2013-06-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
This commit is contained in:
parent
0c8db128ae
commit
85f75617a0
1 changed files with 81 additions and 142 deletions
|
|
@ -3448,6 +3448,10 @@ Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerkin
|
|||
|
||||
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de Vw 2000 gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
|
||||
|
||||
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna paragraaf 3).
|
||||
|
||||
De Vw 2000 is overigens – anders dan de RWN – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen.
|
||||
|
||||
#### 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
|
||||
|
||||
##### 2.1. Verblijfsvergunningen
|
||||
|
|
@ -3469,19 +3473,53 @@ In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit sti
|
|||
|
||||
#### 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
|
||||
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de beperking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
|
||||
|
||||
In het kader van de Wet modern migratiebeleid, dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor bijlage 3 bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
|
||||
|
||||
Let op! De verblijfsvergunningen die zijn afgegeven vóór 1 juni 2013 blijven geldig tot de geldigheidsduur verstrijkt of de vergunning is ingetrokken. De ‘oude beperking’ wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als ‘nieuwe’ beperking.
|
||||
|
||||
Voorbeeld: een vreemdeling die op 1 januari 2013 houder is van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar’ (tijdelijk verblijfsrecht tot 1 juni 2013), geldig tot 1 december 2015, wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als houder van een verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst’ (niet tijdelijk verblijfsrecht). Deze vreemdeling kan dus, als hij voldoet aan alle voorwaarden, vanaf 1 juni 2013 in aanmerking komen voor naturalisatie.
|
||||
|
||||
In artikel 3.4 Vb 2000 staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000 is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is.
|
||||
|
||||
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de Bijlagen 2 en 3 kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken (artikel 4:2 Awb). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status (artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN).
|
||||
|
||||
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen over de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de Vw 2000. Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (artikel 36, eerste lid BVVN). In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het verzoek afwijzen.
|
||||
|
||||
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de Bijlagen 2 en 3 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
|
||||
|
||||
##### 3.1. Beoordelingsmoment
|
||||
|
||||
Hoewel de verzoeker *bij de indiening *van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er *op het moment van de beslissing *op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek *wel*, maar op het moment van de beslissing *geen *bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek *geen*, maar op het moment van de beslissing *wel *bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie37Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028 (zie deel G Jurisprudentie). . Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
|
||||
Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek moet aantonen of er ten aanzien van hem al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Als op het moment van de indiening van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als op het moment van de indiening van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
|
||||
|
||||
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
|
||||
|
||||
##### 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen (dit geldt zowel voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd). Voor de beeldvorming is in Bijlage 6 bij dit artikel een beknopt overzicht gegeven van de gronden tot intrekking dan wel van de gronden tot niet verlenging van de verschillende verblijfsvergunningen.
|
||||
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de Vw:
|
||||
|
||||
| Verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd | Artikel 18 en 19 Vw |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd | Artikel 22 Vw |
|
||||
| Verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd | Artikel 32 Vw |
|
||||
| Verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd | Artikel 35 Vw |
|
||||
|
||||
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid.
|
||||
|
||||
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.
|
||||
|
||||
##### 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een andere verblijfsvergunning die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt –om bovengenoemde redenen –dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van Bijlagen 2 en 3 beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
|
||||
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van Bijlagen 2 en 3 beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter, toch in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit is het geval wanneer de verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EU – Turkije. Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft namelijk op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, als dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
|
||||
|
||||
Omdat niet in één oogopslag te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht ontleent aan besluit 1/80, zal hij, om in aanmerking te komen voor naturalisatie, in principe met een verblijfsvergunning moeten aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Nederland. Heeft hij (een tijdje) geen verblijfsvergunning (gehad) en stelt hij het voor naturalisatie tot Nederlander juiste verblijfsrecht te hebben (gehad) op grond van besluit 1/80, dan zal betrokkene bij de IND een verblijfsrechtelijke beslissing (beschikking) moeten aanvragen en verkrijgen waarin is neergelegd dat hij daadwerkelijk op genoemde grond verblijfsrecht heeft (gehad) (artikel 36, eerste lid BVVN). Betrokkene zal bij een dergelijke verblijfsrechtelijke aanvraag de juiste stukken aan de IND moeten overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet of heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 (Turkse werknemers) of in artikel 7 (gezinsleden van Turkse werknemers) van besluit 1/80.
|
||||
|
||||
Als niet direct te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter ontleent aan Associatiebesluit 1/80 moet betrokkene zich dus voorafgaand aan de indiening van het naturalisatieverzoek tot de IND wenden om zijn verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard te laten vastleggen in een verblijfsrechtelijke beschikking.
|
||||
|
||||
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN.
|
||||
|
||||
##### 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3523,17 +3561,19 @@ Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd jegens verzo
|
|||
|
||||
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van artikel 10 RWN (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van artikel 11 RWN (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
|
||||
|
||||
##### 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
|
||||
##### 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
|
||||
|
||||
De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve –aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen –beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
|
||||
De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten een land van het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Alleen als aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland).
|
||||
|
||||
##### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep
|
||||
##### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
|
||||
|
||||
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Indien de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, indien de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben indien de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).
|
||||
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Als de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, als de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben als de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).
|
||||
|
||||
De minderjarige A is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning heeft hij verkregen in het kader van de tijdige nareis bij zijn vader die inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De moeder van A is ook in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Beide ouders doen een verzoek tot naturalisatie en verzoeken tevens om medeverlening aan A.
|
||||
In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen.
|
||||
|
||||
De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van A afhankelijk is van zijn vader, komt A wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor A verzocht.
|
||||
De minderjarige Amin is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning heeft hij verkregen in het kader van de tijdige nareis bij zijn vader die inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zijn moeder is ook in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Beide ouders doen een verzoek tot naturalisatie en verzoeken tevens om medeverlening aan Amin.
|
||||
|
||||
De vader komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van Amin afhankelijk is van zijn vader, komt hij wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor Amin verzocht.
|
||||
|
||||
#### 1
|
||||
|
||||
|
|
@ -3550,153 +3590,52 @@ De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondank
|
|||
|
||||
#### 2
|
||||
|
||||
| Verblijfsdocument | Verblijfstitel | Geen toelating voor onbepaalde tijd/ bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (**) |
|
||||
| Verblijfsdocument | Verblijfstitel | Toelating voor onbepaalde tijd/ geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (**) |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| I | Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder beperking | Zie Bijlage 3 (*) |
|
||||
| II | Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, *al dan niet met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”* | Neen (*) |
|
||||
| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | Ja, tenzij betrokkene: – een minderjarige is voor wie medeverlening op grond van artikel 11, eerste lid, RWN is verzocht; en – verblijf heeft op grond van artikel 29, aanhef en onder a t/m e, Vw 2000 (*) – een meerderjarige is, staatloos is en verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd’. NB! ‘onbekende nationaliteit’ is niet ‘staatloos |
|
||||
| IV | Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd | Neen (*) |
|
||||
| EU/EER | Vanaf 29 april 2006 ontvangen EU/EER- onderdanen en Zwitserse onderdanen niet langer een verblijfsdocument. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten ontvangen op aanvraag nog wel een verblijfsdocument EU/EER. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen met een duurzaam verblijfsrecht ontvangen op aanvraag een duurzaam verblijfsdocument. Dat geldt ook voor hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit. Ook na 29 april 2006 kunnen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen nog steeds in het bezit zijn van een (vóór 29 april 2006 afgegeven) verblijfsdocument EU/EER | Neen, tenzij betrokkene: - familie- of gezinslid is van een EU/EER- of Zwitserse onderdaan, niet in het bezit is van de nationaliteit van een lidstaat en niet in het bezit is van een verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of de duur van het voorgenomen verblijf indien dit minder dan vijf jaar bedraagt. |
|
||||
| W | Vreemdeling is in bezit van W-document | Ja |
|
||||
| Sticker met verblijfsaantekening | Vreemdeling heeft sticker in geldig document voor grensoverschrijding of op inlegvel (ook EU/EER- onderdanen of Zwitserse onderdanen kunnen in het bezit zijn van een sticker/inlegvel) | Ja |
|
||||
|
||||
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 2 of 3 moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor paragraaf 3.2 en Bijlage 6. Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor paragraaf 3.4.
|
||||
|
||||
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.
|
||||
| I | Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder beperking | Zie bijlage 3 (*) |
|
||||
| II | Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd | Ja (*) |
|
||||
| III | Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd | Neen, tenzij betrokkene: – een minderjarige is voor wie medeverlening op grond van artikel 11, eerste lid, RWN is verzocht; en – verblijf heeft op grond van artikel 29, aanhef en onder a t/m e, Vw 2000; – een meerderjarige is, staatloos is en verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. NB! ‘Onbekende nationaliteit’ is niet ‘staatloos’ |
|
||||
| IV | Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd | Ja (*) |
|
||||
| EU/EER | Vanaf 29 april 2006 ontvangen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen niet langer een verblijfsdocument. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten ontvangen op aanvraga nog wel een verblijfsdocument EU/EER. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen met een duurzaam verblijfsrecht ontvangen op aanvraag een duurzaam verblijfsdocument. Dat geldt ook voor hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit. Ook na 29 april 2006 kunnen EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen nog steeds in het bezit zijn van een (vóór 29 april 2006 afgegeven) verblijfsdocument EU/EER | Ja, tenzij betrokkene: – familie- of gezinslid is van een EU/EER- of Zwitserse onderdaan, niet is het bezit is van een nationaliteit van een lidstaat en niet in het bezit is van een verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of de duur van het voorgenomen verblijf indien dit minder dan vijf jaar bedraagt. |
|
||||
| W | Vreemdeling is in het bezit van een W-document | Neen |
|
||||
| Sticker met verblijfsaantekening | Vreemdeling heeft sticker in geldig document voor grensoverschrijding of op inlegvel (ook EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen kunnen in het bezit zijn van een sticker/inlegvel) | Neen |
|
||||
|
||||
#### 3
|
||||
|
||||
N.B. Altijd dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld door de Vreemdelingendienst of IND te worden geraadpleegd op eventuele uitzonderingen op het schema. Let in het bijzonder op toepassingen van artikel 3.5, derde lid, Vb 2000!
|
||||
|
||||
Verblijfgever = degene van wie het verblijfsrecht in Nederland afhankelijk is.
|
||||
|
||||
| | **Toelating voor onbepaalde tijd/geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de volgende situatie(s) (*)** | **Geen toelating voor onbepaalde tijd/wel bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de volgende situatie(s) (**)** |
|
||||
| Beperkingen nieuw vanaf 1 juni 2013 | Beperking oud (tot 1 juni 2013) | Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd? |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| Gezinsvorming/hereniging (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000) | De verblijfgever is Nederlander of bezit een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. | De verblijfgever is een vreemdeling met een tijdelijk verblijfsrecht. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000. |
|
||||
| Adoptie/pleegkind (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000) | De verblijfgever is Nederlander of bezit een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. | De verblijfgever is een persoon met een tijdelijk verblijfsrecht. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000. |
|
||||
| Afwachten onderzoek adoptie (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder b, Vb 2000. |
|
||||
| Familiebezoek (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder d, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder c, Vb 2000. |
|
||||
| Arbeid als zelfstandige (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000) | De vreemdeling voldoet aan de beperking en doet geen beroep op openbare kas (artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000). | De vreemdeling voldoet niet meer aan de beperking. |
|
||||
| Arbeid in loondienst (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f, Vb 2000) (Kan ook een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn met arbeid voor de duur van drie tot twaalf maanden) | De vreemdeling verricht daadwerkelijk arbeid, heeft een arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar, heeft een verblijfsvergunning geldig voor een jaar en doet geen beroep op openbare kas (artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000). | De vreemdeling verricht geen arbeid in loondienst (meer); of Vreemdeling heeft arbeidsovereenkomst korter dan een jaar en dus ook verblijfsvergunning korter dan een jaar; of Vreemdeling doet beroep op openbare kas (artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000). |
|
||||
| Arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder g, Vb 2000) | De vreemdeling ontleent zijn verblijfsrecht aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. (***) | Altijd, indien de vreemdeling zijn verblijfsrecht *niet *ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, Vb 2000. |
|
||||
| Zoekjaar; arbeid al dan niet in loondienst (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder h, Vb 2000) | De vreemdeling ontleent zijn verblijfsrecht aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. | Altijd, indien de vreemdeling zijn verblijfsrecht niet ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder e, Vb 2000. |
|
||||
| Zoeken van arbeid op zeeschip/mijnbouwinstallatie (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder i, Vb 2000) | De vreemdeling ontleent zijn verblijfsrecht aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. | Altijd, indien de vreemdeling zijn verblijfsrecht niet ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder f, Vb 2000. |
|
||||
| Verlof van zeeschip/ mijnbouwinstallatie (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder j, Vb 2000) | De vreemdeling voldoet aan de beperking en doet geen beroep op openbare kas (artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000). | De vreemdeling voldoet niet meer aan de beperking. |
|
||||
| Ziekteverlof zeeschip/ mijnbouwinstallatie (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder k, Vb 2000) | De vreemdeling ontleent zijn verblijfsrecht aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. | Altijd, indien de vreemdeling zijn verblijfsrecht niet ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb 2000. |
|
||||
| Stagiaire/practicant (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder l, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder h, Vb 2000. |
|
||||
| Niet-geprivilegieerd militair of burgerpersoneel (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder i, Vb 2000. |
|
||||
| Studie (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder j, Vb 2000. |
|
||||
| Voorbereiding op studie (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder o, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder k, Vb 2000. |
|
||||
| Au pair (Artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder l, Vb 2000. |
|
||||
| Uitwisseling (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb 2000 | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder m, Vb 2000. |
|
||||
| Medische behandeling (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder n, Vb 2000. |
|
||||
| Vervolging mensenhandel (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder s, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder o, Vb 2000. |
|
||||
| Afwachten procedure artikel 17 RWN (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder t, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder p, Vb 2000. |
|
||||
| Voortgezet verblijf (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder u, Vb 2000) | In alle gevallen. | Komt niet voor, tenzij er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. |
|
||||
| Wedertoelating (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder v, Vb 2000) | In alle gevallen. | Komt niet voor, tenzij er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. |
|
||||
| Vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder r, Vb 2000. |
|
||||
| Na drie jaren niet beslist op asielaanvraag (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, Vb 2000) | In alle gevallen. | Komt niet voor, tenzij er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. |
|
||||
| Alleenstaande minderjarige vreemdeling (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, Vb 2000) | In geen enkel geval. | Altijd. Zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder q, Vb 2000. |
|
||||
| Verblijf als kennismigrant (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder y, Vb 2000) | De vreemdeling is in Nederland en bezit een verblijfsvergunning van niet tijdelijke aard. | De vreemdeling verricht geen arbeid als kennismigrant meer/voldoet niet meer aan de beperking: en/of hij doet een beroep op de openbare kas. |
|
||||
| Verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene (artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder aa, Vb 2000) | In alle gevallen. | Komt niet voor, tenzij er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken of niet te verlengen. |
|
||||
| Andere beperking dan hierboven, door Minister van Justitie verleend (artikel 3.4, derde lid, Vb 2000) | Indien de vreemdeling voldoet aan de beperking en hij doet geen beroep op de openbare kas (artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000) (in de betreffende regeling kan ook zijn bepaald dat een beroep op de openbare kas niet leidt tot verblijfsbeëindiging). | Indien bij de verlening van de verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht van tijdelijke aard is (artikel 3.5, derde lid, Vb 2000)**** en/of hij doet een beroep op de openbare kas (artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000). |
|
||||
| Verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn 2005/71/EG | In alle gevallen | Komt niet voor, tenzij er redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken of niet te verlengen. |
|
||||
| | | |
|
||||
| Verblijf als familie- of gezinslid | – gezinshereniging/-vorming – verruimde gezinshereniging – adoptie – afwachten onderzoek geschiktheid adoptief ouders – pleegkind | Nee, tenzij de hoofdpersoon in het bezit is van een verblijfsvergunning van tijdelijke aard |
|
||||
| Verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling | – economisch niet-actieven | Nee |
|
||||
| Arbeid als zelfstandige | – zelfstandige | Nee |
|
||||
| Arbeid als kennismigrant | – kennismigrant | Nee |
|
||||
| Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart | nvt | Nee |
|
||||
| Seizoenarbeid | – tijdelijke arbeid in loondienst | Ja |
|
||||
| Arbeid in loondienst | – arbeid in loondienst; – arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar; – arbeid in loondienst aan boord van een Nld’s zeeschip, mijnbouwinstallatie of boorplatvorm – afwachten van herstel en hervatting van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of mijnbouwinstallatie op een continentaal platvorm – doorbrengen van verlof in Nederland | Nee |
|
||||
| Grensoverschrijdende dienstverlening | – grensoverschrijdende dienstverlening | Ja |
|
||||
| Wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71 | – EU-richtlijn wetenschappelijk onderzoekers | Nee |
|
||||
| Lerend werken | – verblijf als stagiair – verblijf als practicant | Ja |
|
||||
| Arbeid als niet geprivilegieerd militair of niet geprivilegieerd burgerpersoneel | – verblijf als niet-geprivilegieerd militair of burgerpersoneel | Nee |
|
||||
| Studie | – studie hoger onderwijs – studie voortgezet en beroepsonderwijs – aanvullende examens | Ja |
|
||||
| Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst | – zoekjaar regeling afgestudeerden – zoekjaar regeling hoogopgeleiden | Ja |
|
||||
| Uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag | – au pair – uitwisseling particuliere organisatie (niet WHS/WHP) – uitwisseling WHS – uitwisseling WHP | Ja |
|
||||
| Medische behandeling | – medische behandeling | Ja |
|
||||
| Tijdelijke humanitaire gronden | – slachtoffer mensenhandel – buiten zijn schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken – AMV (alleenstaand minderjarige vreemdeling) – eergerelateerd geweld – kinderbeschermingsmaatregel | Ja |
|
||||
| Het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de RWN | – artikel 17 RWN | Ja |
|
||||
| Niet-tijdelijke humanitaire gronden | – wedertoelating – voortgezet verblijf om humanitaire redenen | Nee |
|
||||
|
||||
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 2 of 3 moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor paragraaf 3.2 en Bijlage 6. Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor paragraaf 3.4.
|
||||
|
||||
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.
|
||||
|
||||
*** Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, indien dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
|
||||
|
||||
**** In deze gevallen dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld, te worden geraadpleegd om te bezien of het verblijfsrecht al dan niet-tijdelijk is.
|
||||
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 van de Assiociatieraad EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN.
|
||||
|
||||
#### 4
|
||||
|
||||
1. De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
|
||||
|
||||
a. gezinshereniging of gezinsvorming;
|
||||
b. verblijf ter adoptie of als pleegkind;
|
||||
c. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;
|
||||
d. familiebezoek;
|
||||
e. het verrichten van arbeid als zelfstandige;
|
||||
f. het verrichten van arbeid in loondienst;
|
||||
g. het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar;
|
||||
h. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
|
||||
i. het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat;
|
||||
j. het doorbrengen van verlof in Nederland;
|
||||
k. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat;
|
||||
l. verblijf als stagiaire of practicant;
|
||||
m. verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
|
||||
n. het volgen van studie;
|
||||
o. de voorbereiding op studie;
|
||||
p. verblijf als au pair;
|
||||
q. verblijf in het kader van uitwisseling;
|
||||
r. het ondergaan van medische behandeling;
|
||||
s. de vervolging van mensenhandel;
|
||||
t. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
|
||||
u. voortgezet verblijf;
|
||||
v. wedertoelating;
|
||||
w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
|
||||
x. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling;
|
||||
y. verblijf als kennismigrant als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen;
|
||||
z. werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen;
|
||||
aa. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene;
|
||||
bb. verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG.
|
||||
2. De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.
|
||||
3. Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.
|
||||
4. Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, indien de verblijfsvergunning is verleend onder één van de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met r, en het derde lid. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over deze beperkingen.
|
||||
2013680729-03-201326-03-2013WBN2013/12013680729-03-201326-03-2013WBN2013/101-06-2013
|
||||
|
||||
#### 5
|
||||
|
||||
1. Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is tijdelijk of niet tijdelijk.
|
||||
2. Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband houdend met:
|
||||
|
||||
a. gezinsvorming of gezinshereniging met, of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij, een persoon met tijdelijk verblijfsrecht of een houder van de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28 van de Wet;
|
||||
b. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirantadoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;
|
||||
c. familiebezoek;
|
||||
d. het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
|
||||
e. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
|
||||
f. het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
|
||||
g. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
|
||||
h. verblijf als stagiaire of als practicant;
|
||||
i. verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
|
||||
j. het volgen van studie;
|
||||
k. de voorbereiding op studie;
|
||||
l. verblijf als au pair;
|
||||
m. verblijf in het kader van uitwisseling;
|
||||
n. het ondergaan van medische behandeling;
|
||||
o. de vervolging van mensenhandel;
|
||||
p. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
|
||||
q. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; of
|
||||
r. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
|
||||
3. Indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, is het verblijfsrecht niet-tijdelijk, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald.
|
||||
2013680729-03-201326-03-2013WBN2013/12013680729-03-201326-03-2013WBN2013/101-06-2013
|
||||
|
||||
#### 6
|
||||
|
||||
| Verblijfsvergunning | Reden voor intrekking/niet-verlenging (artikel 18/19 Vw 2000) |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) | – Verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland. – Verstrekken onjuiste gegevens bij verlening/verlenging van vergunning. – Niet meer zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. – Gevaar voor openbare orde of nationale veiligheid. – Niet meer voldoen aan de beperking (voorwaarden) of voorschrift waaronder verblijfsvergunning is verleend. – Werken in strijd met Wet arbeid Vreemdelingen. – Geen geldig document voor grensoverschrijding (alleen reden voor niet verlenging). – Niet tijdig indienen verlengingsaanvraag (alleen reden voor niet verlenging; artikel 3.80 e.v. Vb 2000). |
|
||||
| | |
|
||||
|
||||
| Verblijfsvergunning | Reden intrekking (artikel 22 Vw 2000) |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) | – Afwezigheid van het grondgebied (*) – Frauduleuze verkrijging – Actuele en (voldoende) ernstige bedreiging voor openbare orde of nationale veiligheid – Langdurig ingezetene geworden in een andere lidstaat |
|
||||
|
||||
* Afwezigheid van het grondgebied.
|
||||
|
||||
Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verblijven of gedurende zes jaar afwezig zijn geweest van het Nederlands grondgebied. Uitzonderingen hierop zijn:
|
||||
|
||||
– Studenten; de houder van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, ongeacht of het gaat om een langdurig ingezetene, die langer dan zes jaar voor studiedoeleinden in een of meer andere lidstaten heeft verbleven;
|
||||
– Verblijf binnen EER/Zwitserland; in geval van verblijf buiten de Gemeenschap, maar nog wel binnen de EER (IJsland, Noorwegen, Liechtenstein) of Zwitserland blijft intrekking achterwege.
|
||||
|
||||
| Verblijfsvergunning | Reden voor intrekking/niet-verlenging (artikel 32 Vw 2000) |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Asiel voor bepaalde tijd (verblijfsdocument III) | – Verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland. – Grond voor verlening is komen te vervallen. – Verstrekken onjuiste gegevens bij verlening. – Gevaar voor openbare orde of nationale veiligheid. |
|
||||
|
||||
| Verblijfsvergunning | Reden voor intrekking (artikel 35 Vw 2000) |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Asiel voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument IV) | – Verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland. – Verstrekken onjuiste gegevens bij verlening van vergunning. – Gevaar voor openbare orde (veroordeling wegens misdrijf dat kan worden bestraft met gevangenisstraf van drie jaar of meer) of nationale veiligheid. |
|
||||
2013680729-03-201326-03-2013WBN2013/12013680729-03-201326-03-2013WBN2013/101-06-2013
|
||||
|
||||
#### 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue