en sterrenkunde, scheikunde, en wiskunde en statistiek aan de bijzonder universiteit te Nijmegen, en
|
||||
i. technische informatica aan de Open Universiteit.
|
||||
|
||||
**7.** Het instellingsbestuur van een universiteit kan bepalen dat een opleiding, bedoeld in het tweede lid, een grotere studielast heeft dan 168 studiepunten.
|
||||
|
||||
**8.** De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat de student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in de artikelen 5.12, eerste lid, en 10.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 of de norm vastgesteld krachtens artikel 5.12, vierde lid, of artikel 10.6, derde lid, van die wet.
|
||||
|
||||
**9.** Bij ministeriële regeling kunnen in het zesde lid worden opgenomen opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving, op het gebied van de natuur en op het gebied van de gezondheidszorg met een studielast van 210 studiepunten, voorzover ten aanzien van die opleidingen de toestemming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen, is verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5
|
||||
### Artikel 7.3a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Wetenschappelijk onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad wordt verzorgd aan:
|
||||
Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden:
|
||||
|
||||
a. universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, en
|
||||
b. de desbetreffende afstudeerrichtingen binnen opleidingen met een studielast van 168 of 210 studiepunten.
|
||||
a. bacheloropleidingen, en
|
||||
b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een in de bijlage van deze wet genoemde universiteit een opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs instelt voor vakken van voortgezet onderwijs waarvoor bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, een aan een universiteit verkregen getuigschrift van met goed gevolg afgelegd examen van een universitaire eerstegraads lerarenopleiding van deze wet als bewijs van bekwaamheid van de eerste graad is aangewezen, geschiedt dit op basis van een overeenkomst van samenwerking, gesloten met een of meer in de bijlage van deze wet genoemde hogescholen waaraan opleidingen voor leraar in het voortgezet onderwijs zijn verbonden. Deze samenwerking vindt plaats op voet van gelijkwaardigheid.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde overeenkomst regelt behalve de samenwerking met betrekking tot het verzorgen van de opleiding in elk geval ook de wijze van personele samenwerking.
|
||||
Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden:
|
||||
|
||||
**4.** De besturen van de in het tweede lid bedoelde universiteiten treffen een regeling met betrekking tot de samenstelling van de examencommissie. Zij voorzien in samenwerking met een of meer scholen voor voortgezet onderwijs met het oog op de verzorging van het schoolpractikum. Bij de keuze van deze scholen houden de instellingsbesturen waar mogelijk rekening met de onderscheiden aspecten van openbaar en bijzonder onderwijs.
|
||||
a. bacheloropleidingen, en
|
||||
b. masteropleidingen die door Onze minister als zodanig zijn aangemerkt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt uitsluitend genomen, indien in een opleiding niet of in onvoldoende mate is voorzien en de instandhouding van die opleiding wordt gevorderd door:
|
||||
|
||||
a. het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod, en
|
||||
b. een aantoonbare maatschappelijke behoefte.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.3b
|
||||
|
||||
Naast de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, worden binnen het hoger onderwijs onderscheiden:
|
||||
|
||||
a. postinitiële masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, en
|
||||
b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.3c
|
||||
|
||||
**1.** Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, met toestemming van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
|
||||
|
||||
**2.** De examencommissie geeft bij het verlenen van de in het eerste lid bedoelde toestemming aan tot welke door de instelling aangeboden opleiding het door de betrokkene samengestelde programma voor de toepassing van deze wet wordt geacht te behoren.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie. De studielast van een onderwijseenheid wordt uitgedrukt in hele studiepunten.
|
||||
|
||||
**2.** Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in redelijkheid in staat wordt gesteld om te voldoen aan de norm voor de studievoortgang, genoemd in de artikelen 5.12, eerste lid, en 10.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000, of de norm vastgesteld krachtens artikel 5.12, vierde lid, of artikel 10.6, derde lid, van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4a
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 180 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin kan de studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs ten hoogste 168 studiepunten bedragen, indien Onze minister voor die opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is op het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.
|
||||
|
||||
**2.** Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**3.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
|
||||
|
||||
**4.** De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van tandarts en voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.
|
||||
|
||||
**5.** De studielast van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, natuur, en gezondheidszorg bedraagt 120 studiepunten.
|
||||
|
||||
**6.** De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts en voor het beroep van apotheker bedraagt 180 studiepunten.
|
||||
|
||||
**7.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4b
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
**2.** De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1017,33 +1044,29 @@ c. voorziet in een maatschappelijke behoefte.
|
|||
|
||||
**3.** Artikel 7.7, tweede lid, tweede en derde volzin, derde, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Het gedeelte van de duale opleiding dat uit beroepsuitoefening bestaat, vindt niet plaats gedurende de propedeutische fase.
|
||||
**4.** Het gedeelte van de duale opleiding dat uit beroepsuitoefening bestaat, vindt niet plaats gedurende de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, gedurende de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**5.** Geen registratie als bedoeld in artikel 6.14 van het gegeven dat de opleiding tevens duaal wordt ingericht, vindt plaats, indien Onze minister de toestemming, bedoeld in het eerste lid, heeft geweigerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.8
|
||||
|
||||
**1.** Een opleiding kent een propedeutische fase.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een universiteit of van de Open Universiteit kan in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs een propedeutische fase instellen.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden. De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 42 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale opleiding bedraagt 42 studiepunten.
|
||||
**2.** Een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs omvat een propedeutische fase.
|
||||
|
||||
**3.** De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de opleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het einde van die fase.
|
||||
**3.** Aan de propedeutische fase is, voorzover in de onderwijs- en examenregeling niet anders is bepaald, een propedeutisch examen verbonden.
|
||||
|
||||
**4.** Dit artikel is niet van toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin.
|
||||
**4.** De studielast van de propedeutische fase waaraan een propedeutisch examen is verbonden, bedraagt 60 studiepunten. De studielast van de propedeutische fase van een duale bacheloropleiding bedraagt 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**5.** De propedeutische fase wordt met het oog op de toepassing van artikel 7.8b zodanig ingericht dat er sprake is van het verkrijgen van inzicht in de inhoud van de bacheloropleiding met de mogelijkheid van verwijzing en selectie aan het eind van die fase.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.8a
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur kan in een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs na de propedeutische fase een kandidaatsfase onderscheiden.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de kandidaatsfase is een kandidaatsexamen verbonden. De studielast van de kandidaatsfase en de propedeutische fase tezamen bedraagt ten minste 126 studiepunten.
|
||||
|
||||
**3.** In de kandidaatsfase van een opleiding wordt een samenhangend geheel van onderwijseenheden aangeboden. De student die het kandidaatsexamen met goed gevolg aflegt, beschikt over zodanige kennis en vaardigheden en over een zodanig inzicht dat hij in staat is een passende opleiding desgewenst aan een andere universiteit voort te zetten en met goed gevolg af te ronden.
|
||||
|
||||
**4.** Dit artikel is niet van toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.8b
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale opleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de opleiding. In geval van een deeltijdse opleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1057,9 +1080,11 @@ c. voorziet in een maatschappelijke behoefte.
|
|||
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.
|
||||
|
||||
**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.9
|
||||
|
||||
**1.** Indien een opleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is.
|
||||
**1.** Indien een bacheloropleiding na de propedeutische fase meer dan een afstudeerrichting omvat, kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, beslissen dat een voor die opleiding ingeschreven student slechts toegang heeft tot een of meer daarbij aan te geven afstudeerrichtingen. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien de aard en inhoud van de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding zodanig van elkaar verschillen dat toepassing van deze bevoegdheid gerechtvaardigd is.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1077,6 +1102,8 @@ Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan
|
|||
|
||||
**5.** Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het verschil in afstudeerrichtingen, bedoeld in het eerste lid, op de studieresultaten, bedoeld in het derde lid, en op de aansluiting van programmaonderdelen en de afstudeerrichtingen van de opleiding, bedoeld in het vierde lid.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.9a
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 van toepassing is, de studievoortgang vast, bedoeld in het tweede of derde lid van dat artikel. Het deelt deze voortgang aan de student mee voor 1 november, volgend op het desbetreffende studiejaar.
|
||||
|
|
@ -1103,11 +1130,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 7.9c
|
||||
|
||||
Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder de artikelen 5.12 of 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, of 7.9b, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid, of 7.9b, tweede lid.
|
||||
Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder de artikelen 5.12 of 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, of 7.9b, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid, of 7.9b, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.9d
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in de artikelen 5.5 of 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
|
||||
Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in de artikelen 5.5 of 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.9e
|
||||
|
||||
|
|
@ -1121,19 +1148,39 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Elk tentamen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** Indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, is het examen afgelegd, voorzover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De examencommissie kan, in afwijking van het tweede lid en onder door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.10a
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd« of arts» dan wel «of science».
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur of het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, voegt aan een graad toe de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.11
|
||||
|
||||
**1.** Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld, welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft, welke onderdelen het examen omvatte en, in voorkomende gevallen, welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de desbetreffende examinator of examinatoren een daarop betrekking hebbend bewijsstuk uitgereikt. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt. Op het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde examen wordt vermeld:
|
||||
|
||||
a. welke opleiding zoals vermeld in het register, bedoeld in artikel 6.13, het betreft,
|
||||
b. welke onderdelen het examen omvatte,
|
||||
c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,
|
||||
d. welke graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, is verleend, en
|
||||
e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.12
|
||||
|
||||
**1.** Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien van het door de student samengestelde programma is de examencommissie bevoegd die de in artikel 7.3, vierde lid, bedoelde toestemming heeft verleend.
|
||||
**1.** Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in. Ten aanzien van het door de student samengestelde programma is de examencommissie bevoegd die de in artikel 7.3c, eerste lid, bedoelde toestemming heeft verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur benoemt de leden van de examencommissie uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in die opleiding of opleidingen zijn belast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1155,7 +1202,7 @@ c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een stud
|
|||
d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,
|
||||
e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,
|
||||
f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,
|
||||
g. ten aanzien van welke opleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4, zevende lid, en artikel 7.8a, eerste lid,
|
||||
g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, zevende lid,
|
||||
h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,
|
||||
i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,
|
||||
j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,
|
||||
|
|
@ -1172,6 +1219,10 @@ t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met h
|
|||
u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding, en
|
||||
v. de wijze van beoordeling door het instellingsbestuur van gevallen als bedoeld in artikel 7.31a, derde lid.
|
||||
|
||||
**3.** In de onderwijs- en examenregeling wordt met het oog op de doorstroming van personen aan wie een graad als bedoeld in als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, voor elke bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in een voorkomend geval voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding ten minste een masteropleiding aangewezen die aansluit op die bacheloropleiding of die afstudeerrichting.
|
||||
|
||||
**4.** De in het derde lid bedoelde masteropleiding wordt aan de desbetreffende universiteit aangeboden, tenzij er uitzonderlijke redenen zijn waardoor dit niet mogelijk is. In dat geval kan het instellingsbestuur van deze universiteit met een andere universiteit overeenkomen dat de betreffende masteropleiding aan die andere universiteit wordt aangeboden. De desbetreffende overeenkomst regelt de wijze waarop de doorstroming van personen, bedoeld in het derde lid, wordt gewaarborgd. De overeeenkomst behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsorganen van de betrokken universiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.14
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.
|
||||
|
|
@ -1203,23 +1254,21 @@ d. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid
|
|||
|
||||
### Artikel 7.18
|
||||
|
||||
**1.** Aan een universiteit alsmede aan de Open Universiteit kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie.
|
||||
**1.** Het college voor promoties van een universiteit of van de Open Universiteit is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Tot de promotie heeft toegang ieder die:
|
||||
|
||||
a. met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd,
|
||||
a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is verleend,
|
||||
b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en
|
||||
c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
|
||||
|
||||
**3.** In bijzondere gevallen kan het college voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder *b* en *c* maar niet voldoen aan dat lid onder *a*, tot de promotie toegang verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** De toekenning van het doctoraat geschiedt door het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10 of artikel 11.10.
|
||||
**4.** Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
|
||||
|
||||
**5.** Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van het vijfde lid worden de kerkelijke hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het vierde lid worden de kerkelijke hoogleraren aan een openbare universiteit en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.19
|
||||
|
||||
|
|
@ -1230,69 +1279,88 @@ Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt het college voo
|
|||
a. de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken, en
|
||||
b. de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen.
|
||||
|
||||
**2.** Het college voor promoties heeft het recht om op de voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen het doctoraat honoris causa te verlenen.
|
||||
**2.** Het college voor promoties is bevoegd om, op voordracht van het instellingsbestuur, wegens zeer uitstekende verdiensten aan natuurlijke personen de graad Doctor honoris causa te verlenen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Titulatuur
|
||||
#### Paragraaf 4. Graden en titulatuur
|
||||
|
||||
### Artikel 7.19a
|
||||
|
||||
Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.20
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt, wordt afgesloten, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van:
|
||||
Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in het wetenschappelijk onderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:
|
||||
|
||||
a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;
|
||||
b. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek;
|
||||
c. de titel meester, afgekort tot mr., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht;
|
||||
d. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen *a* en *c* niet van toepassing zijn;
|
||||
e. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel *b* niet van toepassing is.
|
||||
a. de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek,
|
||||
b. de titel meester, afgekort tot mr., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van het recht, of
|
||||
c. de titel doctorandus, afgekort tot drs., indien het een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs betreft waarop de onderdelen a en b niet van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid genoemde titels worden uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van dat lid gerechtigd zijn.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.
|
||||
Degene die op grond van artikel 7.19a gerechtigd is een graad in het hoger beroepsonderwijs in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd tot het voeren van:
|
||||
|
||||
**4.** In verband met het met goed gevolg afgelegd hebben van een examen aan een instelling voor hoger onderwijs worden voor de naam geen andere aanduidingen gebezigd dan de in het eerste lid genoemde.
|
||||
a. de titel ingenieur, afgekort tot ing., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek, of
|
||||
b. de titel baccalaureus, afgekort tot bc., indien het een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft waarop onderdeel a niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste en tweede lid genoemde titels worden, afgekort, voor de naam geplaatst.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3b.
|
||||
|
||||
**5.** De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van een graad als bedoeld in artikel 7.10a en het voeren van een titel als bedoeld in dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.20a
|
||||
|
||||
**1.** Degene die met goed gevolg het kandidaatsexamen, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, heeft afgelegd, is gerechtigd tot het voeren van de titel kandidaat, afgekort tot kand.. Deze titel wordt, afgekort, achter de naam geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** De titel kandidaat wordt uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van het eerste lid gerechtigd zijn.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.21
|
||||
|
||||
**1.** Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid, onder *a, c* of *d,* gerechtigd is tot het voeren van een in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Master te voeren.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die op grond van artikel 7.20, eerste lid onder b of e, of artikel 7.20a, eerste lid, gerechtigd is tot het voeren van de in de desbetreffende bepaling genoemde titel, is tevens gerechtigd in plaats daarvan de titel Bachelor te voeren.
|
||||
|
||||
**3.** De titels Master en Bachelor worden, afgekort tot onderscheidenlijk M. en B., achter de naam geplaatst en desgewenst gevolgd door een aanduiding van de aard van het afgelegde afsluitend examen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.22
|
||||
|
||||
**1.** Degene die op grond van de promotie, bedoeld in artikel 7.18 dan wel ingevolge artikel 7.19, tweede lid, het doctoraat heeft verkregen, is gerechtigd de titel doctor te voeren.
|
||||
**1.** Degene aan wie op grond van de promotie, bedoeld in artikel 7.18, dan wel ingevolge artikel 7.19, tweede lid, de graad Doctor is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.
|
||||
|
||||
**2.** De titel doctor wordt uitsluitend gevoerd door degenen die daartoe op grond van het eerste lid gerechtigd zijn.
|
||||
**2.** Degene die op grond van het eerste lid gerechtigd is de in dat lid bedoelde graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd de titel doctor te voeren.
|
||||
|
||||
**3.** De titel doctor wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde titel wordt, afgekort tot dr., voor de naam geplaatst.
|
||||
|
||||
**4.** De betrokkene maakt een keuze uit het tot uitdrukking brengen in de eigen naamsvermelding van de graad, bedoeld in het eerste lid, en het voeren van de titel, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.22a
|
||||
|
||||
**1.** Degenen die op grond van de artikelen 7.20 en 7.22, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden, gerechtigd waren tot het voeren van een in de desbetreffende bepalingen genoemde titel, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig die artikelen.
|
||||
|
||||
**2.** Degenen die op grond van artikel 7.21, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel Master of de titel Bachelor, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.23
|
||||
|
||||
**1.** Degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen en gerechtigd is die titel in het desbetreffende land te voeren, is eveneens gerechtigd die titel in Nederland te voeren op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.
|
||||
**1.** Degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen en gerechtigd is die titel in het desbetreffende land te voeren, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20 te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke titel kan worden gevoerd.
|
||||
**2.** Degene aan wie op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is tevens gerechtigd in plaats daarvan in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren. In de in de eerste volzin bedoelde regeling wordt tevens bepaald in welke gevallen welke graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking kan worden gebracht.
|
||||
|
||||
**3.** De Informatie Beheer Groep kan aan degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die titel in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere titel is verkregen, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.
|
||||
**3.** De Informatie Beheer Groep kan aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.
|
||||
|
||||
**4.** Degene die aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een doctoraat heeft verkregen en gerechtigd is op grond daarvan een titel in het desbetreffende land te voeren, is eveneens gerechtigd die titel in Nederland te voeren op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Degene aan wie door een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad als bedoeld in artikel 7.22 is verleend en gerechtigd is op grond daarvan een graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, is eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 2. Vooropleidingseisen
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «het verlenen van een graad» mede begrepen het verkrijgen van een titel.
|
||||
|
||||
### Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.23a
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een bacheloropleiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.24
|
||||
|
||||
**1.** Voor de inschrijving aan een universiteit geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
**1.** Voor de inschrijving voor een opleiding aan een universiteit geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de inschrijving aan een hogeschool geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs of een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met een diploma als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
**2.** Voor de inschrijving voor een opleiding aan een hogeschool geldt als vooropleidingseis het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs of een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met een diploma als bedoeld in de eerste volzin wordt voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de inschrijving aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
|
||||
**3.** Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.25
|
||||
|
||||
|
|
@ -1308,7 +1376,7 @@ c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer e
|
|||
|
||||
**3.** Bij de ministeriële regeling kunnen vakken en andere programmaonderdelen worden aangewezen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma van een middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel een bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, aangewezen vakopleiding, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding of groep van opleidingen aan een hogeschool.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.26
|
||||
|
||||
|
|
@ -1334,7 +1402,7 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
|
|||
|
||||
### Artikel 7.28
|
||||
|
||||
**1.** De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch, kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis, onverminderd het derde en vierde lid.
|
||||
**1.** Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is verleend, en de bezitter van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1360,15 +1428,44 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
|
|||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het kandidaatsexamen of, indien geen kandidaatsexamen is ingesteld, tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
|
||||
**3.** Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.30a
|
||||
|
||||
**1.** Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in relatie tot een bacheloropleiding is aangewezen op grond van artikel 7.13, derde lid, geldt als toelatingseis dat aan betrokkene een graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, is verleend, van de desbetreffende bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aan dezelfde instelling. Indien op grond van de in de eerste volzin genoemde bepaling een afstudeerrichting is aangewezen, geldt in afwijking van de eerste volzin als toelatingseis voor een in die volzin bedoelde masteropleiding het bezit van het in die volzin bedoelde getuigschrift dat betrekking heeft op die afstudeerrichting. In afwijking van de eerste volzin kan de examencommissie besluiten dat degene die voor een bacheloropleiding als bedoeld in die volzin is ingeschreven, toch wordt ingeschreven voor een masteropleiding als bedoeld in die volzin onder de voorwaarde dat is voldaan aan bij de onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende masteropleiding te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid heeft ook betrekking op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.13, vierde lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in het eerste en tweede lid van personen aan wie geen graad als bedoeld in het eerste lid is verleend, geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die opleiding. Het instellingsbestuur verstrekt desgevraagd een bewijs van toelating, indien:
|
||||
|
||||
a. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur voor de opleiding vast te stellen eisen, en
|
||||
b. voorzover het instellingsbestuur het aantal ten hoogste voor de opleiding in te schrijven personen heeft vastgesteld, dat aantal niet wordt overschreden.
|
||||
|
||||
De onder a bedoelde eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze komen overeen met de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die moeten zijn verworven bij beëindiging van de bacheloropleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 7.27 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Het bewijs van toelating, bedoeld in het derde lid, heeft betrekking op het studiejaar dat gelegen is na het studiejaar waarin de aanvraag voor dat bewijs is ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.30b
|
||||
|
||||
**1.** Voor de inschrijving voor een andere masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan die, bedoeld in artikel 7.30a, eerste en tweede lid, of voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs geldt als toelatingseis het bezit van een bewijs van toelating voor die opleiding. Artikel 7.30a, derde lid, tweede volzin, is van toepassing. De door het instellingsbestuur vast te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Deze eisen hebben uitsluitend betrekking op kennis, inzicht en vaardigheden die kunnen zijn verworven bij beëindiging van een bacheloropleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 7.30a, vijfde lid, is van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.30c
|
||||
|
||||
Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30a en 7.30b, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.31
|
||||
|
||||
**1.** Voor de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, eerste en derde volzin, geldt als eis het bezit van een door het instellingsbestuur afgegeven bewijs van toelating.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur maakt tijdig de procedure bekend, op grond waarvan de toewijzing van bewijzen van toelating zal plaatsvinden ingeval het aantal aanvragen voor een bewijs van toelating voor een masteropleiding het vastgestelde aantal personen, bedoeld in de artikelen 7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, tweede volzin, zou overschrijden.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur regelt de toelating en de afgifte van het bewijs van toelating. De toelating geschiedt jaarlijks en, indien Onze minister daartoe heeft beslist, met inachtneming van het door hem vastgestelde aantal ten hoogste voor de desbetreffende opleiding in te schrijven personen.
|
||||
|
||||
**3.** Voor zover het een universitaire eerstegraads lerarenopleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, betreft, houdt de examencommissie bij de verlening van vrijstelling van het afleggen van een of meer tentamens in elk geval rekening met de met goed gevolg afgelegde tentamens in het kader van een afstudeerrichting gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad en met de opgedane kennis of vaardigheden in een relevante werkkring.
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur stelt een toelatingsreglement vast.
|
||||
|
||||
### Titel 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS
|
||||
|
||||
|
|
@ -1376,18 +1473,18 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke studielast van 42 studiepunten, degene
|
||||
In het hoger beroepsonderwijs is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, verbonden aan onderwijseenheden met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten, degene
|
||||
|
||||
a. die in het bezit is van een diploma van een middenkaderopleiding, een specialistenopleiding of een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voorzover aangewezen bij ministeriële regeling, en
|
||||
b. die is ingeschreven voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op een in onderdeel a bedoelde opleiding.
|
||||
b. die is ingeschreven voor een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs, indien bij de in onderdeel a bedoelde ministeriële regeling is aangegeven dat die opleiding aansluit op een in onderdeel a bedoelde opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop aansluitende opleiding of voor de groep van daarop aansluitende opleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur regelt voor elke opleiding, bedoeld in het eerste lid, onder a, de inhoud van de vrijstelling voor de daarop aansluitende bacheloropleiding of voor de groep van daarop aansluitende bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs. De regeling van deze vrijstelling wordt opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur, indien naar zijn oordeel het niveau van betrokkene op grond van een aantoonbaar gebrek aan tijdens een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a, aangeboden kennis of vaardigheden een vrijstelling van de in dat lid bedoelde omvang niet toelaat, een vrijstelling van een geringere omvang verlenen. In dat geval maakt het instellingsbestuur de omvang en de inhoud van de verleende vrijstelling aan de betrokkene bekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.31b
|
||||
|
||||
Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
|
||||
Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Studenten en extraneï
|
||||
|
||||
|
|
@ -1427,7 +1524,7 @@ e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b
|
|||
|
||||
De inschrijving als student geeft het recht:
|
||||
|
||||
a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.31, tweede lid, 7.53, derde lid, 7.56 of 7.56a anders te beslissen,
|
||||
a. aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool in geval van toepassing van de artikelen 7.9, eerste lid, 7.30a, derde lid, en 7.30b, eerste lid, 7.53, derde lid, 7.56 of 7.56a anders te beslissen,
|
||||
b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,
|
||||
c. van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,
|
||||
d. gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en
|
||||
|
|
@ -1437,13 +1534,15 @@ e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg
|
|||
|
||||
**3.** De inschrijving aan de Open Universiteit geeft tevens het recht het benodigde cursusmateriaal te ontvangen en de daarbij behorende begeleiding te genieten. Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in de eerste volzin en de in het eerste lid onder *a* tot en met *d,* bedoelde rechten.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste lid, onder b, heeft de student, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, tweede volzin, niet het recht de examens van die opleiding af te leggen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.35
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.36
|
||||
|
||||
De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder *b* en *c*.
|
||||
De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder *b* en *c* .Artikel 7.34, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.37
|
||||
|
||||
|
|
@ -1451,7 +1550,7 @@ De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7
|
|||
|
||||
**2.** Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde cursusgeld is voldaan.
|
||||
|
||||
**3.** Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase aan een bepaalde instelling wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij de Informatie Beheer Groep heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de opleiding waarop de inschrijving betrekking heeft en wat de opleidingen op het gebied van de kunst en de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst betreft, de gekozen differentiatie binnen die opleiding.
|
||||
**3.** Tot de inschrijving als student voor de eerste maal voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten wordt niet overgegaan dan nadat de betrokkene zich te voren, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard, bij de Informatie Beheer Groep heeft aangemeld, onder vermelding van de instelling en de bacheloropleiding waarop de inschrijving betrekking heeft en wat de opleidingen op het gebied van de kunst en de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst betreft, de gekozen differentiatie binnen die opleiding.
|
||||
|
||||
**4.** Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1483,7 +1582,7 @@ Op het verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding aan een univers
|
|||
|
||||
a. wordt de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op die waarin het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg is afgelegd;
|
||||
b. wordt in geval van ziekte of bijzondere familie-omstandigheden, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de maand volgend op de tweede hele maand waarin betrokkene niet aan het onderwijs heeft kunnen deelnemen;
|
||||
c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;
|
||||
c. wordt de inschrijving tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin dat bestuur het verzoek heeft ontvangen;
|
||||
d. wordt de inschrijving beëindigd met ingang van de eerste maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de inrichting van de opleiding wat betreft de volgtijdelijkheid van praktische oefeningen alsmede de momenten waarop deze gevolgd kunnen worden, gedurende enige tijd geen onderwijs kan volgen;
|
||||
e. wordt, ter beoordeling van het instellingsbestuur, de inschrijving voor het desbetreffende studiejaar door het instellingsbestuur beëindigd met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1614,9 +1713,9 @@ i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die, in
|
|||
|
||||
### Artikel 7.51a
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.8, tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien aan de student op grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.31a, derde lid, een vrijstelling van een geringere omvang dan genoemd in het eerste lid van dat artikel is verleend. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.8, tweede lid, onderdeel a van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de onderwijseenheden waarvoor bij de toepassing van artikel 7.31a, derde lid, aan de student geen vrijstelling is verleend, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van de desbetreffende opleiding heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4, zevende lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de opleiding, die uitgaat boven het aantal van 168 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op prestatiebeurs, indien de student is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, zevende lid, heeft toegepast. Deze voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 5.6 van de Wet studiefinanciering 2000, met dien verstande dat de voorziening wordt beëindigd na het verstrijken van het aantal opwaarts op een geheel getal afgeronde aantal maanden dat overeenstemt met de studielast van de masteropleiding, die uitgaat boven het aantal van 60 studiepunten, of zoveel eerder als betrokkene met goed gevolg het afsluitend examen van die opleiding heeft afgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast voor de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1629,7 +1728,7 @@ i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die, in
|
|||
Er is een Centraal register inschrijving hoger onderwijs, dat ten doel heeft:
|
||||
|
||||
a. de instellingsbesturen, dat van de Open Universiteit daaronder niet begrepen, op hun verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken over de inschrijving van hen die wensen te worden ingeschreven dan wel zijn ingeschreven aan een instelling,
|
||||
b. de Informatie Beheer Groep op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het kandidaatsexamen, onderscheidenlijk het afsluitend examen, en
|
||||
b. de Informatie Beheer Groep op diens verzoek ten behoeve van beslissingen op verzoeken om toekenning van studiefinanciering, informatie te verstrekken omtrent de studievoortgang en het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, en
|
||||
c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten behoeve van de planning en bekostiging van de instellingen.
|
||||
|
||||
**2.** Gegevens, opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, waaraan informatie herleidbaar tot natuurlijke personen, kan worden ontleend, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan de geregistreerde personen zelf of hun gemachtigden, alsmede aan de in het eerste lid bedoelde instellingsbesturen. Aan burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk aan de Sociale verzekeringsbank, worden kosteloos desgevraagd gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, onderscheidenlijk voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Tevens worden desgevraagd aan het Centraal Bureau voor de Statistiek gegevens verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek. Voorts kunnen desgevraagd aan andere door de Informatie Beheer Groep aan te wijzen instanties gegevens als bedoeld in de eerste volzin worden verstrekt uitsluitend in verband met door haar aan te wijzen onderzoeksdoeleinden. Andere gegevens, opgenomen in dat register, kunnen uitsluitend worden verstrekt aan door de Informatie Beheer Groep aan te wijzen instanties.
|
||||
|
|
@ -1642,6 +1741,13 @@ c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving
|
||||
|
||||
### Artikel 7.52a
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. opleiding: een bacheloropleiding, en
|
||||
b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.53
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur kan per opleiding het aantal studenten vaststellen, dat ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. Deze vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan de Informatie Beheer Groep.
|
||||
|
|
@ -1656,7 +1762,9 @@ c. Onze minister op diens verzoek de noodzakelijke informatie te verstrekken ten
|
|||
|
||||
### Artikel 7.54
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** In dit artikel wordt, indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, onder «postpropedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die volgt op de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.54a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1713,7 +1821,9 @@ b. de verdeling van dat aantal over elk van de in onderdeel a bedoelde hogeschol
|
|||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. selectieprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b tot en met 7.57e;
|
||||
b. lotingsprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder b tot en met e, derde en vierde lid, en 7.57c, tweede en derde lid.
|
||||
b. lotingsprocedure: de procedure, beschreven in de artikelen 7.57b, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder b tot en met e, derde en vierde lid, en 7.57c, tweede en derde lid;
|
||||
c. opleiding: een bacheloropleiding;
|
||||
d. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld in verband met de afgifte en de geldigheidsduur van het bewijs van toelating.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1733,7 +1843,7 @@ e. lager dan 6,5.
|
|||
|
||||
De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.
|
||||
|
||||
**3.** De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een opleiding hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
|
||||
**3.** De wijze van indeling in de klassen, bedoeld in het tweede lid, van degenen die een onderwijsvorm hebben afgerond waaraan geen cijferlijst is verbonden, wordt geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
|
||||
|
||||
**4.** De Informatie Beheer Groep deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1800,6 +1910,10 @@ In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedr
|
|||
|
||||
Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.57i
|
||||
|
||||
De onderwijs- en examenregelingen van de betreffende hogescholen en universiteiten regelen de wijze waarop aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een verwante bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd, door het instellingsbestuur ondersteuning wordt geboden ter bevordering van een goede doorstroming naar een verwante masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.58
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 wenst te verkrijgen, dient overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels een verzoek in, ertoe strekkende dat door dit bestuur wordt verklaard, dat het getuigschrift kan worden afgegeven.
|
||||
|
|
@ -1833,7 +1947,7 @@ a. een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de
|
|||
1°. informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs,
|
||||
2°. de studentenvoorzieningen, en
|
||||
3°. de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding,
|
||||
b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en
|
||||
b. de vastgestelde onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en
|
||||
c. een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures, bedoeld in het vijfde lid onder *b* ten 2°, op de opleiding van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
|
@ -1877,7 +1991,7 @@ d. beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking, genomen op grond
|
|||
e. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen 7.25, vierde lid, en 7.28, vierde lid,
|
||||
f. beslissingen van examencommissies en examinatoren,
|
||||
g. beslissingen van commissies als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, en
|
||||
h. beslissingen, genomen op grond van artikel 7.31 met het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen.
|
||||
h. beslissingen, genomen op grond van de artikelen 7.30a en 7.30b met het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen.
|
||||
|
||||
**2.** Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2090,7 +2204,7 @@ g. een besluit betreffende een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artike
|
|||
|
||||
**1.** Aan een universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.
|
||||
|
||||
**2.** Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van het doctoraat honoris causa, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
|
||||
**2.** Het college voor promoties hoort het college van bestuur over het verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2176,6 +2290,8 @@ De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstr
|
|||
|
||||
**4.** Een lid van het bestuur van de opleiding kan niet tevens lid zijn van de opleidingscommissie van die opleiding.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.18
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -2192,6 +2308,8 @@ c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan het bestuur van d
|
|||
|
||||
**4.** Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.19
|
||||
|
||||
**1.** Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
|
||||
|
|
@ -2416,7 +2534,7 @@ d. de raad, indien het college van bestuur het advies niet of niet geheel wil vo
|
|||
De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
|
||||
|
||||
a. het faculteitsreglement, bedoeld in artikel 9.14, en
|
||||
b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g.
|
||||
b. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, en met uitzondering van het derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.38a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2596,7 +2714,7 @@ Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na raadpleging van he
|
|||
|
||||
### Artikel 9.55
|
||||
|
||||
**1.** Om als bijzonder hoogleraar onderwijs te kunnen geven wordt vereist het bezit van een doctoraat, verkregen aan een in artikel 1.2 onder *a* onderscheidenlijk *b* bedoelde universiteit of aan de Open Universiteit, dan wel van een bewijs, dat de aanstelling door het college van bestuur is bekrachtigd.
|
||||
**1.** Om als bijzonder hoogleraar onderwijs te kunnen geven wordt vereist dat aan betrokkene de graad Doctor is verleend door een universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onder a of b, of door de Open Universiteit, dat betrokkene in het bezit is van een doctoraat, verkregen aan een zodanige instelling, dan wel dat betrokkene in het bezit is van een bewijs dat de aanstelling door het college van bestuur is bekrachtigd.
|
||||
|
||||
**2.** De bekrachtiging wordt geacht te zijn verleend, indien binnen acht weken na de ontvangst der aanvraag daarop geen beslissing is genomen. Door het college van bestuur kan deze termijn tot ten hoogste vier maanden worden verlengd. De bekrachtiging kan slechts bij een met redenen omkleed besluit worden geweigerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2798,6 +2916,8 @@ De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder *a* en *c*, ter kennisneming aan d
|
|||
|
||||
**4.** Indien een faculteit of een andere organisatorische eenheid slechts één opleiding omvat, kan het bestuursreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel kan onder opleiding mede worden begrepen een bacheloropleiding en een of meer daarop aansluitende masteropleidingen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Geschillenregeling
|
||||
|
||||
### Artikel 10.4
|
||||
|
|
@ -3229,7 +3349,7 @@ In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Op
|
|||
|
||||
**1.** Aan de Open Universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.
|
||||
|
||||
**2.** Het college voor promoties hoort de raad van toezicht over het verlenen van het doctoraat honoris causa, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
|
||||
**2.** Het college voor promoties hoort de raad van toezicht over het verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3653,7 +3773,9 @@ g. artikel 15.1, eerste lid.
|
|||
|
||||
**1.** Indien een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder *a*, *c* of *d*, in strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel wordt opgeschort.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister kent de rijksbijdrage wederom toe indien hem blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het instellingsbestuur, het personeel van een instelling of het accreditatieorgaan in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister kent de rijksbijdrage wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -3679,9 +3801,17 @@ Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling medewerkt aan
|
|||
|
||||
### Artikel 15.6
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden titels, genoemd in artikel 7.20 of 7.22, te verlenen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Degene die handelt in strijd met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
|
||||
Het is verboden graden, genoemd in artikel 7.10a, te verlenen, tenzij:
|
||||
|
||||
a. op grond van artikel 5a.9 een accreditatiebesluit voor de opleiding van kracht is,
|
||||
b. op grond van artikel 5a.11 het besluit van kracht is dat de opleiding een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, of
|
||||
c. toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste, vierde, vijfde of zesde lid, of artikel 5a.15, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden titels, genoemd in de artikelen 7.20 en 7.22, tweede lid, te verlenen.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die handelt in strijd met het eerste of tweede lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -3755,9 +3885,9 @@ Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen bijzondere instellin
|
|||
|
||||
### Artikel 16.8
|
||||
|
||||
**1.** Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te 's-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding als bedoeld in het derde lid, dan wel aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 met een studielast van ten minste 168 punten heeft afgelegd, onverminderd het tweede lid.
|
||||
**1.** Het college voor promoties van het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te 's-Gravenhage is bevoegd de graad Doctor te verlenen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang een ieder die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding als bedoeld in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste lid of tweede lid, de graad Master is verleend.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 1.12, vierde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder *b* en *c*, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder *a* en *b* genoemde universiteit deel uitmaken.
|
||||
**2.** De artikelen 1.12, vierde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder *b* en *c*, derde en vierde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder *a* en *b* genoemde universiteit deel uitmaken.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3794,7 +3924,7 @@ b. deelname aan de loting voor een opleiding in 1998 of eerdere jaren niet meete
|
|||
|
||||
### Artikel 16.9b
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 7.51 treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 10.7 of 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het bij of krachtens de artikelen 10.6 tot en met 10.8 van die wet bepaalde resultaat niet heeft behaald. Deze financiële voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 7.51 treft het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 10.7 of 10.8 van de Wet studiefinanciering 2000 geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van hoofdstuk 3 van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het bij of krachtens de artikelen 10.6 tot en met 10.8 van die wet bepaalde resultaat niet heeft behaald. Deze financiële voorziening is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000.
|
||||
|
||||
**2.** De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn de bijzondere omstandigheden, genoemd in artikel 7.51, tweede lid. Bij de toepassing van het eerste lid betrekt het instellingsbestuur als bijzondere omstandigheid tevens de omstandigheid dat de opleiding zodanig is ingericht dat de student redelijkerwijs niet in staat is geweest het in dat lid bedoelde resultaat te behalen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4288,16 +4418,7 @@ In afwijking van artikel 5a.6, eerste lid, bepaalt Onze minister in het eerste j
|
|||
|
||||
### Artikel 17.2
|
||||
|
||||
**1.** Opleidingen verzorgd door instellingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, zijn geaccrediteerd tot en met 31 december 2005.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Opleidingen verzorgd door instellingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, zijn geaccrediteerd tot en met 31 december van het jaar, dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
|
||||
|
||||
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
|
||||
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**3.** Opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2004–2005, en waarop artikel 6.3 of 17.5 van toepassing is, zijn geaccrediteerd tot en met 31 december van het kalenderjaar, dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 17.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -4333,7 +4454,7 @@ Verzoeken die voor de datum van de eerste plaatsing van de toetsingskaders in de
|
|||
|
||||
### Artikel 17a.1
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002 aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit geen nieuwe opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, meer worden ingesteld.
|
||||
Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002 aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit geen nieuwe opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, meer worden ingesteld.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Instelling en registratie van bachelor- en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs; tijdelijke handhaving van opleidingen in afbouw
|
||||
|
||||
|
|
@ -4341,9 +4462,9 @@ Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002
|
|||
|
||||
**1.** Met ingang van het studiejaar 2002–2003 kan aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit onderwijs worden verzorgd in bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a, en in masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het instellingsbestuur van een instelling als bedoeld in heteerste lid met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is geregistreerd, in een bepaald studiejaar voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, stelt hij een bacheloropleiding in en zonodig een of meer daarop aansluitende masteropleidingen. Het aantal in te stellen masteropleidingen is gelijk aan ten hoogste het aantal afstudeerrichtingen dat op 31 augustus 2002 in de onderwijs- en examenregeling van de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, was beschreven. De in te stellen bachelor- en masteropleidingen zijn samengesteld uit programmaonderdelen die in het studiejaar voorafgaand aan de instelling van die opleidingen door de instelling werden verzorgd.
|
||||
**2.** Indien het instellingsbestuur van een instelling als bedoeld in heteerste lid met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is geregistreerd, in een bepaald studiejaar voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, stelt hij een bacheloropleiding in en zonodig een of meer daarop aansluitende masteropleidingen. Het aantal in te stellen masteropleidingen is gelijk aan ten hoogste het aantal afstudeerrichtingen dat op 31 augustus 2002 in de onderwijs- en examenregeling van de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, was beschreven. De in te stellen bachelor- en masteropleidingen zijn samengesteld uit programmaonderdelen die in het studiejaar voorafgaand aan de instelling van die opleidingen door de instelling werden verzorgd.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 7.4a, zevende lid, blijft ten aanzien van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.13, derde lid, op het moment van instelling van die opleiding buiten toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding ten aanzien waarvan het instellingsbestuur uiterlijk op 1 september 2001 met toepassing van artikel 7.4, zevende lid, zoals die bepaling op die datum luidde, heeft bepaald dat de desbetreffende opleiding een grotere studielast had dan 168 studiepunten.
|
||||
**3.** Artikel 7.4a, zevende lid, blijft ten aanzien van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.13, derde lid, op het moment van instelling van die opleiding buiten toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding ten aanzien waarvan het instellingsbestuur uiterlijk op 1 september 2001 met toepassing van artikel 7.4, zevende lid, zoals die bepaling op die datum luidde, heeft bepaald dat de desbetreffende opleiding een grotere studielast had dan 168 studiepunten.
|
||||
|
||||
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, vervalt met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in artikel 17a.7, eerste lid, bedoelde koninklijk besluit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4357,9 +4478,9 @@ Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002
|
|||
|
||||
### Artikel 17a.2b
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde of aangewezen universiteit dat met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs waaraan een afstudeerrichting is verbonden als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder b, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, is bevoegd in een bepaald studiejaar in plaats van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 17a.2, tweede lid, een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde of aangewezen universiteit dat met betrekking tot een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs waaraan een afstudeerrichting is verbonden als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder b, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, voornemens is de bachelor-masterstructuur in te voeren, is bevoegd in een bepaald studiejaar in plaats van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 17a.2, tweede lid, een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit waaraan een opleiding als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is verbonden, is bevoegd in een bepaald studiejaar een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur van een universiteit waaraan een opleiding als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, is verbonden, is bevoegd in een bepaald studiejaar een opleiding als bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, eerste volzin, in te stellen.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 17a.2, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4373,39 +4494,39 @@ Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002
|
|||
|
||||
**4.** Indien het college van bestuur van de Open Universiteit de vereiste instemming niet verwerft en hij zijn voorgenomen besluit wenst te handhaven, legt hij het geschil onverwijld voor aan de raad van toezicht van die instelling. Artikel 11.16, tweede lid, is van toepassing. De raad van toezicht neemt een besluit binnen uiterlijk vier weken, nadat het geschil door het college van bestuur aan de raad is voorgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Indien 1 september 2002 geldt als de voorgenomen datum van invoering van de bachelor-masterstructuur, wordt het verzoek om instemming als bedoeld in het eerste lid voor 25 juni 2002 door het instellingsbestuur van een universiteit bij de faculteitsraad of door het college van bestuur van de Open Universiteit bij de studentenraad ingediend. In afwijking van het tweede lid wordt de mededeling, bedoeld in die volzin, binnen drie weken gedaan. In afwijking van het derde lid doet de commissie voor geschillen binnen twee weken een uitspraak. In afwijking van het vierde lid neemt de raad van toezicht van de Open Universiteit binnen twee weken een besluit.
|
||||
**5.** Indien 1 september 2002 geldt als de voorgenomen datum van invoering van de bachelor-masterstructuur, wordt het verzoek om instemming als bedoeld in het eerste lid voor 25 juni 2002 door het instellingsbestuur van een universiteit bij de faculteitsraad of door het college van bestuur van de Open Universiteit bij de studentenraad ingediend. In afwijking van het tweede lid wordt de mededeling, bedoeld in die volzin, binnen drie weken gedaan. In afwijking van het derde lid doet de commissie voor geschillen binnen twee weken een uitspraak. In afwijking van het vierde lid neemt de raad van toezicht van de Open Universiteit binnen twee weken een besluit.
|
||||
|
||||
**6.** Dit artikel is voor het studiejaar 2002–2003 niet van toepassing, indien het Staatsblad waarin de wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs wordt geplaatst, niet is uitgegeven voor 21 juni 2002.
|
||||
**6.** Dit artikel is voor het studiejaar 2002–2003 niet van toepassing, indien het Staatsblad waarin de wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs wordt geplaatst, niet is uitgegeven voor 21 juni 2002.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de universiteitsraad van een universiteit reeds betrokken is geweest bij de voorbereiding van de gehele of gedeeltelijke invoering van de bachelor-masterstructuur in die universiteit, kan het instellingsbestuur, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot een besluit als bedoeld in het eerste lid in plaats van de faculteitsraad de universiteitsraad om instemming als bedoeld in dat lid verzoeken. In het geval dat de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt in het eerste, tweede, derde en vijfde lid «faculteitsraad» vervangen door: universiteitsraad.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.3
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van het studiejaar 2002–2003 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 1 augustus 2002 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van het studiejaar 2002–2003 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 1 augustus 2002 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** De Informatie Beheer Groep registreert de opleidingen overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003. Onverminderd artikel 6.13, vierde lid, bevat het register van elke opleiding het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de gegevens niet volledig zijn, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om uiterlijk 15 augustus 2002 te voorzien in de ontbrekende gegevens.
|
||||
**3.** Indien de gegevens niet volledig zijn, stelt de Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur in de gelegenheid om uiterlijk 15 augustus 2002 te voorzien in de ontbrekende gegevens.
|
||||
|
||||
**4.** De Informatie Beheer Groep weigert registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs uitsluitend, indien hij de gegevens uiterlijk 15 augustus 2002 niet of niet volledig heeft ontvangen. De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van de registratie.
|
||||
**4.** De Informatie Beheer Groep weigert registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs uitsluitend, indien hij de gegevens uiterlijk 15 augustus 2002 niet of niet volledig heeft ontvangen. De Informatie Beheer Groep stelt het instellingsbestuur zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit houdende weigering van de registratie.
|
||||
|
||||
**5.** De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 september 2002 het Centraal register opleidingen hoger onderwijs in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.4
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2 , artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van een studiejaar 2003–2004 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 28 februari 2003 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2 , artikel 17a.2a of artikel 17a.2b dat een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een of meer daarop aansluitende masteropleidingen met het oog op de verzorging van dat onderwijs met ingang van een studiejaar 2003–2004 heeft ingesteld, meldt die opleiding of die opleidingen uiterlijk op 28 februari 2003 aan bij de Informatie Beheer Groep voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. Bij de aanmelding verstrekt het instellingsbestuur de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 17a.3, tweede lid, is van toepassing met dien verstande dat de registratie betrekking heeft op het studiejaar 2003–2004.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 17a.3, derde en vierde lid, is van toepassing met dien verstande dat het uiterste tijdstip 31 mei 2003 is.
|
||||
**3.** Artikel 17a.3, derde en vierde lid, is van toepassing met dien verstande dat het uiterste tijdstip 31 mei 2003 is.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 juli 2003 met betrekking tot het Centraal register opleidingen hoger onderwijs de volgende wijzigingen bekend:
|
||||
De Informatie Beheer Groep maakt voor 1 juli 2003 met betrekking tot het Centraal register opleidingen hoger onderwijs de volgende wijzigingen bekend:
|
||||
|
||||
a. de uit het tweede lid voortvloeiende wijzigingen, en
|
||||
|
||||
b. de verschillen tussen het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003, en het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2003–2004 zoals bekendgemaakt voor 1 juli 2002.
|
||||
b. de verschillen tussen het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003, en het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2003–2004 zoals bekendgemaakt voor 1 juli 2002.
|
||||
|
||||
Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4417,7 +4538,7 @@ Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
|||
|
||||
**3.** Artikel 6.14, vierde lid, eerste en tweede volzin, en vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** De Informatie Beheer Groep maakt de uit het tweede lid voortvloeiende wijzigingen bekend voor 1 juli van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
**4.** De Informatie Beheer Groep maakt de uit het tweede lid voortvloeiende wijzigingen bekend voor 1 juli van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -4425,13 +4546,13 @@ Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
|||
|
||||
**2.** Met ingang van het in artikel 17a.2, tweede lid, bedoelde studiejaar worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs ingeschreven.
|
||||
|
||||
**3.** Op een in dit artikel bedoelde opleiding en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
|
||||
**3.** Op een in dit artikel bedoelde opleiding en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.7
|
||||
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit.
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit.
|
||||
|
||||
**2.** Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4439,7 +4560,7 @@ Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
|||
|
||||
### Artikel 17a.7a
|
||||
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 17a.7, tweede en derde lid, is van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4449,25 +4570,25 @@ Indien het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a, tot s
|
|||
|
||||
### Artikel 17a.9
|
||||
|
||||
Op de in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a bedoelde opleidingen en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
|
||||
Op de in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a bedoelde opleidingen en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Omzetting van rechtswege en registratie van bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs; tijdelijke handhaving van voortgezette opleidingen
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.10
|
||||
|
||||
**1.** De opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarvan de studielast op 31 augustus 2002 168 studiepunten bedroeg, zijn met ingang van 1 september 2002 bacheloropleidingen als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.
|
||||
**1.** De opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarvan de studielast op 31 augustus 2002 168 studiepunten bedroeg, zijn met ingang van 1 september 2002 bacheloropleidingen als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.
|
||||
|
||||
**2.** Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.10a
|
||||
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden. Artikel 17a.7, eerste lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 17a.7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor de onderscheiden opleidingen verschillend worden bepaald. Indien toepassing wordt gegeven aan de eerste volzin, wordt dat besluit niet eerder genomen dan nadat voor de desbetreffende opleiding een besluit als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, is genomen, waarbij een masteropleiding is aangemerkt die een voortzetting vormt van eerstbedoelde opleiding.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een besluit als bedoeld artikel 7.3a, tweede lid, betrekking heeft op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, bedraagt de studielast van die opleiding het aantal studiepunten, genoemd in die artikelleden, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.
|
||||
**4.** Indien een besluit als bedoeld artikel 7.3a, tweede lid, betrekking heeft op een masteropleiding die een voortzetting vormt van een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, bedraagt de studielast van die opleiding het aantal studiepunten, genoemd in die artikelleden, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.10b
|
||||
|
||||
|
|
@ -4477,7 +4598,7 @@ De artikelen 17a.8 en 17a.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidinge
|
|||
|
||||
**1.** De Informatie Beheer Groep registreert de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10, in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs dat betrekking heeft op het studiejaar 2002–2003.
|
||||
|
||||
**2.** De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, eerste lid, met ingang van 1 september 2002.
|
||||
**2.** De Informatie Beheer Groep beëindigt de registratie van de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, eerste lid, met ingang van 1 september 2002.
|
||||
|
||||
**3.** De Informatie Beheer Groep maakt de uit het eerste en tweede lid voortvloeiende wijzigingen bekend in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 17a.3, vijfde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4489,7 +4610,7 @@ De artikelen 17a.8 en 17a.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidinge
|
|||
|
||||
**2.** Met betrekking tot de bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en de masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder b, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 2002–2003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4b.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.6, de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, en de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 2002–2003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4, tweede tot en met zesde lid, zoals die artikelleden luidden op 31 augustus 2002, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.
|
||||
**3.** Met betrekking tot de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.6, de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, en de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, wordt de studielast van die opleidingen met ingang van het studiejaar 2002–2003 uitgedrukt in studiepunten overeenkomstig artikel 7.4, tweede tot en met zesde lid, zoals die artikelleden luidden op 31 augustus 2002, vermenigvuldigd met de factor 1,43. De uitkomst daarvan wordt voorzover nodig rekenkundig afgerond.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.11b
|
||||
|
||||
|
|
@ -4497,61 +4618,106 @@ Het instellingsbestuur wijzigt voor 1 september 2004 van de onderwijs- en examen
|
|||
|
||||
### Artikel 17a.11c
|
||||
|
||||
**1.** De omrekenfactor voor de omzetting van studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, in studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b is het getal 1,43.
|
||||
**1.** De omrekenfactor voor de omzetting van studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, in studiepunten als bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b is het getal 1,43.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkomst van de omzetting van studiepunten wordt rekenkundig afgerond op een decimaal achter de komma.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.11d
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur deelt een student of extraneus desgevraagd mee het aantal studiepunten, bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b, dat hij tot en met 31 augustus 2002 heeft behaald. Het instellingsbestuur waarborgt daarbij dat de rechten die een student of extraneus kan ontlenen aan de voor 1 september 2002 behaalde studiepunten, door deze omrekening niet minder kunnen worden.
|
||||
Het instellingsbestuur deelt een student of extraneus desgevraagd mee het aantal studiepunten, bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b, dat hij tot en met 31 augustus 2002 heeft behaald. Het instellingsbestuur waarborgt daarbij dat de rechten die een student of extraneus kan ontlenen aan de voor 1 september 2002 behaalde studiepunten, door deze omrekening niet minder kunnen worden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 6. Overig invoerings- en overgangsrecht
|
||||
#### Paragraaf 6. Overgangsrecht accreditatieplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.12
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 17a.6 of artikel 17a.7.
|
||||
De bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a, en de masteropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder b, die met ingang van enig studiejaar worden verzorgd en in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn opgenomen en zijn geaccrediteerd als bedoeld in artikel 5a.9 tot en met 31 december 2007.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.13
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b stelt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar waarin het onderwijs in de opleiding, bedoeld in dat artikel, voor het eerst wordt verzorgd, de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, voor die opleiding vast.
|
||||
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
|
||||
**2.** Voor het studiejaar 2002–2003 is het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 15 augustus 2002.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
|
||||
|
||||
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
|
||||
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.7, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart met ingang van het studiejaar 2000–2001 of het studiejaar 2001–2002, en waarop artikel 6.3 of artikel 17.5 van toepassing is, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.14
|
||||
|
||||
Degene die op of voor 31 augustus 2002 voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2002, wordt gelijkgesteld aan degene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a.
|
||||
**1.** Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
|
||||
|
||||
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
|
||||
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, en waarop artikel 6.3 of artikel 17.5 van toepassing is, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.15
|
||||
|
||||
De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24, eerste of tweede lid, onverminderd het derde en vierde lid van dat artikel.
|
||||
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het jaar dat volgt op het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:
|
||||
|
||||
a. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of
|
||||
b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**3.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, en waarop artikel 6.3 of artikel 17.5 van toepassing is, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar, dat zes jaar na de start van de opleiding ingaat.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 7. Overig invoerings- en overgangsrecht
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.16
|
||||
|
||||
**1.** Degenen die op grond van artikel 7.20a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel kandidaat, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die na 31 augustus 2002 met goed gevolg het kandidaatsexamen van een opleiding als bedoeld in artikel 17a.6 of van een opleiding als bedoeld in artikel 17a.7 hebben afgelegd.
|
||||
Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 17a.6 of artikel 17a.7.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.17
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 17a.2, artikel 17a.2a of artikel 17a.2b stelt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar waarin het onderwijs in de opleiding, bedoeld in dat artikel, voor het eerst wordt verzorgd, de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, voor die opleiding vast.
|
||||
|
||||
**2.** Voor het studiejaar 2002–2003 is het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 15 augustus 2002.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.18
|
||||
|
||||
Degene die op of voor 31 augustus 2002 voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2002, wordt gelijkgesteld aan degene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.19
|
||||
|
||||
De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24, eerste of tweede lid, onverminderd het derde en vierde lid van dat artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.20
|
||||
|
||||
**1.** Degenen die op grond van artikel 7.20a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel kandidaat, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die na 31 augustus 2002 met goed gevolg het kandidaatsexamen van een opleiding als bedoeld in artikel 17a.6 of van een opleiding als bedoeld in artikel 17a.7 hebben afgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.21
|
||||
|
||||
**1.** Indien ten behoeve van een bepaald studiejaar toepassing is gegeven aan artikel 17a.2, tweede lid, wordt de aanmelding overeenkomstig artikel 7.37, derde lid, met het oog op de inschrijving voor dat studiejaar voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, aangemerkt als aanmelding voor de overeenkomstige bacheloropleiding, bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onder a.
|
||||
|
||||
**2.** De aanmelding overeenkomstig artikel 7.37, derde lid, met het oog op de inschrijving voor het studiejaar 2002–2003 voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, wordt aangemerkt als aanmelding voor de overeenkomstige bacheloropleiding, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.18
|
||||
### Artikel 17a.22
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van de paragrafen 4 en 4a van titel 3 van hoofdstuk 7 wordt onder bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs mede begrepen een opleiding als bedoeld in artikel 17a.7.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.19
|
||||
### Artikel 17a.23
|
||||
|
||||
De opleidingscommissies, bedoeld in de artikelen 9.18 en 10.3c, zoals die artikelen op 31 augustus 2002 luidden, en in artikel 11.11, zijn mede ingesteld voor de overeenkomstige opleidingen, bedoeld in de artikelen 17a.6 en 17a.7.
|
||||
De opleidingscommissies, bedoeld in de artikelen 9.18 en 10.3c, zoals die artikelen op 31 augustus 2002 luidden, en in artikel 11.11, zijn mede ingesteld voor de overeenkomstige opleidingen, bedoeld in de artikelen 17a.6 en 17a.7.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 7. Overige bepalingen
|
||||
#### Paragraaf 8. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.20
|
||||
### Artikel 17a.24
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat gericht is tegen een besluit dat voor 1 september 2002 is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold voor die dag van toepassing.
|
||||
Ten aanzien van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat gericht is tegen een besluit dat voor 1 september 2002 is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold voor die dag van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a.21
|
||||
### Artikel 17a.25
|
||||
|
||||
Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002, houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van die wet.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue