2003-12-02 | BWBR0006624 | Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994

This commit is contained in:
Coornhert 2003-12-02 12:00:00 +00:00
parent 91cf895203
commit 83953bcb49

View file

@ -53,10 +53,10 @@ De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een verklaring aan een onderlinge waar
a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te dragen in de tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de ontbinding de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde termijn hebben opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt;
b. de bedrijfsuitoefening zich niet uitstrekt tot de branches Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid, Krediet, Borgtocht en Hulpverlening;
c. het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan een miljoen euro beloopt, waarbij onder "euro" wordt verstaan de rekeneenheid, bedoeld in artikel 5, onderdeel *a*, van richtlijn nr. 73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (*PbEG* L 228), met inachtneming van de artikelen 1 en 2 van richtlijn nr. 76/580/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1976 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (*PbEG* L 189) en van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PbEG L 162); en
c. het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 5 miljoen beloopt; en
d. ten minste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van de leden.
**2.** De onderlinge waarborgmaatschappij dient te beschikken over een solvabiliteitsmarge die ten minste € 205 000 bedraagt. Ten aanzien van deze solvabiliteitsmarge is artikel 68, eerste, vierde en vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing.
**2.** De onderlinge waarborgmaatschappij dient te beschikken over een solvabiliteitsmarge die ten minste € 205 000 bedraagt. Ten aanzien van deze solvabiliteitsmarge is artikel 68, eerste lid en vierde tot en met zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing.
### Artikel 4
@ -87,7 +87,7 @@ d. geeft aan de Pensioen- & Verzekeringskamer of aan personen, door deze bij uit
### Artikel 7
**1.** Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan een verklaring ingevolge artikel 3 is verleend, is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, 2, 8, 10, eerste lid, 11, 15, 18, 20, aanhef en onderdeel a, 29, 51, 54, 55, 55a, 56, 57, eerste, derde en vierde lid, 64, 66, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, eerste volzin, zevende en achtste lid, 70 tot en met 73, 75, eerste tot en met derde lid, 76, 77, eerste en derde lid, 121, eerste en vijfde lid, 122, 123, 127, 138, eerste, vierde en vijfde lid, 140, 141, eerste lid, 155, 156, eerste tot en met derde en vijfde tot en met dertiende lid, 157, 158, 161 tot en met 164, 165, eerste lid en derde tot en met zevende lid, 165a, 166, 168, 169, eerste, derde en vierde lid, vijfde lid, onderdelen a tot en met d en f, 169a, 170, 182 tot en met 186, 188, 188a en 196 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing of van overeenkomstige toepassing.
**1.** Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan een verklaring ingevolge artikel 3 is verleend, is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, 2, 8, 10, eerste lid, 11, 15, 18, 20, aanhef en onderdeel a, 29, 51, 54, 55, 55a, 56, 57, eerste, derde en vierde lid, 64, 66, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, eerste volzin, zevende en achtste lid, 70 tot en met 73, 75, eerste tot en met derde lid, 76, 77, eerste en derde lid, 121, eerste en vijfde lid, 122, 123, 127, 137a, 138, eerste, vierde en vijfde lid, 140, 140a,141, eerste lid, 155, 156, eerste tot en met derde en vijfde tot en met dertiende lid, 157, 158, 161 tot en met 164, 165, eerste lid en derde tot en met zevende lid, 165a, 166, 168, 169, eerste, derde en vierde lid, vijfde lid, onderdelen a tot en met d en f, 169a, 170, 182 tot en met 186, 188, 188a en 196 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing of van overeenkomstige toepassing.
**2.** De waarden, bedoeld in artikel 66, zesde lid, eerste volzin, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 moeten in Nederland aanwezig zijn, met dien verstande dat met betrekking tot een overeenkomst van communautaire co-assurantie deze waarden ter keuze van de onderlinge waarborgmaatschappij ook aanwezig mogen zijn in de andere lid-staten van waaruit de overige co-assuradeuren deelnemen aan de overeenkomst.