2012-07-25 | BWBR0011470 | Wet personenvervoer 2000
This commit is contained in:
parent
62d9bf96f4
commit
838554acd3
1 changed files with 71 additions and 6 deletions
|
|
@ -222,11 +222,72 @@ Gegevens of inlichtingen omtrent een onderneming, die in verband met enige werkz
|
|||
|
||||
**2.** Indien op grond van artikel 42 of 43 een concessie is opgehouden te bestaan, kan maximaal één jaar openbaar vervoer worden verricht zonder concessie volgens bij ministeriële regeling nader te stellen regels.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid geldt niet ten aanzien van vervoer per trein verricht door internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in richtlijn 91/440/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PbEG L 237) voor zover de in artikel 10 van die richtlijn bedoelde diensten worden verricht.
|
||||
**3.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein waarbij slechts een station in Nederland wordt aangedaan.
|
||||
|
||||
**4.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein indien daarvan overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van de Spoorwegwet melding is gemaakt en daarvoor geen aanvraag als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, is gedaan.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein indien daarvoor een of meer aanvragen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, zijn gedaan en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat:
|
||||
|
||||
a. het hoofddoel van het vervoer internationaal passagiersvervoer is of dat geen aanvraag het hoofddoel betreft, en
|
||||
b. het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming niet in gedrang brengt of dat geen aanvraag het economisch evenwicht betreft.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor grensoverschrijdend personenvervoer per trein indien daarvoor een of meer aanvragen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, zijn gedaan, en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat:
|
||||
|
||||
a. het hoofddoel van dat vervoer internationaal passagiersvervoer is of dat geen aanvraag het hoofddoel betreft, en
|
||||
b. het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Het hoofddoel van grensoverschrijdend personenvervoer per trein is internationaal passagiersvervoer indien op basis van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels:
|
||||
|
||||
a. het internationale traject substantieel buiten Nederland is gelegen;
|
||||
b. het hoofdzakelijk vervoer betreft van reizigers die de Nederlandse grens passeren, en
|
||||
c. de omzet van het openbaar vervoer hoofdzakelijk afkomstig is van de reizigers, bedoeld in onderdeel b.
|
||||
|
||||
**8.** Het economisch evenwicht van een of meer verleende concessies komt in het gedrang indien overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels het aantal reizigers of de omzet van een of meer betrokken concessiehouders in betekenisvolle mate afneemt.
|
||||
|
||||
**9.** Het vierde tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van het grensoverschrijdend personenvervoer per trein.
|
||||
|
||||
**10.** De voordracht voor een krachtens het zevende of achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 19a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit doet zo spoedig mogelijk na ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 57, tweede of derde lid, van de Spoorwegwet, mededeling van die melding in de Staatscourant en aan de betrokken concessieverleners en concessiehouders en vermeldt daarbij de mogelijkheid van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, en de termijn voor indiening van die aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt op daartoe strekkende aanvraag van een of meer concessieverleners of concessiehouders of de beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet, vast of het ingevolge artikel 57, tweede of derde lid van de Spoorwegwet, gemelde voorgenomen vervoer:
|
||||
|
||||
a. internationaal passagiersvervoer als hoofddoel heeft, of
|
||||
b. het daarvan deel uitmakende vervoer van passagiers tussen stations in Nederland het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt.
|
||||
|
||||
**3.** De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bevoegd de inlichtingen te vorderen en de inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te vorderen die hij redelijkerwijs nodig heeft voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Een ieder, met uitzondering van de personen, bedoeld in artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is verplicht binnen redelijke termijn de door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit gevorderde inlichtingen te verstrekken of de gevorderde inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te verlenen.
|
||||
|
||||
**5.** De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit geeft de beschikking op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de overeenkomstig het derde lid gevorderde gegevens en bescheiden.
|
||||
|
||||
**6.** De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit doet mededeling van de aanvraag, en van de beschikking, bedoeld in het vijfde lid, aan de betrokken beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet en doet mededeling van die beschikking in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan, binnen acht weken na de mededeling bedoeld in het zesde lid, van een beschikking als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, besluiten om het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland te beperken, mits:
|
||||
|
||||
a. de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, op grond van het tweede lid, onderdeel b, heeft vastgesteld dat dit vervoer het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming in gedrang brengt;
|
||||
b. Onze Minister hierbij de beschikbare kwaliteit voor de reiziger en de financiële belangen van een of meer betrokken concessiehouders in acht neemt, en
|
||||
c. de gestelde beperkingen niet verder gaan dan noodzakelijk is om het in gedrang komen van het economisch evenwicht van een of meer concessies van een spoorwegonderneming te voorkomen.
|
||||
|
||||
Onze Minister kan binnen de genoemde termijn van acht weken besluiten om deze termijn met ten hoogste zes weken te verlengen.
|
||||
|
||||
**8.** Onze Minister beperkt het vervoer van passagiers tussen stations in Nederland voor grensoverschrijdend openbaar vervoer per trein zonder concessie op het traject waarvoor de aan HSA beheer N.V. verleende concessie voor de duur van vijftien jaar, met aanvangsdatum 1 juli 2009, van toepassing is.
|
||||
|
||||
**9.** Het tweede lid, onderdeel b, en het zevende lid zijn niet van toepassing op het vervoer, bedoeld in het achtste lid.
|
||||
|
||||
**10.** Het personenvervoer per trein in strijd met de krachtens het zevende dan wel het achtste lid vastgestelde beperkingen is verboden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Concessieverlening
|
||||
|
||||
|
|
@ -289,7 +350,9 @@ c. de concessie zowel openbaar vervoer per trein als ander openbaar vervoer omva
|
|||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid bevat een concessie voor openbaar vervoer per trein, in plaats van een omschrijving van het gebied waarvoor de concessie is verleend, een omschrijving van de stations waartussen het openbaar vervoer wordt afgewikkeld.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de concessie en de daarbij behorende financiële afspraken wordt rekening gehouden met de voor de concessiehouder geldende gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 62 van de Spoorwegwet.
|
||||
**4.** De omschrijving, bedoeld in het derde lid, kan ook stations buiten Nederland betreffen, indien de eventueel daarvoor vereiste toestemming door de daartoe bevoegde autoriteit of autoriteiten in de desbetreffende andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie is gegeven.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de concessie en de daarbij behorende financiële afspraken wordt rekening gehouden met de voor de concessiehouder geldende gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 62 van de Spoorwegwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
@ -704,9 +767,11 @@ c. de criteria voor het verlenen van een concessie.
|
|||
|
||||
**1.** In deze paragraaf wordt verstaan onder het hoofdrailnet: de spoorvervoerdiensten die als zodanig bij koninklijk besluit zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan bepalen dat een door hem verleende concessie voor het hoofdrailnet geheel of voor een door Onze Minister daarbij te bepalen aanmerkelijk gedeelte door de concessiehouder zal worden uitgevoerd met gebruikmaking van een of meer door Onze Minister aan te wijzen rechtspersonen.
|
||||
**2.** De krachtens het eerste lid aangewezen spoorvervoerdiensten kunnen met ingang van 1 januari 2015 mede de diensten met stations buiten Nederland betreffen, indien de eventueel daarvoor vereiste toestemming door de daartoe bevoegde autoriteit of autoriteiten in de desbetreffende andere lidstaat of lidstaten van de Europese Unie, is gegeven.
|
||||
|
||||
**3.** Een in het eerste lid bedoeld koninklijk besluit wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overlegd.
|
||||
**3.** Onze Minister kan bepalen dat een door hem verleende concessie voor het hoofdrailnet geheel of voor een door Onze Minister daarbij te bepalen aanmerkelijk gedeelte door de concessiehouder zal worden uitgevoerd met gebruikmaking van een of meer door Onze Minister aan te wijzen rechtspersonen.
|
||||
|
||||
**4.** Een in het eerste lid bedoeld koninklijk besluit wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overlegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
|
|
@ -1185,7 +1250,7 @@ e. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de met de ingevolge de onderdelen
|
|||
|
||||
**1.** Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten op grond van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten op grond van de artikelen 19a, tweede, vijfde en zevende lid, 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid en 96, eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 106
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue