2008-06-01 | BWBR0006746 | Voertuigreglement
This commit is contained in:
parent
69d7d0443d
commit
845c0ecec4
1 changed files with 95 additions and 60 deletions
|
|
@ -27,7 +27,7 @@ e. ambulance: motorrijtuig, bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer
|
|||
f. as: geheel van aslichaam met inbegrip van wielgeleidingselementen;
|
||||
f1. ashefinrichting: een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen;
|
||||
g. asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;
|
||||
g1: autogordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;
|
||||
g1. autogordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;
|
||||
g2. autonome aanhangwagen: aanhangwagen met minimaal twee assen, waarvan in ieder geval één gestuurd is, en die is uitgerust met een beweegbare trekinrichting die het trekkend voertuig verticaal met minder dan 100 kg belast; als autonome aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een gekoppelde dolly met een oplegger;
|
||||
h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, en
|
||||
|
||||
|
|
@ -126,10 +126,10 @@ an. mistlicht aan de voorzijde: licht, bestemd voor een betere verlichting van d
|
|||
an1. mobiliteitshandicap: eigenschap welke het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
|
||||
an2. mogelijke nuttige toepassing: mogelijkheid om met of ten aanzien van onderdelen of materialen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken de toepasselijke handelingen, bedoeld in bijlage IIB van richtlijn 75/442/EEG, te verrichten;
|
||||
ao. motorfiets: motorrijtuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, alsmede een motorrijtuig op drie asymmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als motorfiets is aangeduid;
|
||||
ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan: motorrijtuig niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en
|
||||
ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan:
|
||||
|
||||
1. ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten de wegen;
|
||||
2. ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen.
|
||||
a. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen;
|
||||
b. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;
|
||||
ap1. niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel dat behoort tot een ander type dan waarvan het voertuig bij de goedkeuring oorspronkelijk was voorzien en dat uitsluitend mag worden gebruikt ter vervanging van die oorspronkelijke technische eenheid of dat oorspronkelijke onderdeel;
|
||||
aq. ondeelbare lading: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan worden vervoerd door een motorrijtuig, aanhangwagen of samenstel van voertuigen dat in alle opzichten aan dit besluit voldoet;
|
||||
aq1. onderdeel: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt onafhankelijk van een type voertuig;
|
||||
|
|
@ -146,9 +146,11 @@ ax. richtlicht: licht waarvan de lichtbundel naar wens kan worden gericht;
|
|||
ay. rijdend werktuig: bedrijfsauto of motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen;
|
||||
az. samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
|
||||
ba. stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
|
||||
ba0. taxi: motorrijtuig, bestemd om te worden gebruikt voor taxivervoer als bedoeld in de Wet Personenvervoer 2000 en dat blijkens het kentekenbewijs is ingericht als taxi;
|
||||
ba1. technische eenheid: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen;
|
||||
ba2. T100-bus: bus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs dan wel uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 km/h;
|
||||
bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien van een koppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger;
|
||||
bb1. verlicht transparant: verlichting op een voertuig dat uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer;
|
||||
bc. vervangingskatalysator: een katalysator of een samenstel van katalysatoren die bestemd is of zijn om een originele katalysator op een voertuig te vervangen en waarvoor als technische eenheid volgens de definitie in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn 70/156/EEG of artikel 2, vijfde lid, van richtlijn 2002/24/EG typegoedkeuring kan worden verleend;
|
||||
bc1. verwarmingssysteem op brandstof: verwarmingssysteem dat rechtstreeks op vloeibare of gasvormige brandstof werkt en geen gebruik maakt van de door de aandrijfmotor van het voertuig voortgebrachte afvalwarmte;
|
||||
bd. voertuig: motorrijtuig, aanhangwagen, fiets, zijspanwagen, wagen of andere constructie, niet bestemd om langs spoorstaven te worden voortbewogen; onder een andere constructie wordt niet verstaan een kinderwagen, niet-gemotoriseerde rolstoel, kruiwagen of soortgelijke kleine constructie;
|
||||
|
|
@ -196,7 +198,6 @@ l1. richtlijn 74/151/EEG: richtlijn nr. 74/151/EEG van de Raad van de Europese G
|
|||
l2. richtlijn 74/152/EEG: richtlijn nr. 74/152/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
|
||||
m. richtlijn 74/297/EEG: richtlijn nr. 74/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PbEG L 165);
|
||||
m1. richtlijn 74/346/EEG: richtlijn nr. 74/346/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191);
|
||||
m2. richtlijn 74/347/EEG: richtlijn nr. 74/347/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191);
|
||||
n. richtlijn 74/408/EEG: richtlijn nr. 74/408/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1974 met betrekking tot de zitplaatsen en de bevestiging en hoofdsteunen daarvan in motorvoertuigen (PbEG L 221);
|
||||
o. richtlijn 74/483/EEG: richtlijn nr. 74/483/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen (PbEG L 266);
|
||||
o1. richtlijn 75/321/EEG: richtlijn nr. 75/321/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
|
||||
|
|
@ -280,7 +281,8 @@ bw. richtlijn 2003/102/EG: richtlijn nr. 2003/102/EG van het Europees Parlement
|
|||
bx. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn nr. 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEU L 275);
|
||||
bx1. richtlijn 2005/64/EG: richtlijn nr. 2005/64/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 310);
|
||||
by. richtlijn 2005/66/EG: richtlijn nr. 2005/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het gebruik van frontbeschermingsinrichtingen op motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 309);
|
||||
bz. richtlijn nr. 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 (PbEU L 161) betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese Unie.
|
||||
bz. richtlijn nr. 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 (PbEU L 161) betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese Unie;
|
||||
ca. richtlijn 2008/2/EG: richtlijn nr. 2008/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 24).
|
||||
|
||||
**2.** In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder ECE-reglement 104: VN/ECE-reglement nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1103,7 +1105,7 @@ d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsa
|
|||
|
||||
**5.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig alsmede van een samenstel van een rijdend werktuig en een aanhangwagen meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg.
|
||||
|
||||
**6.** Bij bedrijfsauto’s die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt.
|
||||
**6.** Bij bedrijfsauto’s die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -1145,11 +1147,10 @@ Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaald
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG
|
||||
De volgende bedrijfsauto’s voldoen wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik aan richtlijn 80/1268/EEG:
|
||||
|
||||
a. van niet meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2004, of na 31 december 2005 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, of
|
||||
b. van meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2006, of na 31 december 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft,
|
||||
c. voldoen wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik aan richtlijn 80/1268/EEG.
|
||||
a. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2004, of na 31 december 2005 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft;
|
||||
b. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2006, of na 31 december 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1444,7 +1445,8 @@ i. een richtlicht;
|
|||
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
|
||||
k. werklichten;
|
||||
l. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
|
||||
m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
|
||||
m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
|
||||
n. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg.
|
||||
|
||||
**2.** Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1681,7 +1683,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 3.4.39
|
||||
|
||||
**1.** Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
|
||||
**1.** Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
|
||||
|
||||
**2.** Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2075,7 +2077,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 3.5.39
|
||||
|
||||
**1.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
|
||||
**1.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
|
||||
|
||||
**2.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2811,7 +2813,7 @@ Veiligheidsruiten of materialen voor ruiten, bestemd voor montage op personenaut
|
|||
|
||||
### Artikel 3.8.11
|
||||
|
||||
**1.** Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 70/220/EEG, moet voldoen aan richtlijn 70/220/EEG.
|
||||
**1.** Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 70/156/EEG, moet voldoen aan richtlijn 70/220/EEG.
|
||||
|
||||
**2.** Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2002/24/EG, moet voldoen aan richtlijn 97/24/EG.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2946,7 +2948,7 @@ Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat be
|
|||
|
||||
### Artikel 3.10.28
|
||||
|
||||
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het zichtveld aan richtlijn 74/347/EEG.
|
||||
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het zichtveld aan richtlijn 2008/2/EG.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10.29
|
||||
|
||||
|
|
@ -2954,7 +2956,7 @@ Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wa
|
|||
|
||||
### Artikel 3.10.30
|
||||
|
||||
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruitenwissers aan richtlijn 74/347/EEG.
|
||||
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruitenwissers aan richtlijn 2008/2/EG.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10.32
|
||||
|
||||
|
|
@ -3224,7 +3226,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie, moeten voldoen aan de in afdeling 6 aan bromfietsen gestelde eisen, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. het bepaalde in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid, geen toepassing vindt,
|
||||
a. het bepaalde in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, geen toepassing vindt,
|
||||
b. voor het in artikel 5.6.6 ter zake van de afmetingen bepaalde artikel 5.10.6 in de plaats treedt, en
|
||||
c. de cylinderinhoud van de verbrandingsmotor van het gehandicaptenvoertuig niet meer dan 50 cm3 mag bedragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3720,9 +3722,9 @@ c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen
|
|||
|
||||
**9.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het zevende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.47 a
|
||||
### Artikel 5.2.47a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.48
|
||||
|
||||
|
|
@ -3752,6 +3754,10 @@ c. mogen niet aanlopen.
|
|||
|
||||
**3.** Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.50
|
||||
|
||||
Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.51
|
||||
|
|
@ -3860,7 +3866,7 @@ l. een derde remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober
|
|||
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h;
|
||||
m. twee dagrijlichten;
|
||||
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
|
||||
o. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht.
|
||||
o. verlichte transparanten.
|
||||
|
||||
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen g onderscheidenlijk h van het eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3890,6 +3896,14 @@ o. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling va
|
|||
|
||||
**10.** De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
Verlichte transparanten zijn:
|
||||
|
||||
a. afzonderlijk geschakeld;
|
||||
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
|
||||
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2.61
|
||||
|
||||
**1.** Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
|
||||
|
|
@ -4174,10 +4188,10 @@ b. motorrijtuigen die blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeve
|
|||
|
||||
Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet zijn voorzien van een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG:
|
||||
|
||||
a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn vestreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt;
|
||||
a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt;
|
||||
b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd;
|
||||
c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld;
|
||||
d. moeten het controleplaatje en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
|
||||
d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3.16
|
||||
|
||||
|
|
@ -4630,7 +4644,7 @@ d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens ee
|
|||
|
||||
### Artikel 5.3.47a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3.48
|
||||
|
||||
|
|
@ -4734,6 +4748,12 @@ b. bedrijfsauto's waarvan het gebruik blijkens een aantekening in het kentekenbe
|
|||
|
||||
**3.** Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3.50
|
||||
|
||||
**1.** Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op bussen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3.51
|
||||
|
|
@ -4837,7 +4857,8 @@ m. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
|
|||
n. In afwijking van onderdeel m kunnen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0.15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
|
||||
o. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg kunnen, in afwijking van onderdeel m, twee extra remlichten worden aangebracht;
|
||||
p. twee dagrijlichten;
|
||||
q. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht.
|
||||
q. verlichte transparanten;
|
||||
r. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg.
|
||||
|
||||
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen h onderscheidenlijk i van het eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4873,6 +4894,14 @@ q. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling va
|
|||
|
||||
**10.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
Verlichte transparanten zijn:
|
||||
|
||||
a. afzonderlijk geschakeld;
|
||||
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
|
||||
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3.61
|
||||
|
||||
**1.** Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
|
||||
|
|
@ -5020,7 +5049,7 @@ a. niet langer zijn dan 4.00 m;
|
|||
b. niet breder zijn dan 2.00 m;
|
||||
c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
|
||||
|
||||
**2.** Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorrijtuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
|
||||
**2.** Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorrijtuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Motor
|
||||
|
||||
|
|
@ -5382,7 +5411,8 @@ f. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, amberge
|
|||
g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
|
||||
h. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
|
||||
i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
|
||||
j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997.
|
||||
j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
|
||||
k. verlichte transparanten.
|
||||
|
||||
**2.** Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5417,6 +5447,14 @@ f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zi
|
|||
|
||||
**6.** Op het mistlicht aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.4.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Verlichte transparanten zijn:
|
||||
|
||||
a. afzonderlijk geschakeld;
|
||||
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
|
||||
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4.62
|
||||
|
||||
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
|
||||
|
|
@ -6131,12 +6169,7 @@ a. het voertuig is in overeenstemming met de op het voor het voertuig afgegeven
|
|||
b. het identificatienummer is op een vast voertuigdeel ingeslagen en is goed leesbaar;
|
||||
c. de kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
|
||||
d. het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd;
|
||||
e. het merk of de fabrieksaanduiding is goed leesbaar op het voertuig aanwezig;
|
||||
f. indien het een bromfiets betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1994 en waarvoor geen kentekenbewijs is afgegeven, moet de bromfiets tot 1 januari 2007:
|
||||
|
||||
1°. behoren tot een door Onze Minister goedgekeurd type of exemplaar en zijn voorzien van een goed leesbaar goedkeuringsmerk dat is aangebracht op het balhoofd of op enig ander deel van het frame, dan wel
|
||||
2°. behoren tot een type waarvoor een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG is afgegeven en zijn voorzien van een constructieplaat, waarop de naam van de fabrikant, het goedkeuringsnummer betreffende de goedkeuring van het voertuig, het identificatienummer van het voertuig en het geluidsniveau tijdens stilstand in dB(A) bij een daarbij behorend toerental per minuut, zijn vermeld, en
|
||||
3°. zijn voorzien van een gele plaat of gele vlakken of, indien het voertuig is geconstrueerd voor een maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, van een oranje plaat of oranje vlakken.
|
||||
e. het merk of de fabrieksaanduiding is goed leesbaar op het voertuig aanwezig.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen als bedoeld in artikel 2.4, onderdelen a, b en g.
|
||||
|
||||
|
|
@ -6187,7 +6220,7 @@ c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
|
|||
|
||||
### Artikel 5.6.8
|
||||
|
||||
**1.** Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximum constructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, met dien verstande dat bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h, respectievelijk 25 km/h, en waarvoor geen kentekenbewijs is afgegeven, tot 1 januari 2007 bij voortduring moeten blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximumsnelheid.
|
||||
**1.** Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximum constructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h.
|
||||
|
||||
**2.** Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximum constructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -6209,9 +6242,9 @@ c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
|
|||
|
||||
**3.** Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging (*Stb.* 1984, 525).
|
||||
|
||||
**4.** Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Tot 1 januari 2007 mogen bromfietsen waarvoor geen kentekenbewijs is afgegeven en die behoren tot een type waarvoor een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG is afgegeven in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die is vermeld op de in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdeel f, onder 2°, bedoelde constructieplaat, vermeerderd met 2dB(A).
|
||||
**4.** Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A).
|
||||
|
||||
**5.** Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Tot 1 januari 2007 mogen bromfietsen waarvoor geen kentekenbewijs is afgegeven en waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, is vermeld, in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h, en niet meer dan 90 dB(A) voor ander bromfietsen waarvoor nog geen kentekenbewijs is afgegeven.
|
||||
**5.** Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het vierde en vijfde lid bedoelde geluidproductie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -8597,7 +8630,7 @@ l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maxim
|
|||
|
||||
**5.** De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
|
||||
|
||||
**6.** De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
|
||||
**6.** De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
|
||||
|
||||
**7.** Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -9827,7 +9860,7 @@ Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport
|
|||
|
||||
### Artikel 5.18.10
|
||||
|
||||
**1.** Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 750 kg moeten indien zij zijn gekoppeld aan een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig.
|
||||
**1.** Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten indien zij zijn gekoppeld aan een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig.
|
||||
|
||||
**2.** De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -10069,6 +10102,10 @@ b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as.
|
|||
|
||||
**4.** De som van de aslasten van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.18.25a
|
||||
|
||||
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ap, onder b, geen passagiers in de aanhangwagens worden vervoerd mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
|
||||
|
||||
### Artikel 5.18.26
|
||||
|
|
@ -10185,9 +10222,7 @@ Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto of bedrijfsauto
|
|||
|
||||
### Artikel 5.18.38
|
||||
|
||||
**1.** De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig op die van het trekkend voertuig zijn aangesloten dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een bedrijfsauto en één van de voertuigen is voorzien van een lijn- of contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, is het andere voertuig ook aan de zijkant van een lijn- of contourmarkering voorzien.
|
||||
De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig op die van het trekkend voertuig zijn aangesloten dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf C. Fietsen
|
||||
|
||||
|
|
@ -10407,7 +10442,7 @@ c. aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voo
|
|||
|
||||
**2.** In geval van wijziging van de constructie van een personenauto of bedrijfsauto naar kampeerauto blijft het voertuig behoren tot de oorspronkelijke categorie.
|
||||
|
||||
**3.** Het voertuig moet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.2, tweede lid, voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 voor de nieuwe categorie opgenomen eisen zoals die golden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig in de oorspronkelijke categorie.
|
||||
**3.** Het voertuig moet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.2, tweede lid, voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring voor de nieuwe categorie opgenomen eisen zoals die golden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig in de oorspronkelijke categorie.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Eisen wijziging in de constructie
|
||||
|
||||
|
|
@ -10417,12 +10452,12 @@ c. aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voo
|
|||
|
||||
Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen, niet zijnde motorfietsen, welke geen volledig dragend chassis hebben alsmede bij wijziging van een enkele cabine naar een dubbele cabine dan wel van een dubbele naar een enkele cabine, moet het voertuig voldoen aan:
|
||||
|
||||
a. de in de hoofdstukken 3 en 5 voor de betrokken voertuigcategorie opgenomen eisen, en
|
||||
a. de in de Regeling eisen individuele goedkeuring voor de betrokken voertuigcategorie opgenomen eisen, en
|
||||
b. de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot stijfheid en deugdelijkheid van de constructie alsmede weggedrag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen met een volledig dragend chassis, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen met een volledig dragend chassis, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. algemene bouwwijze van het voertuig,
|
||||
|
|
@ -10434,7 +10469,7 @@ g. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen.
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent algemeen, carrosserie, motor, ophanging en remmen, met uitzondering van de eisen betreffende:
|
||||
Bij wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent algemeen, carrosserie, motor, ophanging en remmen, met uitzondering van de eisen betreffende:
|
||||
|
||||
a. de constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en het gezichtsveld van spiegels,
|
||||
b. de inrichting, de sterkte en de bevestiging van naar voren gerichte zitplaatsen,
|
||||
|
|
@ -10446,18 +10481,18 @@ voor zover noodzakelijk voor het gebruik door of het vervoer van een gehandicapt
|
|||
|
||||
alsmede de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot stijfheid en deugdelijkheid van de constructie alsmede het weggedrag.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid, zijn bij een wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten, de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de onderdelen b, d en e, van het derde lid, wel van toepassing op bussen die na 12 februari 2004 in gebruik zijn genomen.
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid, zijn bij een wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten, de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent de onderdelen b, d en e, van het derde lid, wel van toepassing op bussen die na 12 februari 2004 in gebruik zijn genomen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Bij wijziging van het voertuig dat in gebruik is genomen na 31 mei 2004, zodanig dat het aantal zitplaatsen als vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister wordt overschreden, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van het voertuig dat in gebruik is genomen na 31 mei 2004, zodanig dat het aantal zitplaatsen als vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister wordt overschreden, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen, en
|
||||
b. carrosserie.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.5
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1%, in het geval van een motorfiets of een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1%, in het geval van een motorfiets of een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. algemene bouwwijze van het voertuig,
|
||||
|
|
@ -10470,7 +10505,7 @@ h. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, alsmede de do
|
|||
|
||||
### Artikel 6.6
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde van een bedrijfsauto met een maximum toegestane massa van meer dan 3500 kg of de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde van een aanhangwagen moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde van een bedrijfsauto met een maximum toegestane massa van meer dan 3500 kg of de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde van een aanhangwagen moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. algemene bouwwijze van het voertuig,
|
||||
|
|
@ -10483,7 +10518,7 @@ f. verbinding tussen motorrijtuig en aanhangwagen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij vervanging van de motor door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister, dan wel wijziging van de motorbrandstof van het voertuig, anders dan in- of uitbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij vervanging van de motor door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister, dan wel wijziging van de motorbrandstof van het voertuig, anders dan in- of uitbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. afmetingen en massa’s,
|
||||
|
|
@ -10496,7 +10531,7 @@ h. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de motorbrandstof van het voertuig in een al of niet tot vloeistof verdicht gas moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van de motorbrandstof van het voertuig in een al of niet tot vloeistof verdicht gas moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. afmetingen en massa’s,
|
||||
|
|
@ -10507,7 +10542,7 @@ d. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.8
|
||||
|
||||
Bij wijziging van het aantal assen moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van het aantal assen moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. algemene bouwwijze van het voertuig,
|
||||
|
|
@ -10520,7 +10555,7 @@ h. carrosserie voor zover het betreft de bescherming aan de achterzijde, wielafs
|
|||
|
||||
### Artikel 6.9
|
||||
|
||||
Bij vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s en van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, met meer dan 2% van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s en van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, met meer dan 2% van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. afmetingen en massa’s,
|
||||
|
|
@ -10535,17 +10570,17 @@ alsmede aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot de stijf
|
|||
|
||||
### Artikel 6.10
|
||||
|
||||
Bij wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de reminrichting, met uitzondering van richtlijn 71/320/EEG en richtlijn 93/14/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte.
|
||||
Bij wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent de reminrichting, met uitzondering van richtlijn 71/320/EEG en richtlijn 93/14/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.11
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig, niet zijnde een motorfiets, bromfiets of driewielig motorrijtuig, voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de stuurinrichting, met uitzondering van richtlijn 70/311/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van de stuurinrichting door een gehandicapte.
|
||||
Bij wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig, niet zijnde een motorfiets, bromfiets of driewielig motorrijtuig, voldoen aan de in de Regeling individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent de stuurinrichting, met uitzondering van richtlijn 70/311/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van de stuurinrichting door een gehandicapte.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien een koppelinrichting van een bedrijfsauto, welke koppeling is bestemd voor het voortbewegen van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, wordt aangebracht, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Indien een koppelinrichting van een bedrijfsauto, welke koppeling is bestemd voor het voortbewegen van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, wordt aangebracht, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. algemene bouwwijze van het voertuig,
|
||||
|
|
@ -10558,7 +10593,7 @@ f. verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.13
|
||||
|
||||
Indien bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 een inrichting ten behoeve van het heffen van een as is aangebracht of verwijderd, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Indien bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 een inrichting ten behoeve van het heffen van een as is aangebracht of verwijderd, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen,
|
||||
b. afmetingen en massa’s,
|
||||
|
|
@ -10572,14 +10607,14 @@ e. reminrichting.
|
|||
|
||||
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorrijtuig uit een van de categorieën, genoemd in artikel 5.3.15, tweede lid, moet:
|
||||
|
||||
a. het motorrijtuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen algemene eisen en de eisen omtrent krachtoverbrenging;
|
||||
a. het motorrijtuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen algemene eisen en de eisen omtrent krachtoverbrenging;
|
||||
b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op een door Onze Minister bepaalde wijze.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid, onderdeel *b*, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.15, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.15
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de toegestane maximum massa van een bedrijfsauto moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen.
|
||||
Bij wijziging van de toegestane maximum massa van een bedrijfsauto moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.15a
|
||||
|
||||
|
|
@ -10589,7 +10624,7 @@ Bij wijziging van de toegestane maximum massa van een bedrijfsauto moet het voer
|
|||
|
||||
### Artikel 6.15b
|
||||
|
||||
Bij wijziging van de maximum constructiesnelheid, zoals vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, van bromfietsen voldoet het voertuig aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent:
|
||||
Bij wijziging van de maximum constructiesnelheid, zoals vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, van bromfietsen voldoet het voertuig aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent:
|
||||
|
||||
a. algemeen;
|
||||
b. algemene bouwwijze van het voertuig;
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue