2007-05-04 | BWBR0004800 | Leidraad invordering 1990

This commit is contained in:
Coornhert 2007-05-04 12:00:00 +00:00
parent 403aa33121
commit 830b8b8fd3

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Leidraad invordering 1990
bwb_id: BWBR0004800
type: circulaire
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2006-07-04'
datum_inwerkingtreding: '2007-04-19'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004800
citeertitel: Leidraad invordering 1990
---
@ -252,28 +252,35 @@ Wanneer de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de
Als de ontvanger gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot verzet als bedoeld in artikel 10 Fw heeft hij hiervoor toestemming van het ministerie nodig.
Op grond van artikel 3, derde lid, van de wet treedt de ontvanger in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak zelfstandig in rechte op. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:
1. Aan de advocaat aan wie de rechtsbijstand van de Belastingdienst in invorderingszaken is opgedragen, wordt de persoonlijke titel van rijksadvocaat verleend. In overleg met de rijksadvocaat kan aan één of meer van zijn kantoorgenoten de persoonlijke titel van plaatsvervangend rijksadvocaat worden verleend.
beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR,
hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR,
beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen,
kantonzaken,
kortgedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is.
2. In voor de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is en welke voortvloeien uit dan wel direct of indirect samenhangen met de invordering van door de Belastingdienst geheven belastingen, premies, toeslagen en andere heffingen (hierna: de invordering), treedt de rijksadvocaat op als advocaat ten behoeve van de ontvanger of (in het geval van invordering van toeslagen) de Staat, tenzij het ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst (hierna: het ministerie), anders bepaalt.
Met betrekking tot vorenvermelde juridische bijstand wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Instructie rechtskundige bijstand.
In zaken waarin zowel de ontvanger als de Staat zijn gedagvaard, treedt in beginsel de rijksadvocaat op, tenzij het geschil niet in overwegende mate betrekking heeft op de invordering, in welk geval de landsadvocaat optreedt.
Alle door ontvangers te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden, behoeven de toestemming van het ministerie. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voorzover in het kader van hoger beroep te voeren:
In afwijking in zoverre van het voorgaande treedt de landsadvocaat op in alle cassatieprocedures bij de Hoge Raad der Nederlanden, met inbegrip van procedures welke direct of indirect samenhangen met de invordering.
- verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;
- kantonzaken;
- procedures tot het instellen van een eis in hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het ministerie te worden gedaan;
- procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, dan wel artikel 708, tweede lid, Rv.
3. In overleg met het ministerie kan voor zaken die dienen voor andere dan de onder het tweede lid bedoelde instanties alsook voor bij de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging niet verplicht is, de rijksadvocaat worden opgedragen ten behoeve van de ontvanger of (in het geval van invordering van toeslagen) de Staat op te treden.
4. Ingeval de te verlenen rechtskundige bijstand betrekking of mede betrekking mocht hebben op een cliënt van de rijksadvocaat of van één van diens kantoorgenoten, wordt de rechtsbijstand verleend door de landsadvocaat.
5. De ontvanger voorziet zich in alle voor de burgerlijke rechter dienende zaken van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:
procedures voor de kantonrechter;
procedures voor de voorzieningenrechter in kort geding, voor zover de ontvanger daarin de gedaagde partij is.
6. Alle door ontvangers te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden, behoeven de toestemming van het ministerie. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voor zover in het kader van hoger beroep te voeren:
verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;
procedures voor de kantonrechter;
procedures tot het instellen van een eis in hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv.
Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het ministerie te worden gedaan;
procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid dan wel artikel 708, tweede lid, Rv.
Opgemerkt wordt dat voor andere verzoekschriftprocedures dan de hiervoor genoemde ex artikel 700, derde lid, Rv en 708, tweede lid, Rv ook geen toestemming van het ministerie nodig is. Te denken valt in dit verband aan de procedure ter verkrijging van verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Voorts kan gedacht worden aan de verzoekschriftprocedure die is voorgeschreven om tot verkoop van aandelen over te gaan en aan de verzoekschriftprocedure tot opening van een rangregeling.
In de gevallen waarin de ontvanger behoefte heeft aan een advies inzake de juridische haalbaarheid van door hem voorgenomen handelingen of standpunten dan wel het daaraan verbonden procesrisico wendt hij zich schriftelijk tot het ministerie. In spoedeisende gevallen kan telefonisch contact worden opgenomen met het ministerie of de rijksadvocaat. In de gevallen waarin (naast het juridische advies) tevens een advies nodig is inzake het te voeren invorderingsbeleid wordt, in zaken die een meer dan incidenteel belang vertegenwoordigen, in ieder geval contact opgenomen met het ministerie.
Indien onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden overwogen tegen personen of bedrijven en verwacht moet worden dat die maatregelen publicitair of anderszins de aandacht zullen trekken, wordt het ministerie zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
7. Alvorens een standpunt in te nemen naar aanleiding van een rechtsvraag, legt de ontvanger de vraag voor aan de kennisgroep op het gebied van de rechtstoepassing (zie het Besluit van 25 februari 2004, nr. DGB2003/6662 M). In overleg met het ministerie kan de kennisgroep of de ontvanger de rijksadvocaat ter zake om advies vragen. In het geval invorderingsmaatregelen worden overwogen tegen personen of bedrijven terwijl verwacht mag worden dat die maatregelen publicitair of anderszins de aandacht zullen trekken, wordt het ministerie zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
### Artikel 4
@ -1705,13 +1712,13 @@ Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een betalingsregelin
Het beleid zoals omschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij regelingen tot en met 12 maanden, is aanvankelijk van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan 12 maanden duurt, met dien verstande dat de regeling zodanig door de ontvanger wordt vastgesteld dat de belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven in de eerste 12 maanden van de betalingsregeling zodanig dient te verminderen zodat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, na de twaalfde maand de volledige aan het kwijtscheldingsbeleid ontleende betalingscapaciteit kan worden benut om de schuld te voldoen. Het inkomen en de uitgaven ten behoeve van eventueel bij de belastingschuldige inwonende kinderen zal echter niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de betalingscapaciteit bij een regeling die langer dan 12 maanden duurt.
In het kader van uitstel van betaling kan samenloop plaatsvinden van belastingschuld met toeslagenschuld als bedoeld in hoofdstuk XVIII. Bij uitstel van betaling kan het gaan om kort uitstel van betaling en om langdurige uitstelregelingen.
In het kader van uitstel van betaling kan samenloop plaatsvinden van belastingschuld met toeslagenschuld als bedoeld in hoofdstuk XVIII.
Als uitgangspunt geldt dat als belanghebbende tegelijkertijd om uitstel van betaling verzoekt voor zowel een belastingschuld als een toeslagenschuld, het verzoek om uitstel van betaling voor de belastingschuld als eerste dient te worden behandeld.
Ieder verzoek om uitstel van betaling dient te worden beoordeeld naar het terzake geldende beleid, dus hetzij het beleid voor uitstel van betaling voor rijksbelastingen, hetzij het beleid voor uitstel van betaling voor toeslagen.
Zo geldt bijvoorbeeld voor belastingschuld een betalingsregeling van in het algemeen 12 maanden gebaseerd op de betalingscapaciteit en voor een toeslagenschuld een betalingsregeling van maximaal 24 maanden, terwijl voor toeslagen ook een standaardregeling van € 40 mogelijk is, die niet is gebaseerd op de betalingscapaciteit.
Zo geldt bijvoorbeeld voor belastingschuld een betalingsregeling van in het algemeen 12 maanden gebaseerd op de betalingscapaciteit en voor een toeslagenschuld een betalingsregeling van maximaal 24 maanden, terwijl voor toeslagen ook een standaardregeling van € 20 mogelijk is, die niet is gebaseerd op de betalingscapaciteit.
Indien de belastingschuldige die ook een toeslagenschuld heeft verzoekt om een langdurige betalingsregeling voor de ene schuld, terwijl er reeds een langdurige betalingsregeling loopt voor de andere schuld, worden voor dat verzoek voor de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking genomen de betalingen die op de eerder afgesloten, nog lopende, betalingsregeling worden voldaan. Het kan dus voorkomen dat uitstelregelingen naast elkaar lopen: een uitstelregeling voor rijksbelastingen en tegelijkertijd een uitstelregeling voor toeslagen.
@ -1952,7 +1959,7 @@ Uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW
Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, andere dan die genoemd in artikel 8, tweede lid, van de regeling, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen. De ontvanger kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend.
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair € 290 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering worden gebracht bedragen forfaitair € 8,50 per dag, dus ongeacht de werkelijke kosten, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld. Als sprake is van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats.
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf.
@ -3118,17 +3125,9 @@ De geldigheidsduur vangt aan op de datum van ontvangst van de (uiteindelijk) als
Een melding wordt gedaan voor de over een bepaald tijdvak verschuldigde belasting. Blijft de toestand van betalingsonmacht voortduren, dan hoeft dit voor de na de melding op aangifte verschuldigde belasting en vervallen naheffingsaanslagen (waarvoor op grond van het zevende lid van deze paragraaf rechtsgeldige melding mogelijk is) niet opnieuw te worden gemeld. Zie voor de drie-jaarsperiode waarin het kennelijk onbehoorlijk bestuur zich in dat geval moet hebben afgespeeld § 6, derde lid, hierna.
Zodra over een tijdvak een bedrag aan belasting **tijdig op aangifte** wordt voldaan is de melding vanaf de datum van voldoening *niet* meer geldig voor de na die datum op aangifte verschuldigde belasting en vervallen naheffingsaanslagen. Vorenstaande voorwaarde is niet van toepassing wanneer een bedrag aan belasting tijdig op aangifte wordt voldaan en die voldoening vindt plaats in het kader van een prolongatieregeling of betalingsregeling. De betalingsonmacht hoeft dan niet opnieuw te worden gemeld. De melding blijft uiteraard wel geldig voor **reeds opgelegde **naheffingsaanslagen over tijdvakken waarvoor de melding eerder als rechtsgeldig is aangemerkt.
De toestand van betalingonmacht als bedoeld in de derde volzin eindigt in beginsel eerst vanaf het tijdstip waarop de naheffingsaanslagen ter zake waarvan de melding heeft plaatsgevonden, zijn betaald. Dit is slechts anders indien naar het oordeel van de ontvanger feitelijk geen sprake meer is van een toestand van betalingsonmacht omdat afdracht en voldoening op aangifte weer zijn hervat.
Wat de geldigheidsduur van de melding betreft, moeten loonbelasting enerzijds en omzetbelasting anderzijds afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
Bijvoorbeeld:
Een rechtspersoon doet een rechtsgeldige melding voor de op aangifte verschuldigde loon- en omzetbelasting over het tijdvak mei 2006. Ook de loon- en omzetbelasting over het tijdvak juni 2006 kan niet tijdig op aangifte worden betaald.
De melding geldt voor beide belastingen nu ook voor het laatstgenoemde tijdvak. Vervolgens wordt over juli 2006 een bedrag aan loonbelasting tijdig op aangifte betaald, maar voor de omzetbelasting niet.
De eerder gedane melding geldt nu vanaf de datum van betaling niet meer voor de na die datum op aangifte verschuldigde loonbelasting of vervallen naheffingsaanslagen loonbelasting, met uitzondering van de reeds opgelegde naheffingsaanslagen over de tijdvakken mei en juni 2006. Voor deze twee tijdvakken was de melding immers als rechtsgeldig aangemerkt. De melding blijft evenwel voor de omzetbelasting ook voor tijdvakken na juni 2006 gelden.
In het laatste geval herleeft de meldingsplicht op voorwaarde dat de ontvanger het lichaam daarover tijdig en schriftelijk heeft geïnformeerd.
Het voldoen aan de verplichting om de ontvanger van de betalingsonmacht in kennis te stellen, heeft niet tot gevolg dat van de gebruikelijke heffingsmaatregelen wordt afgeweken.
@ -4321,6 +4320,33 @@ Naast het tenietgaan van de schuld bestaat ook de mogelijkheid dat de ontvanger
Eveneens bestaat de mogelijkheid dat de hoop op een positief resultaat moet worden opgegeven, omdat ondanks alle aangewende pogingen de gesignaleerde niet meer kan worden achterhaald. Ook in deze gevallen kan de ontvanger door tussenkomst van het ministerie aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties meedelen dat de fiscale bezwaren tegen de afgifte van een reisdocument met normale geldigheidsduur zijn opgeheven. De mededeling dat de signalering kan worden opgeheven heeft tot gevolg dat de persoonsgegevens van de gesignaleerde uit het register paspoortsignaleringen worden verwijderd, tenzij tevens op verzoek van andere instanties signalering heeft plaatsgevonden.
### Artikel XVa
1. Het verplichtingensignaal is een signalering in het kentekenregister van de RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie. Het verplichtingensignaal wordt in het kentekenregister aangebracht voor een ieder die tenminste vijf aanslagen motorrijtuigenbelasting niet of niet volledig heeft betaald terwijl invordering niet op andere wijze mogelijk is gebleken. Het signaal zorgt ervoor dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon geen kenteken meer op zijn naam kan zetten.
2. Er moet sprake zijn van tenminste vijf aanslagen motorrijtuigenbelasting, die onherroepelijk vaststaan. Het is niet noodzakelijk dat de betreffende aanslagen zien op aaneensluitende tijdvakken of op hetzelfde voertuig. Voor toepassing van het verplichtingensignaal tellen echter niet mee aanslagen motorrijtuigenbelasting:
a. die betrekking hebben op het belastingjaar 2004 of eerder;
b. die niet meer worden ingevorderd, omdat invordering een onverdedigbare hardheid zou zijn;
c. die niet meer worden ingevorderd omdat belastingschuldige de toezegging heeft gekregen dat hij voor die aanslagen verder niet meer zal worden bemoeilijkt;
d. die niet meer worden ingevorderd omdat sprake is van een restbedrag;
e. die als natuurlijke verbintenis worden aangemerkt, zoals bijvoorbeeld na verjaring of na beëindiging van een wettelijke schuldsaneringsregeling.
3. Voordat een signalering in de zin van dit hoofdstuk wordt aangebracht krijgt de belastingschuldige vooraf minimaal één waarschuwingsbrief. In die brief wordt belastingschuldige uitgenodigd alsnog de betreffende motorrijtuigenbelasting binnen 14 dagen te voldoen, zodat signalering kan worden voorkomen.
4. Als na afloop van de termijn van 14 dagen na de waarschuwingsbrief geen betaling heeft plaatsgevonden, wordt het verplichtingensignaal aangebracht. De ontvanger stelt de belastingschuldige in kennis van het aanbrengen van het verplichtingensignaal. Een verplichtingensignaal kan ook worden aangebracht gedurende een faillissement, minnelijke schuldsaneringsregeling of wettelijke schuldsaneringsregeling.
5. Een aangebrachte signalering wordt uit het register verwijderd als alle ten name van belastingschuldige openstaande aanslagen motorrijtuigenbelasting, met uitzondering van die genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, van dit hoofdstuk zijn voldaan. Daartoe dient belastingschuldige een schriftelijk verzoek te richten aan de ontvanger.
De ontvanger zal het verplichtingensignaal ambtshalve opheffen op het moment dat ten name van belastingschuldige geen openstaande aanslagen motorrijtuigenbelasting meer invorderbaar zijn als gevolg van het feit dat deze aanslagen:
zijn kwijtgescholden;
na homologatie van een akkoord worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis.
De ontvanger stelt belastingschuldige in kennis van het beëindigen van het verplichtingensignaal.
6. Het verplichtingensignaal dat wordt aangebracht voor belastingschuldigen van wie uit onderzoek is gebleken dat het motorrijtuig of de motorrijtuigen waarvan hij kentekenhouder is, hem niet toebehoort of toebehoren, wordt voorzien van de aantekening katvanger. Het gevolg van deze aantekening is dat het betreffende motorrijtuig of de betreffende motorrijtuigen actief wordt c.q. worden opgespoord. De uitzonderingsbepalingen van het tweede lid, onderdelen a tot en met e, alsmede in verband met de vereiste spoed het bepaalde in het derde lid van dit hoofdstuk blijven ten aanzien van de in dit lid bedoelde belastingschuldigen buiten toepassing.
### Artikel XVI
Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lid-staten voorziet in een verruiming van de deelnemingsvrijstelling en in het achterwege blijven van inhouding van dividendbelasting. De Richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door middel van de Wet van 10 september 1992, houdende wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies etc.), die terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1992.
@ -4567,19 +4593,20 @@ De Awir biedt Belastingdienst/Toeslagen de mogelijkheid uitstel van betaling te
Zie in dit verband ook artikel 25, § 13, lid 11, van deze leidraad.
Als uitgangspunt geldt dat de belanghebbende die teveel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om dat met behulp van een standaardbetalingsregeling te doen.
2. Als uitgangspunt geldt dat de belanghebbende die teveel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag dat is teruggevorderd te voldoen met behulp van een standaardbetalingsregeling.
Deze betalingsregeling (hierna: de standaardregeling) wordt zonder nader onderzoek in te stellen, door Belastingdienst/Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 40 per maand. Als de belanghebbende in aanmerking wil komen voor de standaardregeling, zal hij een schriftelijk verzoek daartoe moeten indienen. Belastingdienst/Toeslagen stuurt hem dan een uitstelbeschikking toe met de mededeling dat de betalingsregeling wordt toegestaan op voorwaarde dat de belanghebbende maandelijks € 40 betaalt totdat het bedrag van de toeslagenschuld, inclusief rente, is voldaan.
Deze betalingsregeling (hierna: de standaardregeling) wordt zonder nader onderzoek in te stellen, door Belastingdienst/Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk.
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de toeslagenschuld. Als het teruggevorderde bedrag groter is dan € 960 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden wél mogelijk is. Een teruggevorderd bedrag van € 1200 zal, bijvoorbeeld, met behulp van de standaardregeling afgelost kunnen worden in 24 maandelijkse termijnen van € 50.
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet voldaan zijn op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag groter is dan € 480 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is. Een teruggevorderd bedrag van € 1200 zal, bijvoorbeeld, met behulp van de standaardregeling afgelost kunnen worden in 24 maandelijkse termijnen van € 50.
De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende met meerdere toeslagenschulden te maken krijgt. Als die zich gelijktijdig voordoen worden, voor de toepassing van de standaardregeling, de te betalen bedragen bij elkaar opgeteld. Voor het totaal geldt vervolgens de hiervoor omschreven aflossingssystematiek van € 40 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
Aflossing kan op twee manieren plaatsvinden:
Belanghebbende A krijgt op 15 juli 2007 een terugvordering huurtoeslag van € 240 én een terugvordering zorgtoeslag van € 120. A kan dan gebruik maken van de standaardregeling door gedurende 9 maanden € 40 af te lossen.
a. de belanghebbende maakt maandelijks het termijnbedrag over naar de rekening van de Belastingdienst;
b. Belastingdienst/Toeslagen verrekent het termijnbedrag met het maandelijks uit te keren voorschot van de belanghebbende.
Een andere situatie die zich voor kan doen is dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering. In die gevallen vindt een vernieuwing van de standaardregeling plaats door het bedrag van de nieuwe toeslagenschuld op te tellen bij het nog resterende bedrag van de toeslagenschuld waarvoor de standaardregeling loopt. Voor het totaal geldt dan weer de hiervoor omschreven aflossingssystematiek van € 40 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
De situatie kan zich voordoen dat belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering in het kader van dezelfde toeslag. In die gevallen vindt een vernieuwing van de standaardregeling plaats door het bedrag van de nieuwe terugvordering op te tellen bij het nog resterende bedrag van de terugvordering waarvoor de standaardregeling loopt. Voor het totaal geldt dan weer de hiervoor omschreven aflossingssystematiek van € 20 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
Belanghebbende A maakt gebruik van de standaardregeling voor een terugvordering huurtoeslag van € 400. Als hij nog € 240 moet aflossen, ontvangt A een terugvordering zorgtoeslag van € 80. A kan dan (opnieuw) gebruik maken van de standaardregeling door gedurende 8 maanden € 40 af te lossen.
Belanghebbende A maakt gebruik van de standaardregeling voor een terugvordering huurtoeslag van € 400. Op een tijdstip dat A nog € 240 moet aflossen, ontvangt hij een nieuwe terugvordering huurtoeslag van € 80. A kan dan (opnieuw) gebruik maken van de standaardregeling door gedurende 16 maanden € 20 af te lossen.
In daartoe aanleiding gevende situaties kan Belastingdienst/Toeslagen een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Hiervan kan slechts sprake zijn als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is om de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. Hij is dan tevens gehouden om, op het daartoe bestemde formulier, de benodigde informatie te verstrekken aan Belastingdienst/Toeslagen om te kunnen beoordelen of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te kunnen verrichten.
@ -4590,7 +4617,7 @@ De artikelen 11, 12 en 13 van de regeling zijn in dit kader van overeenkomstige
naast het netto-besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto-besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir;
bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen. Mocht echter blijken dat de betalingscapaciteit lager is dan € 40 per maand maar voldoende om het bedrag van de toeslagenschuld in maximaal 24 maanden te voldoen, zij het met een lager bedrag dan € 40, dan zal Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling die is gebaseerd op de betalingscapaciteit toestaan.
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen. Mocht echter blijken dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand maar voldoende om het bedrag van de toeslagenschuld in maximaal 24 maanden te voldoen, zij het met een lager bedrag dan € 20, dan zal Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling die is gebaseerd op de betalingscapaciteit toestaan.
Indien de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar niet voldoende om de toeslagenschuld af te lossen in 24 maanden, zal Belastingdienst/Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op de betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden. Na die twaalf maanden zal Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Wordt na ontvangst van dat formulier een inkomensverbetering geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.
@ -4600,17 +4627,7 @@ Indien aan de hand van de gegevens op het door belanghebbende ingevulde vragenfo
In beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting, voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald, zullen worden verrekend met de buiten invordering gelaten schuld.
De belanghebbende heeft, naast de betalingsregelingen bedoeld in het tweede en derde lid van deze paragraaf, tevens de mogelijkheid om telefonisch of schriftelijk voor enkele maanden uitstel van betaling aan te vragen. Deze vorm van uitstel van betaling (hierna: kort uitstel) houdt in dat gedurende een periode van maximaal 4 maanden, te rekenen vanaf de vervaldag van de toeslagenschuld, een opschorting van de betalingsverplichting plaats vindt. Het te betalen bedrag moet dan wel binnen die periode volledig zijn betaald. Na afloop van het kort uitstel kan belanghebbende niet opnieuw uitstel van betaling krijgen (in welke vorm dan ook) voor dezelfde toeslagenschuld.
De voorwaarden die gelden om voor kort uitstel in aanmerking te komen zijn vrijwel dezelfde als de voorwaarden die gelden voor belastingschulden, zij het dat bij de terugvordering van toeslagen geen onderscheid gemaakt wordt tussen een particulier en een ondernemer.
Voordat kort uitstel kan worden verleend moet aan de volgende (cumulatieve) voorwaarden worden voldaan:
a. De toeslagenschuld bedraagt minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met toeslagenschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift;
b. Aan de belanghebbende is niet al eerder uitstel van betaling verleend voor toeslagenschuld in verband met betalingsproblemen.
c. Aan de belanghebbende is geen dwangbevel betekend voor openstaande toeslagenschuld.
Voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden, dan kan hij eventueel wel in aanmerking komen voor de standaardbetalingsregeling van € 40 per maand, of een betalingsregeling gebaseerd op de betalingscapaciteit.
Vervallen.
Als het ontstaan van de toeslagenschuld te wijten is aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner, dan komt belanghebbende niet in aanmerking voor een betalingsregeling of voor een beschikking niet verder bemoeilijken als bedoeld in deze paragraaf. In dat geval is er ook geen plaats voor enige terughoudendheid in de uitoefening van de bevoegdheid tot dwanginvordering of verrekening.
@ -4641,14 +4658,14 @@ Een gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen ten laste van een sch
Artikel 67, § 1, lid 4, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.
Op de uitvoeringsprocedure van Belastingdienst/Toeslagen is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering van titel 4.2. Voorts zijn artikel 3:40 en de hoofdstukken 4, 6 en 7 Awb niet van toepassing op de verrekeningsbeschikking, de aanmaning en het dwangbevel.
Een en ander houdt onder meer in dat tegen de verrekeningsbeschikking, de aanmaning en het dwangbevel geen bezwaar en beroep mogelijk is, maar dat wél bezwaar en beroep mogelijk is tegen andere beschikkingen van Belastingdienst/Toeslagen, bijvoorbeeld met betrekking tot uitstel van betaling.
Omdat in de Awir de Kostenwet invordering rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is verklaard, is voorts bezwaar en beroep mogelijk tegen eventuele vervolgingskosten die in verband met een aanmaning of een dwangbevel in rekening zijn gebracht.
In de uitoefening van invorderingstaken door Belastingdienst/Toeslagen kan de Staat betrokken worden in een procedure voor de civiele rechter. Artikel 3, § 4, van deze leidraad, is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Dit brengt onder meer met zich mee dat in de daartoe aangewezen situaties de rijksadvocaat optreedt als procesvertegenwoordiger.
## Bijlage I
Vervallen.