2000-12-20 | BWBR0003628 | Binnenvaartpolitiereglement

This commit is contained in:
Coornhert 2000-12-20 12:00:00 +00:00
parent b46f334404
commit 857ece3d13

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Binnenvaartpolitiereglement
bwb_id: BWBR0003628
type: KB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2015-10-14'
datum_inwerkingtreding: '2000-06-20'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0003628
citeertitel: Binnenvaartpolitiereglement
---
@ -18,72 +18,52 @@ citeertitel: Binnenvaartpolitiereglement
In dit reglement wordt verstaan onder:
1°. *schip*: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;
2°. *motorschip*: schip dat gebruik maakt van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt ter verbetering van zijn bestuurbaarheid, wanneer het wordt gesleept of geduwd;
3°. *groot schip*: schip niet zijnde een klein schip;
4°. *klein schip*: schip waarvan de lengte minder dan 20 m bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering van
a. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;
b. motorschip: een schip dat gebruik maakt van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd;
b.1. zeilschip: een schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt is een motorschip;
c. sleep: een samenstel van één of meer motorschepen en één of meer op tros daaraan verbonden andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, waarbij de motorschepen dienen voor het voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen;
c.1. assisteren: het bijstaan door één of meer motorschepen van een alleenvarend motorschip dan wel van een duwstel of van een gekoppeld samenstel bij het zich voortbewegen en bij het sturen of bij één van deze handelingen;
d. duwstel: een hecht samenstel van een of meer duwboten en een of meer andersoortige schepen, waarvan er tenminste één is geplaatst vóór één der duwboten;
d.1. duwboot: een motorschip, dat deel uitmaakt van een duwstel en daarbij dient voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen en dat daartoe is gebouwd of ingericht;
d.2. duwbak: een schip, dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd;
d.3. zeeschipbak: een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenvaarwegen te bevaren;
e. gekoppeld samenstel: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel;
f. drijvend werktuig: een drijvend bouwsel, met mechanische werktuigen, dat is bestemd om op vaarwegen of in havens te worden gebruikt;
g. vissersschip: een schip dat vist met netten, lijnen, sleepnetten of ander vistuig, die de manoeuvreerbaarheid beperken;
h. veerpont: een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde autoriteit als veerpont is aangemerkt;
i. klein schip: een schip waarvan de lengte minder dan 20 m bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering van
a. een schip dat een groot schip sleept, assisteert, duwt of langszijde vastgemaakt meevoert;
b. een passagiersschip;
c. een veerpont die vaart op een vaarweg van klasse II of hoger, zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport en opgenomen in de Richtlijnen vaarwegen zoals periodiek vast te stellen door de Minister van Infrastructuur en Milieu;
d. een vissersschip;
e. een duwbak;
5°. *snel schip*: groot motorschip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen;
6°. *passagiersschip*: schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;
7°. *zeegaand schip*: groot schip dat, nadat het van zee is gekomen dan wel voordat het naar zee vertrekt, deelneemt aan de scheepvaart op een der in bijlage 11 genoemde vaarwegen;
8°. *bovenmaats schip*: schip, behorende tot een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen categorie van schepen, die in hun manoeuvreerbaarheid zijn beperkt, doordat zij ten gevolge van hun diepgang of hun lengte gebonden zijn aan een bepaald gedeelte van de vaarweg;
9°. *duwboot*: motorschip dat deel uitmaakt van een duwstel en daarbij dient voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen en dat daartoe is gebouwd of ingericht;
10°. *duwbak*: schip dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd;
11°. *zeeschipbak*: duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenvaarwegen te bevaren;
12°. *drijvend werktuig*: schip voorzien van werktuigen, die zijn bestemd om op vaarwegen of in havens te worden gebruikt;
13°. *vissersschip*: schip dat vist met netten, lijnen, sleepnetten of ander vistuig, die de manoeuvreerbaarheid beperken;
14°. *veerpont*: schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde autoriteit als veerpont is aangemerkt;
15°. *zeilschip*: schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt is een motorschip;
16°. *zeilplank*: klein zeilschip voorzien van een vrij bewegende zeiltuigage, die is gemonteerd op een in alle richtingen draaibare mastvoet en die tijdens het zeilen niet in een vaste positie wordt ondersteund;
17°. *snelle motorboot*: klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten opzichte van het water kan varen;
18°. *waterscooter*: snelle motorboot gebouwd of ingericht om door een of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen;
- een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te slepen, te assisteren, te duwen of langszijde vastgemaakt mede te voeren;
- een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;
- een veerpont;
- een vissersschip;
- een duwbak;
k. drijvende inrichting: een drijvend bouwsel, dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst;
k.1. drijvend voorwerp: een bouwsel dat geschikt is gemaakt om te water te worden verplaatst en dat geen schip of drijvende inrichting is;
l. stilliggend schip of drijvend voorwerp: een schip of een drijvend voorwerp, dat hetzij ten anker hetzij gemeerd ligt;
m. varend schip of drijvend voorwerp: een schip of een drijvend voorwerp, dat noch ten anker of gemeerd ligt noch is vastgevaren;
n. des nachts: de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang;
o. des daags: de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
p. wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht: de lichten waarvan de kleuren voldoen aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften;
q. krachtig licht, helder licht en gewoon licht: de lichten waarvan de sterkte voldoet aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften;
r. flikkerlicht: een periodelicht, tonende 50 tot 60 flikkeringen per minuut;
r.1. snel flikkerlicht: een periodelicht tonende 100 tot 120 flikkeringen per minuut;
s. korte stoot: een geluidssein durende ongeveer 1 seconde; lange stoot: een geluidssein, durende ongeveer 4 seconden; de tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten moet ongeveer 1 seconde bedragen;
t. reeks zeer korte stoten: een reeks van tenminste 6 stoten, elk durende ongeveer 1/4 seconde; de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten moet ongeveer 1/4 seconde bedragen;
u. samenstel:
1°. *samenstel*:
a. sleep;
b. duwstel;
c. gekoppeld samenstel;
d. samenstel van een of meer motorschepen en een alleenvarend motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat door deze motorschepen wordt geassisteerd;
2°. *sleep*: samenstel van een of meer motorschepen en een of meer op tros daaraan verbonden andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, waarbij de motorschepen dienen voor het voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen;
3°. *duwstel*: hecht samenstel van een of meer duwboten en een of meer andersoortige schepen, waarvan er tenminste één is geplaatst voor een der duwboten;
4°. *gekoppeld samenstel*: samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst voor het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel;
5°. *assisteren*: bijstaan door een of meer motorschepen van een alleenvarend motorschip dan wel van een duwstel of van een gekoppeld samenstel bij het zich voortbewegen en bij het sturen of bij een van deze handelingen;
1°. *s nachts*: tijd tussen zonsondergang en zonsopgang;
2°. *overdag*: tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
3°. *wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht*: lichten waarvan de kleuren voldoen aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften in ES-TRIN;
4°. *krachtig licht, helder licht en gewoon licht*: lichten waarvan de sterkte voldoet aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften in ES-TRIN;
5°. *flikkerlicht*: periodelicht tonende 50 tot 60 flikkeringen per minuut;
6°. *licht dat snel flikkert*: zwaailicht of periodelicht tonende 100 tot 150 flikkeringen per minuut;
7°. a. *korte stoot*: geluidssein durende ongeveer 1 seconde;
b. *lange stoot*: geluidssein durende ongeveer 4 seconden; de tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten moet ongeveer 1 seconde bedragen;
8°. *reeks zeer korte stoten*: reeks van tenminste 6 stoten, elk durende ongeveer ¼ seconde; de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten moet ongeveer ¼ seconde bedragen;
1°. *drijvend voorwerp*: bouwsel dat geschikt is gemaakt om te water te worden verplaatst en dat geen schip of drijvende inrichting is;
2°. *drijvende inrichting*: drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst;
3°. *stilliggend*: hetzij ten anker hetzij gemeerd liggend;
4°. *varend*: niet ten anker of gemeerd liggend noch vastgevaren;
5°. *vaarweg*: elk voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water;
6°. *vaarwater*: gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt;
7°. *exploitant*: eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die de zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
8°. *ADN*: Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren;
9°. *vaarbevoegdheidsbewijs*: vaarbewijs als bedoeld in de artikelen 13, 14, 15 en 16 van het Binnenvaartbesluit, bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart als bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid, van de Binnenvaartwet, kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, patent als bedoeld in artikel 11.02, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of als gelijkwaardig erkend patent als bedoeld in artikel 11.01, tweede lid, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;
10°. *richtlijn nr. 2002/59/EG*: richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);
11°. *inland AIS apparaat:* een apparaat dat op een binnenschip is ingebouwd en periodiek scheeps- of reisgegevens met betrekking tot dat schip uitzendt;
12°. *uitluisteren:* het via de marifoon luisteren naar gevoerde gesprekken, het beantwoorden van oproepen en voor zover nodig het deelnemen aan de communicatie tussen de verkeersdeelnemers en de verkeersposten, dan wel tussen de verkeersdeelnemers onderling;
13°. *CEMT-klasse:* door de Conférence Européenne des Ministres de Transport vastgestelde klassering van vaarwegen opgenomen in de Richtlijnen vaarwegen zoals periodiek vast te stellen door de Minister van Infrastructuur en Milieu;
14°. vloeibaar aardgas (LNG): aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C;
15°. ES-TRIN: De Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Binnenvaartregeling;
16°. vergaand geautomatiseerd varen: varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen.
### Artikel 1.01a
Vervallen
- een sleep;
- een duwstel;
- een gekoppeld samenstel;
- een samenstel van één of meer motorschepen en een alleenvarend motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat door deze motorschepen wordt geassisteerd;
v. vaarweg: elk voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water;
w. vaarwater: het gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt.
x. snelle motorboot: een klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 km per uur;
x.1. waterscooter: een snelle motorboot, gebouwd of ingericht om door één of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen;
ij. zeilplank: een klein schip, voorzien van een vrij bewegende zeiltuigage, die is gemonteerd op een in alle richtingen draaibare mastvoet en die tijdens het zeilen niet in een vaste positie wordt ondersteund.
z. een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat: een schip dat, nadat het van zee is gekomen dan wel alvorens het naar zee vertrekt, deelneemt aan de scheepvaart op een der in artikel 10.01 genoemde vaarwegen;
aa. exploitant: de eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die de zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
bb. ADNR: het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn.
### Artikel 1.02
@ -97,16 +77,12 @@ Onder schipper wordt tevens verstaan degene die de leiding heeft over een drijve
**3.** De schipper van een schip dat deel uitmaakt van een samenstel moet de aanwijzingen van de schipper van het samenstel opvolgen. Hij moet evenwel, ook wanneer zulke aanwijzingen niet worden gegeven, alle maatregelen nemen, die voor het op juiste wijze voeren van zijn schip door de omstandigheden worden geboden.
**4.** De schipper moet tijdens de vaart aan boord zijn; de schipper van een drijvend werktuig moet tevens aan boord zijn, wanneer het werktuig in bedrijf is.
**5.**
**4.**
Indien een stilliggend schip geen schipper heeft,
a. is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.02, eerste lid, 1.06, 1.07, 1.18, 2.01, 2.02, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06, 3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31, 3.32, 3.33, 5.01 eerste en tweede lid, voorzover het de naleving betreft van de tekens, A.5, A.5.1, A.6 en A.7 (bijlage 7) of een bekendmaking met dezelfde strekking als deze tekens, 7.01, eerste, tweede en derde lid, 7.02, 7.04, derde lid, 7.08, en 9.03;
b. is de wachtsman bedoeld in artikel 7.08, eerste lid, dan wel de persoon die op grond van artikel 7.08, tweede lid, met het toezicht op het schip is belast, verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.12, eerste en tweede lid, 1.13, 1.14, 1.15, 1.17, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06, 3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31, tweede lid, 3.32, tweede lid, 3.33, tweede lid, 6.19, tweede lid, 6.31, eerste lid, 7.01, derde en vierde lid, 7.04, derde lid, 7.09 tot en met 7.11, en 9.03, tweede lid.
**6.** Voor een stilliggend zeeschip onder beslag, is de beslaglegger verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3.01, vierde lid, 3.06, 3.20, 3.21, 3.26, 3.31 tot en met 3.33, 4.04, eerste en tweede lid, 7.01, derde lid, en 7.08, wanneer daarin niet door een schipper, een exploitant, een wachtsman of toezichthouder overeenkomstig het gestelde in het vijfde lid of artikel 7.08 kan worden voorzien.
a. is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.02, eerste lid, 1.06, 1.07, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06, 3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31, 3.32, 3.33, 5.01 eerste en tweede lid, voorzover het de naleving betreft van de tekens, A.5, A.5.1, A.6 en A.7 (bijlage 7) of een bekendmaking met dezelfde strekking als deze tekens, 7.01, eerste, tweede en derde lid, 7.02, 7.04, derde lid, 7.08, 9.03,, en 10.07;
b. is de wachtsman bedoeld in artikel 7.08, eerste lid, dan wel de persoon die op grond van artikel 7.08, tweede lid, met het toezicht op het schip is belast, verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.12, eerste en tweede lid, 1.13, 1.14, 1.15, 1.17, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06, 3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31, tweede lid, 3.32, tweede lid, 3.33, tweede lid, 4.05, tweede lid, 7.01, derde lid, 7.09, 7.10, 7.11 en 9.03, tweede lid.
### Artikel 1.03
@ -134,7 +110,7 @@ De schipper moet in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepv
### Artikel 1.06
Een schip of een samenstel mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid of de snelheid van dit schip of dit samenstel niet verenigbaar zijn met de karakteristiek en met de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.
Een schip of een samenstel mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid en de snelheid van dit schip of dit samenstel niet verenigbaar zijn met de karakteristiek en met de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.
### Artikel 1.07
@ -144,98 +120,64 @@ Een schip of een samenstel mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien de leng
Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien door de wijze van belading de stabiliteit in gevaar wordt gebracht.
Tijdens de vaart mag de lading het vrije uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m voor het schip of het samenstel.
In afwijking van de vorige volzin, mag het vrije uitzicht bij het gelijktijdige gebruik van radar en camera-installaties tot 500 m voor de boeg worden beperkt, indien
a. door bedoelde hulpmiddelen het uitzicht van 350 m tot 500 m voor de boeg wordt gewaarborgd,
b. aan de eisen van artikel 6.32, eerste lid, wordt voldaan,
c. de radarantennes en de cameras aan de boeg van het schip zijn geïnstalleerd,
d. deze hulpmiddelen overeenkomstig artikel 7.02 ES-TRIN als geschikt erkend zijn.
**3.**
De stabiliteit van de volgende schepen die containers vervoeren moet bovendien voor het begin van de reis worden gecontroleerd:
a. schepen met een breedte van minder dan 9,50 m, indien de containers in meer dan één laag zijn geladen,
b. schepen met een breedte van 9,50 m tot 11 m, indien de containers in meer dan twee lagen zijn geladen, en
c. schepen met een breedte van 11 m of meer, indien de containers in meer dan drie rijen naast elkaar en in meer dan twee lagen zijn geladen of indien de containers in meer dan drie lagen zijn geladen.
Tijdens de vaart mag de lading het directe of indirecte uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m voor het schip of het samenstel.
### Artikel 1.08
**1.**
De bemanningsleden en de andere personen aan boord van een schip bestemd voor bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, moeten reddingsvesten dragen overeenkomstig artikel 13.08, tweede en derde lid, ES-TRIN
a. bij het van of aan boord gaan, voor zover er gevaar voor in het water vallen bestaat,
b. bij het verblijven in de bijboot,
c. bij werkzaamheden buiten boord, dan wel
d. bij verblijf en werkzaamheden aan dek en in het gangboord, indien verschansingen van ten minste 90 cm hoogte niet aanwezig zijn of relingen niet doorlopend zijn geplaatst.
**2.** Werkzaamheden buiten boord mogen uitsluitend bij stilliggende schepen worden uitgevoerd en uitsluitend indien van de overige scheepvaart geen gevaar te verwachten valt.
(niet overgenomen).
### Artikel 1.09
**1.**
**1.** Een schip mag niet varen, indien het sturen niet wordt verricht door een daartoe bekwaam en tenminste 16 jaar oud persoon.
Een schip mag niet varen, indien het sturen niet wordt verricht door een daartoe bekwaam persoon. Voor deze persoon geldt:
**2.**
a. een minimum leeftijd van 18 jaar voor het sturen van een snelle motorboot;
b. een minimum leeftijd van 16 jaar:
De bepaling omtrent de leeftijd geldt niet:
1°. voor het sturen van een groot schip,
2°. voor het sturen van een klein motorschip niet zijnde een snelle motorboot en niet zijnde een klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid ten opzichte van het water niet meer is dan 13 km per uur, en
3°. voor het sturen van een zeilschip met een lengte van 7 m of meer;
c. een minimum leeftijd van 12 jaar voor het sturen van een klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid ten opzichte van het water niet meer is dan 13 km per uur.
a. voor een klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m, waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan 12,964 km per uur, indien het sturen wordt verricht door een tenminste 12 jaar oud persoon;
b. voor een klein zeilschip met een lengte van minder dan 7 m;
c. voor een klein door spierkracht voortbewogen schip.
**2.** De bevoegde autoriteit kan van het eerste lid, onderdeel a, ontheffing verlenen voor het in verenigingsverband oefenen voor deelname aan met snelle motorboten te houden wedstrijden of voor het deelnemen aan dergelijke wedstrijden. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen voorwaarden aan worden verbonden.
**3.** Een schip mag niet varen indien degene die het sturen verricht niet in staat is alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder dient hij naar alle zijden een voldoende vrij direct of indirect uitzicht te hebben en in de gelegenheid te zijn geluidsseinen te horen. Indien geen vrij uitzicht mogelijk is kan dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen, dan wel door een uitkijk. Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen, dient een uitkijk of luisterpost die hem inlicht aanwezig te zijn.
**3.** Op ieder snel schip moet tijdens de vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs alsmede van het radarpatent. Bij een snel schip moet tijdens het snel varen een tweede persoon die eveneens houder is van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs en van het radarpatent zich in de stuurhut bevinden.
**4.** Een schip mag niet varen indien degene die het sturen verricht niet in staat is alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder dient hij naar alle zijden een voldoende vrij direct of indirect uitzicht te hebben en in de gelegenheid te zijn geluidsseinen te horen. Indien geen vrij uitzicht mogelijk is kan dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen, dan wel door een uitkijk. Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen, dient een uitkijk of luisterpost die hem inlicht aanwezig te zijn.
**4.** Een snelle motorboot mag niet varen, indien het sturen niet wordt verricht door een daartoe bekwaam en ten minste 18 jaar oud persoon.
### Artikel 1.10
**1.**
Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden, voorzover deze door de daartoe gestelde wettelijke regelingen worden vereist, aanwezig zijn:
Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden, voor zover deze door de daartoe gestelde wettelijke regelingen worden vereist, aanwezig zijn:
a. de meetbrief van het schip;
b. de bescheiden vereist door het ADN, nrs. 8.1.2.1, 8.1.2.2 en 8.1.2.3;
c. het vaarbevoegdheidsbewijs;
d. het radarpatent dan wel een ander diploma dat overeenkomstig het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn is toegelaten; deze documenten behoeven niet aan boord te zijn, indien het Rijnpatent of een ander overeenkomstig het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn toegelaten diploma van de schipper de vermelding «Radar» bevat;
e. het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart, algemeen en regionaal deel;
f. het registratiebewijs gebruik frequentieruimte (maritiem mobiel);
g. het marifoon bedieningscertificaat;
h. het certificaat van onderzoek, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet, met inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de actuele beladingstoestand en de stabiliteitsberekening, met inbegrip van de daarbij gebruikte berekeningsmethode en het resultaat daarvan, voor de actuele, of een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard beladingstoestand;
i. het certificaat voor de navigatielantaarns;
j. het registratiebewijs snelle motorboot.
a. de meetbrief van een schip;
b. de bescheiden vereist door het ADNR, Rn 10 381 en 210 381;
c. het vaarbewijs;
d. het radardiploma, bedoeld in artikel 4A.02, eerste lid onder b;
e. het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart;
f. de vergunning, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet;
g. het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 3 van de Binnenschepenwet, dan wel een document als bedoeld in artikel 4 van die wet;
h. het certificaat bedoeld in artikel 3.02, tweede lid, onder a.
**2.**
In afwijking van het eerste lid is de aanwezigheid van de in het eerste lid, onder a en h, bedoelde bescheiden niet vereist aan boord van duwbakken waarop een metalen plaat is aangebracht van het volgende model:
In afwijking van het eerste lid is de aanwezigheid van de in het eerste lid, onder a en g, bedoelde bescheiden niet vereist aan boord van duwbakken waarop een metalen plaat is aangebracht van het volgende model:
UNIEK EUROPEES SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER:
Officieel Scheepsnummer: ..............................
COMMUNAUTAIR CERTIFICAAT:
Communautair Certificaat: .............................
NUMMER:
COMMISSIE VAN DESKUNDIGEN:
GELDIG TOT:
Nummer: .............................................
Indien de duwbak over een officieel scheepsnummer beschikt, moet dat begrip en het officieel scheepsnummer op de metalen plaat worden aangebracht.
Commissie van Deskundigen: ..........................
**3.** De in het tweede lid bedoelde gegevens moeten, in goed leesbare letters met een hoogte van tenminste 6 mm, ingehakt of ingeslagen zijn. De metalen plaat moet een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats zijn bevestigd. De overeenstemming tussen de gegevens op de plaat met die in het communautair certificaat van de duwbak moet worden bevestigd door een Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat van een stempel. De in het eerste lid, onder a en h, genoemde bescheiden moeten aanwezig zijn bij de eigenaar van de duwbak.
Geldig tot: .........................................
**4.** De in het eerste lid bedoelde bescheiden moeten op eerste vordering van de bevoegde autoriteit aan deze worden overgelegd ter controle van het bepaalde bij of krachtens dit reglement.
**5.** Het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart, bedoeld in het eerste lid, onder e, dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens toegestaan.
**3.** De in het tweede lid bedoelde gegevens moeten, in goed leesbare letters met een hoogte van tenminste 6 mm, ingehakt of ingeslagen zijn. De metalen plaat moet een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats zijn bevestigd. De overeenstemming tussen de gegevens op de plaat met die in het communautair certificaat van de duwbak moet worden bevestigd door een Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat van een stempel. De in het eerste lid, onder a en g, genoemde bescheiden moeten aanwezig zijn bij de eigenaar van de duwbak.
### Artikel 1.11
**1.** Aan boord van een schip moet een bijgewerkt exemplaar van het geldige Binnenvaartpolitiereglement aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden is eveneens toegestaan.
**1.** Aan boord van een schip moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement aanwezig zijn.
**2.** Dit artikel is niet van toepassing op een groot schip zonder bemanningsverblijf noch op een klein open schip.
**2.** Dit artikel is niet van toepassing op een schip, niet zijnde een klein schip, zonder bemanningsverblijf noch op een klein open schip.
### Artikel 1.12
@ -287,20 +229,13 @@ De schipper is verplicht aan een verkeersaanwijzing gevolg te geven.
### Artikel 1.20
De schipper moet aan de bevoegde autoriteit de nodige medewerking verlenen, in het bijzonder het onmiddellijk aan boord komen van deze vergemakkelijken, teneinde deze in staat te stellen zich ervan te vergewissen of de bepalingen van dit reglement worden nageleefd.
Vervallen
### Artikel 1.21
**1.**
**1.** Een schip dat op een vaarweg niet voldoet aan artikel 1.06 en deswege aldaar niet zelf kan varen mag zich slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit doen slepen of assisteren. Een duwstel of een gekoppeld samenstel dat op een vaarweg niet voldoet aan artikel 1.06 en deswege aldaar niet zelf kan varen mag zich slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit doen assisteren.
Als een bijzonder transport wordt beschouwd het verplaatsen op de vaarweg:
a. van een schip of een samenstel dat niet voldoet aan artikel 1.06;
b. van een drijvende inrichting of van een drijvend voorwerp, tenzij het verplaatsen daarvan klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan veroorzaken.
**2.** Een bijzonder transport vaart niet dan met een vergunning van de bevoegde autoriteit. Aan een vergunning kunnen door de bevoegde autoriteit voorwaarden worden verbonden.
**3.** Voor een bijzonder transport wordt een schipper aangewezen. Met artikel 1.02 wordt rekening gehouden.
**2.** Een drijvende inrichting en een drijvend voorwerp mogen zich slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit doen voortbewegen. Dit geldt niet voor een drijvend voorwerp waarvan het voortbewegen klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan veroorzaken.
### Artikel 1.22
@ -308,27 +243,11 @@ b. van een drijvende inrichting of van een drijvend voorwerp, tenzij het verplaa
### Artikel 1.23
**1.** Het is verboden een sportevenement, een festiviteit of een ander evenement, waarbij een of meer schepen of drijvende voorwerpen zijn betrokken, een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen, dan wel een tewaterlating van een schip of een proefvaart met een schip of van een drijvend voorwerp of werkzaamheden op een vaarweg te doen plaats hebben zonder dit tijdig tevoren bij de bevoegde autoriteit te melden.
**1.** Het is verboden een sportevenement, een festiviteit of een ander evenement, waarbij één of meer schepen of drijvende voorwerpen zijn betrokken, dan wel een tewaterlating van een schip of van een drijvend voorwerp op een vaarweg te doen plaats hebben zonder dit tijdig tevoren bij de bevoegde autoriteit te melden.
**2.** Indien een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan brengen, is het verboden deze zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
**2.** Indien een gebeurtenis, zoals bedoeld in het eerste lid, de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan brengen, is het verboden deze zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben.
**3.** Het is verboden een evenement, waarbij zich personen anders dan op een schip te water bevinden en waardoor hinder of gevaar voor het scheepvaartverkeer kan ontstaan, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 1.24
Schepen van handhavingsdiensten en brandweer, en reddingsvaartuigen betrokken bij reddingsoperaties mogen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1.04 en 1.05, afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover dat voor een goede vervulling van hun taak noodzakelijk is.
### Artikel 1.25
(niet overgenomen)
### Artikel 1.26
**1.** De bevoegde autoriteit kan voor een schip waarmee vergaand geautomatiseerd wordt gevaren of voor een schip dat op afstand wordt bestuurd voor een periode van ten hoogste 2 jaar een ontheffing verlenen van één of meer van de artikelen 1.02, vierde lid, 1.07, tweede lid, 1.09, eerste, derde en vierde lid, 1.10, 1.11, 1.20, 3.13, 3.25, 4.05, eerste, derde, vierde en achtste lid, 4.06, eerste en tweede lid, 4.07, vierde, vijfde en zevende lid, 6.19, tweede, derde en zesde lid, 6.32 of 6.33 en 9.04, tweede lid.
**2.** De bevoegde autoriteit kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften en beperkingen verbinden.
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de ontheffingsmogelijkheid, bedoeld in het eerste lid.
**3.** Het is verboden een evenement, waarbij zich personen anders dan op een schip te water bevinden en waardoor hinder of gevaar voor het scheepvaartverkeer kan ontstaan, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben.
### Hoofdstuk 2. Kentekens
@ -336,25 +255,27 @@ Schepen van handhavingsdiensten en brandweer, en reddingsvaartuigen betrokken bi
**1.**
Een groot schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien niet op de romp of op duurzaam bevestigde borden of platen zijn aangebracht:
Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien niet op de romp of op duurzaam bevestigde borden of platen zijn aangebracht:
a. hetzij de naam van een schip die ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van een instelling waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan beide zijden van het schip en bovendien, met uitzondering van een duwbak, op een zodanige plaats, dat deze aanduiding van achteren zichtbaar is;
b. de thuishaven van het schip en de letter of de lettercombinatie die volgens bijlage 1 van dit reglement het land aangeeft, waarin deze is gelegen, hetzij aan beide zijden van het schip hetzij aan de achterzijde.
**2.** De kentekens, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn aangebracht in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische cijfers met een hoogte voor de naam van tenminste 20 cm en voor de overige aanduidingen van tenminste 15 cm en met een breedte en een stamdikte die in goede verhouding tot de hoogte staan.
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip.
### Artikel 2.02
**1.**
Een klein schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien hierop niet zijn aangebracht:
a. hetzij de naam van het schip die ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van de instelling waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan de buitenzijde van het schip in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische cijfers; en
a. hetzij de naam van het schip die ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van de instelling waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan de buitenzijde van het schip in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische cijfers;
b. de naam en de woonplaats van de eigenaar op een in het oog vallende plaats aan de binnen- of de buitenzijde van het schip.
**2.** Op een bijboot van een schip behoeft echter, aan de binnen- of de buitenzijde, slechts een zodanig kenteken te zijn aangebracht, dat daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op snelle motorboten, waarop het registratieteken bedoeld in artikel 8.02 is aangebracht, en op een door spierkracht voortbewogen schip noch op een zeilschip met een lengte van minder dan 7 m.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een door spierkracht voortbewogen schip noch op een zeilschip met een lengte van minder dan 7 m.
### Artikel 2.03
@ -368,22 +289,6 @@ b. de naam en de woonplaats van de eigenaar op een in het oog vallende plaats aa
(niet overgenomen).
### Artikel 2.06
**1.** Een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt, voert een kenteken.
**2.**
Dit kenteken is rechthoekig, met de vermelding «LNG» in witte letters op een rode ondergrond, met een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm.
De afmeting van de langste zijde van de rechthoek bedraagt ten minste 60 cm.
De letters hebben een hoogte van ten minste 20 cm. De breedte van de letters en de stamdikte staan in goede verhouding tot de hoogte.
**3.** Het kenteken is op een geschikte en goed zichtbare plaats aangebracht.
**4.** Het teken wordt zo nodig verlicht om 's nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
### Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen
#### Afdeling I. Algemene bepalingen
@ -394,11 +299,11 @@ De letters hebben een hoogte van ten minste 20 cm. De breedte van de letters en
**2.** Op een stilliggend schip zijn de artikelen 3.20 tot en met 3.22 en 3.24 tot en met 3.26 van toepassing. Op een stilliggend drijvend voorwerp en een stilliggende drijvende inrichting zijn de artikelen 3.23 en 3.26 van toepassing.
**3.** De artikelen 3.21, 3.23, 3.25 en 3.26 zijn eveneens van toepassing op een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting die is vastgevaren.
**3.** De artikelen 3.21, 3.23 en 3.26 zijn eveneens van toepassing op een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting die is vastgevaren.
**4.** Wanneer het zicht dit vereist, moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.
**5.** Bij het varen door de doorvaartopening van een vaste brug of van een beweegbare brug in gesloten toestand dan wel van een ander kunstwerk mogen de in dit hoofdstuk bedoelde tekens zoveel lager worden gevoerd als hiervoor nodig is.
**5.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen, beschouwd als één schip van dezelfde afmetingen.
**6.** Een vóór een sluis stilliggend schip dat wacht om te worden geschut en een vóór een beweegbare brug stilliggend schip dat wacht tot het doorvaren wordt toegestaan mogen de lichten en dagtekens blijven voeren, die zijn voorgeschreven voor een varend schip.
@ -408,9 +313,9 @@ De letters hebben een hoogte van ten minste 20 cm. De breedte van de letters en
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. toplicht: wit krachtig licht dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en dat uitsluitend over deze boog zichtbaar is;
b. boordlichten: groen helder licht aan stuurboordszijde en rood helder licht aan bakboordszijde die elk schijnen over een boog van de horizon van 112°30' en wel elk aan zijn zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en die uitsluitend over deze boog zichtbaar zijn;
c. heklicht: wit helder of gewoon licht dat schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit en dat uitsluitend over deze boog zichtbaar is;
a. toplicht: een wit krachtig licht dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en dat over deze boog zichtbaar is;
b. boordlichten: een groen helder licht aan stuurboordzijde en een rood helder licht aan bakboordzijde die elk schijnen over een boog van de horizon van 112°30' en wel elk aan zijn zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en die over deze boog zichtbaar zijn;
c. heklicht: een wit helder of gewoon licht dat schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit en dat over deze boog zichtbaar is;
d. rondom schijnend licht: een licht dat schijnt over een boog van 360° en dat over deze boog zichtbaar is;
e. hoogte:
@ -425,7 +330,7 @@ e. hoogte:
Een schip mag slechts de navigatielantaarns gebruiken:
a. waarvan de lantaarnhuizen, de uitrusting en de lichtbronnen het keurmerk dragen dan wel voorzien zijn van het certificaat voorgeschreven in de voorschriften die krachtens artikel 1.01, onder C.3° en C.4°, zijn vastgesteld, en
a. waarvan de lantaarnhuizen, de uitrusting en de lichtbronnen het keurmerk dragen dan wel voorzien zijn van het certificaat voorgeschreven in de voorschriften die krachtens artikel 1.01, onder *p* en *q*, zijn vastgesteld, en
b. waarvan de lichten voor wat betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte in overeenstemming zijn met dit reglement.
**3.** De lichten van stilliggende schepen die niet zijn uitgerust met een motor behoeven niet aan bovenvermelde voorschriften te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te bedragen.
@ -438,12 +343,10 @@ b. waarvan de lichten voor wat betreft hun horizontale uitstraling, kleur en ste
**3.**
De afmetingen moeten tenminste als volgt zijn:
De afmetingen moeten zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd; aan deze voorwaarde wordt in ieder geval geacht te zijn voldaan:
a. voor borden en vlaggen: een lengte en een hoogte van elk tenminste 1 m;
b. voor wimpels: een lengte van tenminste 1 m en een hoogte aan één zijde van tenminste 0,50 m.
**4.** In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd.
- bij borden en vlaggen: indien de lengte en de hoogte elk tenminste 1 m bedragen;
- bij wimpels: indien de lengte tenminste 1 m en de hoogte aan één zijde tenminste 0,50 m bedraagt.
### Artikel 3.04
@ -453,15 +356,13 @@ b. voor wimpels: een lengte van tenminste 1 m en een hoogte aan één zijde van
**3.**
De afmetingen moeten tenminste als volgt zijn:
De afmetingen moeten zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd; aan deze voorwaarde wordt in ieder geval geacht te zijn voldaan, indien de afmetingen tenminste als volgt zijn:
a. voor cilinders: een hoogte van 80 cm en een middellijn van 50 cm;
a. voor cylinders: een hoogte van 80 cm en een middellijn van 50 cm;
b. voor bollen: een middellijn van 60 cm;
c. voor kegels: een hoogte van 60 cm en een middellijn van het grondvlak van 60 cm, zodanig dat de middellijn van het grondvlak niet meer is dan de hoogte;
d. voor ruiten: een lengte van de verticale middellijn van 80 cm en van de horizontale middellijn van 50 cm, zodanig dat de lengte van de horizontale middellijn niet meer is dan die van de verticale middellijn.
**4.** In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd.
### Artikel 3.05
**1.** Een schip mag geen andere tekens voeren of tonen dan die welke in dit reglement worden vermeld en mag niet deze tekens voeren of tonen onder andere omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn voorzien.
@ -478,79 +379,98 @@ Indien de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren niet kunnen
**2.** Een schip mag zijn lichten dan wel zijn verlichting of zijn zoeklichten niet op zodanige wijze gebruiken, dat zij door verblinding gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen veroorzaken.
#### Afdeling II. Tekens tijdens het varen
#### Afdeling II. Nacht- en dagtekens
##### Paragraaf II. A Tekens tijdens het varen
### Artikel 3.08
**1.**
Een alleenvarend groot motorschip moet s nachts voeren:
Een alleenvarend motorschip moet des nachts voeren:
a. een toplicht op het voorschip in de lengte-as van het schip op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht, en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
b. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht;
c. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
**2.** Een alleenvarend groot motorschip mag s nachts op het achterschip een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip.
**2.** Een alleenvarend motorschip mag des nachts een tweede toplicht voeren achter het toplicht op het voorschip in de lengte-as van het schip en tenminste 3 m hoger, zodanig dat de horizontale afstand tussen de beide lichten tenminste driemaal de verticale afstand bedraagt. Een schip waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt moet dit tweede toplicht voeren.
**3.**
Een groot motorschip dat wordt geassisteerd moet voeren:
Een motorschip dat wordt geassisteerd moet voeren:
a. s nachts: de in het eerste en tweede lid voorgeschreven lichten;
b. overdag: een gele bol op het voorschip op een hoogte van tenminste 5 m. Indien dit schip een zeegaand schip is, behoeft het de gele bol niet te voeren, doch mag het deze voeren.
- des nachts:
**4.** Een snel schip moet overdag en s nachts, naast de overige tekens die bij dit reglement zijn voorgeschreven, voeren: twee gele krachtige rondom schijnende lichten die snel flikkeren, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
de in het eerste en tweede lid voorgeschreven lichten;
- des daags:
**5.** Een groot schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren: een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.
een gele bol op het voorschip op een hoogte van tenminste 5 m.
**6.** Dit artikel is niet van toepassing op een veerpont, een vissersschip en een schip dat loodsdienst uitoefent.
Indien dit schip rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, behoeft het de gele bol niet te voeren, doch het mag deze voeren.
**4.** Bij het varen door de doorvaartopening van een vaste brug of van een beweegbare brug in gesloten toestand dan wel van een ander kunstwerk mogen de in dit artikel bedoelde tekens zoveel lager worden gevoerd als hiervoor nodig is.
**5.** Een schip als bedoeld in artikel 6.01a moet des daags en des nachts, naast de overige tekens die bij dit reglement zijn voorgeschreven, voeren: twee gele krachtige snelle flikkerlichten, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
**6.** Dit artikel is niet van toepassing op een veerpont noch op een klein schip. Het eerste lid, onder *a*, is niet van toepassing op een vissersschip en op een schip dat loodsdienst uitoefent bedoeld in artikel 3.36.
### Artikel 3.09
**1.**
Het motorschip aan de kop van een sleep bestaande uit grote schepen, alsmede het motorschip dat een groot motorschip, duwstel of gekoppeld samenstel assisteert, moet voeren:
Het motorschip aan de kop van een sleep, alsmede het motorschip, dat een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteert, moet voeren:
a. s nachts:
- des nachts:
1°. twee toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste op een hoogte van tenminste 5 m en het onderste voorzover mogelijk ten minste 1 m hoger dan de boordlichten. De hoogte van het bovenste licht mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
2°. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
3°. een geel helder of gewoon licht op het achterschip in de lengte-as van het schip, dat schijnt over dezelfde boog van de horizon als een heklicht en dat is aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengten achter het schip;
b. overdag: een gele cilinder die aan de bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cilinder, en die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is.
a. twee toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste op de in artikel 3.08, eerste lid, onder *a*, voorgeschreven hoogte en het onderste voor zover mogelijk ten minste 1 m hoger dan de boordlichten;
b. boordlichten die voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *b*;
c. een geel helder of gewoon licht op het achterschip in de lengte-as van het schip, dat schijnt over dezelfde boog van de horizon als het heklicht, voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid, onder *c* , en dat is aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengten achter het schip;
- des daags:
een gele cylinder die aan de bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cylinder, en die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is.
**2.**
Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat die niet in kiellinie varen dan wel verscheidene motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, moet elk van deze schepen, in plaats van de in het eerste lid bedoelde toplichten, s nachts voeren:
2. Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat, die niet in kiellinie varen, dan wel verscheidene motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, moet elk van deze schepen, in plaats van de in het eerste lid bedoelde toplichten, voeren:
drie toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn telkens met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m. Het bovenste en het onderste toplicht moeten op dezelfde hoogte zijn aangebracht als voor de in het eerste lid bedoelde toplichten is voorgeschreven.
des nachts drie toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn telkens met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m. Het bovenste en het onderste toplicht moeten op dezelfde hoogte zijn aangebracht als voor de in het eerste lid bedoelde toplichten is voorgeschreven.
**3.**
Een groot schip van een sleep dat niet is het motorschip of een der motorschepen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voeren:
Een schip van een sleep dat niet is het motorschip of één der motorschepen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voeren:
a. s nachts: een wit helder rondom schijnend licht, op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. overdag: een gele bol, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is.
- des nachts:
een wit helder rondom schijnend licht, op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
- des daags:
een gele bol, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
Indien echter:
i. een lengte in een sleep langer is dan 110 m, moet deze lengte s nachts twee van deze lichten voeren, waarvan één voorop en één achterop;
ii. een lengte in een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit licht of deze lichten dan wel deze bol voeren.
a. een lengte in een sleep langer is dan 110 m, moet deze lengte des nachts twee van deze lichten voeren, waarvan één voorop en één achterop;
b. een lengte in een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit licht of deze lichten dan wel deze bol voeren.
**4.**
Het grote schip of de grote schepen die de laatste lengte van een sleep vormen moeten s nachts, behalve het licht of de lichten voorgeschreven bij het derde lid, een heklicht op het achterschip voeren dat zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip is geplaatst op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
Het schip of de schepen die de laatste lengte van een sleep vormen moeten des nachts, behalve het licht of de lichten voorgeschreven bij het derde lid, een heklicht voeren dat voldoet aan artikel 3.08, eerste lid, onder *c*. Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden deze lichten voeren.
Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden deze lichten voeren. Indien de laatste lengte van een sleep uit een klein schip of kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van dit lid geen rekening met deze kleine schepen gehouden.
Indien de laatste lengte van een sleep uit kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van dit lid geen rekening met deze kleine schepen gehouden.
**5.**
**5.** Voor het lager voeren van in dit artikel bedoelde tekens is artikel 3.08, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Indien het in het derde lid bedoelde schip een zeegaand schip is, mag het, in plaats van de in het eerste tot en met vierde lid voorgeschreven tekens, voeren:
**6.**
a. s nachts:
Indien het in het derde lid bedoelde schip rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag het, in plaats van de bij het derde lid voorgeschreven tekens, voeren:
1°. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
2°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
b. overdag: een gele bol als voorgeschreven in het derde lid, doch behoeft het deze niet te voeren.
- des nachts:
boordlichten die voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *b*;
- des daags:
een gele bol als voorgeschreven in het derde lid, doch behoeft het deze niet te voeren.
**7.** Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip dat slechts kleine schepen sleept of op het slepen van een klein schip.
### Artikel 3.10
@ -562,16 +482,11 @@ a. 1e. drie toplichten op het voorschip van het voorste schip of van het meest a
2e. een toplicht op het voorschip van elk ander schip dat van voren over de volle breedte zichtbaar is, voorzover mogelijk 3 m lager dan het bovenste licht, bedoeld onder 1e.
De masten waaraan deze lichten worden gevoerd moeten zijn geplaatst in de lengte-as van het schip waarop zij zich bevinden;
b. boordlichten die moeten zijn geplaatst
b. boordlichten op het breedste gedeelte van het duwstel, zo dicht mogelijk bij de duwboot, ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel en op een hoogte van tenminste 2 m. Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *b*;
c. 1e. drie heklichten op de duwboot in een horizontale lijn loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar, op een zodanige hoogte dat zij niet door één van de andere schepen van het duwstel aan het zicht kunnen worden onttrokken;
2e. een heklicht op elk ander schip dat van achteren over de volle breedte zichtbaar is. Indien, behalve de duwboot, meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit licht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden gevoerd.
1°. op gelijke hoogte in een lijn loodrecht op de lengte-as,
2°. op het breedste gedeelte van het duwstel op of zo dicht mogelijk bij de duwboot,
3°. ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel, en
4°. op een hoogte van tenminste 2 m;
c. 1°. drie heklichten op de duwboot in een horizontale lijn loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar, op een zodanige hoogte dat zij niet door een van de andere schepen van het duwstel aan het zicht kunnen worden onttrokken;
2°. een heklicht op elk ander schip dat van achteren over de volle breedte zichtbaar is. Indien, behalve de duwboot, meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit licht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden gevoerd. Dit licht moet worden gevoerd op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder c.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *c*.
**2.**
@ -584,59 +499,83 @@ de lichten voorgeschreven bij het eerste lid. De lichten bedoeld in het eerste l
een gele bol op de duwboot op een hoogte van tenminste 5 m.
**3.** Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder *c*, 1e, voeren op de duwboot aan stuurboord; de andere duwboot moet het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder *c*, 2e, voeren.
**3.** Voor het lager voeren van de in dit artikel bedoelde tekens is artikel 3.08, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
**4.** Een duwstel, waarvan de grootste lengte niet meer dan 110 m en de grootste breedte niet meer dan 12 m bedraagt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als één motorschip van dezelfde afmetingen.
**4.** Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder *c*, 1e, voeren op de duwboot aan stuurboord; de andere duwboot moet het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder *c*, 2e, voeren.
### Artikel 3.11
**1.**
Een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen moet s nachts voeren:
Een gekoppeld samenstel moet des nachts voeren:
a. een toplicht op het voorschip van elk schip, in de lengte-as op een hoogte van tenminste 5 m.
a. een toplicht op elk schip. Echter mag op een schip dat geen motorschip is, in plaats van dit licht, worden gevoerd een wit helder rondom schijnend licht, op een geschikte plaats en niet hoger dan het toplicht van het motorschip of de toplichten van de motorschepen.
Op een schip dat geen motorschip is, mag in plaats van dit licht worden gevoerd een wit helder rondom schijnend licht, op een geschikte plaats en op een hoogte van tenminste 5 m, maar niet hoger dan het toplicht van het motorschip of de toplichten van de motorschepen. De hoogte van zowel het toplicht als het rondom schijnende licht mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel, voorzover mogelijk op onderling dezelfde hoogte en tenminste 1 m lager dan het laagste licht, bedoeld onder a. Zij moeten zijn geplaatst in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
c. een heklicht op het achterschip van elk schip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *a*, respectievelijk aan artikel 3.09, derde lid;
b. boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel, voorzover mogelijk op onderling dezelfde hoogte en tenminste 1 m lager dan het laagste licht, bedoeld onder *a*.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *b*;
c. een heklicht op elk schip.
Dit licht moet voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *c*.
**2.**
Een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen dat wordt geassisteerd moet voeren:
Een gekoppeld samenstel dat wordt geassisteerd moet voeren:
a. s nachts: de lichten voorgeschreven in het eerste lid;
b. overdag: een gele bol, voorop op een hoogte van ten minste 5 m.
- des nachts:
**3.** Indien bij een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen het langszijde van het motorschip vastgemaakte andersoortige schip een zeegaand schip is, mag het motorschip, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, de lichten voeren, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, en mag het andersoortige schip voeren: boordlichten en een heklicht, als bedoeld in het eerste lid, onder b en c.
de lichten voorgeschreven bij het eerste lid;
- des daags:
**4.** Een gekoppeld samenstel, waarvan de grootste lengte meer dan 140 m bedraagt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als een duwstel van dezelfde lengte.
een gele bol, voorop op een hoogte van ten minste 5 m.
**3.**
Indien bij een gekoppeld samenstel het langszijde van het motorschip vastgemaakte andersoortige schip rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag het motorschip, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, de lichten voeren, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, en mag het andersoortige schip voeren:
boordlichten voorop en een heklicht die voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *b* en *c*.
**4.** Voor het lager voeren van de in dit artikel bedoelde tekens is artikel 3.08, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
**5.** Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip dat slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt of langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen.
### Artikel 3.12
Een groot zeilschip moet s nachts voeren:
**1.**
a. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het schip. Zij mogen gewone lichten zijn;
b. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;
c. twee heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste groen, met een onderlinge afstand van ten minste 1 m, aan of nabij de top van de mast, waar deze het best kunnen worden gezien.
Een zeilschip moet des nachts voeren:
a. boordlichten. Zij mogen gewone lichten zijn;
b. een heklicht.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder *b* en *c*.
c. twee heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste groen, met een onderlinge afstand van tenminste 1 m, aan of nabij de top van de mast, waar deze het best kunnen worden gezien.
**2.**
Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet des daags voeren:
een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een klein schip. Het eerste lid, onder *c*, is niet van toepassing op een vissersschip.
### Artikel 3.13
**1.**
Een alleenvarend klein motorschip moet s nachts voeren:
Een alleenvarend klein motorschip moet des nachts voeren:
a. hetzij:
a. een toplicht in de lengte-as van het schip, tenminste 1 m hoger dan de boordlichten. Dit licht moet echter, in plaats van een krachtig licht, een helder licht zijn;
b. boordlichten. Zij mogen gewone lichten zijn. Zij moeten worden aangebracht,
1°. een toplicht in de lengteas van het schip, op dezelfde hoogte als de boordlichten en tenminste 1 m voor deze lichten. Dit licht moet een helder licht zijn;
2°. boordlichten. Deze lichten mogen gewone lichten zijn. Zij moeten zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de lengteas van het schip bevinden; en
3°. een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een oploper goed zichtbaar is;
b. hetzij:
- hetzij: zoals voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid, onder *b*;
- hetzij: onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de boeg;
c. een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een oploper goed zichtbaar is.
1°. een toplicht, zoals voorgeschreven onder a, 1°. Dit licht moet echter ten minste 1 m hoger dan de boordlichten worden gevoerd;
2°. de boordlichten, zoals voorgeschreven onder a, 2°. Deze lichten mogen echter onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengteas van het schip aan of nabij de boeg worden gevoerd; en
3°. een heklicht, zoals voorgeschreven onder a, 3°. In plaats van dit heklicht en van het onder b, 1°, bedoelde toplicht mag een wit rondom schijnend licht worden gevoerd.
In plaats van dit heklicht en van het onder *a* bedoelde toplicht mag een wit rondom schijnend licht worden gevoerd.
**2.** Een alleenvarend klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan 13 km per uur ten opzichte van het water mag, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.
**2.** Een alleenvarend klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan 12,964 km per uur mag, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.
**3.** Een klein motorschip dat slechts kleine schepen sleept dan wel langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt moet des nachts de bij het eerste lid voorgeschreven lichten voeren.
@ -652,36 +591,48 @@ Een klein zeilschip moet des nachts voeren:
**6.** Een klein door spierkracht voortbewogen schip moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.
**7.** Een klein schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren: een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.
**7.** Voor het lager voeren van de in dit artikel bedoelde tekens is artikel 3.08, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 3.14
**1.**
Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken voeren:
Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken voeren:
a. s nachts: een blauw licht;
b. overdag: een blauwe kegel met de punt naar beneden.
- des nachts:
een blauw licht;
- des daags:
een blauwe kegel met de punt naar beneden.
Dit teken moet op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat het van alle zijden zichtbaar is.
In plaats van het dagteken kan ook telkens één blauwe kegel op het voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste 3 m worden gevoerd.
In plaats van het dagteken kan ook telkens één blauwe kegel op het voor- en één op het achterschip op een hoogte van tenminste 3 m worden gevoerd.
**2.**
Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts: twee blauwe lichten;
b. overdag: twee blauwe kegels met de punt naar beneden.
- des nachts:
twee blauwe lichten;
- des daags:
twee blauwe kegels met de punt naar beneden.
Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. In plaats van twee blauwe kegels kunnen ook telkens twee blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden gevoerd, waarvan de onderste op een hoogte van tenminste 3 m.
**3.**
Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 500, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts: drie blauwe lichten;
b. overdag: drie blauwe kegels met de punt naar beneden.
- des nachts:
drie blauwe lichten;
- des daags:
drie blauwe kegels met de punt naar beneden.
Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
@ -691,15 +642,13 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer
**6.** Een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet uitsluitend de tekens voeren voor de gevaarlijke stof die volgens de voorgaande leden het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
**7.** Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in het ADN, nr. 1.16.1.1.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met een schip, dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil worden geschut, bij het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
**7.** Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 282 of Bijlage B2 Rn 210 282, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met een schip, dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil worden geschut, bij het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
**8.** De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in één der voorgaande leden dient tenminste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
### Artikel 3.15
**1.** Een varend passagiersschip waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan 20 m moet overdag voeren: een gele ruit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
**2.** De bevoegde autoriteit kan vaarwegen aanwijzen waarop de verplichting van het eerste lid niet van toepassing is.
(niet overgenomen).
### Artikel 3.16
@ -749,22 +698,30 @@ Onverminderd de bijzondere voorschriften die ingevolge artikel 1.21 kunnen worde
witte heldere rondom schijnende lichten in voldoend aantal om hun omtrek aan te duiden, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
#### Afdeling III. Tekens tijdens het stilliggen
##### Paragraaf II. B Tekens tijdens het stilliggen
### Artikel 3.20
**1.**
Een groot schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt moet s nachts voeren: een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van tenminste 3 m.
Een schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt moet des nachts voeren:
In plaats van dit licht mogen ook twee witte gewone rondom schijnende lichten aan de zijde van het vaarwater op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het achterschip, worden gevoerd.
een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van tenminste 3 m.
In plaats van dit licht mogen ook twee witte gewone rondomschijnende lichten aan de zijde van het vaarwater op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het achterschip, worden gevoerd.
**2.**
Een groot schip dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet voeren:
Een schip dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet voeren:
a. s nachts: twee witte gewone rondom schijnende lichten waar deze het best kunnen worden gezien, het ene op het voorschip op een hoogte van tenminste 4 m en het andere op het achterschip op een hoogte van tenminste 2 m en tenminste 2 m lager dan het licht op het voorschip;
b. overdag: een zwarte bol op het voorschip, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
- des nachts:
twee witte gewone rondom schijnende lichten waar deze het best kunnen worden gezien, het ene op het voorschip op een hoogte van tenminste 4 m en het andere op het achterschip op een hoogte van tenminste 2 m en tenminste 2 m lager dan het licht op het voorschip;
- des daags:
een zwarte bol op het voorschip, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
Indien het schip een duwbak, een zeeschipbak of een klein schip is, moet het de bol, in plaats van op het voorschip, voeren op een geschikte plaats.
**3.**
@ -781,10 +738,9 @@ een zwarte bol op de duwboot of de duwboten en op het voorste andersoortige schi
**4.**
Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet voeren:
Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet des nachts voeren:
a. s nachts: een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien;
b. overdag, indien het niet direct of indirect aan de oever gemeerd ligt: een zwarte bol op een geschikte plaats, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien.
**5.**
@ -796,7 +752,7 @@ c. dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege aldaar aanwezige
d. dat op een veilige ligplaats ligt;
e. dat ligt op een ligplaats die de bevoegde autoriteit als zodanig heeft aangeduid en waar hij het achterwege laten van het voeren van de tekens heeft toegestaan.
**6.** Dit artikel is niet van toepassing op de schepen, bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.25.
**6.** Dit artikel is niet van toepassing op schepen, bedoeld in de artikelen 3.22, 3.25, 3.34, tweede lid, en 3.37.
### Artikel 3.21
@ -810,7 +766,11 @@ Een op zijn aanlegplaats stilliggende niet-vrijvarende veerpont moet des nachts
Bovendien moet de het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel des nachts het bij artikel 3.16, tweede lid, voorgeschreven licht voeren.
**2.** Een op zijn aanlegplaats stilliggende vrijvarende veerpont, die dienst doet, moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren. Hij mag bovendien de bij artikel 3.08, eerste lid, onder b en c, voorgeschreven lichten blijven voeren. Hij moet de lichten bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, onder b en c, en het groene licht bedoeld in artikel 3.16, derde lid, onder b, doven, zodra hij buiten dienst is.
**2.**
Een op zijn aanlegplaats stilliggende vrijvarende veerpont, die dienst doet, moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren. Hij mag bovendien de bij artikel 3.08, eerste lid, onder *b* en *c*, voorgeschreven lichten blijven voeren.
Hij moet het groene licht bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder *b*, doven, zodra hij buiten dienst is.
### Artikel 3.23
@ -912,15 +872,17 @@ een boei voorzien van een wit gewoon rondom schijnend licht en een radarreflecto
een gele boei voorzien van een radarreflector.
#### Afdeling IV. Bijzondere optische tekens
#### Afdeling III. Bijzondere optische tekens
### Artikel 3.27
Een schip van ambtenaren belast met toezicht of opsporing mag, om zich kenbaar te maken, als bijkomend teken een blauw gewoon rondom schijnend flikkerlicht of licht dat snel flikkert tonen. Het zelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met toestemming van de bevoegde autoriteit.
Een schip van toezichthoudende ambtenaren mag om zich kenbaar te maken, als bijkomend teken een blauw gewoon rondom schijnend flikkerlicht tonen. Hetzelfde geldt voor een brandweerboot, die hulp biedt of daartoe op weg is.
### Artikel 3.28
Een schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden uitvoert mag, om dit kenbaar te maken, als bijkomend teken, met toestemming van de bevoegde autoriteit, tonen: een geel helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht of licht dat snel flikkert.
Een schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden uitvoert mag, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, tonen:
een geel helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht.
### Artikel 3.29
@ -962,24 +924,27 @@ vier korte stoten, gevolgd door één lange stoot.
### Artikel 3.31
**1.** Indien op grond van wettelijke voorschriften de toegang aan boord voor onbevoegden is verboden, wordt dit verbod aangeduid door: één of meer ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een afwerende hand. Deze symbolen wordt naar behoefte aan boord of bij de loopplank aangebracht. De doorsnede van deze symbolen bedraagt ongeveer 0,60 m.
**1.**
**2.** Deze symbolen worden zo nodig verlicht om s nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
Indien op grond van wettelijke bepalingen de toegang aan boord van een schip voor onbevoegden is verboden, moet het schip dit aan boord of bij de loopplank aanduiden door:
één of meer ronde borden, aan beide zijden wit met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een voetganger.
In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 60 cm bedragen.
**2.** Des nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.
### Artikel 3.32
**1.**
Indien het op grond van wettelijke voorschriften aan boord is verboden:
Indien op grond van wettelijke bepalingen het roken aan boord van een schip in het algemeen is verboden, moet het schip dit aan boord of bij de loopplank aanduiden door:
a. te roken; of
b. onbeschermd licht of vuur te gebruiken,
één of meer ronde borden, aan beide zijden wit met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een rokende sigaret.
wordt dit verbod aangeduid door één of meer ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een brandende lucifer.
In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 60 cm bedragen.
Deze symbolen wordt naar behoefte aan boord of bij de loopplank aangebracht. De doorsnede van deze symbolen bedraagt ongeveer 0,60 m.
**2.** Deze symbolen worden zo nodig verlicht om s nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
**2.** Des nachts moeten deze borden moeten zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.
### Artikel 3.33
@ -993,88 +958,122 @@ een vierkant bord aan de onderzijde waarvan zich een driehoek bevindt. Het bord
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel 3.21.
#### Afdeling IV. Bijkomende tekens van bijzondere schepen
### Artikel 3.34
**1.**
Een varend schip dat wegens de uitvoering van werkzaamheden in het vaarwater beperkt is in zijn mogelijkheden om voor andere schepen uit te wijken overeenkomstig de vaarregels van dit reglement en dat deswege door zijn positie of zijn gedrag aanleiding kan geven tot een gevaarlijke situatie moet, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, voeren:
Een schip dat wegens de uitvoering van werkzaamheden in het vaarwater beperkt is in zijn mogelijkheden om voor andere schepen uit te wijken overeenkomstig de vaarregels van dit reglement en dat deswege door zijn positie of zijn gedrag aanleiding kan geven tot een gevaarlijke situatie moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts: drie heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn, het bovenste en het onderste rood en het middelste wit;
b. overdag: een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
- des nachts:
drie heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn, het bovenste en het onderste rood en het middelste wit;
- des daags:
een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
**2.**
Indien de doorvaart niet aan beide zijden van het schip vrij is, moet het schip behalve de in het eerste lid bedoelde tekens voeren:
a. s nachts:
- des nachts:
1°. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is: twee rode heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
2°. aan de zijde waar de doorvaart vrij is: twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
b. overdag:
a. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:
1°. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is: twee zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
2°. aan de zijde waar de doorvaart vrij is: twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
twee rode heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m;
b. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:
**3.**
twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m;
- des daags:
Indien de doorvaart aan beide zijden van het schip vrij is, moet het schip behalve de in het eerste lid bedoelde tekens aan beide zijden voeren:
c. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:
a. s nachts: twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
b. overdag: twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
twee zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m;
d. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:
**4.** De lichten, bollen en ruiten, bedoeld in het tweede en derde lid, mogen niet hoger zijn aangebracht dan het laagste van de lichten of bollen, bedoeld in het eerste lid, en zij moeten tenminste 2 m daarvan verwijderd zijn.
twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
**5.** In plaats van de in dit artikel bedoelde tekens mogen de tekens, bedoeld in artikel 3.25, worden gevoerd.
Deze lichten, bollen en ruiten mogen niet hoger zijn aangebracht dan het laagste van de lichten of bollen bedoeld in het eerste lid, en zij moeten tenminste 2 m daarvan verwijderd zijn.
### Artikel 3.35
Een schip bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden moet, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, voeren:
Een schip bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts: drie groene heldere of gewone rondom schijnende lichten, één aan of nabij de top van de mast op het voorschip en één aan elk uiteinde van de ra van deze mast;
b. overdag: drie zwarte bollen op dezelfde plaatsen als de lichten s nachts.
- des nachts:
drie groene heldere of gewone rondom schijnende lichten, één aan of nabij de top van de mast op het voorschip en één aan elk uiteinde van de ra van deze mast;
- des daags:
drie zwarte bollen op dezelfde plaatsen als de hierboven bedoelde groene lichten.
Deze lichten of dagtekens duiden aan dat het voor andere schepen gevaarlijk is het schip dichter te naderen dan 1000 m.
### Artikel 3.36
Een schip dat loodsdienst uitoefent moet voeren:
Een schip dat loodsdienst uitoefent moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts:
- des nachts:
1°. een wit helder of gewoon rondom schijnend licht en een rood helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn, het bovenste wit en het onderste rood, aan of nabij de top van de mast op het voorschip;
2°. boordlichten op gelijke hoogte, in een lijn loodrecht op de lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het schip; en
3°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;
b. overdag: een blauwe vlag met, in wit, de letter L aan of nabij de top van de mast op het voorschip.
een wit helder of gewoon rondom schijnend licht en een rood helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn, het bovenste wit en het onderste rood, aan of nabij de top van de mast op het voorschip;
- des daags:
een blauwe vlag met, in wit, de letter L aan of nabij de top van de mast op het voorschip.
### Artikel 3.37
Een vissersschip moet voeren:
**1.**
a. s nachts:
Een vissersschip dat door het water een treil of ander vistuig voortsleept moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
1°. een groen helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m, het bovenste groen en het onderste wit, op een zodanige hoogte dat het onderste zich tenminste 2 m boven de boordlichten bevindt.
2° boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het witte licht bedoeld in onderdeel a, 1°, en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip; en
3°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip, op een zodanige hoogte dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;
b. overdag: twee zwarte kegels met de punten tegen elkaar (diabolo) in een verticale lijn, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden goed zichtbaar zijn.
- des nachts:
Het schip mag tevens achter en hoger dan het groene licht, bedoeld onder a, 1°, een toplicht voeren.
een groen helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m, het bovenste groen en het onderste wit, op een zodanige hoogte dat het onderste zich tenminste 2 m boven de boordlichten bevindt;
- des daags:
twee zwarte kegels met de punten tegen elkaar in een verticale lijn op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
Het schip moet des nachts een toplicht in de lengte-as van het schip achter en hoger dan het groene licht voeren. Ingeval de lengte van het schip minder dan 50 m bedraagt behoeft het dit toplicht niet te voeren, maar mag het dit voeren.
**2.**
Een vissersschip dat bezig is met de uitoefening van de visserij anders dan bedoeld in het eerste lid moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
de in het eerste lid vermelde bijkomende tekens, met dien verstande dat het groene heldere of gewone rondom schijnende licht wordt vervangen door een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en het schip niet het toplicht mag voeren;
en voorts, indien het vistuig meer dan 150 m, horizontaal gerekend, uitstaat, in de richting van het vistuig:
- des nachts:
een wit gewoon rondom schijnend licht op een horizontale afstand van tenminste 2 m en ten hoogste 6 m uit het rode en het witte licht en op een zodanige hoogte dat het zich niet hoger dan dit witte licht en niet lager dan de boordlichten bevindt;
- des daags:
een zwarte kegel met de punt naar boven.
### Artikel 3.38
**1.** Een schip dat gebruikt wordt bij het duiken moet, behalve de bij artikel 3.08, respectievelijk artikel 3.20 voorgeschreven tekens, als bijkomend teken voeren: de internationale seinvlag «A» dan wel een replica daarvan vervaardigd van niet buigzaam materiaal, op een zodanige hoogte en op een zodanige wijze dat deze van alle zijden zichtbaar is. 's Nachts moet dit teken zodanig zijn verlicht, dat het duidelijk zichtbaar is.
**1.**
**2.** Het bijkomende teken, bedoeld in het eerste lid, mag ook worden getoond bij duikwerkzaamheden die vanaf de wal worden uitgevoerd.
Een schip dat gebruikt wordt voor het beoefenen van de onderwatersport moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend dagteken voeren:
### Hoofdstuk 4. Geluidsseinen; marifoon; radar
een replica van de internationale seinvlag "A", vervaardigd van niet buigzaam materiaal en met een hoogte van tenminste 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
Des nachts moet dit teken zodanig zijn verlicht dat het duidelijk zichtbaar is.
**2.** Het schip mag, in plaats van dit teken, de tekens voeren vermeld in artikel 3.34, eerste lid.
### Hoofdstuk 4. Geluidsseinen van schepen
### Artikel 4.01
**1.**
De in bijlage 6 vermelde geluidsseinen, niet zijnde klokslagen, moeten worden gegeven door:
De in bijlage 6 vermelde geluidsseinen, niet zijnde klokslagen, moet
a. een groot motorschip door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voorzover mogelijk ook naar achteren;
b. een groot schip, niet zijnde een motorschip, en een klein motorschip door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of hoorn.
a. een motorschip, met uitzondering van een klein schip, geven door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar achteren.
b. een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein motorschip geven door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of hoorn.
**2.** Een groot motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit geldt niet voor klokslagen.
**2.** Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en het geldt niet voor klokslagen of reeksen klokslagen.
**3.** Bij een samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
@ -1086,11 +1085,9 @@ b. een groot schip, niet zijnde een motorschip, en een klein motorschip door mid
### Artikel 4.02
**1.** Een groot schip moet ter voorkoming van aanvaring zo nodig de geluidsseinen geven, vermeld in bijlage 6.
**1.** Een schip, niet zijnde een klein schip, moet zo nodig de algemene geluidsseinen geven, vermeld in afdeling A van bijlage 6.
**2.** Een klein schip moet ter voorkoming van aanvaring zo nodig het attentiesein, het sein «Ik kan niet manoeuvreren» en zo nodig het noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zo nodig een der overige algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A alsmede het mistsein, vermeld in afdeling G van bijlage 6, geven.
**3.** Een klein schip mag niet de manoeuvreerseinen, vermeld in de afdelingen B, C, D en E van bijlage 6, geven.
**2.** Een klein schip moet zonodig het attentiesein, het sein "Ik kan niet manoeuvreren" en het noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zonodig één der overige algemene geluidsseinen, vermeld in deze afdeling, geven.
### Artikel 4.03
@ -1114,126 +1111,57 @@ De geluidsinstallatie moet hiertoe zodanig zijn ingericht, dat na het inschakele
**1.**
Een schip mag slechts gebruik maken van een marifoon die in overeenstemming is met de
Een schip dat het in artikel 4.04 bedoelde sein hoort, moet alle maatregelen nemen die dienstig zijn om gevaar te vermijden. In het bijzonder moet het:
Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart. De marifoon mag slechts worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling, zoals vermeld in het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart.
a. indien het een koers in de richting van het gevaarsgebied voorligt, zich zover mogelijk hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;
b. indien het het gevaarsgebied reeds is gepasseerd, zijn weg met een zo groot mogelijke snelheid vervolgen.
**2.** Een schip mag bij gebruik van de kanalen bestemd voor het schip--schip verkeer of de nautische informatie en bij het verbinding hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten geen mededelingen doen, die niet in dit reglement zijn voorgeschreven of toegelaten dan wel niet zijn toegelaten krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart.
**2.** De schipper van een schip als bedoeld in het eerste lid moet onmiddellijk zorg dragen, dat aan boord alle ramen en andere openingen die in verbinding staan met de buitenlucht worden gesloten, dat een onbeschermd licht en open vuur worden gedoofd, dat niet meer wordt gerookt, dat hulpmotoren die niet noodzakelijkerwijs in bedrijf zijn worden afgezet en dat in zijn algemeenheid het veroorzaken van vonken wordt vermeden. Ingeval het schip ligplaats gaat nemen, moet de schipper zorg dragen, dat de motoren en de hulpmotoren die nog in werking zijn worden afgezet.
**3.** Een varend groot schip moet zijn uitgerust met een marifooninstallatie die geschikt is voor de kanalen voor het schip--schip verkeer en voor de nautische informatie en voor het verbinding hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten en die goed functioneert. Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moeten twee marifoons aanwezig zijn.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een schip, dat in de nabijheid van het gevaarsgebied stilligt en dat het sein hoort. Zo nodig moet de schipper zorg dragen, dat het schip wordt verlaten.
**4.**
**4.** Bij de toepassing van dit artikel dient rekening te worden gehouden met de stroom en de windrichting.
Een varend groot schip moet op de marifoon uitluisteren. Het moet op de voor het schip--schip verkeer dan wel voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten geven.
**5.** Dit artikel is eveneens van toepassing indien het sein niet door een schip maar vanaf de wal wordt gegeven.
Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet het groot schip op de kanalen voor het schip--schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig uitluisteren. Het schip--schip kanaal is kanaal 10, tenzij een ander kanaal als blokkanaal is aangewezen.
**5.** Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel zijn het derde en vierde lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
**6.** De bevoegde autoriteit kan van de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontheffing verlenen aan schepen die worden ingezet ten behoeve van het redden van mensen.
**7.** De bevoegde autoriteit kan van de verplichting, bedoeld in het derde en vierde lid, ontheffing verlenen, voorzover dit de vaart betreft in gebieden waar geen doorgaande scheepvaart plaatsvindt.
**8.** Het vierde lid, eerste en tweede volzin, is van toepassing op een klein schip dat is uitgerust met een marifoon. Het vierde lid, derde volzin, is van toepassing op een klein schip dat is uitgerust met meer dan één marifoon.
**9.** In afwijking van het eerste lid, wordt op scheepvaartwegen in beheer bij het Rijk bij communicatieproblemen tussen scheeps- en walstations dan wel tussen scheepsstations onderling de Duitse taal gebruikt. Op de in bijlage 11 genoemde vaarwegen is tevens het gebruik van de Engelse taal toegestaan.
### Artikel 4.06
**1.**
Een schip mag slechts gebruik maken van radar, indien:
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie dan wel een Inland ECDIS installatie die kan functioneren in de navigatie modus en een bochtaanwijzer die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de binnenvaart door de daartoe aangewezen instantie is goedgekeurd volgens de daaromtrent vastgestelde voorschriften; en
b. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een radarpatent als bedoeld in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of een specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar zoals bedoeld in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of de Binnenvaartregeling. Bij goed zicht mag van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
**2.** Onverminderd het eerste lid moet een klein schip zijn uitgerust met een marifooninstallatie die geschikt is voor de daartoe aangewezen kanalen en die goed functioneert.
**3.** Op de daartoe aangewezen vaarwegen mag een schip, in plaats van met een radarinstallatie als bedoeld in het eerste lid, onder a, zijn uitgerust met een voor het varen op deze vaarwegen geschikte radarinstallatie die goed functioneert en die van een type is dat voor het varen op die vaarwegen door de in het eerste lid, onder a, bedoelde instantie is goedgekeurd volgens de daaromtrent vastgestelde voorschriften.
**4.** Een schip behorende tot een daartoe aangewezen categorie mag op de daartoe aangewezen vaarwegen in plaats van met een bochtaanwijzer als bedoeld in het eerste lid, onder a, zijn uitgerust met een ander daartoe bruikbaar middel. Een niet-vrijvarende veerpont behoeft daarmede niet te zijn uitgerust.
**5.** De bevoegde autoriteit kan van het eerste lid, onder b, voor een niet-vrijvarende veerpont ontheffing verlenen.
**6.** Voor een duwstel, voor een gekoppeld samenstel en voor een sleep is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
**7.** Een schip met een lengte van meer dan 110 m mag slechts varen, wanneer het is uitgerust met een radarinstallatie en een bochtaanwijzer die voldoen aan het eerste lid.
**8.** Een snel schip moet tijdens de vaart gebruik maken van radar.
### Artikel 4.07
**1.**
Een schip dat vaart op een vaarweg van CEMT-klasse I of hoger, moet zijn uitgerust met een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van ES-TRIN. Het Inland AIS-apparaat moet goed functioneren.
De eerste volzin is niet van toepassing op de volgende schepen:
a. schepen van duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van het schip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt;
b. kleine schepen, met uitzondering van:
1° schepen van de politie die met een radarapparaat zijn uitgerust, en
2° schepen die van een certificaat overeenkomstig het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 of een krachtens dat reglement gelijkwaardig erkend certificaat zijn voorzien;
c. duwbakken en drijvende werktuigen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
**2.**
Het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn en de ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
De eerste volzin geldt niet,
a. indien de bevoegde autoriteit een uitzondering voor wateren die bouwkundig van het vaarwater zijn gescheiden, heeft toegestaan;
b. voor schepen van de politie, ingeval het verzenden van AIS-gegevens het uitvoeren van politieopdrachten in gevaar kan brengen;
c. voor schepen die stilliggen langs een vaarweg van CEMT-klasse II of lager,
Schepen bedoeld in het eerste lid, derde volzin, onderdeel a, moeten aan boord aanwezige Inland AIS-apparatuur uitschakelen, zolang deze schepen deel van het samenstel zijn.
**3.**
Er moeten minstens de volgende gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van de bijlage van Verordening (EG) nr. 415/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PbEU L 105) worden gezonden:
a. User Identifier (Maritime Mobile Service Identity, MMSI, Radio Call Sign);
b. naam van het schip;
c. scheeps- of samensteltype;
d. Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of, voor zeeschepen voor zover geen ENI werd toegekend, het IMO-nummer;
e. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
f. breedte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
g. positie (WGS 84);
h. snelheid over de grond;
i. koers over de grond;
j. tijd van de elektronische positiebepaling;
k. vaarstatus overeenkomstig bijlage 4;
l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 4;
**4.**
De schipper moet de volgende gegevens bij wijzigingen onmiddellijk actualiseren:
a. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
b. breedte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
c. samensteltype;
d. vaarstatus overeenkomstig bijlage 4;
e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met een nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 4.
**5.** Een klein schip dat AIS gebruikt, mag uitsluitend een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van ES-TRIN, een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A of een AIS-apparaat van klasse B gebruiken. AIS-apparatuur van klasse B moet aan de dienovereenkomstige eisen van Aanbeveling ITU-R.M 1371, aan Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU L 153) alsmede aan de internationale norm IEC 62287-1 of 2 (inclusief DSC kanaalmanagement) voldoen. Het AIS-apparaat moet goed functioneren en de in het AIS-apparaat ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
**6.** Een klein schip waaraan geen uniek Europees scheepsidentificatienummer is toegekend, hoeft de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, niet over te dragen.
**7.** Een varend klein schip dat AIS gebruikt, moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip-schip verkeer die goed functioneert en voor ontvangst is ingeschakeld.
**8.** Op de in bijlage 4 aangewezen vaarwegen mag een schip zijn uitgerust met een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A. Het AIS-apparaat van klasse A moet ingeschakeld zijn wanneer een schip niet is uitgerust met een Inland AIS-apparaat.
**9.** Ingeval een zeegaand schip is uitgerust met een Inland AIS-apparaat, is dit permanent ingeschakeld en zijn de leden 1, 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.
**6.** De schipper die het sein hoort moet voorzover mogelijk onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit inlichten.
### Hoofdstuk 4A. Marifoon en radar
### Artikel 4A.01
Vervallen
**1.** Een schip mag slechts gebruik maken van een marifooninstallatie die in overeenstemming is met de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart en mag slechts worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling, zoals vermeld in het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.
**2.** Een schip mag bij gebruik van de kanalen bestemd voor het schip--schip verkeer of nautische informatie en bij het verbinding hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten geen mededelingen doen, die niet in dit reglement zijn voorgeschreven of toegelaten, dan wel niet zijn toegelaten krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart.
**3.** Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet zijn uitgerust met een marifooninstallatie die geschikt is voor de kanalen voor het schip--schip verkeer, de nautische informatie en voor het verbinding hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten en die goed functioneert. Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet met deze marifooninstallatie gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.
**4.** Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op ontvangst hebben ingeschakeld. Het moet op de voor het schip--schip verkeer dan wel voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten geven. Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet het schip de kanalen voor het schip--schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig op ontvangst hebben ingeschakeld.
**5.** Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel zijn het derde en het vierde lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
**6.** De bevoegde autoriteit kan van de verplichting bedoeld in het eerste en tweede lid ontheffing verlenen aan schepen die worden ingezet ten behoeve van het redden van mensen.
**7.** De bevoegde autoriteit kan van de verplichting bedoeld in het derde en vierde lid ontheffing verlenen voorzover dit de vaart betreft in gebieden waar geen doorgaande scheepvaart plaatsvindt.
### Artikel 4A.02
Vervallen
**1.**
Een schip mag slechts gebruik maken van radar indien:
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de binnenvaart is goedgekeurd door de daartoe aangewezen instantie, volgens de daaromtrent vastgestelde voorschriften;
b. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een diploma dat overeenkomstig de daaromtrent vastgestelde regelen is afgegeven; bij goed zicht mag van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie, die geschikt is voor de daartoe aangewezen kanalen en die goed functioneert.
**2.** Voor een duwstel, voor een gekoppeld samenstel en voor een sleep is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
**3.** Op de daartoe aangewezen vaarwegen mag een schip, in plaats van met een radarinstallatie zoals bedoeld in het eerste lid, onder *a*, zijn uitgerust met een voor het varen op deze vaarwegen geschikte radarinstallatie die goed functioneert en die van een type is dat voor het varen op die vaarwegen is goedgekeurd door de in het eerste lid, onder *a*, bedoelde instantie volgens de daaromtrent vastgestelde voorschriften.
**4.** Een schip behorende tot een daartoe aangewezen categorie mag op de daartoe aangewezen vaarwegen in plaats van met een aanwijzer van de snelheid van draaiing zoals bedoeld in het eerste lid, onder *a*, zijn uitgerust met een ander daartoe bruikbaar middel. Een niet-vrijvarende veerpont behoeft daarmede niet te zijn uitgerust.
**5.** Het eerste lid, onder *b*, is niet van toepassing op een niet-vrijvarende veerpont.
### Hoofdstuk 5. Verkeerstekens
@ -1247,10 +1175,6 @@ Vervallen
**4.** Bijlage 8 vermeldt de verkeerstekens ter markering van het vaarwater of van obstakels.
### Artikel 5.02
Onverminderd de artikelen 1.04 en 1.05 heeft een verkeersteken prioriteit boven een gedragsregel. Een verkeersaanwijzing heeft prioriteit boven een gedragsregel en een verkeersteken.
### Hoofdstuk 6. Vaarregels
#### Afdeling I. Algemene bepalingen
@ -1261,126 +1185,144 @@ Onverminderd de artikelen 1.04 en 1.05 heeft een verkeersteken prioriteit boven
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. naderen op tegengestelde koersen: elkaar naderen van twee schepen op koersen die recht of vrijwel recht aan elkaar tegengesteld zijn;
b. oplopen: naderen door een schip van een ander schip uit een richting van meer dan 22°30´ achterlijker dan dwars van dat schip;
c. voorbijlopen: manoeuvre die het gevolg is van oplopen totdat de schepen geheel vrij van elkaar zijn;
d. kruisende koersen: elkaar naderen van twee schepen onder zodanige hoek, dat er geen sprake is van naderen op tegengestelde koers dan wel oplopen; in geval van twijfel wordt er geacht sprake te zijn van naderen op tegengestelde koersen dan wel oplopen;
e. vertrekkend schip: schip dat gaat varen nadat het heeft stilgelegen of was vastgevaren;
f. opvarend schip: schip dat vaart in de richting van de bronnen van de rivier;
g. afvarend schip: schip dat vaart vanaf de richting van de bronnen van de rivier.
a. naderen op tegengestelde koersen: het elkaar naderen van twee schepen op koersen die recht of vrijwel recht aan elkaar tegengesteld zijn;
b. oplopen: het naderen door een schip van een ander schip uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan dwars van dat schip.
**2.** In dit hoofdstuk worden onder een klein schip mede begrepen een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine schepen bestaande, alsmede een amfibievoertuig ongeacht de afmetingen van dit voertuig en de wijze waarop dit voertuig wordt gebruikt.
**2.** Indien een schip in twijfel verkeert, of een situatie, zoals bedoeld in het eerste lid onder *a* en *b* bestaat, moet het aannemen dat zulks het geval is en moet het dienovereenkomstig handelen.
### Artikel 6.01a
Vervallen
Een draagvleugelboot, een luchtkussenvaartuig en een motorschip met meervoudige romp, die geen klein schip zijn en die ten opzichte van het water sneller kunnen varen dan 30 km per uur, zijn verplicht aan andere schepen de ruimte te laten die deze nodig hebben om hun koers te volgen en om te manoeuvreren; zij mogen niet verlangen dat deze te hunnen gerieve uitwijken.
### Artikel 6.02
Een snel schip is verplicht aan andere schepen voorrang te verlenen.
**1.** In dit hoofdstuk worden onder een klein schip mede begrepen een sleep of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine schepen bestaande, zomede een amfibievoertuig.
**2.** Wanneer een vaarregel van dit hoofdstuk niet van toepassing is tussen een klein schip en een ander schip is het kleine schip verplicht aan dit andere schip, mits niet zijnde een schip zoals bedoeld in artikel 6.01*a*, de ruimte te laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren; het mag niet verlangen, dat dit te zijnen gerieve uitwijkt.
**3.** Onverminderd de bij algemene regeling vastgestelde andere voorschriften met betrekking tot de snelheid is het verboden met een snelle motorboot sneller te varen dan 20 km per uur. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod des daags of des nachts niet van toepassing is.
#### Afdeling II. Koers kruisen, voorbijvaren of tegengestelde koersen en voorbijlopen
##### Paragraaf IIA. Algemene beginselen
### Artikel 6.03
**1.** Schepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde koersen dan wel elkaar voorbijlopen, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
**2.** Bij een samenstel mogen de tekens, voorgeschreven bij de artikelen 3.17, 6.04a en 6.05, slechts worden getoond door het schip, aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt, doch in ieder geval door het motorschip aan de kop van het samenstel.
**2.** Bij een samenstel mogen de tekens, voorgeschreven bij de artikelen 3.17, 6.04*a* en 6.05, slechts worden getoond door het schip, aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt, doch in ieder geval door het motorschip aan de kop van het samenstel.
**3.** Bij naderen op tegengestelde koersen, bij voorbijlopen dan wel bij koers kruisen mag het schip waarvan de koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit zijn koers noch zijn snelheid zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.
**3.** Bij naderen op tegengestelde koersen dan wel bij voorbijlopen mag het schip waarvan de koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit zijn koers noch zijn snelheid zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.
**4.** Wanneer een schip voorrang moet verlenen aan een ander schip, moet het door tijdige koerswijziging of door snelheidsverandering aan dat andere schip de ruimte laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en te manoeuvreren. Het schip dat voorrang moet verlenen aan een ander schip moet daarbij vermijden dat het voor het andere schip overloopt en mag niet verlangen dat het andere schip te zijnen gerieve koers of snelheid wijzigt.
**4.** Indien een schip verplicht is uit te wijken voor een ander schip, moet laatstbedoeld schip zijn koers en zijn snelheid behouden. Indien door welke oorzaak ook, het schip dat verplicht is zijn koers en zijn snelheid te behouden zich zo dicht bij het schip dat moet uitwijken bevindt, dat aanvaring door een handeling van dat schip alléén niet kan worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het beste kunnen bijdragen om aanvaring te voorkomen.
**5.** Wanneer een schip voorrang moet verlenen aan een ander schip, moet laatstbedoeld schip zijn koers en zijn snelheid behouden. Wanneer door welke oorzaak ook, het schip dat verplicht is zijn koers en zijn snelheid te behouden zich zo dicht bij het schip dat voorrang moet verlenen bevindt, dat aanvaring door een handeling van dat schip alleen niet kan worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het beste kunnen bijdragen om aanvaring te voorkomen.
**6.** Wanneer een schip bij het uitvoeren van een manoeuvre medewerking van een ander schip mag verlangen, moet het de eigen koers en snelheid zodanig regelen, dat andere schepen niet worden genoodzaakt hun koers of snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
**7.** Wanneer een schip bij het uitvoeren van een manoeuvre medewerking van een ander schip mag verlangen, moet het andere schip voorzover mogelijk door koerswijziging of snelheidsverandering zodanig meewerken, dat deze manoeuvre veilig kan geschieden.
#### Afdeling II. Voorbijvaren op tegengestelde koersen en voorbijlopen
##### Paragraaf IIB. Koers kruisen
### Artikel 6.03a
Vervallen
**1.** Indien de koersen van twee schepen elkaar kruisen zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft uitwijken en, indien de omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te lopen. Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.
### Artikel 6.04
**2.**
**1.** Van de in dit artikel gegeven hoofdregels kan overeenkomstig artikel 6.04a worden afgeweken. Dit artikel is niet van toepassing op de gedeelten van de Geldersche IJssel en de Maas, bedoeld in artikel 6.05, eerste lid.
Indien de koersen van een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, in afwijking van het eerste lid,
**2.** Indien twee schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
**3.** Indien een groot schip en een klein schip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip.
**4.** Indien twee grote motorschepen of een groot motorschip en een groot zeilschip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
**5.** Indien twee grote zeilschepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt.
**6.** Indien twee kleine zeilschepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt.
**7.** Indien twee kleine motorschepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
**8.** Indien een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.
**9.** Indien twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
### Artikel 6.04a
**1.** Dit artikel is niet van toepassing op de gedeelten van de Geldersche IJssel en de Maas, bedoeld in artikel 6.05, eerste lid.
**2.** Een groot schip dat zich wil begeven naar een vaarwater, een haven, een laad- of losplaats, een sluis, de doorvaartopening van een brug, een aanlegplaats of een plaats waar schepen mogen liggen, gelegen aan zijn bakboordszijde, en een groot schip dat vertrekt vanaf een ligplaats aan de, gezien zijn vaarrichting, bakboordszijde van het vaarwater, mag aan een op tegengestelde koers naderend schip het verlangen kenbaar maken, dat, in afwijking van artikel 6.04, het voorbijvaren stuurboord op stuurboord geschiedt. Het grote schip mag het verlangen slechts kenbaar maken, nadat het zich er van heeft vergewist, dat het mogelijk is daaraan zonder gevaar te voldoen.
- het motorschip uitwijken voor het andere schip, en
- het door spierkracht voortbewogen schip uitwijken voor het zeilschip.
**3.**
Het verlangen wordt kenbaar gemaakt door het tijdig tonen aan stuurboord tot het voorbijvaren heeft plaats gehad, van:
Indien de koersen van twee zeilschepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, in afwijking van het eerste lid,
a. s nachts: een wit helder rondom schijnend flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
b. overdag: een lichtblauw bord, in combinatie met een wit helder rondom schijnend flikkerlicht.
- ingeval beide schepen over verschillende boeg liggen, het schip dat over stuurboordsboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordsboeg ligt;
- ingeval beide schepen over dezelfde boeg liggen, het loefwaartse schip uitwijken voor het lijwaartse;
- ingeval een schip dat over stuurboordsboeg ligt aan zijn loefzijde een schip ziet en niet met zekerheid kan bepalen, of dat schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg ligt, het daarvoor uitwijken.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een breedte van tenminste 5 cm; het raam- en stangenwerk en het lantaarnhuis van het flikkerlicht moeten donker van kleur zijn. Het bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.
**4.** Een groot schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt moet daaraan voldoen en, indien het hiermede is uitgerust, de tekens tonen, bedoeld in het derde lid. Een klein schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt moet voorrang verlenen aan het grote schip, bij voorkeur door aan het verlangen te voldoen.
**4.** Een zeilschip dat het vaarwater opkruist moet, in afwijking van het eerste, het tweede en het derde lid, uitwijken voor een ander schip, dat de zijde van het vaarwater aan stuurboord houdt. Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.
**5.** Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het schip dat het verlangen heeft kenbaar gemaakt niet is begrepen door het schip waaraan dit is geschied, moet het schip een geluidssein van twee korte stoten geven. Het andere schip moet dan antwoorden door het geven van een geluidssein van twee korte stoten.
**5.** Dit artikel is niet van toepassing op kruisende koersen die kunnen ontstaan ingeval van keren, ingeval van verlaten van een ankerplaats of een ligplaats of ingeval van samenkomst van vaarwateren.
**6.** Indien het schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt daaraan niet kan voldoen, moet het een reeks zeer korte stoten geven. Elk van beide schepen moet dan de maatregelen nemen die de omstandigheden vereisen om het ontstaan van een gevaarlijke situatie te voorkomen.
##### Paragraaf IIC. Naderen op tegengestelde koersen
### Artikel 6.04
**1.**
Indien twee schepen elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.
**2.** Indien een klein motorschip, een klein zeilschip en een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, is artikel 6.03*a* , tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
**3.** Indien twee zeilschepen elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, is artikel 6.03*a*, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op de Geldersche IJssel en op de Maas, met dien verstande dat het aldaar wel van toepassing is tussen kleine schepen onderling.
### Artikel 6.04a
**1.** Een schip dat zich wil begeven naar een vaarwater, een haven, een laad- of losplaats, een sluis, de doorvaartopening van een brug, een aanlegplaats of een plaats waar schepen mogen liggen, gelegen aan zijn bakboordszijde, mag aan een op tegengestelde koers naderend schip het verlangen kenbaar maken, dat, in afwijking van artikel 6.04, het voorbijvaren stuurboord op stuurboord geschiedt. Het schip mag het verlangen slechts kenbaar maken, nadat het zich er van heeft vergewist, dat het mogelijk is daaraan zonder gevaar te voldoen.
**2.**
Het verlangen wordt kenbaar gemaakt door het tijdig geven van:
twee korte stoten
en door het tegelijkertijd tonen aan stuurboord van:
- des nachts: een wit helder rondom schijnend flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
-des daags: een lichtblauw bord, in combinatie met een wit helder rondom schijnend flikkerlicht,
totdat het voorbijvaren heeft plaats gehad.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm; het raam- en stangenwerk, alsmede het lantaarnhuis van het flikkerlicht, moeten donker van kleur zijn. Het bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn;
**3.** Het schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt moet daaraan voldoen en het moet dit kenbaar maken door eveneens het geluidssein te geven en, indien het hiermede is uitgerust, tegelijkertijd de tekens te tonen, bedoeld in het tweede lid.
**4.** Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het schip dat het verlangen heeft kenbaar gemaakt niet is begrepen door het schip waaraan dit is geschied, moet dit schip het geluidssein, bedoeld in het tweede lid, herhalen.
**5.** Het schip dat het verlangen heeft kenbaar gemaakt mag de tekens, bedoeld in het tweede lid, niet meer tonen, nadat het voorbijvaren heeft plaats gehad, tenzij om het verlangen eveneens aan een volgend op tegengestelde koers naderend schip kenbaar te maken.
**6.**
Indien het schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt daaraan niet kan voldoen, moet het een reeks zeer korte stoten geven.
Elk van beide schepen moet dan de maatregelen nemen die de omstandigheden vereisen om het ontstaan van gevaar te voorkomen.
**7.** Dit artikel is niet van toepassing op de Geldersche IJssel en op de Maas en het is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip noch tussen kleine schepen onderling.
### Artikel 6.05
**1.** Dit artikel is slechts van toepassing op de Geldersche IJssel vanaf de IJsselkop (kmr. 878,6) tot aan de stadsbrug te Kampen (kmr. 995,5) en op de Maas met aansluitend de Bergsche Maas tot Heusden (kmr. 231). Het is niet van toepassing op het naderen op tegengestelde koersen van een snel schip en een ander schip.
**1.** Dit artikel is slechts van toepassing op de Geldersche IJssel en op de Maas. In dit artikel wordt met een opvarend schip bedoeld een schip dat in de richting van de bronnen van de rivier vaart en wordt met een afvarend schip bedoeld een schip dat in de tegenovergestelde richting vaart.
**2.** Indien een opvarend groot schip en een afvarend schip elkaar naderen op tegengestelde koersen, moet het opvarende grote schip voor het afvarende schip een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
**2.** Indien een opvarend schip en een afvarend schip elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het opvarende schip voor het afvarende schip een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
**3.** Het opvarende grote schip dat daartoe aan bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.
**3.** Het opvarende schip dat daartoe aan bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.
**4.**
Het opvarende grote schip dat daartoe aan stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan stuurboord tot het voorbijvaren heeft plaats gehad, tonen:
Het opvarende schip dat daartoe aan stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan stuurboord tonen:
a. s nachts: een wit helder rondom schijnend flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
b. overdag: een lichtblauw bord, in combinatie met een wit helder rondom schijnend flikkerlicht.
- des nachts: een wit helder rondom schijnend flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
- des daags: een lichtblauw bord, in combinatie met een wit helder rondom schijnend flikkerlicht,
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een breedte van tenminste 5 cm; het raam- en stangenwerk en het lantaarnhuis van het flikkerlicht moeten donker van kleur zijn. Het bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
totdat het voorbijvaren heeft plaats gehad.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm; het raam- en stangenwerk, alsmede het lantaarnhuis van het flikkerlicht, moeten donker van kleur zijn. Het bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
Het opvarende schip mag deze tekens niet meer tonen, nadat het voorbijvaren heeft plaats gehad, tenzij om eveneens aan een volgend afvarend schip aan te duiden dat het voor dit aan stuurboord de weg vrijlaat.
**5.**
Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het opvarende grote schip niet door het afvarende schip is begrepen, moet het opvarende grote schip geven:
Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het opvarende schip niet door het afvarende schip is begrepen, moet het opvarende schip geven:
a. één korte stoot, indien het voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden; of
b. twee korte stoten, indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te geschieden.
- één korte stoot, indien het voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden;
- twee korte stoten, indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te geschieden.
**6.** Een afvarend groot schip moet voorbijvaren aan de zijde die het opvarende grote schip vrijlaat. Het afvarende grote schip moet daartoe de tekens en het geluidssein die het opvarende grote schip toont of geeft herhalen.
**6.** Het afvarende schip moet voorbijvaren aan de zijde van het opvarende schip aan welke de weg wordt vrijgelaten. Het afvarende schip moet daartoe de tekens en het geluidssein die het opvarende schip toont of geeft herhalen.
**7.** Een afvarend klein schip moet voorrang verlenen aan het opvarende grote schip, bij voorkeur door voorbij te varen aan de zijde die het opvarende grote schip vrijlaat.
**8.** Een opvarend klein schip moet voorrang verlenen aan een afvarend groot schip.
**9.** Indien twee kleine schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
**10.** Indien twee kleine zeilschepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt.
**11.** Indien twee kleine motorschepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
**12.** Indien een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.
**13.** Indien twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
**7.** Dit artikel is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip noch tussen kleine schepen onderling.
### Artikel 6.06
@ -1388,68 +1330,104 @@ b. twee korte stoten, indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te
### Artikel 6.07
**1.** In dit artikel wordt onder een engte verstaan een vak van of een plaats in de vaarweg waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen of twee samenstellen onderling. Een door het teken A.4 of A.4.1 (bijlage 7) aangeduid vak van of plaats in de vaarweg en de doorvaartopening van een brug in geopende stand en een sluis of een stuw die aan beide zijden open staat en waarvoor twee groene vaste lichten boven elkaar worden getoond overeenkomstig het teken E.1 (bijlage 7), zijn een engte.
**1.** In dit artikel wordt onder een engte verstaan een vak van of een plaats in de vaarweg, waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen.
**2.** Het vijfde, zesde, zevende en achtste lid van dit artikel gelden niet voor engten waar de doorvaart door middel van tekens wordt geregeld.
**2.**
**3.** Een schip moet een engte zonder onnodig oponthoud doorvaren, met dien verstande dat voorbijlopen verboden is.
Met betrekking tot het doorvaren van een engte gelden de onderstaande regels:
**4.** Indien het uitzicht niet vrij is, moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, één lange stoot geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren herhalen.
a. een schip moet een engte zonder onnodig oponthoud doorvaren;
b. indien het uitzicht niet vrij is moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, één lange stoot geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren herhalen;
c. op een vaarweg waar stroom loopt moet een vóór stroom varend schip de weg vervolgen en moet een tegen stroom varend schip de weg vrijlaten;
d. op een vaarweg waar geen stroom loopt moet een schip dat aan stuurboord geen hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de buitenzijde daarvan aan stuurboord heeft de weg vervolgen en moet een ander schip de weg vrijlaten. Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.
**5.** Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar stroom loopt een tegen stroom varend schip voorrang verlenen aan een voor stroom varend schip.
**3.**
**6.** Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen stroom loopt een klein schip voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot schip.
In afwijking van het tweede lid, onder *d*, moet op een vaarweg waar geen stroom loopt:
**7.**
a. indien een klein zeilschip dat het niet bezeild heeft en een klein motorschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar op tegengestelde koersen naderen, het zeilschip de weg vrijlaten en moet het andere schip de weg vervolgen;
b. indien een klein zeilschip dat het bezeild heeft en een klein motorschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar op tegengestelde koersen naderen, het zeilschip de weg vervolgen en moet het andere schip de weg vrijlaten;
c. indien twee zeilschepen elkaar op tegengestelde koersen naderen, het schip dat vóór de wind zeilt of, indien beide schepen het bezeild hebben, het schip dat over bakboordsboeg ligt de weg vervolgen en moet het andere schip de weg vrijlaten. Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip.
Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen stroom loopt:
a. een groot motorschip dat aan stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot schip;
b. een groot motorschip voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot zeilschip dat de engte bezeild heeft;
c. een groot zeilschip dat de engte niet bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot schip;
d. een groot zeilschip dat over stuurboordsboeg zeilt en de engte bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot zeilschip dat over bakboordsboeg zeilt en dat de engte eveneens bezeild heeft.
**8.**
Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen stroom loopt:
a. een klein motorschip dat aan stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend ander klein motorschip;
b. een klein door spierkracht voortbewogen schip dat aan stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend ander klein door spierkracht voortbewogen schip;
c. een klein motorschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend klein zeilschip dat de engte heeft bezeild;
d. een klein motorschip voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend klein door spierkracht voortbewogen schip;
e. een klein zeilschip dat de engte niet bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend klein schip;
f. een klein zeilschip dat over stuurboordsboeg zeilt en de engte bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend klein zeilschip dat over bakboordsboeg zeilt en dat de engte eveneens bezeild heeft.
**4.** Het tweede lid, onder *c* en *d*, en het derde lid gelden niet voor engten, waar de doorvaart door middel van tekens wordt geregeld.
### Artikel 6.08
Indien de bevoegde autoriteit in een bepaald vak of op een bepaalde plaats, teneinde naderen op tegengestelde koersen te voorkomen, de scheepvaart afwisselend slechts in één richting toelaat, wordt:
**1.** Met betrekking tot door het teken A.4 (bijlage 7) aangeduide vakken van of plaatsen in de vaarweg is artikel 6.07 van toepassing.
a. het verbod de vaart te vervolgen aangeduid door een teken A.1 (bijlage 7);
b. de toestemming de vaart te vervolgen aangeduid door een teken E.1 (bijlage 7).
**2.**
Indien de bevoegde autoriteit in een bepaald vak of op een bepaalde plaats, teneinde naderen op tegengestelde koersen te voorkomen, de scheepvaart afwisselend slechts in één richting toelaat, wordt
- het verbod de vaart te vervolgen aangeduid door een teken A.1 (bijlage 7);
- de toestemming de vaart te vervolgen aangeduid door een teken E.1 (bijlage 7).
##### Paragraaf IID. Voorbijlopen
### Artikel 6.09
**1.** Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.
**2.** Een groot schip dat wordt opgelopen door een groot schip en elk klein schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voorzover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.
**2.**
Het schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voorzover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.
Deze bepaling geldt niet voor een schip, niet zijnde een klein schip, dat wordt opgelopen door een klein schip.
### Artikel 6.10
**1.** In beginsel moet de oploper aan bakboord van de opgelopene voorbijlopen. Indien daartoe ruimte is, mag echter de oploper aan stuurboord van de opgelopene voorbijlopen.
**2.** Indien een groot zeilschip een ander groot zeilschip oploopt en indien een klein zeilschip een ander zeilschip oploopt, moet het, zo mogelijk, aan loef voorbijlopen.
**2.**
**3.** Een groot schip dat door een groot zeilschip wordt opgelopen en een klein schip dat door een zeilschip wordt opgelopen moet, zo mogelijk, ertoe medewerken, dat dit aan loef kan voorbijlopen.
Indien een zeilschip een ander zeilschip oploopt, moet het, zo mogelijk, aan loef voorbijlopen. Deze bepaling geldt niet voor een zeilschip, niet zijnde een klein schip, dat een klein zeilschip oploopt.
Een schip dat door een zeilschip wordt opgelopen moet, zo mogelijk, ertoe medewerken, dat dit aan loef kan voorbijlopen. Deze bepaling geldt niet voor een schip, niet zijnde een klein schip, dat wordt opgelopen door een klein zeilschip.
**3.** Indien voorbijlopen mogelijk is zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt behoeft de oploper geen geluidssein te geven, maar mag hij dit geven.
**4.**
Indien echter het voorbijlopen niet kan geschieden zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt dan wel indien is te vrezen, dat de opgelopene de bedoeling van de oploper om voorbij te lopen niet heeft begrepen, en deswege gevaar voor aanvaring bestaat, moet de oploper geven:
a. twee lange stoten gevolgd door twee korte stoten, zo hij aan bakboord van de opgelopene wil voorbijlopen;
b. twee lange stoten gevolgd door één korte stoot, zo hij aan stuurboord van de opgelopene wil voorbijlopen.
**5.**
De opgelopene die gevolg kan geven aan het verlangen van de oploper moet aan de door deze gewenste zijde voldoende ruimte laten door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.
Hij mag daartoe geven:
- één korte stoot, zo hij naar stuurboord uitwijkt;
- twee korte stoten, zo hij naar bakboord uitwijkt.
**6.**
Indien het voorbijlopen niet aan de door de oploper gewenste zijde maar wel aan de andere zijde kan geschieden, moet de opgelopene geven:
a. één korte stoot, zo het voorbijlopen aan zijn bakboordszijde mogelijk is;
b. twee korte stoten, zo het voorbijlopen aan zijn stuurboordszijde mogelijk is.
De oploper die onder deze omstandigheden nog wil voorbijlopen moet geven:
- twee korte stoten, in het geval onder *a*;
- één korte stoot, in het geval onder b.
De opgelopene moet dan voldoende ruimte laten aan de zijde waar het voorbijlopen moet geschieden door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.
**7.** Indien het voorbijlopen zonder gevaar niet mogelijk is, moet de opgelopene vijf korte stoten geven.
**8.** Het derde tot en met het zevende lid zijn niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip, noch tussen kleine schepen onderling.
### Artikel 6.11
Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen:
Onverminderd artikel 6.08, eerste lid, mag een schip een ander schip niet voorbijlopen:
a. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.2 (bijlage 7);
b. in het geval van samenstellen onderling, in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.3 (bijlage 7);
c. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.4 of A. 4.1 (bijlage 7).
b. in het geval van samenstellen onderling, in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.3 (bijlage 7).
Het in de aanhef en onder b en c bedoelde verbod geldt niet, ingeval een der samenstellen een duwstel is, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.
Het verbod onder *b* geldt evenwel niet, ingeval één der samenstellen een duwstel is, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.
#### Afdeling III. Andere vaarregels
@ -1459,31 +1437,29 @@ In een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door één der tekens B
### Artikel 6.13
**1.** Een schip mag slechts keren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
**1.** Een schip mag slechts keren, nadat het zich er van heeft vergewist, dat, het tweede en derde lid in aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
**2.** Een groot schip mag bij het keren medewerking verlangen van een ander schip.
**2.**
**3.** Een klein schip moet bij het keren voorrang verlenen aan een groot schip.
Indien daardoor een ander schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip dat wil keren dit tijdig tevoren aankondigen door het geven van:
**4.** Een klein schip mag bij het keren medewerking verlangen van een ander klein schip.
- één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het over stuurboord wil keren,
- één lange stoot gevolgd door twee korte stoten, zo het over bakboord wil keren.
**5.** Dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een veerpont.
**3.** Het andere schip moet voorzover nodig en mogelijk zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren zonder gevaar te kunnen doen geschieden.
**6.** In een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.8 (bijlage 7), mag een schip niet keren.
**4.** Het eerste lid geldt niet voor een klein schip, dat wil keren, ten opzichte van een schip, niet zijnde een klein schip. Het tweede lid is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip. Het derde lid geldt niet voor een schip, niet zijnde een klein schip, ten opzichte van een klein schip. Tussen kleine schepen onderling zijn van de voorgaande leden alleen het eerste en het derde lid van toepassing.
**7.** Aanduiding van een vak van of een plaats in de vaarweg door het teken E.8 (bijlage 7) vormt een inlichting, dat schepen aldaar kunnen keren.
**5.** In een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.8 (bijlage 7), mag een schip niet keren.
**6.** Aanduiding van een vak van of een plaats in de vaarweg door het teken E.8 (bijlage 7) vormt een inlichting, dat schepen aldaar kunnen keren.
### Artikel 6.14
**1.** Een schip mag slechts vertrekken, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
Artikel 6.13, eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn eveneens van toepassing op een schip met uitzondering van een veerpont, dat zijn ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren. In plaats van de bij het tweede lid van dat artikel vermelde seinen evenwel moet dit schip geven:
**2.** Een groot schip mag bij het vertrekken medewerking verlangen van een ander schip.
**3.** Een klein schip moet bij het vertrekken voorrang verlenen aan een groot schip.
**4.** Een klein schip mag bij het vertrekken medewerking verlangen van een ander klein schip.
**5.** Dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een veerpont.
- één korte stoot, zo het stuurboord uitgaat,
- twee korte stoten, zo het bakboord uitgaat.
### Artikel 6.15
@ -1491,115 +1467,81 @@ Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep bege
### Artikel 6.16
**1.** Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarwater uitvaren en daarbij een hoofdvaarwater invaren of oversteken dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
**1.**
**2.** Een groot schip mag bij het uitvaren van een haven of een nevenvaarwater en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een haven of een nevenvaarwater medewerking verlangen van een ander schip.
Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarwater uitvaren en een hoofdvaarwater invaren of oversteken, danwel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
**3.** Een klein schip moet bij het uitvaren van een haven of een nevenvaarwater en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een haven of een nevenvaarwater voorrang verlenen aan een groot schip.
Op een vaarweg waar stroom loopt moet een vóór stroom varend schip dat is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaarwater in te varen voorrang verlenen aan een tegen stroom varend schip dat eveneens deze haven of dit nevenvaarwater wil invaren.
**4.** Een klein schip mag bij het uitvaren van een haven of een nevenvaarwater en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een haven of een nevenvaarwater medewerking verlangen van een klein schip.
Bij de samenkomst of de kruising van vaarwateren kan een hoofd- of een nevenvaarwater worden aangeduid door een teken E.9 of een teken E.10 (bijlage 7).
**5.** In afwijking van het tweede, derde en vierde lid moet een schip dat een lateraal gemarkeerd hoofdvaarwater binnenvaart, anders dan vanuit een daarop uitmondend lateraal gemarkeerd nevenvaarwater, voorrang verlenen aan een schip dat in dat hoofdvaarwater langs de laterale markering de stuurboordszijde volgt.
**2.**
**6.** Een groot schip dat tegen stroom varend een haven of nevenvaarwater wil invaren moet voorrang verlenen aan een groot schip dat voor stroom varend zonder op te draaien diezelfde haven of datzelfde nevenvaarwater in wil varen.
Indien door één der in het eerste lid bedoelde manoeuvres een ander schip zou of kan worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip zijn manoeuvre tijdig tevoren aankondigen door het geven van:
**7.** Een klein schip dat tegen stroom varend een haven of nevenvaarwater wil invaren moet voorrang verlenen aan een schip dat voor stroom varend zonder op te draaien diezelfde haven of datzelfde nevenvaarwater in wil varen.
- drie lange stoten gevolgd door één korte stoot, zo het na het uitvaren dan wel vóór het invaren stuurboord uit zal gaan;
- drie lange stoten gevolgd door twee korte stoten, zo het na het uitvaren dan wel vóór het invaren bakboord uit zal gaan;
- drie lange stoten, zo het na het uitvaren het hoofdvaarwater zal oversteken. Vóór het einde van het oversteken moet het schip zo nodig geven:
- één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het stuurboord uit wil gaan,
- één lange stoot gevolgd door twee korte stoten, zo het bakboord uit wil gaan.
**8.** In afwijking van het eerste tot en met zevende lid moet, ingeval langs een haven of een nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater een teken B.9 (bijlage 7) wordt getoond, een schip dat uit deze haven of dit nevenvaarwater komt voorrang verlenen aan een schip op het hoofdvaarwater.
**3.** Het andere schip moet zo nodig zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het uitvaren van de haven of het nevenvaarwater of het oversteken van het hoofdvaarwater dan wel het invaren van de haven of het nevenvaarwater zonder gevaar te kunnen doen geschieden.
**9.** a. Een schip op een hoofdvaarwater mag een haven of een nevenvaarwater niet invaren, indien langs dit hoofdvaarwater voor de uitmonding van die haven of dat nevenvaarwater een of twee rode lichten overeenkomstig het teken A.1 (bijlage 7) in combinatie met een bijkomend teken F.2 onder b (bijlage 7) worden getoond.
b. Een schip mag een haven of een nevenvaarwater niet uitvaren, indien langs deze haven of dit nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater de onder a genoemde tekens worden getoond.
**4.** Indien langs een hoofdvaarwater vóór de uitmonding van een haven of van een nevenvaarwater het teken B.10 (bijlage 7) wordt getoond, moet het andere schip aldaar zo nodig zijn koers of zijn snelheid wijzigen.
**10.** a. Een schip op een hoofdvaarwater mag een haven of een nevenvaarwater invaren, indien langs dit hoofdvaarwater voor de uitmonding van die haven of dat nevenvaarwater een of twee groene lichten overeenkomstig het teken E.1 (bijlage 7) in combinatie met een bijkomend teken F.2 onder b (bijlage 7) worden getoond.
b. Een schip mag een haven of een nevenvaarwater uitvaren, indien langs deze haven of dit nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater de onder a genoemde tekens worden getoond.
**5.** Het eerste lid geldt niet voor een klein schip ten opzichte van een schip, niet zijnde een klein schip. Het tweede lid is niet van toepassing tussen een klein schip en een ander schip. Het derde lid geldt niet voor een schip, niet zijnde een klein schip, ten opzichte van een klein schip. Tussen kleine schepen onderling zijn van de voorgaande leden alleen het eerste, het derde en het vierde lid van toepassing.
**11.** Dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een veerpont.
**6.** In afwijking van de voorgaande leden mag, ingeval langs een haven of een nevenvaarwater vóór de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater een teken B.9 (bijlage 7) wordt getoond, een schip niet deze haven of dit nevenvaarwater uitvaren of het hoofdvaarwater oversteken, indien daardoor een schip op het hoofdvaarwater zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen.
**7.**
Een schip op een hoofdvaarwater mag een haven of een nevenvaarwater niet invaren, indien langs dit hoofdvaarwater vóór de uitmonding van die haven of dat nevenvaarwater één of twee rode lichten (teken A.1) in combinatie met een bijkomend teken F.2 onder *b* (bijlage 7) worden getoond.
Een schip mag een haven of een nevenvaarwater niet uitvaren, indien langs deze haven of dit nevenvaarwater vóór de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater evenvermeld teken wordt getoond.
**8.**
Een schip op een hoofdvaarwater mag, ook indien daardoor een ander schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, een haven of een nevenvaarwater invaren, indien langs dit hoofdvaarwater vóór de uitmonding van die haven of dat nevenvaarwater één of twee groene lichten (teken E.1) in combinatie met een bijkomend teken F.2 onder *b* (bijlage 7) worden getoond. Een schip mag een haven of een nevenvaarwater uitvaren, indien langs deze haven of dit nevenvaarwater vóór de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater evenvermeld teken wordt getoond.
Het schip moet in het laatste geval zo nodig eveneens de geluidsseinen, bedoeld in het tweede lid, geven.
### Artikel 6.17
**1.**
**1.** Een schip mag slechts met een ander schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.
Dit artikel is niet van toepassing op:
**2.** Behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op tegengestelde koersen, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, dat de tekens voorgeschreven bij artikel 3.14, tweede en derde lid, voert.
a. kruisende koersen die ontstaan ingeval van keren, vertrekken of bij een samenkomst van een hoofdvaarwater en een nevenvaarwater; en
b. kruisende koersen die ontstaan tussen een veerpont en een ander schip.
**3.** Onverminderd artikel 1.20 mag een schip niet langszijde komen van een varend schip of een varend drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper daarvan.
**2.** Indien de koersen van twee schepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
**3.** Indien de koersen van een groot schip en een klein schip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip.
**4.** Indien de koersen van twee grote motorschepen of een groot motorschip en een groot zeilschip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert.
**5.**
Indien de koersen van twee grote zeilschepen:
a. die over verschillende boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt;
b. die over dezelfde boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het loefwaartse schip voorrang verlenen aan het lijwaartse schip;
c. elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het lijwaartse schip dat over stuurboordsboeg zeilt en niet met zekerheid kan bepalen of het loefwaartse schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg zeilt, voorrang verlenen aan het loefwaartse schip.
**6.**
Indien de koersen van twee kleine zeilschepen:
a. die over verschillende boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt;
b. die over dezelfde boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het loefwaartse schip voorrang verlenen aan het lijwaartse schip;
c. elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het lijwaartse schip dat over stuurboordsboeg zeilt en niet met zekerheid kan bepalen of het loefwaartse schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg zeilt, voorrang verlenen aan het loefwaartse schip.
**7.** Indien de koersen van twee kleine motorschepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert.
**8.** Indien de koersen van twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert.
**9.** Indien de koersen van een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.
**4.** Een persoon die waterskiet dan wel die watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip moet voldoende afstand houden van een varend schip of een varend drijvend voorwerp dan wel van een drijvend werktuig in bedrijf.
### Artikel 6.18
**1.** Een schip mag slechts met een ander schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.
**1.** Een schip mag niet een anker, een kabel of een ketting laten slepen.
**2.** Behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op tegengestelde koersen, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, voert.
**3.** Een schip moet een mijnenopruimingsschip dat de tekens voert, bedoeld in artikel 3.35, zo mogelijk niet dichter naderen dan op een afstand van 1000 m.
**4.** Een schip mag niet langszij komen van een varend schip of een varend drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper daarvan. Dit geldt niet voor een schip van ambtenaren belast met toezicht of opsporing.
**5.** Een schip mag niet een anker, een kabel of een ketting laten slepen. Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich verplaatst op een ligplaats of dat een manoeuvre uitvoert, tenzij dit geschiedt op een afstand van minder dan 100 m van een brug, een sluis, een stuw, een veerpont of een drijvend werktuig in bedrijf dan wel in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid, onder b, door het teken A.6 (bijlage 7).
**6.** Een schip mag zich niet met de stroom laten meedrijven, zonder dat het van een middel tot voortbeweging gebruikt maakt.
**2.** Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich verplaatst op een ligplaats of dat een manoeuvre uitvoert, tenzij dit geschiedt op een afstand van minder dan 100 m van een brug, een sluis, een stuw, een veerpont of een drijvend werktuig in bedrijf dan wel in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid onder *b*, door het teken A.6 (bijlage 7).
### Artikel 6.19
**1.**
Een schip dat het in artikel 4.04 bedoelde sein hoort moet alle maatregelen nemen die dienstig zijn om gevaar te vermijden. In het bijzonder moet het:
a. indien het een koers in de richting van het gevaarsgebied voorligt, zich zover mogelijk hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;
b. indien het het gevaarsgebied reeds is gepasseerd, zijn weg met een zo groot mogelijke snelheid vervolgen.
**2.** De schipper van een schip als bedoeld in het eerste lid moet onmiddellijk zorg dragen, dat aan boord alle ramen en andere openingen die in verbinding staan met de buitenlucht worden gesloten, dat een onbeschermd licht en open vuur worden gedoofd, dat niet meer wordt gerookt, dat hulpmotoren die niet noodzakelijkerwijs in bedrijf zijn worden afgezet en dat in zijn algemeenheid het veroorzaken van vonken wordt vermeden. Ingeval het schip ligplaats gaat nemen, moet de schipper zorg dragen, dat de motoren en de hulpmotoren die nog in werking zijn worden afgezet.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een schip, dat in de nabijheid van het gevaarsgebied stilligt en dat het sein hoort. Zo nodig moet de schipper zorg dragen, dat het schip wordt verlaten.
**4.** Bij de toepassing van dit artikel dient rekening te worden gehouden met de stroom en de windrichting.
**5.** Dit artikel is eveneens van toepassing, indien het sein niet door een schip maar vanaf de wal wordt gegeven.
**6.** De schipper die het sein hoort moet, voorzover mogelijk, onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit inlichten.
Een schip mag zich niet met de stroom laten meedrijven zonder dat het van een middel tot voortbeweging gebruik maakt.
### Artikel 6.20
**1.**
Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of een stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een werk zou kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet daartoe tijdig zijn snelheid verminderen, echter niet beneden de snelheid die nodig is voor veilig sturen:
Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of een stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een werk zou kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet tijdig zijn snelheid verminderen, echter niet beneden die, nodig voor het veilig sturen:
a. voor een havenmond;
b. in de nabijheid van een schip dat gemeerd is aan de oever of aan een ontschepingsplaats dan wel dat wordt geladen of gelost;
c. in de nabijheid van een schip dat op een gebruikelijke ligplaats stilligt;
d. in de nabijheid van een veerpont die dienst doet;
d. in de nabijheid van een niet-vrijvarende veerpont;
e. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 (bijlage 7).
**2.** Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting, voerende de tekens bedoeld in artikel 3.29 of artikel 3.38, tijdig zijn snelheid verminderen, zoals bij de tweede volzin van het eerste lid wordt bepaald. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.
**2.** Behoudens artikel 1.04 geldt het eerste lid, tweede volzin, onder *b* en *c*, niet ten opzichte van een klein schip.
**3.** Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip als bedoeld in artikel 3.25 aan de zijde waar de tekens van het eerste lid onder *c* van dit artikel worden gevoerd tijdig zijn snelheid verminderen, zoals bij de tweede volzin van het eerste lid wordt bepaald. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.
**3.** Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting, voerende de tekens bedoeld in artikel 3.29, tijdig zijn snelheid verminderen, zoals bij de tweede volzin van het eerste lid wordt bepaald. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.
**4.** Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip als bedoeld in artikel 3.25 aan de zijde waar de tekens van het eerste lid onder *c* van dit artikel worden gevoerd tijdig zijn snelheid verminderen, zoals bij de tweede volzin van het eerste lid wordt bepaald. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.
### Artikel 6.21
@ -1625,7 +1567,7 @@ Een schip mag slechts een duwbak buiten het verband van een duwstel verplaatsen,
### Artikel 6.21c
**1.** Bij een sleep bestaande uit grote schepen moet een telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.
**1.** Bij een sleep moet er een telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.
**2.** Als telefoonverbinding mag de marifoon slechts worden gebruikt op de kanalen bestemd voor het verkeer aan boord van schepen.
@ -1633,7 +1575,7 @@ Een schip mag slechts een duwbak buiten het verband van een duwstel verplaatsen,
**1.** Een schip moet stilhouden vóór een teken A.1 (bijlage 7) aanduidende dat de scheepvaart is gestremd.
**2.** Een schip mag niet varen op een vaarweg of op een gedeelte daarvan, aangeduid door een teken A.1*a* (bijlage 7). Deze bepaling is niet van toepassing op een klein schip zonder motor.
**2.** Een schip mag niet varen op een vaarweg of op een gedeelte daarvan, aangeduid door een teken A.1*a* (bijlage 7). Deze bepaling is niet van toepassing op een klein schip dat geen motorschip is.
**3.** Een schip mag niet varen langs een schip, zoals bedoeld in artikel 3.25, aan de zijde waar dat des nachts het rode licht en des daags de rode bol of het rode bord voert of langs een schip, zoals bedoeld in artikel 3.34, aan de zijde waar dat des nachts de twee rode lichten en des daags de twee zwarte bollen voert.
@ -1641,11 +1583,9 @@ Een schip mag slechts een duwbak buiten het verband van een duwstel verplaatsen,
### Artikel 6.23
**1.** Een veerpont mag slechts vertrekken, keren of het vaarwater oversteken, nadat hij zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
**1.** Een veerpont mag het vaarwater slechts oversteken, nadat hij zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen. Tussen een klein schip en een veerpont is dit lid niet van toepassing.
**2.** Een veerpont mag bij vertrek, keren of oversteken van het vaarwater medewerking verlangen van een groot schip.
**3.** Een klein schip moet voorrang verlenen aan een vertrekkende, kerende of overstekende veerpont.
**2.** Voorts moet een niet-vrijvarende veerpont, indien hij buiten dienst is, ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats dan wel, zo deze niet is aangewezen, zodanig, dat het vaarwater vrij blijft, en mag hij zich niet langer in het vaarwater bevinden dan voor de uitoefening van de dienst nodig is.
#### Afdeling V. Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen
@ -1683,17 +1623,9 @@ De bevoegde autoriteit kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de schee
De schipper is verplicht aan deze aanwijzing gevolg te geven.
**2.** Een schip mag niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit ligplaats nemen op een wachtplaats van een beweegbare brug anders dan om te wachten op een brugopening.
**2.** Bij het naderen van een beweegbare brug moet een schip snelheid verminderen. Het moet, ingeval het de doorvaartopening niet mag of wil doorvaren, vóór het teken B.5 (bijlage 7) stilhouden.
**3.**
Bij het naderen, op een wachtplaats en bij het doorvaren van een beweegbare brug:
a. moet een schip dat met een marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het kanaal van de brug;
b. moet een schip snelheid verminderen. Het moet, ingeval het de doorvaartopening niet mag of wil doorvaren, voor het teken B.5 (bijlage 7) stilhouden;
c. mag een schip een ander schip niet voorbijlopen tenzij daartoe een verkeersaanwijzing is gegeven door de bevoegde autoriteit;
d. moet een schip voorrang verlenen aan een schip dat recht van voorrang heeft en de rode wimpel voert, bedoeld in artikel 3.17, opdat dit schip zonder oponthoud de brug kan doorvaren;
e. mag een schip zonder toestemming van de bevoegde autoriteit geen brandstof innemen.
**3.** Bij het naderen van een beweegbare brug mag een schip een ander schip niet voorbijlopen tenzij daartoe een verkeersaanwijzing is gegeven door de bevoegde autoriteit.
**4.**
@ -1713,24 +1645,18 @@ het doorvaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;
d. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):
het doorvaren is toegestaan;
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (tekens E 1, G2; bijlage 7):
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (teken E.1; bijlage 7):
het doorvaren is in beide richtingen toegestaan, de brug bevindt zich in geopende stand;
het doorvaren is toegestaan, de brug bevindt zich in geopende stand en zij wordt niet bediend; artikel 6.07 is van toepassing;
f. een rood vast licht en daaronder een groen flikkerlicht (teken A.11.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd, dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is;
g. de in de onderdelen a, b of c genoemde markering samen met een geel licht boven de doorvaartopening:
het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd, dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
doorvaart niet toegestaan, behalve voor schepen van beperkte hoogte; doorvaart in beide richtingen toegestaan (teken D.1a; bijlage 7);
h. de in de onderdelen a, b of c genoemde markering samen met twee gele lichten boven de doorvaartopening:
**5.** Het doorvaren van een beweegbare brug in gesloten stand is evenwel toegestaan, indien, behalve de in het vierde lid onder *a* en *b* bedoelde lichten, boven de doorvaartopening het teken D.1*a* of het teken D.1*b* (bijlage 7) wordt getoond; ingeval van het teken D.1*a* is de doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide richtingen, ingeval van het teken D.1*b* is de doorvaart uit tegenovergestelde richting verboden.
doorvaart niet toegestaan, behalve voor schepen van beperkte hoogte; doorvaart in de andere richting niet toegestaan (teken D.1b; bijlage 7).
**6.** De in het vierde lid onder *a*, *b*, *d* en *e* bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken E.1 (bijlage 7).
**5.** De in het vierde lid onder *a*, *b*, *d* en *e* bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken E.1 (bijlage 7).
**6.** Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
**7.** Door vernummering vervallen.
**7.** Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
**8.** In dit artikel wordt onder een beweegbare brug mede verstaan het beweegbare gedeelte van een brug.
@ -1746,21 +1672,25 @@ doorvaart niet toegestaan, behalve voor schepen van beperkte hoogte; doorvaart i
**1.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis moet een schip snelheid verminderen. Het moet, ingeval het de sluis niet onmiddellijk mag of wil invaren, vóór het teken B.5 (bijlage 7) stilhouden.
**2.** Een schip mag niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit ligplaats nemen op een wachtplaats van een sluis anders dan om te worden geschut.
**1bis.** Een schip mag niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit ligplaats nemen op een wachtplaats van een sluis anders dan om te worden geschut.
**3.** Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip, dat met een marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het kanaal van de sluis.
**2.** Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip, dat met een marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het kanaal van de sluis.
**4.** Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een sluis kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
**2bis.** Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een sluis kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
**5.** De schepen moeten de sluis in volgorde van aankomst op de wachtplaats invaren. Een klein schip dat tezamen met grote schepen wordt geschut mag de sluis echter eerst invaren na deze grote schepen.
**3.**
**6.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis en op een wachtplaats mag een schip een ander schip niet voorbijlopen.
De schepen moeten de sluis in volgorde van aankomst op de wachtplaats invaren.
**7.** In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een wachtplaats, voorzover de ankers niet worden gebruikt.
Een klein schip dat tesamen met andere schepen, die geen klein schip zijn, wordt geschut, mag de sluis echter eerst invaren na deze andere schepen.
**8.** Bij het invaren en uitvaren van een sluis en bij het bevaren van de wachtplaats moet een schip de waterbeweging zoveel beperken als nodig is om beschadiging van de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel van andere schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen te vermijden.
**4.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis en op een wachtplaats mag een schip een ander schip niet voorbijlopen.
**9.**
**5.** In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een wachtplaats, voorzover de ankers niet worden gebruikt.
**6.** Bij het invaren van een sluis moet een schip zoveel snelheid verminderen als nodig is om beschadiging van de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen, dan wel van andere schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, te vermijden.
**7.**
In een sluis
@ -1768,43 +1698,22 @@ a. moeten een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting ligplaats
b. moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet de sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel andere schepen of drijvende voorwerpen kan beschadigen;
c. mag een schip slechts voorwerpen die niet kunnen zinken als wrijfhout gebruiken;
d. mag een schip geen water op het sluisterrein dan wel op andere schepen storten of laten vloeien;
e. mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het aan de beurt is om uit te varen, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;
f. moet een klein schip zo mogelijk ligplaats nemen op enige afstand van een groot schip.
e. mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;
f. moet een klein schip zo mogelijk ligplaats nemen op enige afstand van een ander schip.
**10.** Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis mag een schip zonder toestemming van de bevoegde autoriteit geen brandstof innemen.
**7bis.** Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis mag een schip geen brandstof innemen.
**8.** Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip een zijwaartse afstand van tenminste 10 m in acht nemen ten opzichte van een schip of een samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert. Deze verplichting geldt evenwel niet voor een schip of een samenstel dat eveneens dit teken voert, alsmede voor een schip bedoeld in artikel 3.14, zevende lid.
**9.** Een schip of een samenstel, dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, voert, mag een sluis niet invaren indien het niet afzonderlijk zou worden geschut. Een ander schip mag een sluis niet invaren indien het tesamen met een schip of een samenstel, dat deze tekens voert, zou worden geschut.
**10.** Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, mag een sluis niet invaren indien het tesamen met een passagiersschip zou worden geschut. Een passagiersschip mag een sluis niet invaren indien het tesamen met een schip of een samenstel, dat dit teken voert, zou worden geschut.
**11.**
Schepen moeten in acht nemen:
De bevoegde autoriteit kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan, te verzekeren, wanneer een schip zich in een sluis of op een wachtplaats daarvan bevindt, aan de schipper een verkeersaanwijzing geven. Daarbij kan dit artikel worden aangevuld, dan wel daarvan worden afgeweken.
a. in een sluis een onderlinge zijwaartse afstand van tenminste 10 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
b. op een wachtplaats van een sluis een onderlinge zijwaartse afstand van tenminste:
i. 10 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
ii. 50 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, voert;
iii. 100 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert.
**12.**
De verplichtingen, bedoeld in het elfde lid, met uitzondering van onderdeel b, subonderdeel iii, gelden niet:
a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, ten opzichte van een ander schip dat eveneens een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
b. voor een schip als bedoeld in artikel 3.14, zevende lid, ten opzichte van een ander schip dat eveneens een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
c. voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën schepen op daarvoor door de bevoegde autoriteit aangewezen wachtplaatsen of in sluizen, onverminderd artikel 6, aanhef en onderdeel i, van het Binnenvaartbesluit.
**13.** Een schip of samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een passagiersschip met aan boord passagiers. Een passagiersschip met aan boord passagiers mag de sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een schip of samenstel dat een hiervoor bedoeld teken voert.
**14.** Een schip of samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, voert, mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een ander schip. Een ander schip mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een schip of samenstel dat dit teken voert.
**15.** De verplichtingen, bedoeld in het veertiende lid, gelden niet voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën schepen op daarvoor door de bevoegde autoriteit aangewezen wachtplaatsen of in sluizen. Op die schepen zijn in dat geval het dertiende lid van dit artikel en artikel 6, aanhef en onderdeel i, van het Binnenvaartbesluit van overeenkomstige toepassing.
**16.** Een schip of samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert, mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een ander schip. Een ander schip mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een schip of samenstel dat dit teken voert.
**17.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen geregeld is in het elfde tot en met het zestiende lid.
**18.** Schepen en samenstellen die het kenteken, bedoeld in artikel 2.06, voeren, mogen de sluis niet binnenvaren indien er vloeibaar aardgas (LNG) vrijkomt buiten de LNG-installatie, of indien verwacht kan worden dat er vloeibaar aardgas (LNG) buiten de LNG-installatie zal vrijkomen tijdens het schutten.
**19.** De bevoegde autoriteit kan, wanneer een schip zich in een sluis of op een wachtplaats daarvan bevindt, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart te waarborgen, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, aan de schipper een verkeersaanwijzing geven, zo nodig in afwijking van dit artikel. De schipper is verplicht aan deze verkeersaanwijzing gevolg te geven.
De schipper is verplicht aan deze verkeersaanwijzing gevolg te geven.
### Artikel 6.28a
@ -1828,7 +1737,7 @@ d. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):
het invaren is toegestaan;
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (teken E.1; bijlage 7):
het invaren is toegestaan, de sluis is aan beide zijden open en wordt niet bediend.
het invaren is toegestaan, de sluis is aan beide zijden open en zij wordt niet bediend; artikel 6.07 is van toepassing.
**2.**
@ -1845,107 +1754,161 @@ het uitvaren is toegestaan.
**3.** De in het eerste lid, onder *a*, *b*, *d* en *e*, en in het tweede lid bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken E.1 (bijlage 7).
### Artikel 6.28b
### Artikel 6.29
**1.**
In afwijking van artikel 6.28, vijfde lid, hebben recht op voorschutting:
In afwijking van artikel 6.28, derde lid, hebben recht van voorrang bij schutting:
a. schepen van ambtenaren belast met toezicht of opsporing en brandweerboten die in verband met spoedeisende redenen van dienstvervulling onderweg zijn;
b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dit recht heeft verleend.
a. schepen van toezichthoudende ambtenaren, alsmede brandweerboten, die in verband met spoedeisende redenen van dienstvervulling onderweg zijn;
b. schepen geladen met verse vis, schaal- of schelpdieren;
c. schepen waaraan de bevoegde autoriteit het recht van voorrang heeft verleend.
**2.** Een schip moet voorrang verlenen aan een schip dat recht op voorschutting heeft en de rode wimpel voert, bedoeld in artikel 3.17, opdat dit schip zonder oponthoud de sluis kan invaren.
**2.** Indien een schip dat recht van voorrang heeft en de rode wimpel voert, bedoeld in artikel 3.17, een wachtplaats van een sluis nadert of aldaar ligplaats heeft, moet een ander schip de nodige medewerking verlenen, opdat dit schip zonder oponthoud de sluis kan invaren.
#### Afdeling VI. Slecht zicht
### Artikel 6.29
**1.** Deze afdeling is alleen van toepassing bij slecht zicht.
**2.** Een schip vaart op radar, indien het gebruik maakt van radar voor het varen bij slecht zicht.
**3.** Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet een schip bij slecht zicht op radar varen. Op deze vaarwegen moet een schip dat niet op radar kan varen op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen.
**4.** Het derde lid is niet van toepassing op een schip dat bestemd is om bedrijfsmatig diensten te verrichten ten behoeve van een zeegaand schip en waarop in samenhang met die te verrichten diensten de plaatsing van een radar technisch gezien niet mogelijk is. De bevoegde autoriteit kan hieromtrent beleidsregels vaststellen.
### Artikel 6.29a
Vervallen
De bepalingen van Afdeling VI van dit hoofdstuk zijn alleen van toepassing bij slecht zicht.
### Artikel 6.30
**1.** Een varend schip moet een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.
**1.**
**2.** Een varend schip moet zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen. De artikelen 6.04a en 6.05 zijn niet van toepassing.
Een varend schip moet een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.
**3.** Een schip moet op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden voortgezet.
Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich òf binnen gezichts- of gehoorafstand van de schipper bevindt òf een spreekverbinding met hem heeft.
**4.** Een schip moet bij het gaan stilliggen het vaarwater zo veel mogelijk vrijmaken.
Bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip de uitkijk te hebben.
Een klein schip behoeft geen uitkijk te hebben.
Voor een niet-vrijvarende veerpont kan de bevoegde autoriteit van de verplichting tot het hebben van een uitkijk ontheffing verlenen.
**2.** Een schip moet op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden voortgezet.
**3.** Teneinde te beoordelen of de vaart al dan niet zonder gevaar kan worden voortgezet en teneinde de aan te houden snelheid te bepalen, mag een schip, dat gebruik maakt van radar, de waarneming met radar in aanmerking nemen. Het moet hierbij rekening houden met de vermindering van het zicht die andere schepen ondervinden.
**4.** Een schip moet bij het gaan stilliggen het vaarwater zoveel mogelijk vrijmaken.
**5.** Een schip dat de vaart voortzet moet zoveel mogelijk de zijde van het vaarwater aan stuurboord houden. De artikelen 6.04*a* en 6.05 zijn niet van toepassing.
**6.**
Een klein schip mag de vaart op de in artikel 10.01 en in de bijlage 9 vermelde vaarwegen slechts voortzetten indien het is uitgerust met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip--schipverkeer en de nautische informatie.
Een klein schip dat de vaart op de in artikel 10.01 en bijlage 9 vermelde vaarwegen voortzet dan wel een klein schip dat de vaart op een andere vaarweg voortzet en dat is uitgerust met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip--schipverkeer en de nautische informatie moet uitluisteren op het daartoe aangewezen kanaal en aan andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart geven.
**7.**
Indien een varend schip des daags een mistlicht toont teneinde andere schepen voor zijn aanwezigheid te waarschuwen, moet dit licht een wit vast licht zijn.
Het tonen van dit licht ontheft het schip niet van de verplichting tot het naleven van de andere bepalingen van deze afdeling.
### Artikel 6.31
**1.**
Een schip dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt moet, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort, per marifoon zijn positie opgeven of als geluidssein één reeks klokslagen geven. Het geluidssein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
Een schip, dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats gestrekt langs de zijde van het vaarwater stilligt, moet het geluidssein van een naderend schip telkens beantwoorden door het geven van:
Deze bepaling is niet van toepassing op een schip dat stil ligt in een haven of op een in het bijzonder daartoe door de bevoegde autoriteit bestemde ligplaats.
één reeks klokslagen.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel is het van toepassing op het schip dat zorgt voor de voortbeweging van het samenstel; bij een gekoppeld samenstel van twee motorschepen op het motorschip aan stuurboord.
Het schip mag dit sein geven zonder dat het geluidssein van een naderend schip wordt gehoord.
**3.**
**2.**
Een zeegaand schip dat stilligt als bedoeld in het eerste lid mag als geluidssein eveneens geven: één korte stoot gevolgd door één lange stoot en één korte stoot.
Een schip, dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt en dat zich niet gestrekt langs de zijde van het vaarwater bevindt, moet geven:
Dit sein mag worden herhaald.
één reeks klokslagen.
**4.** Dit artikel is mede van toepassing op een schip dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats is vastgevaren.
Het schip moet dit sein herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
### Artikel 6.32
**3.** De verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt niet voor een schip dat stilligt in een gedeelte van een haven waar gewoonlijk schepen stilliggen, of dat stilligt op een door de bevoegde autoriteit daartoe in het bijzonder bestemde ligplaats.
**1.**
Een schip mag slechts op radar varen, indien zowel een persoon die houder is van een radarpatent als bedoeld in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of een specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar zoals bedoeld in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of de Binnenvaartregeling en die tevens houder is van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs als een tweede persoon die met het varen op radar voldoende op de hoogte is zich voortdurend in de stuurhut bevindt.
Voor een schip dat is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar en dat voldoet aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften behoeft de tweede persoon slechts aan boord beschikbaar te zijn.
Voor een niet-vrijvarende veerpont kan de bevoegde autoriteit van de verplichting van dit lid ontheffing verlenen.
**2.** Voor een op radar varend schip blijft artikel 1.09, vierde lid, omtrent het hebben naar alle zijden van een voldoende vrij direct of indirect uitzicht buiten toepassing.
**3.**
Een op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een schip waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, aan de andere schepen op het schip--schip kanaal dan wel op het andere aangewezen kanaal opgeven: zijn naam, zijn positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip, een klein schip, een snel schip, of een bovenmaats schip is.
Het moet vervolgens met die schepen het voorbijvaren afspreken. Een klein schip of een snel schip moet daarbij opgeven naar welke zijde het uitwijkt.
**4.** Een op radar varend schip dat per marifoon wordt opgeroepen moet op het schip--schip kanaal dan wel op het andere aangewezen kanaal antwoorden en opgeven: zijn naam, zijn positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip, een klein schip, een snel schip, of een bovenmaats schip is. Het moet vervolgens met de andere schepen het voorbijvaren afspreken. Een klein schip of een snel schip moet daarbij opgeven naar welke zijde het uitwijkt.
**4.** Bij een duwstel mag het geluidssein slechts door de duwboot en bij een gekoppeld samenstel slechts door één schip worden gegeven.
**5.**
Wanneer met de andere schepen geen marifooncontact tot stand komt, moet het op radar varende schip:
Een schip, dat stilligt zoals bedoeld in het eerste en in het tweede lid en dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag bovendien geven:
a. één lange stoot geven, met dien verstande dat een veerpont een lange stoot gevolgd door vier korte stoten moet geven, en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen; en
b. de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden.
één korte stoot gevolgd door één lange stoot en één korte stoot.
**6.** Dit artikel geldt ingeval van een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
Dit sein mag worden herhaald.
**6.** Op een schip, dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats is vastgevaren, zijn de voorgaande leden van toepassing.
### Artikel 6.32
**1.** Een schip "vaart op radar" indien het gebruik maakt van radar voor het varen bij slecht zicht.
**2.**
Een schip mag slechts op radar varen, indien zowel de in artikel 4A.02, eerste lid onder *b*, bedoelde persoon als een tweede persoon, die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden.
Voor een schip waarvan de stuurstelling zodanig is ingericht, dat het voeren van het schip op radar door één persoon kan geschieden, en die voldoet aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften, behoeft de tweede persoon slechts aan boord beschikbaar te zijn.
Voor een duwstel, voor een gekoppeld samenstel en voor een sleep is dit lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
Voor een niet-vrijvarende veerpont kan de bevoegde autoriteit van de verplichting van de eerste alinea ontheffing verlenen.
**3.**
Een op radar varend schip behoeft voorop geen uitkijk te hebben, indien de schipper in staat is de vaart veilig voort te zetten.
Artikel 1.09, derde lid, omtrent het hebben naar alle zijden van een voldoende vrij direct of indirect uitzicht blijft buiten toepassing.
**4.**
Een op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een schip waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden of wanneer het een gedeelte van de vaarweg nadert, waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn:
- één lange stoot geven en deze zo dikwijls als nodig is herhalen;
- per marifoon de inlichtingen verstrekken die voor de veiligheid van de scheepvaart dienstig zijn;
- de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden of keren.
**5.** Een met marifoon uitgerust schip dat deze inlichtingen verneemt en waarvan de positie of het gedrag ten opzichte van het in het vierde lid bedoelde schip tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden moet met dat schip per marifoon verbinding opnemen tot het verstrekken van de nodige inlichtingen.
**6.** Het in het vierde lid bedoelde schip moet ten opzichte van een schip, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden en dat niet met dit schip per marifoon verbinding opneemt, tijdig maatregelen nemen ter vermijding van aanvaring.
**7.** Bij een samenstel mag het geluidssein slechts worden gegeven en mogen de inlichtingen slechts worden verstrekt door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
**8.** Indien het in het vierde lid of in het vijfde lid bedoelde schip een klein schip is, moet het bij de ingevolge deze leden te verstrekken inlichtingen mededelen, dat het een klein schip is en welke koers het bij het uitwijken volgt.
**9.**
Indien het in het vierde of in het vijfde lid bedoelde schip een veerpont is, moet het, in plaats van één lange stoot als voorgeschreven bij het vierde lid, geven:
één lange stoot gevolgd door vier korte stoten,
en moet het bij de ingevolge het vierde en het vijfde lid te verstrekken inlichtingen mededelen, dat het een veerpont is en welke koers het bij het oversteken van het vaarwater volgt.
### Artikel 6.33
**1.**
Voor een schip en een samenstel die niet op radar varen geldt:
Een niet op radar varend schip moet als mistsein geven:
a. Een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt moeten als mistsein één lange stoot geven. Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
b. Het schip moet voorop een uitkijk hebben, die zich of binnen gezichts- of gehoorsafstand van de schipper bevindt of een spreekverbinding met hem heeft. Bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip een uitkijk te hebben. Dit is niet van toepassing op een klein schip of een veerpont.
c. Wanneer het schip via marifoon door een ander schip wordt aangeroepen, moet het per marifoon antwoorden en opgeven: zijn naam, zijn positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip, een klein schip, een snel schip of een bovenmaats schip is. Het moet daarna met het andere schip het voorbijvaren afspreken.
d. Wanneer het schip andere schepen bemerkt waarmee geen marifooncontact tot stand komt moet het:
één lange stoot.
1°. indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt, deze oever aanhouden en, zo nodig, vaart minderen dan wel gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
2°. indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, het vaarwater zo veel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.
Bij een samenstel mag dit sein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
**2.** Een varend klein schip dat op een andere vaarweg dan de op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen vaart en dat is uitgerust met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip--schipverkeer en de nautische informatie moet uitluisteren op het daartoe aangewezen kanaal en aan andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart geven.
Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
**3.** Een niet op radar varend klein schip is niet verplicht het in het eerste lid bedoelde mistsein te geven, doch het mag dit sein geven. Het sein mag worden herhaald.
**2.**
Een niet op radar varend klein schip is niet verplicht het in het eerste lid bedoelde mistsein te geven, doch het mag dit sein geven.
Het sein mag worden herhaald.
**3.**
Een niet op radar varende veerpont moet als mistsein geven:
één lange stoot gevolgd door vier korte stoten.
Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
**4.** Een niet op radar varend schip hetwelk hoort dat het voorlijker dan dwars een ander schip nadert, moet zijn snelheid verminderen tot een minimum waarbij het op koers kan worden gehouden en het moet uiterst voorzichtig manoeuvreren dan wel zo nodig stilhouden.
### Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen
@ -1959,8 +1922,6 @@ d. Wanneer het schip andere schepen bemerkt waarmee geen marifooncontact tot sta
**4.** Een stilliggend schip mag zonder toestemming van de bevoegde autoriteit niet onnodig waterbeweging veroorzaken, indien daardoor gevaar of schade voor een ander schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting, dan wel schade aan oevers, waterkeringen of werken gelegen in scheepvaartwegen kan ontstaan.
**5.** Een niet-vrijvarende veerpont moet, indien hij buiten dienst is, ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats dan wel, zo deze niet is aangewezen, zodanig, dat het vaarwater vrij blijft, en mag zich niet langer in het vaarwater bevinden dan voor de uitoefening van de dienst nodig is.
### Artikel 7.02
**1.**
@ -1987,14 +1948,12 @@ k. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.5.1
**1.**
Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet ankeren en geen gebruik maken van spudpalen:
Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet ankeren:
a) op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling ankeren is verboden;
b) in een vak aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken ankeren is verboden;
b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren en het gebruik van spudpalen ingevolge het eerste lid, onder a, verboden zijn, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
**3.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren en het gebruik van spudpalen ingevolge het eerste lid, onder a, verboden zijn, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel spudpalen gebruiken, in een vak aangeduid door het teken E.6.1 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg, waar ankeren is verboden, mag een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak of op een plaats, aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
### Artikel 7.04
@ -2017,11 +1976,9 @@ b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.7 (
**3.** Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.2 (bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen tussen de beide afstanden te rekenen vanaf het teken die daarop in meters zijn aangegeven.
**4.** Op een bijzondere ligplaats aangeduid door de tekens E.5.4 tot en met E.5.15 (bijlage 7) kan de bevoegde autoriteit onderscheid maken tussen categorieën van schepen naar gelang de wijze waarop deze de lading vervoeren.
**4.** Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3 (bijlage 7), mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen, indien daarmede het aantal schepen en drijvende voorwerpen langszijde van elkaar aldaar niet meer bedraagt dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
**5.** Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3 (bijlage 7), mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen, indien daarmede het aantal schepen en drijvende voorwerpen langszijde van elkaar aldaar niet meer bedraagt dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
**6.** De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
**5.** De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
### Artikel 7.06
@ -2031,14 +1988,6 @@ b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.7 (
**3.** De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
### Artikel 7.06a
**1.** Op ligplaatsen waar het teken B.12 (bijlage 7) is geplaatst en een walstroomaansluiting beschikbaar en bedrijfsklaar is, worden schepen aan een walstroomaansluiting aangesloten en wordt de volledige behoefte aan elektrische energie tijdens het stilliggen daaruit gedekt.
**2.** Uitzonderingen op het eerste lid kunnen worden aangegeven op een toegevoegd rechthoekig wit bord, dat onder het teken B.12 is aangebracht.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die tijdens het stilliggen uitsluitend van een energievoorziening gebruikmaken, die geen geluid alsmede geen schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes veroorzaakt.
### Artikel 7.07
**1.**
@ -2054,21 +2003,15 @@ c. binnen 100 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tek
Het verbod bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geldt niet:
a. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
b. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
b. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 282 of Bijlage B2 Rn 210 282, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
**3.** Het verbod in het eerste lid geldt niet voor patrouillevaartuigen als bedoeld in artikel 8, derde lid, van bijlage 3.9 bij de Binnenvaartregeling.
**3.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen kleinere afstanden toestaan dan die welke in het eerste lid zijn vermeld.
**4.** Onverminderd artikel 6, aanhef en onderdeel i, van het Binnenvaartbesluit, gelden de verboden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, niet voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën schepen op daarvoor door de bevoegde autoriteit aangewezen ligplaatsen.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over hetgeen geregeld is in het vierde lid.
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor de bij het ligplaats nemen in acht te nemen afstanden door een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat verplicht is een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren, ten opzichte van andere schepen, duwstellen en samenstellen.
**7.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen op andere ligplaatsen dan bedoeld in het vierde en zesde lid in andere gevallen kleinere afstanden toestaan dan die welke in het eerste lid zijn vermeld.
**4.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor de afstanden binnen welke een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, dat verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14 te voeren, geen ligplaats mag nemen van een ander schip.
### Artikel 7.08
**1.** Een stilliggend schip dat is geladen met de stoffen, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren moet zijn gesteld onder een zich voortdurend aan boord bevindende terzake kundige wachtsman. Deze verplichting geldt niet voor een in een haven stilliggend schip waaraan de bevoegde autoriteit daarvan vrijstelling of ontheffing heeft verleend.
**1.** Een stilliggend schip, dat is geladen met stoffen, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, moet zijn gesteld onder een zich voortdurend aan boord bevindende terzake kundige wachtsman.
**2.**
@ -2076,18 +2019,6 @@ Een ander stilliggend schip moet, voor zover het geen schipper heeft, zijn geste
Deze bepaling is eveneens van toepassing op een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting wanneer zij stilliggen.
**3.**
Een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06, voert, is onder een zich voortdurend aan boord bevindende terzake kundige wachtsman gesteld, tenzij:
a. vloeibaar aardgas (LNG) aan boord van het schip niet als brandstof wordt verbruikt;
b. de operationele gegevens van de LNG-installatie van het schip op afstand worden uitgelezen; en
c. het schip onder toezicht is gesteld van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen.
**4.** De ter zake kundige bewaking wordt bij schepen bedoeld in het derde lid verzekerd door een bemanningslid dat houder is van een kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 15.02 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
**5.** De bevoegde autoriteit kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het derde lid. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften verbonden worden.
### Artikel 7.09
Een aan een aanlegplaats gemeerd schip moet gedogen, dat een ander schip langszijde komt of langszijde daarvan vastmaakt en daarover gemeenschap met de wal heeft anders dan om te laden of te lossen.
@ -2104,15 +2035,15 @@ Een aan een aanlegplaats gemeerd schip, dat aldaar niet behoeft te worden gelade
### Artikel 8.01
**1.** Een snelle motorboot moet ten name van de eigenaar zijn geregistreerd bij een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen instelling. Deze instelling kent aan hem een registratieteken toe en geeft een bijbehorend registratiebewijs af volgens een door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld model.
**1.** Een snelle motorboot moet ten name van de eigenaar zijn geregistreerd bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen instelling. Deze instelling kent aan hem een registratieteken toe en geeft een bijbehorend registratiebewijs af volgens een door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld model.
**2.** Het registratiebewijs bedoeld in het eerste lid moet tijdens het varen met een snelle motorboot aan boord aanwezig zijn.
**2.** Het registratiebewijs bedoeld in het eerste lid moet tijdens het gebruik van een snelle motorboot aan boord aanwezig zijn.
**3.** De Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere regels stellen met betrekking tot de registratie.
### Artikel 8.02
**1.** Een snelle motorboot mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien hij niet is voorzien van het, door de in artikel 8.01, eerste lid, bedoelde instelling toegekende registratieteken. Dit teken bestaat uit een of meer letters en een nummer, met een hoogte van ten minste 150 mm, een breedte van ten minste 100 mm en een stamdikte van ten minste 20 mm. Het moet goed waarneembaar zijn en in een van de ondergrond afwijkende kleur zijn aangebracht aan weerszijden van de boot.
**1.** Een snelle motorboot mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien hij niet is voorzien van het, door de in artikel 8.01, eerste lid, bedoelde instelling toegekende registratieteken. Dit teken bestaat uit een of meer letters en een nummer, met een hoogte van ten minste 150 mm, een breedte van ten minste 100 mm en een stamdikte van ten minste 20 mm. Het moet goed waarneembaar zijn, in een van de ondergrond afwijkende kleur zijn aangebracht aan weerszijden van de boot op de huid midscheeps of aan de boeg.
**2.** Een snelle motorboot, welke tengevolge van de constructie niet kan voldoen aan het in het eerste lid bepaalde omtrent de grootte van de registratieletters en nummers, moet zijn voorzien van een of meer letters en een nummer van ten minste respectievelijk 100 mm, 60 mm en 15 mm.
@ -2123,22 +2054,18 @@ Een snelle motorboot mag slechts deelnemen aan de scheepvaart indien:
a. de inrichting van het schip en van de motor zodanig is, dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
b. de afgewerkte gassen door een behoorlijk geluiddempende voorziening worden afgevoerd;
c. de stuurinrichting deugdelijk en doelmatig is;
d. het schip is voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen; deze eis geldt niet voor een gesloten binnenbesturing;
e. een reddingsvest onder handbereik voor ieder der opvarenden aan boord is;
d. het schip is voorzien van een technische inrichting, waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen;
e. een reddingsvest of een drijfkussen voor ieder der opvarenden aan boord is;
f. een deugdelijk brandblusapparaat aan boord is.
### Artikel 8.04
De eigenaar of houder van een snelle motorboot draagt er mede zorg voor dat niet in strijd met de artikelen 8.01, 8.02 en 8.03 wordt gehandeld.
### Artikel 8.05
**1.**
De bestuurder van een snelle motorboot moet tijdens het varen:
a. zijn gezeten op de voor hem bestemde zitplaats;
b. te allen tijde gebruik maken van de technische inrichting, bedoeld in artikel 8.03 onderdeel d;
b. te allen tijde gebruik maken van de technische inrichting, bedoeld in artikel 8.03 onderdeel *d*;
c. zich zodanig gedragen, dat geen hinder of gevaar voor andere gebruikers van het vaarwater wordt veroorzaakt.
**2.** De bestuurder draagt er zorg voor dat de motor van een snelle motorboot geen onnodige geluidhinder veroorzaakt.
@ -2147,63 +2074,19 @@ c. zich zodanig gedragen, dat geen hinder of gevaar voor andere gebruikers van h
**4.** De verplichting, genoemd in het eerste lid, onder *a*, is niet van toepassing indien de constructie van een snelle motorboot zodanig is dat de bestuurder het schip ook veilig staande dan wel slechts staande kan besturen.
**5.** De bestuurder die staande een snelle motorboot bestuurt is verplicht een reddingsvest te dragen. Dit geldt niet voor het sturen vanaf een gesloten binnenbesturing.
**5.** De bestuurder die staande een snelle motorboot bestuurt is verplicht een reddingsvest te dragen.
### Artikel 8.05
De eigenaar of houder van een snelle motorboot draagt er mede zorg voor dat niet in strijd met de artikelen 8.01, 8.02 en 8.03 wordt gehandeld.
### Artikel 8.06
**1.** Een snelle motorboot mag niet sneller varen dan 20 km per uur ten opzichte van het water. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod niet van toepassing is dan wel waarop een andere maximum snelheid van toepassing is, daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen snel varen overdag of s nachts, tussen bedrijfsmatige vaart en recreatieve vaart en veerdiensten.
**1.** Onverminderd de bij algemene regeling vastgestelde andere voorschriften met betrekking tot het waterskiën is het verboden te waterskiën of te doen waterskiën, dan wel op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik te maken. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod des daags niet van toepassing is.
**2.** Het is verboden te waterskiën of te doen waterskiën of op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik te maken of gebruik te doen maken. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod overdag niet van toepassing is.
De bestuurder van een snelle motorboot, die één of meer waterskiërs voortbeweegt, moet zich doen bijstaan door een mede-opvarende van ten minste 15 jaar oud als uitkijk.
**3.** De bestuurder van een snelle motorboot, die één of meer waterskiërs of personen die op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik maken voortbeweegt, moet zich doen bijstaan door een mede opvarende van ten minste 15 jaar oud als uitkijk.
**4.** Een waterskiër en een persoon die op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik maakt moeten zich zodanig gedragen, dat geen gevaar of hinder voor andere gebruikers van de vaarweg kan worden veroorzaakt.
### Artikel 8.07
De schipper van een snelle motorboot moet er zorg voor dragen, dat niet in strijd met de artikelen 8.05 en 8.06 wordt gehandeld.
### Artikel 8.08
**1.** Een persoon die zwemt dan wel die op andere wijze watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip moet voldoende afstand houden van een varend schip of een varend drijvend voorwerp dan wel van een drijvend werktuig in bedrijf.
**2.**
Zwemmen, watersport zonder gebruik te maken van een schip en onderwatersport zijn verboden:
a. op een wachtplaats of in de onmiddellijke nabijheid van een brug, een sluis of een stuw;
b. in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande scheepvaart;
c. in routes van veerponten;
d. in havens en nabij de ingangen daarvan;
e. in de nabijheid van meergelegenheden;
f. in gebieden aangewezen voor snelvaren of waterskiën;
g. in de door de bevoegde autoriteit aangewezen gebieden.
**3.** De bevoegde autoriteit kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het tweede lid. Aan de vrijstelling of ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 8.09
**1.**
Alvorens te beginnen met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) vergewist de schipper van het schip dat gaat bunkeren zich ervan dat:
a. de voorgeschreven brandbestrijdingsmiddelen te allen tijde operationeel zijn; en
b. tussen het schip en de kade de voorgeschreven middelen aanwezig zijn voor de evacuatie van personen aan boord van het schip dat gaat bunkeren.
**2.**
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) zijn alle toegangen en alle openingen van ruimten toegankelijk vanaf het dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht gesloten, met uitzondering van:
a. aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren;
b. ventilatieopeningen van machinekamers indien de motoren in bedrijf zijn;
c. ventilatieopeningen voor een ruimte met een overdrukinstallatie; en
d. ventilatieopeningen van een airconditioningsinstallatie, indien deze openingen zijn voorzien van een gasdetectie-installatie.
Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper worden geopend.
**3.** Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) vergewist de schipper zich er voortdurend van dat het rookverbod aan boord en in de bunkerzone wordt nageleefd. Het rookverbod is eveneens van toepassing op elektronische sigaretten en andere soortgelijke apparaten. Het rookverbod is niet van toepassing in de accommodatieruimten en het stuurhuis, indien daarvan de ramen, deuren, schijnlichten en luiken gesloten zijn.
**4.** Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) worden alle vanaf het dek toegankelijke ruimten ontlucht.
**3.** De waterskiër moet zich zodanig gedragen dat geen gevaar of hinder voor andere gebruikers van de vaarweg kan worden veroorzaakt.
## Deel II
@ -2211,15 +2094,21 @@ Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toe
### Artikel 9.01
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in artikel 2, eerste en derde lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement bedoelde vaarwegen, voorzover deze in beheer zijn bij het Rijk en op de in bijlage 10 vermelde vaarwegen.
**1.** Dit hoofdstuk is van toepassing op de in artikel 2, eerste lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement bedoelde vaarwegen voorzover deze in beheer zijn bij het Rijk.
**2.**
Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de volgende vaarwegen:
a. het Calandkanaal;
b. het Beerkanaal;
c. het Hartelkanaal.
### Artikel 9.02
**1.** Een schip of samenstel houdt zich op de bij ministeriële regeling vastgestelde vaarwegen en kunstwerken aan de in die regeling aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.
**1.** Een schip of een samenstel moet zich voor wat betreft de in bijlage 13 vermelde vaarwegen en kunstwerken houden aan de daar aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.
**2.** Een schip of samenstel voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen, wanneer deze wordt aangemerkt als bijzonder transport in de zin van artikel 1.21, eerste lid, en daaraan een vergunning is verstrekt op grond van artikel 1.21, tweede lid, waarin de lengte, breedte en diepgang van de vaarwegen en kunstwerken op de door het schip of samenstel af te leggen route in aanmerking zijn genomen.
**3.** De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
**2.** De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 9.03
@ -2227,119 +2116,121 @@ Dit hoofdstuk is van toepassing op de in artikel 2, eerste en derde lid, van het
**2.**
Op een gedeelte van een vaarweg waar ligplaats nemen is toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:
Op een gedeelte van een vaarweg, waar ligplaats nemen is toegestaan, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, evenwel niet:
a. aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen;
b. laden, lossen; of
c. ventileren naar de atmosfeer, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel u, van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart, onverminderd het verbod in artikel 4 van dat besluit.
b. worden geladen, gelost of ontgast.
**3.**
In een vlucht- of overnachtingshaven en een werkhaven mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:
In een vlucht- of overnachtingshaven en een werkhaven mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, evenwel niet:
a. langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats nemen;
b. binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats nemen.
Het ligplaats nemen wordt geacht niet te zijn beëindigd, indien het schip, het drijvende voorwerp of de drijvende inrichting over minder dan 500 m is verplaatst.
b. binnen twaalf uren, nadat de onder *a* bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats nemen. Het ligplaats nemen wordt geacht te zijn beëindigd indien een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting over tenminste 500 m is verplaatst.
**4.** Een duwstel als bedoeld in artikel 9.06, eerste lid, mag slechts worden samengesteld of ontkoppeld op de door de bevoegde autoriteit aangewezen plaatsen.
**5.** Het in het eerste lid genoemde verbod is op de in bijlage 14, onder *b*, genoemde vaarwegen niet van toepassing op een klein schip dat op een veilige plaats buiten het voor de doorgaande scheepvaart bestemde vaarwater ligt.
**6.** De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden. Deze mogelijkheid om ontheffing te verlenen geldt ook voor het ligplaats nemen door het gebruik van spudpalen, dat op grond van artikel 7.03, eerste lid, onderdeel a, verboden is op de vaarwegen, bedoeld in het eerste lid.
**6.** De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
### Artikel 9.04
**1.** Op de in bijlage 15, onder a, vermelde vaarwegen mag een klein schip slechts varen indien het is voorzien van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is, en waarmee een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur ten opzichte van het water kan worden gehandhaafd.
**1.** Op de in bijlage 15 vermelde vaarwegen mag een klein schip slechts varen indien het is voorzien van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is, en waarmee een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur door het water kan worden gehandhaafd.
**2.** Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de Waal, de Boven-Rijn, de Geldersche IJssel, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen.
**2.** Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel moet een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen, met dien verstande dat het niet is toegestaan het vaarwater op te kruisen.
**3.** Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen is het niet toegestaan het vaarwater op te kruisen.
**3.** Het in het eerste lid genoemde verbod, is op de daar bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden, niet van toepassing op schepen die bestemd zijn om door spierkracht te worden voortbewogen en ook daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.
**4.** Het in het eerste lid genoemde verbod, is op de daar bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden, niet van toepassing op schepen die bestemd zijn om door spierkracht te worden voortbewogen en ook daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.
**4.** Op de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden kan de bevoegde autoriteit aan in het derde lid bedoelde schepen ontheffing verlenen van de in het eerste lid vermelde vereisten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
**5.** Op de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden kan de bevoegde autoriteit aan in het vierde lid bedoelde schepen ontheffing verlenen van de in het eerste lid vermelde vereisten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
**6.** Op de in bijlage 15, onder b, genoemde vaarwegen moeten een varend en een geankerd klein schip bij slecht zicht een goed functionerende radarreflector voeren.
**5.** Op de in artikel 10.01 genoemde vaarwegen alsmede op de Boven-Merwede, de Beneden-Merwede, de Nieuwe Merwede, het betonde vaarwater van het Hollandsch Diep, het Volkerak, het Zuid-Vlije, de Krammer, het Zijpe, het Mastgat, het Keeten en de Oosterschelde moeten een varend en een geankerd klein schip bij slecht zicht een goed functionerende radarreflektor voeren.
### Artikel 9.05
**1.** Onverminderd artikel 9.04, eerste lid, is het op de voor de doorgaande vaart bestemde gedeelten van de in bijlage 16 opgenomen vaarwegen verboden te varen met een zeilplank.
**2.** Het is verboden te varen met een door een vlieger voortbewogen plank of klein schip.
**3.** De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in het tweede lid, overdag niet van toepassing is.
Onverminderd artikel 9.04, eerste lid, is het op de voor de doorgaande vaart bestemde gedeelten van de in bijlage 16 opgenomen vaarwegen verboden te varen met een zeilplank.
### Artikel 9.06
**1.**
Op de in bijlage 17, onder a, vermelde vaarwegen mogen een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 193 m ofwel de breedte meer bedraagt dan 22,90 m varen, indien:
Op de in bijlage 17, onder *a*, vermelde vaarwegen mag een duwstel, waarvan ofwel de lengte van het gedeelte voor de duwboot meer bedraagt dan 153 m ofwel de breedte meer bedraagt dan 22,80 m, slechts varen indien:
a. de ten hoogste toegelaten afmetingen zijn vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot of van het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel onder vermelding van de toegelaten formatie en van de toegelaten belading voor de van toepassing zijnde vaarrichting;
b. het duwstel niet meer dan zes duwbakken bevat, waarbij in afvaart ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer mogen hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd, waarbij vier zeeschipbakken achter elkaar gelden als één duwbak;
c. aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurhut van de duwboot of van het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel bedienbare kopbesturing beschikbaar is;
d. de waterstand aan de peilschaal te Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen;
e. het geen gevaarlijke stoffen vervoert voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADN vereist wordt.
a. de ten hoogste toegelaten afmetingen zijn vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot;
b. de duwboot niet langer is dan 40 m;
c. de duwboot in de as van het duwstel is geplaatst;
d. het maximale vermogen van de duwboot niet groter is dan 4500 kW;
e. het duwstel niet meer dan zes duwbakken en geen zeeschipbakken bevat;
f. in afvaart in brede formatie wordt gevaren; daarbij:
- moeten ten minste twee aan de kop van het duwstel geplaatste duwbakken zijn uitgerust met een kopbesturing van voldoende effektief vermogen, die vanuit de stuurhut van de duwboot kan worden bediend; indien de kopbesturing bestaat uit koproeren moeten deze voor iedere betreffende duwbak een effektieve oppervlakte van ten minste 2 m² hebben;
- mag ook zonder kopbesturing worden gevaren indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en ten minste twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst; en
- mogen ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben;
g. in opvaart in lange formatie wordt gevaren; daarbij moeten ten minste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben;
h. er wordt gevaren bij een waterstand tussen NAP + 9,50 m en NAP + 13,50 m aan de peilschaal te Lobith;
i. geen gevaarlijke stoffen, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10 282 of Bijlage B2 Rn 210 282, is vereist, worden vervoerd.
**2.**
Onverminderd het eerste lid geldt voor duwstellen met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m:
Op de in bijlage 17, onder *b*, vermelde vaarwegen mag een duwstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m bij buitengewone plaatselijke omstandigheden slechts varen,
a. het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot mag niet groter zijn dan 4500 kW;
b. in de lange formatie moeten tenminste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben. In de brede formatie mag ook zonder kopbesturing worden gevaren, indien tenminste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst.
- hetzij indien het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effektief vermogen, die vanuit de stuurhut van de duwboot kan worden bediend; indien de kopbesturing bestaat uit koproeren moeten deze voor iedere betreffende duwbak een effektieve oppervlakte van ten minste 2 m² hebben;
- hetzij de gemiddelde diepgang groter is dan 2,00 m, of de diepgang over ten minste 50% van de lengte van de duwbakken groter is dan 2,50 m;
- hetzij het duwstel wordt geassisteerd.
**3.**
**3.** Op de in bijlage 17, onder *c*, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip, een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 90 m slechts varen indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effektief vermogen, die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
Op de in bijlage 17, onder b, vermelde vaarwegen mag een duwstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m slechts bij buitengewone plaatselijke omstandigheden varen, indien:
**4.** Op de in bijlage 17, onderdeel *d*, vermelde vaarwegen mag een duwstel, dat is voorzien van een certificaat van onderzoek als bedoeld in artikel 3 van de Binnenschepenwet of van een document als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel *a* of *c*, van die wet, en waarvan de lengte meer bedraagt dan 137 m doch niet meer dan 185 m, slechts varen indien het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effektief vermogen, die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
a. het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen, die vanuit de stuurhut van de duwboot kan worden bediend; indien de kopbesturing bestaat uit koproeren moeten deze voor iedere betreffende duwbak een effectieve oppervlakte van tenminste 2 m^2 hebben;
b. de gemiddelde diepgang groter is dan 2,00 m of de diepgang over tenminste 50% van de lengte van de duwbakken groter is dan 2,50 m; of
c. het duwstel wordt geassisteerd.
**4.** Op de in bijlage 17, onder c, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 90 m varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
**5.** Op de in bijlage 17, onder d, vermelde vaarwegen mag een duwstel dat is voorzien van een certificaat van onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet of van een document als bedoeld in artikel 7, onderdelen a en c, van het Binnenvaartbesluit en waarvan de lengte meer bedraagt dan 137 m doch niet meer dan 193 m varen, indien het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
**6.** Op de in bijlage 17, onder e, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 65 m varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
**7.** Op de in bijlage 17, onder f, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
**8.** Als kopbesturing van een duwstel wordt tevens beschouwd de boegschroef van de duwboot, indien deze zich op ten hoogste 45% van de lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop daarvan bevindt.
**9.** De in dit artikel bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen mogen buiten de daarvoor aangewezen ligplaatsen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
**10.** De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen dan die welke volgens dit artikel zijn toegelaten, met andere wijzen van aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden voor het te bevaren vaarweggedeelte toelaten.
**5.** Als kopbesturing van een duwstel wordt tevens beschouwd de boegschroef van de duwboot indien deze zich op ten hoogste 45% van de lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop daarvan bevindt.
### Artikel 9.07
**1.** Een groot schip van een door de bevoegde autoriteit aangegeven categorie, een bijzonder transport, een drijvende inrichting en een drijvend voorwerp waarvan het verplaatsen klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan veroorzaken, melden zich op de door de bevoegde autoriteit aangegeven wijze, overeenkomstig de daartoe gestelde regels.
**1.**
**2.** Een in het eerste lid bedoeld groot schip, luistert op de in bijlage 9 en bijlage 10 genoemde vaarwegen uit en neemt zonodig deel aan de ter plaatse gevoerde communicatie op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal, overeenkomstig de daartoe gestelde regels.
Een schip, met uitzondering van een klein schip, moet zich melden op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal, overeenkomstig de daartoe gestelde regels:
**3.** De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht is tevens van toepassing op een klein schip, waarmee wordt vervoerd een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van richtlijn nr. 2002/59/EG.
a. bij het passeren van teken B.11 (bijlage 7), behoudens wanneer het zich reeds op grond van onderdeel *b* heeft gemeld;
b. wanneer het in aanloop is naar de Maasmond, de haven van Scheveningen, het Noordzeekanaal, de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder en de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee;
c. tijdig voor vertrek van een plaats binnen één van de in artikel 10.01 genoemde vaarwegen.
**2.** Een schip, met uitzondering van een klein schip, moet op een vaarweg waarop teken B.11 (bijlage 7) van toepassing is, op de in artikel 10.01 genoemde vaarwegen, en tijdens de aanloop naar, en de afvaart van, de in het eerste lid, onder *b*, genoemde vaarwegen, uitluisteren en zo nodig deelnemen aan de ter plaatse gevoerde communicatie op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal, overeenkomstig de daartoe gestelde regels.
**3.** De in het eerste lid bedoelde meldplicht is tevens van toepassing op een klein schip, wanneer het een schadelijke stof als bedoeld in artikel 1, onderdeel *e*, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, of een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 130 van het Schepenbesluit 1965 vervoert.
**4.** De in het tweede lid bedoelde uitluister- en communicatieplicht is tevens van toepassing op een klein schip, wanneer het de in het derde lid bedoelde stoffen vervoert, of wanneer het een klein schip betreft dat is uitgerust met een marifooninstallatie.
**5.** De in het eerste en derde lid bedoelde meldingsplicht is niet van toepassing op een schip dat zich reeds op grond van artikel 2 van het Besluit meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart en de daarop berustende bepalingen voor vertrek moet melden.
**5.** De in het eerste lid, onder *b*, bedoelde meldplicht is niet van toepassing op een in aanloop zijnd schip, dat zich reeds in de Nederlandse territoriale zee op grond van een ander scheepvaartreglement moet melden.
**6.** De in het eerste en tweede lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op het gebruik van bepaalde communicatiemiddelen aan boord van het schip, het melden van aankomst, vertrek of positie van het schip, alsmede op gegevens met betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde lading of de uit te voeren reis.
**6.** De in het tweede lid bedoelde uitluister- en communicatieplicht is niet van toepassing op een in aanloop of in afvaart zijnd schip, dat reeds in de Nederlandse territoriale zee op grond van een ander scheepvaartreglement moet uitluisteren en communiceren.
**7.** De in het eerste en tweede lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op het gebruik van bepaalde communicatiemiddelen aan boord van het schip, het melden van aankomst, vertrek of positie van het schip, alsmede op gegevens met betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde lading of de uit te voeren reis.
### Artikel 9.08
Het is verboden op de in bijlage 18 vermelde vaarwegen, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, varend brandstof af te leveren.
Het is verboden op de in bijlage 10 vermelde vaarwegen, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, varend brandstof in te nemen.
### Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen voor de vaarwegen tussen de zee en de zeehavens
### Artikel 10.01
**1.** Dit hoofdstuk is van toepassing op de vaarwegen en havens, genoemd in bijlage 11.
**1.**
Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende vaarwegen:
a. het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
b. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal en het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
c. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil, daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
d. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
e. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede deze havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
f. de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen;
g. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan.
**2.** Onder een haven is een laad- of losplaats begrepen.
### Artikel 10.02
**1.** Een bovenmaats zeegaand schip moet op de daartoe aangewezen vaarwegen de daartoe vastgestelde voorschriften in acht nemen.
**1.** Een schip dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat en dat behoort tot een daartoe aangewezen categorie van schepen, die in hun manoeuvreerbaarheid zijn beperkt doordat zij ten gevolge van hun diepgang of hun lengte gebonden zijn aan een bepaald gedeelte van de vaarweg, moet op de daartoe aangewezen vaarwegen de daartoe vastgestelde voorschriften in acht nemen.
**2.**
@ -2353,31 +2244,33 @@ e. de te volgen route.
### Artikel 10.03
Een varend bovenmaats zeegaand schip moet, op de wijze en wat de lichten betreft met de lichtsterkte en de kleur, vermeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, als bijkomende tekens voeren:
Een varend schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, als bedoeld in artikel 10.02, moet als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts: drie rode rondom schijnende lichten in een verticale lijn;
b. overdag: een zwarte cilinder.
- des nachts: drie rode rondom schijnende lichten in een verticale lijn;
- des daags: een zwarte cylinder;
op de wijze en, wat de lichten betreft, met de lichtsterkte en de kleur, vermeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
### Artikel 10.04
**1.**
Een zeegaand schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in bijlage 12, moet als bijkomende tekens voeren:
Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat en dat de gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in bijlage 12, moet als bijkomende tekens voeren:
a. s nachts: een rood helder rondom schijnend licht;
b. overdag: de internationale seinvlag «B».
- des nachts: een rood helder rondom schijnend licht;
- des daags: de internationale seinvlag "B";
**2.** Deze tekens moeten worden gevoerd daar waar zij het best kunnen worden gezien en op een hoogte van ten minste 6 m.
### Artikel 10.05
Een zeegaand schip mag de internationale vlaggeseinen "A", "B", "G", "H", "P", "Q" en "Z" geven.
Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag de internationale vlaggeseinen "A", "B", "G", "H", "P", "Q" en "Z" geven.
### Artikel 10.06
**1.** Een zeegaand motorschip behoeft niet het gele lichtsein, bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, te tonen, maar mag dit tonen.
**1.** Een motorschip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, behoeft niet het gele lichtsein, bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, te tonen, maar mag dit tonen.
**2.** Een zeegaand schip mag de algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A van bijlage 6, aanvullen met een wit lichtsein als bedoeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. Het schip mag dan niet het in het eerste lid bedoelde gele lichtsein tonen.
**2.** Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag de algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A van bijlage 6, aanvullen met een wit lichtsein als bedoeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. Het schip mag dan niet het in het eerste lid bedoelde gele lichtsein tonen.
**3.** Het witte lichtsein mag afhankelijk van de omstandigheden worden herhaald.
@ -2385,19 +2278,23 @@ Een zeegaand schip mag de internationale vlaggeseinen "A", "B", "G", "H", "P", "
### Artikel 10.07
Vervallen
**1.** De schipper, de exploitant of de agent van een schip dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, en dat een vrachtschip, een olie-, chemicaliën-, of gastanker, of een passagiersschip is, waarmee een schadelijke stof als bedoeld in artikel 1, onderdeel *e*, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, of een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 130 van het Schepenbesluit 1965 wordt vervoerd, is verplicht overeenkomstig de daartoe gestelde regelen, voor de afvaart van dat schip uit een haven of van een ankerplaats, gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven of ankerplaats, over het schip, het tijdstip van vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading of de uit te voeren reis.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een oorlogsschip of een ander schip van de overheid dat voor niet-commerciële doeleinden wordt gebruikt.
### Artikel 10.07a
Vervallen
**1.** De schipper van een schip dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, als bedoeld in artikel 10.07, eerste lid overhandigt een controlelijst van een nader vast te stellen model aan de bevoegde autoriteit, wanneer deze daarom verzoekt.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een oorlogsschip of een ander schip van de overheid dat voor niet-commerciële doeleinden wordt gebruikt.
### Artikel 10.08
**1.** In afwijking van hoofdstuk 6 is een schip verplicht aan een bovenmaats zeegaand schip voorrang te verlenen.
**1.** Voor wat betreft de bepalingen omtrent het uitwijken, is, in afwijking van de artikelen 6.03*a*, eerste lid, 6.04, eerste lid, 6.07, tweede lid, onderdelen *c* en *d*, 6.10, 6.13, 6.14, 6.16, eerste tot en met vierde lid, en 6.23, een schip verplicht aan een schip dat de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert de ruimte te laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren; het mag niet verlangen dat dit te zijnen gerieve uitwijkt.
**2.** Artikel 6.09, tweede lid, geldt niet voor een schip dat de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert en dat wordt opgelopen door een ander schip.
**3.** Indien één van twee schepen die elkaar naderen op tegengestelde koersen een schip is dat de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert, is artikel 6.04a niet van toepassing.
**3.** Indien één van twee schepen die elkaar naderen op tegengestelde koersen een schip is dat de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert, is artikel 6.04 *a* niet van toepassing.
**4.** Schepen die de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voeren moeten zich behoudens het derde lid onderling gedragen naar de vaarregels van hoofdstuk 6.
@ -2409,19 +2306,27 @@ Een schip mag behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op tegengestelde koer
**1.** Een schip mag geen ligplaats nemen binnen een afstand van 50 m van een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, voert.
**2.** Een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, voert, mag geen ligplaats nemen binnen een afstand van 50 meter van andere schepen.
**2.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen afwijkingen toestaan.
**3.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen afwijkingen toestaan.
**3.** Een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, moet voeren, mag geen ligplaats nemen binnen een afstand van 50 meter van andere schepen.
### Artikel 10.11
In afwijking van artikel 4.05, eerste lid, mag een zeegaand groot schip zijn uitgerust met een marifooninstallatie van het type dat voor het gebruik in de frequentieband van 156 174 MHz is toegelaten.
In afwijking van artikel 4A.01, eerste lid, mag een schip dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, met uitzondering van een klein schip, zijn uitgerust met een marifooninstallatie van een type dat voor gebruik in de frequentieband van 156174 MHz is toegelaten door de daartoe aangewezen instantie volgens de daaromtrent vastgestelde normen.
### Hoofdstuk 11. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de boventoeleidingskanalen op de Maas
### Artikel 11.01
Vervallen
**1.** Op de Maas moet een afvarend schip vóór het invaren van de boventoeleidingskanalen van de sluizen bij Roermond, Belfeld en Sambeek alsmede bij het bevaren van het boventoeleidingskanaal van de sluizen bij Roermond zo dicht mogelijk langs de linker oever houden. Een afvarend schip moet vóór het invaren van het boventoeleidingskanaal van de sluis bij Grave zo dicht mogelijk langs de rechter oever houden.
**2.** Een opvarend schip moet aan een afvarend schip als bedoeld in het eerste lid, de nodige ruimte laten.
**3.** Op gedeelten van de Maas en op de boventoeleidingskanalen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, moeten een afvarend en een opvarend schip, wanneer zij elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, de tekens tonen en de geluidsseinen geven, vermeld in artikel 6.05.
**4.** Artikel 6.30, vijfde lid, eerste volzin, is niet van toepassing.
**5.** Een afvarend schip en een opvarend schip zijn een schip als bedoeld in artikel 6.05, eerste lid.
### Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de langs de Westerschelde gelegen havens
@ -2433,11 +2338,11 @@ Vervallen
### Artikel 12.02
**1.** Het zeegaand motorschip aan de kop van een sleep alsmede het zeegaand motorschip dat een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteert mag in plaats van het gele licht, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, onder c, een heklicht voeren.
**1.** Het motorschip aan de kop van een sleep alsmede het motorschip dat een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteert, en dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag in plaats van het gele licht, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, onderdeel *c*, een heklicht voeren.
**2.** Indien een sleep verscheidene zeegaande motorschepen bevat, die niet in kiellinie varen, dan wel verscheidene motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, is het eerste lid van toepassing op elk van deze zeegaande schepen.
**2.** Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat, die niet in kiellinie varen, dan wel verscheidene motorschepen te zamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, is het eerste lid van toepassing op elk van deze schepen, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat.
**3.** Een zeegaand schip dat wordt gesleept mag een toplicht of achter dit toplicht een tweede toplicht overeenkomstig artikel 3.08, eerste en tweede lid, voeren.
**3.** Een schip, dat wordt gesleept en dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag een toplicht of achter dit toplicht een tweede toplicht overeenkomstig artikel 3.08, eerste en tweede lid, voeren.
**4.** Een motorschip, waarvoor bij artikel 3.09, eerste en tweede lid, een gele cylinder is voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar het mag dit doen. Een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, waarvoor bij artikel 3.09, derde lid, een gele bol is voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar het mag dit doen.
@ -2449,10 +2354,10 @@ Een schip van de veerdiensten over de Westerschelde, dat op zijn aanlegplaats st
### Artikel 12.04
Een zeegaand schip mag, indien de radarinstallatie goed functioneert, gebruik maken van radar:
Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag, indien de radarinstallatie goed functioneert gebruik maken van radar:
a. zonder te zijn uitgerust met een radarinstallatie en een bochtaanwijzer, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder a; en
b. zonder dat zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een radarpatent, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder b.
a. zonder te zijn uitgerust met een radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip als bedoeld in artikel 4A.02, eerste lid, onderdeel *a*; en
b. zonder dat zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een diploma als bedoeld in artikel 4A.02, eerste lid, onder *b*.
### Artikel 12.05
@ -2462,7 +2367,7 @@ b. zonder dat zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een radarpate
### Artikel 12.06
Een zeegaand schip mag op radar varen, zonder dat zich overeenkomstig artikel 6.32, eerste lid, een persoon in de stuurhut bevindt die houder is van een radarpatent, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder b.
Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag op radar varen zonder dat zich overeenkomstig artikel 6.32, tweede lid, een persoon in de stuurhut bevindt die houder is van een diploma als bedoeld in artikel 4A.02, eerste lid, onder *b*.
### Artikel 12.07
@ -2494,19 +2399,21 @@ Behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit is het verboden met andere sche
## Bijlage 3. Optische tekens van schepen
## Bijlage 4. Gebruik van het Inland AIS-apparaat als bedoeld in
## Bijlage 6. Geluidsseinen
De tijdruimte tussen twee opéénvolgende stoten bedraagt ongeveer 1 seconde.
Een reeks zeer korte stoten wordt gevormd door tenminste 6 stoten, elke durende ongeveer een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen de opéénvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt. (art. 1.01, onder C, 8°).
Een reeks zeer korte stoten wordt gevormd door tenminste 6 stoten, elke durende ongeveer een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen de opéénvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt. (art. 1.01t.).
Een reeks klokslagen moet ongeveer 4 seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.
Een groot motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. (art. 4.01, lid 2).
Een klein schip moet ter voorkoming van aanvaring zonodig het attentiesein, het sein «Ik kan niet manoeuvreren» en het noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zonodig een der overige algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A, en het mistsein, vermeld in afdeling G van bijlage 6, geven, maar mag niet de manoeuvreerseinen, vermeld in afdeling B, C, D en E van bijlage 6, geven (art. 4.02, lid 2 en lid 3).
Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. (art. 4.01, lid 2).
Een klein schip moet zonodig het attentiesein, het sein «ik kan niet manoeuvreren» en het noodsein, vermeld onder A van deze bijlage geven en het mag zonodig één der overige algemene geluidsseinen, vermeld onder A geven. (art. 4.02, lid 2).
@ -2524,42 +2431,80 @@ Deze tekens kunnen worden aangevuld of verduidelijkt met bijkomende tekens, verm
^1 indien aanwezig
## Bijlage 9. Marifoonverplichting
^1 indien aanwezig
De vaarwegen bedoeld in artikel 4A.01, vierde en vijfde lid, en artikel 6.30, zesde lid, zijn:
^1 indien aanwezig
## Bijlage 10. Varend bunkeren
## Bijlage 9. Marifoonverplichting en radarvaart
De vaarwegen, bedoeld in artikel 4.05, derde en vierde lid, artikel 6.29, derde lid, artikel 6.33, tweede lid, en artikel 9.07 tweede lid, zijn:
## Bijlage 10
De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.01, zijn:
De vaarwegen bedoeld in artikel 9.08 zijn:
## Bijlage 11
De vaarwegen, bedoeld in artikel 10.01, eerste lid, zijn:
Vervallen
## Bijlage 12. Vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen
De gevaarlijke stoffen in de zin van de IMDG-codeb1IMDG-code: International Maritime Dangerous Goods Code., bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, zijn:
De gevaarlijke stoffen in de zin van de IMDG-code 1IMDG-code: International Maritime Dangerous Goods Code. , bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, zijn:
## Bijlage 13. Toegestane afmetingen van een schip of een samenstel op de vaarwegen, bedoeld in
1.
Vervallen
2. Stoffen van alle klassen, indien zij worden vervoerd door een tankschip.
3. Voor tankschepen worden onder de in het tweede lid bedoelde gevaarlijke stoffen mede verstaan de gevaarlijke gassen die zijn ontstaan tijdens het vervoer van die stoffen en die zich nog in die tanks bevinden.
## Bijlage 13. Toegestane afmetingen van schepen op de vaarwegen bedoeld in artikel 9.02, eerste lid
^1 Op het pand Geldersche IJssel Eefde (voorpand) evenveel minder dan 2,80 m als de buitenwaterstand sluis Eefde lager is dan NAP + 3,20 m.
^2 Bij waterstand = NAP of zoveel minder dan de waterstand lager is dan NAP. De drempeldiepte van de Meppelerdiep-brug ligt op NAP 3,50 m. De keersluis in Zwartsluis wordt gesloten bij een waterstand hoger dan NAP + 0,50 m en bij een waterstand lager dan NAP 0,50 m.
^3 Bij een waterstand op de Waddenzee gelijk aan of boven NAP of op het IJsselmeer gelijk aan of boven NAP 0,50 m, dan wel evenveel minder dan de waterstand lager is dan NAP respectievelijk NAP 0,50 m.
^4 Bij waterstand Oosterschelde-zijde NAP 1,50 m of hoger.
^5 Kielspeling 10% van de waterdiepte.
^6 Bij een waterstand NAP + 1 m of zoveel minder als de buitenwaterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 1 m.
^7 Bij een waterstand NAP + 1 m of zoveel minder als de waterstand bij sluis St. Andries v.w.b. de Maaszijde lager is dan NAP + 1 m dan wel v.w.b. de Waalzijde lager is dan NAP + 2 m.
^8 Bij een waterstand hoger dan of gelijk aan NAP 0,75m of zoveel minder als de waterstand lager is dan NAP 0,75 m.
^10 Bij een waterstand NAP + 40 m of hoger te Borgharen is het niet toegestaan de Gekanaliseerde Maas tussen het Maas-Waalkanaal en Maasbracht te bevaren.
^11 Of zoveel minder als de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 10,95 m.
^12 Of zoveel minder als de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 7,70 m.
^13 Of zoveel minder als de buitenof de binnenwaterstand lager is dan NAP + 7,20 m.
^14 Bij een waterstand van NAP 0,50 m of hoger of zoveel minder als de waterstand lager is dan NAP 0,50 m.
^15 Schepen die gebruik maken van de hefopening in de spoor- en verkeersbrug Zutphen (km 928.150) moeten rekening houden met de volgende beperkingen:
^16 Of zoveel minder als de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 16,95 m.
^17 Of zoveel minder als de waterstand in het benedentoeleidingskanaal lager is dan NAP + 14,20 m.
^18 Bij een waterstand van NAP -0,40 m op het Amsterdam-Rijnkanaal of hoger of zoveel minder als de waterstand lager is. Bij een waterstand van NAP + 1,35 m of hoger of zoveel minder als de waterstand op de Lek bij de Koninginnesluis is.
^19 Bij een waterstand van NAP + 0,50 m of hoger of zoveel minder als de waterstand is bij de Doorslagsluis te Nieuwegein.
^20 Bij een waterstand t.o.v. NAP, of zoveel hoger of zoveel minder als de waterstand t.o.v. NAP.
^21 Schepen langer dan 55 meter moeten zijn uitgerust met actieve kopbesturing.
^22 Bij een waterstand van NAP + 0,50 m of hoger of zoveel minder als de waterstand beneden NAP + 0,50 m. is.
## Bijlage 14. Ligplaats nemen
## Bijlage 15. Kleine schepen
De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.04, eerste lid, zijn:
## Bijlage 16. Zeilplanken
De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.05, eerste lid, zijn:
De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.05, zijn:
## Bijlage 17. Manoeuvreerbaarheid van schepen en samenstellen
## Bijlage 18. Varend bunkeren
De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.08, zijn: