2011-01-01 | BWBR0029026 | Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik
This commit is contained in:
parent
eb081ba187
commit
857b176562
1 changed files with 215 additions and 0 deletions
|
|
@ -0,0 +1,215 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik
|
||||
bwb_id: BWBR0029026
|
||||
type: beleidsregel
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2011-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0029026
|
||||
citeertitel: Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik
|
||||
|
||||
## . Inleiding
|
||||
|
||||
Deze aanwijzing legt de nadruk op waarheidsvinding en een professionele bejegening van aangevers en andere betrokkenen bij zedenzaken. De aanwijzing bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik waarbij aangever en verdachte elkaar al dan niet kennen.
|
||||
|
||||
Met seksueel misbruik in de relationele sfeer worden díe vormen van misbruik bedoeld, waarbij handelingen plaatsvinden met een seksuele lading en waarbij de aangever in een relatie staat of stond tot de verdachte. Daaronder zijn in ieder geval begrepen de gevallen van ontucht met misbruik van gezag, die in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) worden genoemd, maar óók gevallen van misbruik, waarbij aangever en verdachte elkaar (enkel van naam en/of zien) kennen. In deze situaties, waarbij de naam van de verdachte bekend is, zal in het algemeen sprake zijn van een situatie, waarin ‘bezinning’ mogelijk of nodig is.
|
||||
|
||||
Bij seksueel misbruik, waarbij aangever en verdachte elkaar níet kennen (een ‘onbekende verdachte’) zal de opsporing en de vaststelling van de identiteit van de verdachte meer op de voorgrond staan.
|
||||
|
||||
In vorige aanwijzingen werd de term ‘slachtoffer’ gebruikt. Hoewel er veel zedenzaken zijn waarin sprake is van een slachtoffer aan wie ernstig leed is berokkend, wordt in deze aanwijzing de neutrale term ‘aangever’ gehanteerd. De term ‘aangever’ doet meer recht aan het streven naar objectiviteit in het proces van waarheidsvinding. Bij gebruik van de term ‘slachtoffer’ kan de schijn worden gewekt dat er ‘partij is gekozen’ voor het (weerloze) slachtoffer. Door een objectieve kijk met professionele distantie kan de aangever van zedenmisdrijven worden gezien als een belangrijke getuige en een mogelijke drager van waardevolle sporen, waarbij men open blijft staan voor het feit, dat een aangifte ook onjuist (hetzij bewust [‘valse aangifte’], hetzij onbewust) kan zijn. Het feit dat in deze aanwijzing wordt gesproken over aangevers laat onverlet dat de rechten van slachtoffers ook voor aangevers van zedenmisdrijven van toepassing zijn. Deze rechten wordt beschreven in de paragraaf 'Slachtofferzorg' en in de Aanwijzing Slachtofferzorg.
|
||||
|
||||
De aanwijzing opsporing en vervolging van seksueel misbruik is in lijn met de bepalingen van het Verdrag van Lanzarote inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik.
|
||||
|
||||
Wanneer er twijfel bestaat over de waarheidsgetrouwheid van de aangifte of wanneer er onduidelijkheden of lacunes in de aangifte blijven bestaan, verdient het aanbeveling om collegiaal overleg te bewerkstelligen, vóórdat het onderzoek daadwerkelijk van start gaat. Dit geldt zowel voor de politie als voor het Openbaar Ministerie. Immers, gevoelens van individuele verantwoordelijkheid in zedenzaken kunnen een te grote betrokkenheid en tunnelvisie met zich brengen.
|
||||
|
||||
## . Professionaliteit
|
||||
|
||||
### 1. Politie
|
||||
|
||||
Het onderzoek in zedenmisdrijven, waaronder de bejegening van aangevers van zedenmisdrijven, vergt specifieke deskundigheid. Binnen elk korps dienen daarom voldoende opsporingsambtenaren in staat te zijn een informatief gesprek met de melder/aangever te voeren. Tevens moeten zij in staat zijn een aangifte van een zedenmisdrijf op te nemen, het opsporingsonderzoek adequaat uit te voeren en een dossier/proces-verbaal van het gehouden onderzoek op te maken. Deze opsporingsambtenaren dienen ervaren te zijn in de politiedienst, te beschikken over sociale vaardigheden, verhoorvaardigheden met zowel aangevers, getuigen en verdachten, vaardigheden in rechercheonderzoeken, kennis te hebben van slachtofferproblematiek en inzicht te hebben in het netwerk van hulpverleningsinstanties.
|
||||
|
||||
De opleiding en vorming van de bevoegd zedenrechercheur vindt plaats door het tenminste met goed gevolg doorlopen van een opleiding, waarvan de competenties door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
Het onderzoek in zedenmisdrijven moet geschieden door een opsporingsambtenaar die voldoet aan de ‘kwaliteitsnorm’. Dit houdt in dat men heeft voldaan aan de proeve van bekwaamheid, behorende bij het competentieprofiel van *‘Recherchemedewerker, die overwegend belast wordt met onderzoek in zedenzaken in zowel afhankelijkheids- als niet-afhankelijkheidsrelaties’* dat door de minister van Veiligheid en Justitie is vastgesteld. Bovendien dient deze opsporingsambtenaar te voldoen aan de ‘uitvoeringsnorm’. Dit houdt in dat deze opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van zedenmisdrijven, voor tenminste 24 uur per werkweek. Het samenstel van de kwaliteitsnorm en de uitvoeringsnorm levert de kwalificatie ‘bevoegd zedenrechercheur’ op.
|
||||
|
||||
In de vorige aanwijzing was een overgangsregeling opgenomen ten aanzien van opsporingsambtenaren, die als ‘deskundig zedenrechercheur’ werden betiteld op basis van toenmalige opleidingen. Het competentieprofiel van deze opleidingen wijkt inmiddels zodanig af, dat dit niet meer overeenkomt met het huidige competentieprofiel en de daarbij behorende proeve van bekwaamheid. Deze categorie opsporingsambtenaren dient echter wel te voldoen aan het thans vereiste competentieprofiel. Als overgangstermijn geldt een periode van vier jaar na inwerkingtreding van deze aanwijzing. Tot dat moment kan deze categorie opsporingsambtenaren haar werkzaamheden blijven voortzetten, mits tevens wordt voldaan aan de uitvoeringsnorm van 24 uur per (werk)week.
|
||||
|
||||
Gelet op de voorkeur van sommige aangevers om te worden gehoord door een vrouw of juist een man te worden gehoord, dient elke regio over voldoende vrouwelijke en mannelijke bevoegd zedenrechercheurs te beschikken.
|
||||
|
||||
Opsporingsambtenaren, niet zijnde bevoegd zedenrechercheur of zedenrechercheur (in opleiding), laten zich niet verder in met de zaak dan strikt noodzakelijk is. Zij zorgen ervoor dat iemand die een melding of aangifte wenst te doen van een zedenmisdrijf op zo kort mogelijke termijn in contact wordt gebracht met de zedenrecherche.
|
||||
|
||||
Uitzonderingssituatie:
|
||||
|
||||
1. *schenniszaken en seks met dieren*
|
||||
|
||||
Het opnemen van aangifte van schenniszaken (art. 239 Sr) en ontuchtige handelingen met dieren (art. 254 en 254a Sr) *mogen* ook worden uitgevoerd door een allround politiemedewerker, niveau 4, die heeft voldaan aan de bekwaamheden, behorende bij het *competentieprofiel van allround-politiemedewerker, niveau 4, met betrekking tot het optreden bij zedendelicten,* dat door de minister van Veiligheid en Justitie en Koninkrijksrelaties is vastgesteld (zie bijlage 1), onder de hierna te noemen voorwaarden:
|
||||
|
||||
• Te allen tijde wordt de zedenrecherche zo snel mogelijk geïnformeerd;
|
||||
• Eventuele opsporingshandelingen, waaronder tenminste het verhoor van de verdachte, worden uitgevoerd door een bevoegd zedenrechercheur.
|
||||
2. *Ondersteunende handelingen bij onderzoeken in zedenmisdrijven*
|
||||
|
||||
Naast zedenrechercheurs kunnen overige opsporingsambtenaren voor opsporingsactiviteiten bij zedenmisdrijven worden ingezet onder de strikte voorwaarden dat zij géén zedenvoorbehouden handelingen verrichten en hun inhoudelijke handelingen te allen tijde onder regie van de bevoegd zedenrechercheur plaatsvinden.
|
||||
3. *Tijdelijk niet (kunnen) voldoen aan de uitvoeringsnorm*
|
||||
|
||||
Het uitgangspunt om zedenmisdrijven te behandelen is, naast de *kwaliteitsnorm*, de in deze aanwijzing beschreven *uitvoeringsnorm*. Het kan echter voorkomen dat een bevoegd zedenrechercheur tijdelijk niet kan voldoen aan de uitvoeringsnorm. Te denken valt daarbij aan plaatsing in een onderzoeksteam of een langdurige verlof- of ziekteperiode. In die gevallen dient, bij terugkeer naar de te verrichten werkzaamheden in zedenmisdrijven, door de leiding gewaarborgd te worden dat de betreffende bevoegd zedenrechercheur zowel op inhoudelijk als op procesmatig gebied (weer) voldoet aan de gestelde criteria van bevoegd zedenrechercheur.
|
||||
4. *Kinderporno*
|
||||
|
||||
In de aanwijzing kinderpornografie kunnen ten aanzien van de opsporing en vervolging van deze zaken aparte bepalingen opgenomen worden.
|
||||
|
||||
### 2. Openbaar Ministerie
|
||||
|
||||
In elk regioparket en in het LRO is door de hoofdofficier van justitie, respectievelijk hoofd advocaat-generaal een contactfunctionaris aangewezen. Deze zogenaamde zedenaanspreek-officier/advocaat-generaal heeft de competenties zoals die staan omschreven in de taakomschrijving (zie bijlage 4) en participeert in de netwerken op het terrein van zedenzaken.
|
||||
|
||||
## . Opsporing
|
||||
|
||||
### 1. fasen in de opsporing
|
||||
|
||||
De opsporing van seksueel misbruik is onderverdeeld in verschillende fasen. Per fase is aangegeven met welke factoren rekening gehouden moet worden in de verschillende situaties, hoe de oordeelsvorming verantwoord kan worden en welke voorwaarden vervuld moeten zijn alvorens tot handelen wordt overgegaan.
|
||||
|
||||
De opsporing van seksueel misbruik wordt onderscheiden in:
|
||||
|
||||
– seksueel misbruik waarbij aangever en verdachte elkaar kennen; hierna genoemd seksueel misbruik in de relationele sfeer (zaken waarin ‘bezinning’ over de positie van de aangever nodig is/mogelijk is)
|
||||
– seksueel misbruik waarbij aangever en verdachte elkaar niet kennen; hierbij is mede de opsporing naar de identiteit van de verdachte van groot belang
|
||||
|
||||
#### 1:. Informatief gesprek
|
||||
|
||||
Gezien de complexiteit van zedenzaken wordt altijd een informatief gesprek gevoerd, tenzij dit vanwege een acute situatie niet mogelijk is. Het informatieve gesprek wordt door twee opsporingsambtenaren (minimaal niveau 4) gevoerd waarvan minimaal één bevoegd zedenrechercheur. Zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit zijn geboden. Het gesprek wordt auditief geregistreerd en in een proces-verbaal vastgelegd. Voor de auditieve of audiovisuele registratie ervan en de weergave van de verklaring in het proces-verbaal wordt verwezen naar de Aanwijzing auditieve en audiovisuele registratie van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Tijdens het informatieve gesprek dienen de onderwerpen genoemd in bijlage 2 aan de orde te komen.
|
||||
|
||||
Indien de melder een vertrouwenspersoon bij het informatief gesprek wenst wordt vooraf onderzocht welke rol (getuige, aanjager van de zaak, beïnvloeder etc.) deze persoon heeft gespeeld. Bij het algemene deel van het informatief gesprek kan een vertrouwenspersoon aanwezig zijn. Bij het inhoudelijke deel van het informatief gesprek is de vertrouwenspersoon niet aanwezig om redenen van neutraliteit en objectiviteit. In uitzonderlijke gevallen kan na toestemming van de officier van justitie een vertrouwenspersoon aanwezig zijn bij het inhoudelijke deel van het informatieve gesprek.
|
||||
|
||||
Duidelijk wordt gemaakt dat het informatief het startsein kan zijn voor opsporing en vervolging. Voorts dient er voldoende zicht te zijn op de eventuele strafbaarheid en vervolgbaarheid (kansen voor opsporing en vervolging) en de hulpbehoefte. De melder wordt tevens geïnformeerd omtrent de eerste mogelijkheden tot een civielrechtelijke aanpak en maatschappelijke hulpverleningsaspecten, al dan niet in combinatie met een strafrechtelijke aanpak. Een adequate verwijzing naar deskundige instanties maakt deel uit van het informatieproces richting melder.
|
||||
|
||||
Na het informatieve gesprek krijgt betrokkene in principe bedenktijd over het wel/niet doen van aangifte. Wanneer er geen aangifte volgt is er altijd contact tussen betrokkene en politie omtrent de reden hiervan. De uitkomst van dit gesprek wordt vastgelegd in het politieregistratiesysteem. De aangifte kan direct volgen op het informatieve gesprek. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld acuut misbruik of heterdaadsituaties. Deze redenen worden in het proces-verbaal vermeld. (Zie bijlagen 1 en 2).
|
||||
|
||||
Als de betrokkene aangeeft geen aangifte te willen doen, maar er wel sprake is van een strafbaar feit, dan wordt zoveel mogelijk bewijs verzameld ten behoeve van een eventuele ambtshalve vervolging indien de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van betrokkene ernstig is/wordt bedreigd dan wel betrokkene zich evident in een afhankelijkheidspositie bevindt. Hetzelfde geldt wanneer het maatschappelijk belang dit vereist. In het informatieve gesprek wordt aan betrokkene of diens wettelijke vertegenwoordiger(s) duidelijk gemeld dat de mogelijkheid bestaat dat tot ambtshalve vervolging wordt overgegaan.
|
||||
|
||||
#### 2:. De aangifte
|
||||
|
||||
Aangifte doen is geen vrijblijvende zaak. Een eenmaal gedane aangifte kan niet worden ingetrokken en is de start van een strafrechtelijk onderzoek. Indien een aangever in een later stadium aangeeft de gedane aangifte te willen intrekken, moet worden uitgelegd dat dit juridisch niet mogelijk is. De aangever kan wel schriftelijk aan de officier van justitie de eigen mening over de wenselijkheid van strafvervolging melden.
|
||||
|
||||
Als er sprake is van een benadeelde onder de 12 jaar of een benadeelde met een verstandelijke beperking en/of cognitieve functiestoornis, dient eerst te worden afgewogen of de betrokkene nader als getuige moet worden verhoord. Bij deze afweging dient de ‘Checklist verhoorwaardigheid getuige’ te worden gehanteerd
|
||||
|
||||
De aangifte wordt opgenomen door twee zedenrechercheurs waarvan minimaal één bevoegd zedenrechercheur. Het is van het grootste belang dat een aangifte professioneel, adequaat en zorgvuldig wordt opgenomen, waarbij voldoende aandacht wordt besteed aan de motieven van het doen van de aangifte. Het werken met verhoorkoppels draagt bij aan een kritische beschouwing, aangezien opsporingsambtenaren elkaar aan kunnen vullen, het meer gelegenheid geeft tot observatie en het de kans op beïnvloeding van de aangever door de verhoorder verkleint.
|
||||
|
||||
Uit oogpunt van waarheidsvinding, objectiviteit en neutraliteit is een vertrouwenspersoon niet aanwezig bij het inhoudelijke deel van het opnemen van de aangifte. In uitzonderlijke gevallen kan na toestemming van de officier van justitie een vertrouwenspersoon aanwezig zijn bij het inhoudelijk deel van het opnemen van de aangifte. Bij de start en afronding van de aangifte, waarbij algemene informatie wordt besproken, kan eventueel een vertrouwenspersoon aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
In alle onderzoeken in zedenmisdrijven wordt een *tijdlijn* van de gebeurtenissen gemaakt, tenzij de zaak van dusdanig eenvoudige aard is dat dit overbodig is. Met behulp van een tijdlijn kan onder andere beter inzicht worden verkregen in de ontstaansgeschiedenis van de zaak en wordt duidelijk welke informatie nog ontbreekt. In de tijdlijn wordt opgenomen wie met wie spreekt, welke handelingen er zijn verricht op welke momenten, waarover en op welk tijdstip specifieke informatie naar buiten is gebracht via bijvoorbeeld de pers, internet etc.
|
||||
|
||||
In het belang van het onderzoek wordt gedurende het onderzoek tot en met de terechtzitting geen afschrift van de aangifte c.q. de getuigenverklaring verstrekt.
|
||||
|
||||
Een valse aangifte kan voor de onterecht beschuldigden grote gevolgen hebben, zowel op emotioneel, relationeel, maatschappelijk als op economisch gebied. Wanneer een valse aangifte van een zedenmisdrijf daarnaast ook nog in de publiciteit komt, kan dit voor veel maatschappelijke onrust zorgen. Valse aangiften zorgen bovendien voor veel extra werk en kosten voor politie en het OM.
|
||||
|
||||
Bij het vermoeden dat een aangever een valse aangifte heeft gedaan, kan deze als verdachte omtrent deze verdenkingen worden verhoord en wordt proces-verbaal opgemaakt.
|
||||
|
||||
Bij gebleken valsheid van een aangifte kan – wanneer de zaak eerder in de publiciteit is geweest – een perspublicatie volgen, desgewenst in overleg met betrokkene, waarin duidelijkheid wordt verschaft over het feit dat het een valse aangifte betrof. Dit dient ertoe om het veiligheidsgevoel van de burgers te herstellen en een bijdrage te leveren aan eerherstel van de ten onrechte beschuldigde.
|
||||
|
||||
De politie draagt zorg voor opname van relevante gegevens in een landelijke databank (zie bijlage 5).
|
||||
|
||||
De politie beschikt over een vaste relatie met een medische dienst of forensisch arts die geconsulteerd kan worden bij zedenmisdrijven. De bevoegd zedenrechercheur adviseert aangever deze dienst of arts te consulteren. De vrijheid van artsenkeuze wordt evenwel gerespecteerd. Indien aangever geen toestemming geeft de medische gegevens te betrekken bij het onderzoek, wordt hiervan aantekening gemaakt in het proces-verbaal. Aangever wordt gewezen op de mogelijke consequenties van deze weigering. Het medisch-forensisch onderzoek wordt door betrokkenen uitgevoerd conform vastgestelde forensisch-technische normen.
|
||||
|
||||
Een betrokkene moet worden gewezen op de mogelijkheid tot een SOA-onderzoek.
|
||||
|
||||
In het wetboek van Strafvordering is in artikel 151 e t/m l een regeling opgenomen voor onderzoek naar de aanwezigheid van een ernstige, besmettelijke ziekte. De regeling is bedoeld voor slachtoffers van misdrijven waarbij de besmetting met een ernstige ziekte kan hebben plaatsgevonden. Bij AMvB is bepaald dat deze regeling vooralsnog alleen geldt in geval van mogelijke besmetting van HIV en hepatitis B en C. De officier van Justitie kan onder andere een verdachte bij een mogelijk besmettingsincident verzoeken celmateriaal af te staan voor onderzoek en bij weigering door de verdachte – na toestemming van de Rechter Commissaris – dwingen om dit materiaal voor onderzoek af te staan. Het is van belang dat het bloedmonster zo snel mogelijk na het incident wordt verkregen en onderzocht met het oog op het nemen van preventieve medicatie door het slachtoffer.
|
||||
|
||||
In geval van zedendelicten die via het internet worden gepleegd en waarbij dus geen daadwerkelijk seksueel contact heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld plegen van ontuchtige handelingen via de webcam) wordt de zaak opgepakt door de regio waar de verdachte woont. Het informatieve gesprek en de aangifte worden opgenomen door de regio waar benadeelde woont.
|
||||
|
||||
#### 3:. Vervolg van het onderzoek
|
||||
|
||||
Er vindt regelmatig overleg plaats met een officier van justitie over het verloop van het onderzoek en de in te zetten bijzondere opsporingsbevoegdheden. Bij aanhouding buiten heterdaad dient de officier van justitie steeds af te wegen waar en wanneer tot aanhouding wordt overgegaan, met welke middelen en op welke wijze. Indien de politie verzoekt om toestemming voor aanhouding buiten heterdaad van de verdachte kan bedoelde toestemming slechts worden verleend nadat de officier van justitie kennis heeft genomen van de inhoud van de aangifte.
|
||||
|
||||
Overwogen dient te worden of kan worden volstaan met een uitnodiging aan de verdachte om aan het bureau te verschijnen. De verdachte van een zedenmisdrijf wordt verhoord door twee zedenrechercheurs waarvan minimaal één bevoegd zedenrechercheur. In zaken waarbij niet enkel zeden gerelateerde feiten zich voordoen, bijvoorbeeld een zaak waarbij zowel sprake is van zeden- als huiselijk geweldaspecten of zeden- en mensenhandelaspecten, geldt dat de verdachte door ten minste één bevoegd zedenrechercheur wordt gehoord.
|
||||
|
||||
Een onderzoek in een zaak naar seksueel misbruik in de relationele sfeer wordt in beginsel niet afgerond voordat er een gesprek heeft plaatsgevonden over de inhoud van de aangifte met degene tegen wie de aangifte is gericht. Indien deze persoon niet als verdachte kan worden aangemerkt, vindt dit gesprek op uitnodiging plaats op het bureau. Een weigering om op een dergelijke uitnodiging in te gaan, is geen reden hem alsnog als verdachte aan te merken, tenzij bij de motivering van de weigering informatie wordt verschaft die alsnog bijdraagt aan de onderbouwing van een redelijk vermoeden van schuld.
|
||||
|
||||
Na de laatste onderzoekshandeling dient het proces-verbaal binnen 30 dagen aan het Openbaar Ministerie te worden toegezonden.
|
||||
|
||||
### 2. het (ver)horen van minderjarigen tot 12 jaar, personen met een verstandelijke beperking en personen met een cognitieve functiestoornis
|
||||
|
||||
Het verhoren in zedenmisdrijven van minderjarigen, personen met een verstandelijke beperking en personen met een cognitieve functiestoornis is complex. Cruciaal hierbij blijft echter de waarheidsvinding. Daarom wordt het verhoor van minderjarigen tot 12 jaar, personen met een verstandelijke beperking en personen met een cognitieve functiestoornis, zowel bij *getuigen* als *aangevers* in zedenmisdrijven uitgevoerd door studioverhoorders.
|
||||
|
||||
Indien in een zedenmisdrijf *de verdachte* een verstandelijke beperking of cognitieve functiestoornis heeft, wordt de verdachte verhoord door tenminste een studioverhoorder of een bevoegd zedenrechercheur. Dit verhoor wordt audiovisueel geregistreerd.
|
||||
|
||||
Gezien de complexiteit van een dergelijke verhoren hebben extern deskundigen die gespecialiseerd zijn in het horen van personen met een verstandelijke beperking een belangrijke rol met betrekking tot de advisering. In de voorbereidende fase kunnen deze deskundigen bijvoorbeeld adviseren over de manier waarop met de desbetreffende persoon het beste gecommuniceerd kan worden en over het verhoorplan. Daarnaast kan de extern deskundige desgewenst vanuit de regiekamer adviseren. In uitzonderlijke gevallen kan op verzoek van de opsporingsambtenaar en na toestemming van de officier van justitie, een extern deskundige bij het verhoor aanwezig zijn. Daar waar het horen van een persoon met een verstandelijke beperking op grote problemen stuit kan, na toestemming van de officier van justitie, de externe deskundige deze persoon zelf horen. Hierbij moet gedacht worden aan het verhoor van mensen met een meervoudig verstandelijke beperking die nauwelijks of geen spraak hebben of personen met een verstandelijke beperking die verhoord moeten worden aan de hand van pictogrammen. Als er verschil van inzicht is over de aanwezigheid van de extern deskundige bij het verhoor van een verstandelijk gehandicapte tussen de extern deskundige en de opsporingsambtenaar, neemt de officier van justitie hierover een beslissing.
|
||||
|
||||
### 3. Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ)
|
||||
|
||||
Indien een aangifte aspecten vertoont van:
|
||||
|
||||
– herinneringen van voor de derde verjaardag;
|
||||
– ritueel misbruik;
|
||||
– hervonden herinneringen (evt. na langdurige (alternatieve) therapeutische behandeling)
|
||||
|
||||
dient de LEBZ geconsulteerd te worden alvorens beslissingen in het opsporingsonderzoek worden genomen. Een dergelijke consultatie is in de bovenstaande gevallen dwingend voorgeschreven en dient te geschieden door de officier van justitie. Ook voor andere zedenmisdrijven kan de LEBZ worden geconsulteerd. Zie bijlage 3. Zo verdient het aanbeveling om zaken, waarin sprake is van beschuldiging van seksueel misbruik van (een) kind(eren), na of tijdens een scheidingsprocedure, waarbij de ene ouder de andere beschuldigt en er problemen zijn in de omgangsregeling, eveneens voor te leggen aan de LEBZ.
|
||||
|
||||
## . Vervolging
|
||||
|
||||
De officier van justitie is degene die een beslissing neemt omtrent de (verdere) vervolging. Een proces-verbaal in een zedenzaak wordt dus nooit geseponeerd door de politie.
|
||||
|
||||
Na binnenkomst van een proces-verbaal met betrekking tot seksueel misbruik beslist de officier van justitie binnen 60 dagen over de verdere vervolging.
|
||||
|
||||
Indien de officier van justitie van mening is, dat geen verdere vervolging zal plaatsvinden (sepot), dan wel dat de zaak onder voorwaarden geseponeerd wordt, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de aangever en wijst daarbij op de mogelijkheid van een klachtprocedure ex art. 12 Sv. Sepotbeslissingen bij ingewikkelde zedenzaken worden door een officier van justitie uitsluitend genomen ná overleg met de zedenaanspreekofficier.
|
||||
|
||||
Zowel in zaken die (voorwaardelijk) geseponeerd worden, als in zaken, waarin verdere vervolging plaatsvindt, biedt de officier van justitie aan de aangever, die te kennen heeft gegeven op de hoogte te willen blijven van het verdere verloop van de strafzaak, een gesprek aan.
|
||||
|
||||
Een zedenzaak wordt zo spoedig mogelijk aangebracht. Wanneer een verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, gelden de termijnen zoals vermeld in het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
Een zedenzaak (uitgezonderd openbare schennis) wordt in beginsel niet aangebracht bij de Politierechter. Aangezien zedenzaken uit de aard der zaak ingewikkeld (niet eenvoudig van aard) zijn, dient een meervoudige kamer zich hierover uit te spreken.
|
||||
|
||||
Ingewikkelde zedenzaken of zaken met een grote maatschappelijke impact worden met een advocaat-generaal besproken. Zo kan bijvoorbeeld de voorgenomen tenlastelegging aan de advocaat-generaal worden voorgelegd. Tevens wordt een strafmaatoverleg gehouden, zowel collegiaal als met een advocaat-generaal.
|
||||
|
||||
In geval van vrijspraak en in overige gevallen van voorgenomen hoger beroep neemt de officier van justitie contact op met een advocaat-generaal over het in te stellen hoger beroep. De officier van justitie stelt de relevante stukken en de appèlmemorie in handen van de advocaat-generaal.
|
||||
|
||||
Indien hoger beroep wordt ingesteld (door de verdachte en/of OM) wordt de aangever hiervan door de officier van justitie op de hoogte gesteld. Indien de aangever bij de officier van justitie te kennen heeft gegeven, informatie van het LRO te willen ontvangen, zorgt de behandelend officier van justitie ervoor, dat de relevante stukken dienaangaande zich in het appèldossier bevinden.
|
||||
|
||||
In hoger beroep gelden voor de advocaat-generaal met betrekking tot slachtofferinformatie dezelfde regels als in 1^e aanleg.
|
||||
|
||||
De advocaat-generaal koppelt de uitspraak van het gerechtshof terug naar het regioparket.
|
||||
|
||||
## . Registratie
|
||||
|
||||
– In ieder proces-verbaal van een zedenmisdrijf wordt vermeld of betrokken verbalisant voldoet aan het criterium bevoegd zedenrechercheur.
|
||||
– Het informatieve gesprek, de aangifte (met uitzondering van de aangifte van openbare schennis) en alle overige verhoren worden, naast de verplichtingen in de aanwijzing AVR, tenminste auditief vastgelegd. In het proces-verbaal wordt vermeld op welke wijze het verhoor is vastgelegd. Aan betrokkene wordt medegedeeld dat het verhoor auditief/audiovisueel wordt vastgelegd.
|
||||
– Als aangever niet instemt met auditieve/ audiovisuele registratie, moet er toch een aangifte worden opgenomen, maar dan schriftelijk. Dit geldt ook voor getuigenverhoren.
|
||||
|
||||
Betrokkenen worden op de hoogte gebracht van mogelijke negatieve consequenties van het ontbreken van een auditieve/audiovisuele registratie. Tevens wordt er aantekening van gemaakt in het proces-verbaal.
|
||||
– De auditieve/audiovisuele opname wordt niet per definitie als processtuk aangemerkt. Wel brengen beginselen van behoorlijke procesorde met zich mee dat kennisneming van de auditieve/ audiovisuele opname niet aan de verdediging mag worden onthouden. De officier van justitie en de rechter-commissaris kunnen besluiten (een deel) van de auditieve/audiovisuele opname in het strafdossier op te nemen, bijvoorbeeld als een deel van het proces-verbaal wordt betwist door de verdediging. De opname wordt bewaard totdat de zaak in hoogste instantie onherroepelijk is afgedaan.
|
||||
– Het verhoor dient zoveel mogelijk in vraag-antwoordstijl plaats te vinden, waarbij zowel de vraag als het antwoord in het proces-verbaal worden weergegeven. Tevens worden tijdstippen vermeld met betrekking tot start, pauzes en einde verhoor. De diverse handelingen tijdens verhoor (tekenen situatie, laten horen van geluidsfragmenten, tonen voorwerpen etc.) worden in het proces-verbaal vermeld.
|
||||
– In het relaas/ambtelijk verslag van het dossier worden geen samenvattingen uit verhoren vermeld, slechts een korte verwijzing naar het betreffende verhoor.
|
||||
|
||||
## . Executie
|
||||
|
||||
De terugkeer van zedendelinquenten in de maatschappij is een gevoelig onderwerp. Voorkomen dient te worden dat er een rauwelijkse confrontatie ontstaat tussen slachtoffer en de ex-delinquent of dat er openbare orde verstoringen ontstaan. De executie-indicator1De executie-indicator is de ‘aantekening’ van het Openbaar Ministerie bij een vonnis, waarmee het Openbaar Ministerie aangeeft dat het wil adviseren over te nemen besluiten inzake de te verlenen vrijheden aan een gedetineerde. De aanwijzing ‘formulier risicoprofiel en executie-indicator’ stelt dat de executie-indicator geplaatst moet worden a) in zedenzaken waarin naar verwachting gevangenisstraf wordt gevorderd en b) ten behoeve van de informatieverstrekking aan slachtoffers van een (zwaar) zedendelict.met betrekking tot zedendelinquenten moet daarom op de juiste wijze gehanteerd worden. Ten aanzien van de terugkeer van zedendelinquenten in de maatschappij dienen de parketten bij voorkeur een handleiding ‘Informeren van slachtoffers over invrijheidsstelling van de dader’ en een ‘terugkeer-scenario’ te hanteren.2Hiervan bestaan geen landelijke modellen. Het verdient de voorkeur dat parketten zelf dergelijke modellen opstellen.De zedenaanspreek-officier/advocaat-generaal moet op de hoogte zijn van het scenario ‘maatschappelijke onrust in zedenmisdrijven’.3Er is geen landelijk model van een dergelijk scenario.
|
||||
|
||||
## . Slachtofferzorg
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is de Aanwijzing ‘slachtofferzorg’. Gelet op de bijzondere positie van het slachtoffer dient in zedenzaken uiterste zorgvuldigheid in acht te worden genomen. Het slachtoffer wordt gewezen op de mogelijkheid van informatieverstrekking (het verloop van het onderzoek en het verdere verloop van het strafproces tot en met de executie), de verschillende fasen in de procesgang en de positie van het slachtoffer daarin, de mogelijkheid om voor praktische, emotionele of juridische ondersteuning een beroep te doen op het Bureau Slachtofferhulp, de mogelijkheid om, al dan niet in het kader van een strafzaak, schadevergoeding te vorderen en de mogelijkheid om afstand te doen van inbeslaggenomen eigendommen.
|
||||
|
||||
Slachtoffers moeten gewezen worden op de mogelijkheid tot het voeren van een gesprek met de officier van justitie / advocaat-generaal. Indien aan de daarvoor gestelde criteria is voldaan, moet het slachtoffer tevens de mogelijkheid worden geboden gebruik te maken van een schriftelijke slachtofferverklaring. Op 1 januari 2005 is de wet aangaande het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in werking getreden.4Wet van 1 juli 2004 tot wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (invoering van het spreekrecht voor nabestaanden). Deze wet regelt het recht van slachtoffers en nabestaanden om op de openbare terechtzitting te kennen te geven welke gevolgen het ten laste gelegde feit bij hen te weeg heeft gebracht.
|
||||
|
||||
Artikel 302 Sv bepaalt:
|
||||
|
||||
Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit, bedoeld in het tweede lid, bij hem te weeg heeft gebracht.
|
||||
|
||||
Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 249, 250, 250a,5De vet gedrukte artikelen betreffen de toepasselijke zedenartikelen voor spreekrecht 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308 en 318 Sr en artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.
|
||||
|
||||
Van de politie wordt verwacht dat zij participeert in regionale hulpverleningsnetwerken en goede operationele contacten onderhoudt met hulpverleningsinstellingen. Het is de zorg van de behandelend opsporingsambtenaar om te bewerkstelligen dat hulpverlening aansluit op het politiële traject. Nagegaan wordt of het slachtoffer in de eigen omgeving kan worden opgevangen. Zo nodig wordt contact gelegd met een hulpverleningsinstelling. Elk regiokorps dient te beschikken over een protocol met betrekking tot de opvang en doorverwijzing van slachtoffers van zedenmisdrijven.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1. begrippenlijst
|
||||
|
||||
## Bijlage 2. Inhoud informatief gesprek
|
||||
|
||||
Wat er aan de orde moet komen in een informatief gesprek?
|
||||
|
||||
## Bijlage 3. Lebz
|
||||
|
||||
## Bijlage 4. taakomschrijving zedenaanspreek OvJ en – A-G
|
||||
|
||||
## Bijlage 5. ViCLas (Violent Crime Linkage Analysis System)
|
||||
|
||||
ViCLAS is een databank waarin gedetailleerde gegevens van opgeloste en onopgeloste zedenzaken worden gecodeerd. Naast de standaardgegevens van een zaak worden met name gegevens vastgelegd over gedrag en modus operandi. Het doel van ViCLAS is om vergelijkende zaakanalyse mogelijk te maken en te ontdekken welke delicten gepleegd kunnen zijn door dezelfde dader. Het KLPD (Dienst IPOL) draagt zorg voor invoer van data en voert analyses uit ten behoeve van de regiokorpsen.
|
||||
|
||||
Om een vergelijkende zaakanalyse te kunnen laten uitvoeren dient elke politieregiozo spoedig mogelijk de aangifte van het slachtoffer en andere relevante stukken zoals verklaringen van de verdachte aan te leveren.
|
||||
|
||||
De volgende (niet-relationele) zaken worden opgenomen in ViCLAS:
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue