2026-01-01 | BWBR0018472 | Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

This commit is contained in:
Coornhert 2026-01-01 12:00:00 +00:00
parent a05d6ca075
commit 8648d0d7c8

View file

@ -102,6 +102,22 @@ In afwijking van artikel 3, eerste lid, wordt degene die ingevolge artikel 5a,
In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel e, en artikel 3, tweede lid, onderdeel e, wordt onder medebewoner, onderscheidenlijk partner van de belanghebbende, niet verstaan de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij onder de reikwijdte valt van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 71/1) of een verlenging van dat besluit, tenzij ook de belanghebbende deze tijdelijke bescherming geniet. In afwijking van de eerste zin wordt wel als partner van de belanghebbende aangemerkt de vreemdeling die deze tijdelijke bescherming geniet, die op grond van een andere bepaling dan artikel 3, tweede lid, onderdeel e, partner van de belanghebbende is.
### Artikel 3c
**1.**
In afwijking van artikel 3, eerste en tweede lid, wordt op verzoek van de belanghebbende voor de toepassing van deze wet onder partner van de belanghebbende niet verstaan een persoon:
a. van wie de belanghebbende aannemelijk maakt dat deze vermist is;
b. jegens wie een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven of die is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel gedurende de periode dat dit bevel of die straf of maatregel ten uitvoer wordt gelegd voor zover die periode meer dan drie maanden bedraagt.
**2.**
In afwijking van artikel 3, eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet gedurende de periode dat de belanghebbende rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel c of onderdeel d, van de Vreemdelingenwet 2000, niet als partner aangemerkt degene die:
a. reeds voorafgaand aan het rechtmatig verblijf van de belanghebbende de echtgenoot of geregistreerd partner was van de belanghebbende; en
b. niet is ingeschreven en niet ingeschreven is geweest als ingezetene in de basisregistratie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet basisregistratie personen.
### Artikel 4
**1.** Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en als ingezetene op hetzelfde woonadres als de belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.
@ -132,13 +148,13 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede voor
**2.** Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.
**3.** Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 37.395, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de belanghebbende en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar een gezamenlijke rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben van meer dan € 74.790. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.
**3.** Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de belanghebbende en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar een gezamenlijke rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben van meer dan € 76.958. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.
**4.** Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen van medebewoners, bestaat tevens geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de rendementsgrondslag van een medebewoner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 37.395, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het bepaalde in de eerste en tweede volzin geldt alleen ten aanzien van degenen van wie het medebewonerschap het gehele berekeningsjaar heeft geduurd. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.
**4.** Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen van medebewoners, bestaat tevens geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de rendementsgrondslag van een medebewoner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het bepaalde in de eerste en tweede volzin geldt alleen ten aanzien van degenen van wie het medebewonerschap het gehele berekeningsjaar heeft geduurd. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.
**5.** Voor de toepassing van het derde en vierde lid alsmede voor de toepassing van bepalingen in inkomensafhankelijke regelingen die verwijzen naar artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden bezittingen en schulden die ten grondslag liggen aan het niet in Nederland belastbare inkomen, begrepen in het bedrag aan rendementsgrondslag.
**6.** Het toetsingsinkomen van een medebewoner die een eerstegraads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, en die bij de aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt, wordt voor de toepassing van het tweede lid slechts in aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 6.042.
**6.** Het toetsingsinkomen van een medebewoner die een eerstegraads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, of een persoon is voor wie de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner in enig jaar een pleegvergoeding heeft ontvangen op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet dan wel voor wie de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, en die bij de aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt, wordt voor de toepassing van het tweede lid slechts in aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 6.218.
**7.** Met betrekking tot het bedrag vermeld in het zesde lid zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
@ -241,11 +257,11 @@ b. de Dienst Toeslagen geen dwangsom verbeurt indien de toekenning van de tegemo
### Artikel 13
**1.** In afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt in het verkeer tussen belanghebbenden en de Dienst Toeslagen een bericht uitsluitend elektronisch verzonden.
**1.** In afwijking van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in het verkeer tussen belanghebbenden of partijen als bedoeld in artikel 38, eerste, vierde of negende lid, en de Dienst Toeslagen een bericht uitsluitend elektronisch verzonden.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het elektronische berichtenverkeer plaatsvindt.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen berichten en groepen van belanghebbenden worden aangewezen waarvoor, alsmede omstandigheden worden aangewezen waaronder, het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen berichten en groepen van belanghebbenden of partijen als bedoeld in artikel 38, eerste, vierde of negende lid, worden aangewezen waarvoor, alsmede omstandigheden worden aangewezen waaronder, het berichtenverkeer kan plaatsvinden anders dan langs elektronische weg.
### Artikel 13a
@ -279,7 +295,7 @@ b. de Dienst Toeslagen geen dwangsom verbeurt indien de toekenning van de tegemo
### Artikel 15
**1.** Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar kan tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. Indien de belanghebbende of diens partner voor de in de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een medebewoner is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen en de aanvraag betrekking heeft op een tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling waarin is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming. Indien meer dan een van de personen, bedoeld in de tweede en derde volzin, is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen, wordt voor de toepassing van die volzinnen uitgegaan van de aangifte waarvan de indieningstermijn het laatst verloopt.
**1.** Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar kan tot en met 31 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. Indien de belanghebbende of diens partner voor de in de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een medebewoner is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen en de aanvraag betrekking heeft op een tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling waarin is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming. Indien meer dan een van de personen, bedoeld in de tweede en derde volzin, is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen, wordt voor de toepassing van die volzinnen uitgegaan van de aangifte waarvan de indieningstermijn het laatst verloopt.
**2.** De belanghebbende is gehouden de voor de beslissing op de aanvraag benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken.
@ -362,9 +378,11 @@ b. de bepaling van de hoogte van een voorschot op de tegemoetkoming of het herzi
**2.** Indien voor geen van de in het eerste lid bedoelde personen over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting of een beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld, kent de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe uiterlijk 31 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar.
**3.** De in de vorige leden genoemde termijn wordt verlengd met de tijd die gemoeid is met de verstrekking van de door de Dienst Toeslagen gevraagde gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 18 en 38, die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming.
**3.** In afwijking van het tweede lid kent de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot het berekeningsjaar toe uiterlijk 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag voor de tegemoetkoming is gedaan, indien de aanvraag is gedaan op of na 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar.
**4.** Indien de tegemoetkoming niet binnen de in de vorige leden genoemde termijn kan worden toegekend, stelt de Dienst Toeslagen de belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis onder het noemen van een redelijke termijn waarbinnen toekenning zal plaatsvinden.
**4.** De in de vorige leden genoemde termijn wordt verlengd met de tijd die gemoeid is met de verstrekking van de door de Dienst Toeslagen gevraagde gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 18 en 38, die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming.
**5.** Indien de tegemoetkoming niet binnen de in de vorige leden genoemde termijn kan worden toegekend, stelt de Dienst Toeslagen de belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis onder het noemen van een redelijke termijn waarbinnen toekenning zal plaatsvinden.
### Artikel 20
@ -391,6 +409,26 @@ b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebb
In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Dienst Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende.
### Artikel 21b
**1.**
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen typen van beschikkingen worden aangewezen die de Dienst Toeslagen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, in het voordeel van de belanghebbende buiten beschouwing laat, indien het een beschikking betreft die:
a. terugwerkende kracht heeft; en
b. ertoe leidt dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor aanspraak op de tegemoetkoming.
**2.**
De beschikking blijft buiten beschouwing over de periode tot en met de dag voorafgaand aan de dag waarop de Dienst Toeslagen op de hoogte is van de beschikking bij:
a. de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming;
b. de bepaling van de hoogte van een voorschot op de tegemoetkoming of het herzien van een voorschot op de tegemoetkoming.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van beschikkingen gegeven door de Dienst Toeslagen of de Belastingdienst.
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste en tweede lid.
### Paragraaf 3. Uitbetaling en terugvordering
### Artikel 22
@ -414,6 +452,8 @@ Indien executoriaal beslag is gelegd op een in een of meer termijnen uit te b
a. de uit te betalen termijnen van de voorschotten op elkaar aansluiten, en
b. de schuld waarvoor beslag is gelegd niet geheel is voldaan.
**8.** Indien op grond van artikel 26, tweede lid, de beschikking tot terugvordering tot een lager bedrag is vastgesteld, wordt een daaropvolgend voorschot slechts uitbetaald voor zover het uit te betalen bedrag hoger is dan het bedrag waarmee de beschikking tot terugvordering is verlaagd.
### Artikel 23
**1.**
@ -434,6 +474,8 @@ c. de belanghebbende als uitreiziger is aangemerkt.
**3.** De in het tweede lid bedoelde verrekening kan leiden tot een terug te vorderen bedrag.
**4.** Indien op grond van artikel 26, tweede lid, de beschikking tot terugvordering tot een lager bedrag is vastgesteld, wordt een daaropvolgende tegemoetkoming slechts uitbetaald voor zover het uit te betalen bedrag hoger is dan het bedrag waarmee de beschikking tot terugvordering is verlaagd.
### Artikel 24a
De Dienst Toeslagen kan afzien van het uitbetalen van een tegemoetkoming:
@ -463,7 +505,7 @@ c. indien de belanghebbende als uitreiziger is aangemerkt.
### Artikel 26a
**1.** Indien een herziening van een toegekende tegemoetkoming of een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, wordt dit bedrag niet teruggevorderd indien dat niet meer bedraagt dan € 118. Bij de vaststelling van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming of de beschikking tot herziening van de tegemoetkoming, bedoeld in de eerste zin, wordt de beschikking tot terugvordering vastgesteld op nihil. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing indien na de vaststelling van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming of de herziening, bedoeld in de eerste zin, het terug te vorderen bedrag bij het vaststellen of het herzien van de beschikking tot terugvordering is verminderd ingevolge artikel 26, tweede lid, en dat bedrag na die vermindering niet meer bedraagt dan € 118.
**1.** Indien een herziening van een toegekende tegemoetkoming of een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, wordt dit bedrag niet teruggevorderd indien dat niet meer bedraagt dan € 121. Bij de vaststelling van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming of de beschikking tot herziening van de tegemoetkoming, bedoeld in de eerste zin, wordt de beschikking tot terugvordering vastgesteld op nihil. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing indien na de vaststelling van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming of de herziening, bedoeld in de eerste zin, het terug te vorderen bedrag bij het vaststellen of het herzien van de beschikking tot terugvordering is verminderd ingevolge artikel 26, tweede lid, en dat bedrag na die vermindering niet meer bedraagt dan € 121.
**2.** Met betrekking tot het bedrag, vermeld in het eerste lid, zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
@ -482,15 +524,11 @@ b. de verwerking van door of namens de belanghebbende aangeleverde gegevens.
### Artikel 27
**1.** Over uit te betalen bedragen wordt rente vergoed en over terug te vorderen bedragen wordt rente in rekening gebracht.
**2.** De rente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.
**3.** Het percentage van de rente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor de in rekening te brengen en voor de te vergoeden rente verschillend kan worden vastgesteld.
Vervallen
### Artikel 28
**1.** De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Dienst Toeslagen.
**1.** De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Dienst Toeslagen.
**2.** Het bedrag van een bestuurlijke boete moet worden betaald binnen zes weken na de dagtekening van de boetebeschikking.
@ -502,11 +540,7 @@ Bij overschrijding van de in artikel 28 bedoelde betalingstermijn is rente versc
### Artikel 29a
**1.** Voor verschuldigde bedragen aan terugvorderingen waarvan de beschikking tot terugvordering een dagtekening heeft van 28 februari 2022 of eerder, waarvan de betalingstermijn, bedoeld in artikel 28, is verstreken en waarop geen uitstel van betaling krachtens artikel 31 van toepassing was, verleent de Dienst Toeslagen aan de belanghebbende per brief ambtshalve uitstel van betaling tot en met vier weken na dagtekening van de brief, welke termijn tweemaal per brief kan worden verlengd met steeds zeven dagen, en stelt de Dienst Toeslagen de belanghebbende in de gelegenheid tot verder uitstel van betaling volgens de krachtens artikel 31 geldende regels en termijnen.
**2.** In afwijking van artikel 29 is geen rente verschuldigd over een terugvordering als bedoeld in het eerste lid voor zover het bedrag van die terugvordering is betaald voor het aflopen van de termijnen, bedoeld in het eerste lid, of binnen de door de Dienst Toeslagen in het kader van een verleend uitstel van betaling krachtens artikel 31 gestelde betalingstermijnen.
**3.** Dit artikel geldt niet voor verschuldigde bedragen waarop het moratorium, bedoeld in artikel 49i, negende lid, van toepassing is.
Vervallen
### Artikel 30
@ -514,7 +548,7 @@ Bij overschrijding van de in artikel 28 bedoelde betalingstermijn is rente versc
**2.** De Dienst Toeslagen is tevens bevoegd, in afwijking van artikel 3 van de Invorderingswet 1990, tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met aan hem uit te betalen bedragen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, en belastingrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting.
**3.** Een verrekening vindt niet eerder plaats dan nadat de termijn bedoeld in artikel 28 is verstreken. De in de artikelen 27 en 29 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten kunnen in de verrekening worden betrokken.
**3.** Een verrekening vindt niet eerder plaats dan nadat de termijn bedoeld in artikel 28 is verstreken. De in artikel 29 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten kunnen in de verrekening worden betrokken.
### Artikel 31
@ -522,7 +556,7 @@ Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen
### Artikel 31bis
De Dienst Toeslagen kan het bedrag van een terugvordering, de met die terugvordering samenhangende rente, bedoeld in de artikelen 27 en 29, en kosten van invordering alsmede het bedrag van een bestuurlijke boete, niet geheel of gedeeltelijk kwijtschelden.
De Dienst Toeslagen kan het bedrag van een terugvordering, de met die terugvordering samenhangende rente, bedoeld in artikel 29, en kosten van invordering alsmede het bedrag van een bestuurlijke boete, niet geheel of gedeeltelijk kwijtschelden.
### Artikel 31ter
@ -543,7 +577,7 @@ c. naar aanleiding van de beslissing van de ontvanger om geen medewerking te ver
### Artikel 31a
In afwijking van artikel 28 heeft de belanghebbende de verplichting om het bedrag van een terugvordering, daaronder begrepen de rente, bedoeld in artikel 27, alsmede het bedrag van een bestuurlijke boete, terstond en tot het volle bedrag te betalen aan de Dienst Toeslagen indien:
In afwijking van artikel 28 heeft de belanghebbende de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede het bedrag van een bestuurlijke boete, terstond en tot het volle bedrag te betalen aan de Dienst Toeslagen indien:
a. de belanghebbende in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en het terug te vorderen bedrag onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt;
b. de Dienst Toeslagen aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belanghebbende zullen worden verduisterd;
@ -555,9 +589,9 @@ g. ten laste van de belanghebbende een vordering wordt gedaan als bedoeld in art
### Artikel 32
**1.** Indien de belanghebbende het bedrag van de terugvordering, daaronder begrepen de in artikel 27 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten, niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de Dienst Toeslagen hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
**1.** Indien de belanghebbende het bedrag van de terugvordering, daaronder begrepen de bestuurlijke boeten, niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de Dienst Toeslagen hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
**2.** De invordering van het bedrag van de terugvordering kan geschieden bij een door de Dienst Toeslagen uit te vaardigen dwangbevel. In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde renten worden ingevorderd.
**2.** De invordering van het bedrag van de terugvordering kan geschieden bij een door de Dienst Toeslagen uit te vaardigen dwangbevel. In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde rente worden ingevorderd.
**3.** De betekening van het dwangbevel geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 13 van de Invorderingswet 1990.
@ -571,7 +605,7 @@ g. ten laste van de belanghebbende een vordering wordt gedaan als bedoeld in art
### Artikel 33
**1.** De partner van de belanghebbende is hoofdelijk aansprakelijk voor een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering, daaronder begrepen de in de artikelen 27 en 29 bedoelde rente alsmede de kosten van aanmaning en de kosten van invordering bij dwangbevel. De partner is niet aansprakelijk voor een aan de belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete, tenzij het belopen daarvan mede aan hem is te wijten.
**1.** De partner van de belanghebbende is hoofdelijk aansprakelijk voor een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering, daaronder begrepen de in artikel 29 bedoelde rente alsmede de kosten van aanmaning en de kosten van invordering bij dwangbevel. De partner is niet aansprakelijk voor een aan de belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete, tenzij het belopen daarvan mede aan hem is te wijten.
**2.** Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, is ieder van de medebewoners hoofdelijk aansprakelijk voor een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering en, overeenkomstig het eerste lid, voor de in te vorderen bedragen die verband houden met die terugvordering.
@ -595,7 +629,7 @@ In afwijking van artikel 4:92, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ges
a. de kosten van invordering;
b. de rente bij te late betaling;
c. de terugvordering, de in rekening gebrachte rente bedoeld in artikel 27 en de bestuurlijke boete, naar evenredigheid.
c. de terugvordering en de bestuurlijke boete, naar evenredigheid.
### Paragraaf 4. Bezwaar, beroep en hoger beroep
@ -621,9 +655,7 @@ In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn
**6.** Een bezwaar tegen de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning van een tegemoetkoming die is vervat in hetzelfde geschrift.
**7.** Indien de Dienst Toeslagen besluit tot openbaarmaking van een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 42a en beide besluiten in één geschrift zijn vervat, wordt een bezwaarschrift tegen de boete geacht mede te zijn gericht tegen de openbaarmaking ervan, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
**8.** De Dienst Toeslagen kan uitspraken op bezwaar in de in het eerste tot en met zevende lid bedoelde gevallen vervatten in één geschrift.
**7.** De Dienst Toeslagen kan uitspraken op bezwaar in de in het eerste tot en met zevende lid bedoelde gevallen vervatten in één geschrift.
### Artikel 37a
@ -690,20 +722,11 @@ Voor de toepassing van de artikelen 9a, 16, zevende lid, eerste volzin, aanhef e
### Artikel 40
**1.** Degene die op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gehouden is tot het verstrekken van gegevens of inlichtingen en deze niet, dan wel niet binnen de daartoe gestelde termijn, heeft verstrekt, begaat een verzuim ter zake waarvan de Dienst Toeslagen hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen.
**1.** Degene die op grond van artikel 38, eerste, tweede of vierde lid gehouden is tot het verstrekken van gegevens of inlichtingen en deze niet, dan wel niet binnen de daartoe gestelde termijn, heeft verstrekt, begaat een verzuim ter zake waarvan de Dienst Toeslagen hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6.709 kan opleggen.
**2.**
**2.** De bestuurlijke boete kan door de Dienst Toeslagen slechts worden opgelegd indien de Dienst Toeslagen een redelijkerwijs te vergen inspanning heeft verricht om degene die niet heeft voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 38, eerste, tweede of vierde lid, in de gelegenheid te stellen alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen binnen een redelijke termijn te verstrekken en de gegevens of inlichtingen niet zijn verstrekt binnen de daartoe gestelde termijn.
De bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, kan door de Dienst Toeslagen ter zake van een verzuim ten aanzien van een verplichting als bedoeld in artikel 18, eerste lid, slechts worden opgelegd indien de Dienst Toeslagen:
a. een redelijkerwijs te vergen inspanning heeft verricht om de persoon die niet heeft voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 18, eerste lid, in de gelegenheid te stellen alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen binnen een redelijke termijn te verstrekken voordat die persoon is aangemaand als bedoeld in artikel 18, derde lid; en
b. de gegevens of inlichtingen niet zijn verstrekt binnen de aanmaningstermijn, bedoeld in artikel 18, derde lid.
**3.** Bij het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, is hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, met uitzondering van de artikelen 67n en 67pa, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
**4.** Bij het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing.
**5.** In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, vijf jaren nadat de overtreding is begaan.
**3.** In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, vijf jaren nadat de overtreding is begaan.
### Artikel 41
@ -723,13 +746,11 @@ Indien de tegemoetkoming wordt herzien als gevolg van:
a. een eerste bepaling of herziening van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ingeval er geen inkomstenbelasting verschuldigd is, dan wel de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld op nihil;
b. een vaststelling of herziening van een beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen;
worden onder de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, mede verstaan de gegevens of inlichtingen die ten behoeve van deze beschikking aan de inspecteur zijn verstrekt dan wel hadden moeten worden verstrekt.
worden onder de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, mede verstaan de gegevens of inlichtingen die ten behoeve van deze beschikking aan de inspecteur zijn verstrekt dan wel hadden moeten worden verstrekt.
**4.** Bij het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, is hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, met uitzondering van de artikelen 67n en 67pa, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
**4.** In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Toeslagen ter zake van een vergrijp ten aanzien van een verplichting als bedoeld in artikel 38, eerste, tweede of vierde lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
**5.** In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Toeslagen ter zake van een vergrijp ten aanzien van een verplichting als bedoeld in artikel 38, eerste, tweede of vierde lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
**6.** In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, vijf jaren nadat de overtreding is begaan.
**5.** In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, vijf jaren nadat de overtreding is begaan.
### Artikel 41bis
@ -753,7 +774,7 @@ c. degene die als medeplichtige opzettelijk behulpzaam is bij of opzettelijk gel
### Artikel 42
**1.** Indien de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de Dienst Toeslagen alsnog de juiste en volledige gegevens en inlichtingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Dienst Toeslagen met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt aan hem niet de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 40 of artikel 41, opgelegd.
**1.** Indien de overtreder de Dienst Toeslagen alsnog de juiste en volledige gegevens en inlichtingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Dienst Toeslagen met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt aan hem niet de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 41, opgelegd.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de juiste en volledige gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of op inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.1 van die wet.
@ -761,33 +782,7 @@ c. degene die als medeplichtige opzettelijk behulpzaam is bij of opzettelijk gel
### Artikel 42a
**1.**
De Dienst Toeslagen maakt openbaar het besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete die is opgelegd aan een overtreder als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vanwege een vergrijp als bedoeld in artikel 41 dat door de overtreder opzettelijk is begaan tijdens de door hem beroepsmatig of bedrijfsmatig verleende bijstand bij het aanvragen of wijzigen van een tegemoetkoming door een belanghebbende, binnen tien werkdagen na het laatste van de volgende momenten:
a. het moment van onherroepelijk worden van het besluit tot openbaarmaking;
b. het moment van onherroepelijk worden van het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete.
**2.** De Dienst Toeslagen stelt de overtreder, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid een zienswijze naar voren te brengen voordat de Dienst Toeslagen besluit tot openbaarmaking.
**3.** De Dienst Toeslagen gaat niet over tot openbaarmaking als bedoeld in het eerste lid indien de overtreder, bedoeld in het eerste lid, daardoor onevenredig in zijn belang zou worden getroffen.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede en derde lid.
**5.**
Indien de Dienst Toeslagen het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, openbaar maakt, maakt hij tevens de volgende gegevens op de website van de Belastingdienst openbaar, voor zover deze niet reeds blijken uit het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete:
a. de naam van de overtreder;
b. de wettelijke grondslag van de boete;
c. het bedrag van de boete;
d. de dagtekening van de boete;
e. het jaar waarin de beboetbare gedraging is begaan;
f. de naam van de plaats waar de overtreder het vergrijp, bedoeld in het eerste lid, heeft begaan.
**6.** Het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst.
**7.** De gegevens, bedoeld in het vijfde lid, blijven gedurende een periode van vijf jaren na openbaarmaking beschikbaar op de website van de Belastingdienst.
Vervallen
## Hoofdstuk 3. Toezicht en opsporing
@ -844,6 +839,10 @@ Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat b
## Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
### Artikel 47b
De artikelen 27, 28, 30, 31bis, 31a, 32, 33 en 34 alsmede de daarop berustende bepalingen zoals die luidden op 31 december 2025 blijven van toepassing met betrekking tot beschikkingen die zien op de berekeningsjaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, voorafgaand aan het berekeningsjaar 2026, met dien verstande dat voor die beschikkingen het percentage voor de in rekening te brengen rente en voor de te vergoeden rente met ingang van 1 januari 2026 0% bedraagt.
### Artikel 48
Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens vijfjaarlijks, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.