From 8672c21e1859d19dfd95600102807f50221e6124 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 23 Jun 2012 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2012-06-23 | BWBR0031691 | Inkomstenbelasting, lijfrenten en rechten op periodieke uitkeringen --- .../BWBR0031691/README.md | 142 ++++++++++++++++-- 1 file changed, 131 insertions(+), 11 deletions(-) diff --git a/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md b/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md index fbf3547b78c..fe35e8f0ffc 100644 --- a/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md +++ b/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-en-rechten-op-periodieke-uitkeringen/BWBR0031691/README.md @@ -18,11 +18,54 @@ De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. ## 1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, lijfrentespaarrekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenten en de aftrek van de inleg voor lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de Wet IB 2001. Het beleidsstandpunt uit het besluit van 19 augustus 2011, nr. BLKB 2011/1576M over toerekening van lijfrentetermijnen aan de echtgenoot, is in dit besluit opgenomen. Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de Invoeringswet Wet IB 2001. + +Waar hierna in dit besluit gesproken wordt over een lijfrentespaarrekening wordt ook bedoeld een lijfrentebeleggingsrecht. + +Naast de aanpassingen van het besluit aan de gewijzigde wetgeving zijn in dit besluit nieuwe standpunten opgenomen over, dan wel toegevoegd aan de volgende onderwerpen: + +– Restsaldo lijfrentespaarrekening na de laatste uitkering (2.2.5); +– Beloning tussenpersoon (2.4); +– Gelijkstelling beloning tussenpersoon met lijfrente-inleg (2.4.1); +– Met een lijfrentepremie/-inleg gelijk te stellen beloningscomponenten van de tussenpersoon (2.4.2); +– Herstel (foutieve) overboeking naar lijfrentespaarrekening (2.6); +– Toerekening premies voor periodieke uitkeringen arbeidsongeschiktheid aan maten in maatschapsverband (3.2.1); +– Overgangsregeling uitkeringen arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (3.2.3); +– Tussentijdse beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (3.4); +– Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten; niet-natuurlijk persoon (4.2.1); +– Overlijden voordat de lijfrente is vastgesteld (4.2.3); +– Wettelijke termijn met ingang van 1 januari 2010 (4.6.2); +– Gevolgen voor contracten die in 2009 expireerden (4.6.3); +– Stroomlijning voorwaarden voor lijfrentebeleggingsrechten (4.7); +– Omzetting lijfrenteverzekering in lijfrentespaarrekening en omgekeerd (4.8); +– Voorwaarden buitenlandse aanbieders van voortgezette lijfrente of arbeidsongeschiktheidsverzekering (4.9); +– Pré-Bredeherwaarderinglijfrente; vervreemding om niet aan niet-inwoner (5.4); +– Toepassing van artikel 69 van de Wet IB 1964 op naar nieuw regime omgezette lijfrenten (5.5); +– Inkomensgerelateerde inkomensvoorzieningen; overgangsregeling Wet VPL en pensionering vóór 65 jaar (6.1.13); +– Schuldig gebleven premie (7.1.3); +– Geen schending van voorwaarden bij ‘afkoop’ kleine lijfrente (9.1.1); +– Toepassing regeling voor afkoop kleine lijfrenten bij nabestaandenlijfrenten (9.1.4); +– Toedeling nabestaandenlijfrenten (9.1.5); +– Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker (9.1.6). + +In dit besluit staan geen beleidsstandpunten die specifiek betrekking hebben op lijfrenten en stamrechten in de winstsfeer. Deze standpunten zijn opgenomen in een apart besluit (besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M). ### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +| Wet inkomstenbelasting 2001: | Wet IB 2001 | +| --- | --- | +| Wet op de inkomstenbelasting 1964: | Wet IB 1964 | +| Algemene wet inzake rijksbelastingen: | AWR | +| Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001: | Invoeringswet | +| Wet op de loonbelasting 1964: | Wet LB 1964 | +| Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965: | Uitv.Besl. LB 1965 | +| Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001: | Uitv.Besl. IB 2001 | +| Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001: | Uitv.Reg. IB 2001 | +| Wet op het financieel toezicht: | Wft | +| Algemene nabestaandenwet: | Anw | +| Wet IB 1964; regime 1992 t/m 2000: | Brede Herwaardering | +| Wet IB 1964; regime vóór 1992: | Pré-Brede Herwaardering | +| Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling: | Wet VPL | ## 2. Voorwaarden voor lijfrenten ( @@ -247,7 +290,25 @@ Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is v #### 4.2.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Een nabestaandenlijfrente moet ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of zijn gewezen partner (artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Uitstel van de ingangsdatum van de nabestaandenlijfrente leidt in beginsel tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Er geldt een wettelijke termijn om de nabestaandenlijfrente vorm te geven en te doen ingaan (artikel 3.133, derde lid, van de Wet IB 2001). Het benutten van die wettelijke termijn is niet aan te merken als het uitstellen van het ingaan van de nabestaandenlijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrentespaarrekening. + +Tot en met 2000 kon voor de toepassing van de Wet IB 1964 een ingegane nabestaandenlijfrente fiscaal geruisloos door de gerechtigde worden omgezet in een andere (uitgestelde) lijfrente die op grond van artikel 45 van de Wet IB 1964 was toegestaan. Met ingang van 1 januari 2001 geldt echter het volgende. Als een lijfrente zodanig wordt gewijzigd of omgezet, dat de lijfrente ‘beoordeeld vanuit de verzekeringnemer’ niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125 van de Wet IB 2001, worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Dit brengt mee dat een nabestaandenlijfrente met ingang van 2001 niet meer fiscaal geruisloos kan worden omgezet in bijvoorbeeld een lijfrente die voor de nabestaanden is aan te merken als een (uitgestelde) oudedagslijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrentespaarrekening. + +Hierop bestaat als uitzondering de situatie waarin de ingegane nabestaandenlijfrente ontstaat als gevolg van het overlijden van de partner van de verzekeringnemer en de verzekeringnemer ook de begunstigde van de lijfrente is. De nabestaandenlijfrente kan dan fiscaal geruisloos worden omgezet in een al dan niet uitgestelde (tijdelijke) oudedagslijfrente ten behoeve van de verzekeringnemer. + +Het voorgaande (geruisloze omzetting) geldt ook voor nabestaandenlijfrenten die zijn bedongen met toepassing van artikel 45 van de Wet IB 1964 en die na 1 januari 2001 worden of zijn omgezet. Artikel 3.133 Wet IB 2001 is namelijk ook van toepassing op dergelijke lijfrenten (Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, eerste lid, van de Invoeringswet). Zie voor Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten die zijn aangepast aan de Wet IB 2001onderdeel 5.3. + +Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten kunnen alleen natuurlijke personen zijn. In de praktijk doet zich de situatie voor dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld. Op het tijdstip van overlijden komt op grond van het testament vast te staan dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling. + +Op dat ondeelbare tijdstip voldoet deze nabestaandenlijfrente niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. Bij de overledene worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Dit geldt alleen voor het aandeel van de niet-natuurlijke persoon in de nabestaandenlijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrentespaarrekening. + +Het is mogelijk dat deze niet-natuurlijk persoon ten gunste van de andere erfgenamen afstand doet van zijn begunstiging. Het afstand doen gebeurt echter na het tijdstip van overlijden. Formeel voldoet de nabestaandenlijfrente op dat tijdstip niet meer aan de voorwaarden. Daarom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. + +Als een niet-natuurlijk persoon afstand doet van de begunstiging te gunste van de andere erfgenamen, worden er geen negatieve uitgaven bij de overledene in aanmerking genomen. + +Ik stel hierbij als voorwaarde dat de nabestaandenlijfrente wel aan de overige voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 voldoet. + +In artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 3, Wet IB 2001, is bepaald welke mogelijkheden er zijn om na overlijden een lijfrentespaarrekening te gebruiken voor uitkeringen aan onder meer kinderen die jonger zijn dan 30 jaar. Hierbij merk ik op dat het begrip ‘jaren’ niet wordt opgevat als hele jaren, zodat uitkeringen uit de lijfrentespaarrekening mogen eindigen op het tijdstip waarop het kind de 30-jarige leeftijd bereikt. #### 4.2.2. Goedkeuring; uitstel nabestaandenlijfrente tot tijdstip beëindiging @@ -294,7 +355,13 @@ Ik keur goed dat voor de bepaling van de (1%) sterftekans wordt uitgegaan van de #### 4.5.1. Vanaf 2006 geen premieaftrek meer voor overbruggingslijfrente; eerbiedigende werking -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Met ingang 1 januari 2006 is geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenten die voorafgaan aan de pensioendatum (overbruggingslijfrenten). Wel is het mogelijk om in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover er sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (eerbiedigende werking; artikel 10a.1 van de Wet IB 2001). De eerbiedigende werking is overigens beperkt tot aanspraken waarvan de premies vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. + +Als voorwaarde voor de eerbiedigende werking geldt dat de polis (mede) betrekking heeft op een overbruggingslijfrente. Dit houdt in dat de overbruggingslijfrente uitdrukkelijk (mede) verzekerd moet zijn. In vele bestaande lijfrentepolissen worden overbruggingslijfrenten niet met zoveel woorden genoemd. Meestal zijn uitsluitend de oudedagslijfrenten in de polis opgenomen, met als achterliggende gedachte dat op grond van de Wet IB 2001 (wettekst tot en met 2005) een fiscaal geruisloze omzetting in een overbruggingslijfrente steeds mogelijk is. Alleen als de overbruggingslijfrente in 2005 uitdrukkelijk in de bestaande lijfrentepolis was opgenomen, kan op grond van de wettekst in de toekomst gebruik gemaakt worden van de eerbiedigende werking van het overgangsrecht. + +Om te voorkomen dat lijfrentepolissen die op 31 december 2005 niet (mede) betrekking hadden op een overbruggingslijfrente niet zouden kunnen leiden tot een overbruggingslijfrente, keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Op 31 december 2005 bestaande lijfrenten mogen worden omgezet in een overbruggingslijfrente. Dat geldt ook voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting in een lijfrente van de fiscale oudedagsreserve en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst. + +Het voorgaande geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) en artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964. Dergelijke stamrechten mogen worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kan ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005. Voor de hoogte van de overbruggingslijfrente verwijs ik naar onderdeel 9.4. #### 4.5.2. Overige aspecten in verband met afschaffen van de overbruggingslijfrente @@ -318,7 +385,13 @@ Als minimumtermijn voor het vaststellen van de lijfrente bij in leven zijn van d #### 4.6.2. Wettelijke termijn met ingang van 1 januari 2010 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Met ingang van 1 januari 2010 is de termijn waarbinnen een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen in de Wet IB 2001 vastgelegd (artikel 3.133, derde lid). Voor lijfrenten waarop het regime van de Wet IB 1964, tekst tot en met 1991, nog van toepassing is, is de bepaling met gelijke strekking in onderdeel O, zesde lid, van de Invoeringswet. Door deze bepaling is het mogelijk dat de uitkeringsfase van een levenslange oudedagslijfrente aanvangt op een hogere leeftijd dan 70 jaar. De expiratie- of einddatum van de opbouwfase moet echter wel liggen in het kalenderjaar waarin de belanghebbende 70 jaar wordt. + +Wordt de lijfrente niet uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de wettelijke termijn eindigt bedongen, dan wordt de aanspraak geacht fiscaal te zijn afgekocht dan wel te zijn gedeblokkeerd. Onder bijzondere omstandigheden kan de inspecteur deze termijn verlengen. Van een dergelijke omstandigheid is in het algemeen slechts sprake als de overschrijding van de wettelijke termijn niet aan de belanghebbende is te wijten. Bijvoorbeeld als de belanghebbende wel alles heeft gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht kan worden om de lijfrente te doen ingaan binnen de wettelijke termijn, maar de verzekeraar, de bank of de tussenpersoon nalatig is geweest bij het vaststellen van de lijfrente. Een ander voorbeeld is de situatie waarin de belanghebbende van de verzekeraar, de bank of de tussenpersoon vóór het einde van de wettelijke termijn geen enkele mededeling heeft ontvangen over het bereiken van de contractuele datum waarop deze moet ingaan. Ook kan het zijn dat het overschrijden van de wettelijke termijn niet verwijtbaar is als gevolg van een langdurige ziekte van de belanghebbende of van één van zijn gezinsleden. + +In gevallen waarin een nabestaandenlijfrente moet ingaan, komt het voor dat de verzekeraar niet binnen de wettelijke termijn in kennis wordt gesteld van het overlijden en de belanghebbenden niet op de hoogte zijn van het bestaan van de lijfrente. In een dergelijk geval gaat de wettelijke termijn pas in vanaf het tijdstip waarop de verzekeraar of de bank dan wel de belanghebbenden de relevante informatie bereikt. + +In al deze gevallen van overschrijding van de wettelijke termijn ligt het op de weg van de belanghebbende om aan de inspecteur aannemelijk te maken dat die overschrijding niet aan hem te wijten is. Verzoeken om toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) bij overschrijding van de wettelijke termijn wijs ik af. Het gebruiken van de wettelijke termijn voor het vaststellen van de lijfrente brengt niet mee dat de belanghebbende verplicht is om de lijfrente – met terugwerkende kracht – te laten ingaan op de contractuele berekeningsdatum of de datum van het overlijden. Ook wat betreft de berekening van de hoogte van de lijfrentetermijnen behoeft geen ‘inhaal’ plaats te vinden. #### 4.6.3. Gevolgen voor contracten die in 2009 expireerden @@ -362,7 +435,9 @@ Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de immigrant in het eerste jaar van binn #### 5.1.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Premies die aanspraak geven op inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.124, onderdelen a t/m c, van de Wet IB 2001 zijn onder voorwaarden aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Daarbij gaat het om premies, waaronder ook koopsommen, voor een overeenkomst van lijfrente of een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Aftrek van dergelijke premies binnen de wettelijke begrenzingen is uitsluitend mogelijk als de overeenkomst voldoet aan bepaalde, nauw omschreven voorwaarden. Het gaat daarbij onder meer om de soort verzekerde uitkeringen, de gerechtigden, de ingangs- en einddata van de uitkeringen en de verzekeraar. + +Hierna ga ik in op situaties waarin lijfrenten zijn gesloten vóór 2001 onder de Wet IB 1964 terwijl de verzekeringnemer de met ingang van 2001 betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek wil brengen. Ik onderscheid hierbij lijfrenten gesloten onder het regime van de Brede Herwaardering (1992 tot en met 2000) en lijfrenten gesloten vóór 1992 (Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten). #### 5.1.2. Brede Herwaarderinglijfrenten @@ -378,18 +453,54 @@ Voor de jaren 2001 en 2002 heb ik voor premies betaald voor van Pré-Brede Herwa ### 5.2. Omzetting in lijfrente IB 2001 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Er is geen sprake van afkoop in fiscale zin als een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek van de Wet IB 2001. Na de omzetting vormt de naar het nieuwe recht vormgegeven aanspraak de voortzetting van de omgezette aanspraak. Dit geldt ook als de bedoelde aanspraak gedeeltelijk wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek. + +Deze omzetting heeft geen gevolgen voor het gedeelte van de lijfrenteverzekering, dat voortvloeit uit premiebetalingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2001. Als het gaat om een premiebetaling zoals omschreven in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Invoeringswet, blijven voor de bepaling van het inkomen uit een dergelijke lijfrenteverzekering altijd de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking). + +Dit geldt ook voor een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente die wordt aangepast aan de voorwaarden voor premieaftrek van het regime IB 2001. Als een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente echter wordt omgezet in een lijfrentespaarrekening gaat op grond van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, negende lid, van de Invoeringswet, het Pré-Brede Herwaarderingsregime verloren. ### 5.3. Ingaan nabestaandenlijfrente bij Pré-Brede Herwaarderingpolis die is aangepast aan IB 2001 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Op grond van het Pré-Brede Herwaarderingregime hoefde een lijfrente ten gevolge van overlijden niet onmiddellijk in te gaan. Voor lijfrenten waarop met ingang van 2001 dat regime nog van toepassing is (Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet), is in de praktijk niet duidelijk of uitstel van het ingaan van de nabestaandenlijfrente geheel of gedeeltelijk is toegestaan. Dit geldt ook als het overlijden plaats vindt nadat de polis was aangepast aan de Wet IB 2001 en één of meer premies zijn afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. + +Een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente verliest als gevolg van de aanpassing aan het lijfrenteregime van de Wet IB 2001 niet de eerbiedigende werking voor zover de lijfrente voortvloeit uit premiebetalingen gedaan vóór 2001 (zie onderdeel 5.2). + +Voor zover de lijfrente voortvloeit uit premiebetalingen gedaan na 2000 kan de eerbiedigende werking ook van toepassing zijn. In onderdeel 5.2 is aangegeven om welke situaties het gaat. Voor een lijfrente die bij leven uitkeert, kan daardoor sprake zijn van een gedeelte waarop nog het Pré-Brede Herwaarderingregime van toepassing is en een gedeelte waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is. + +Voor een nabestaandenlijfrente is de situatie echter een andere. Het risico van vóóroverlijden wordt in een lijfrentepolis immers verzekerd op grond van de laatst betaalde risicopremie(s). Een nabestaandenlijfrente vloeit niet voort uit een opgebouwd lijfrentekapitaal zoals dat wel het geval is bij een lijfrente die bij leven uitkeert. Als een nabestaandenlijfrente ingaat na 2001 en de laatstbetaalde premie voor de lijfrente – waarin meestal is begrepen de risicopremie voor de dekking van het overlijdensrisico – als uitgave voor inkomensvoorziening is afgetrokken, is op de gehele nabestaandenlijfrente het regime van de Wet IB 2001 van toepassing. Uitstel van het ingaan van de nabestaandenlijfrenten is dan fiscaalrechtelijk niet toegestaan, behalve in de situaties omschreven in onderdeel 4.2.2. + +Uitstel van het ingaan van een nabestaandenlijfrente is wel mogelijk in de volgende situatie. De Pré-Brede Herwaarderinglijfrente, zoals die is opgebouwd tot en met het jaar 2000, is premievrij gemaakt en wordt administratief gesplitst bijgehouden van de lijfrente waarop met ingang van 2001 aftrekbare premies worden betaald. Voor zover de premievrije waarde een recht geeft op dekking bij overlijden na het jaar 2000, is op de desbetreffende lijfrente die ingaat bij overlijden, het regime van de Wet IB 1964 van toepassing. Uitstel van de nabestaandenlijfrente is dan fiscaal mogelijk. ### 5.4. Pré-Brede Herwaarderinglijfrente; vervreemding om niet aan niet-inwoner -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Bij vervreemding om niet van een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente aan een niet-inwoner moet de vervreemder in beginsel afrekenen over de waarde van de lijfrente (artikel 75, eerste lid, van de Wet IB 1964, tekst 2000 juncto artikel 25, tiende lid, Wet IB 1964, tekst 2000). De vervreemder hoeft niet af te rekenen als de lijfrentetermijnen bij de begunstigde/koper van de lijfrente tot diens binnenlands onzuiver inkomen behoren (artikel 49, eerste lid, onderdeel c, onder 5, van de Wet IB 1964, tekst 2000). + +Tot en met het jaar 2000 bestond er voor Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten echter geen buitenlandse belastingplicht over de lijfrentetermijnen omdat daarvoor geen regeling was opgenomen in artikel 49 van de Wet IB 1964, tekst 1991. Bij vervreemding om niet aan een niet-inwoner moest de vervreemder dus tot en met het jaar 2000 afrekenen. + +Na de invoering van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet is het standpunt ingenomen dat er buitenlandse belastingplicht is ontstaan voor termijnen uit Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten. Het gevolg hiervan was dat een dergelijke lijfrente met ingang van 2001 zonder afrekening voor de inkomstenbelasting om niet kon worden vervreemd aan een niet-inwoner. Het ging daarbij in de praktijk vaak om de schenking van een lijfrente aan een in het buitenland wonend meerderjarig kind. (Dit standpunt was opgenomen in vraag C.39 van het toenmalige besluit van 13 februari 2001, CPP2000/3210M. Vanwege het voorlichtende karakter is dit standpunt niet opnieuw gepubliceerd in een beleidsbesluit.) + +In een arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, nr. 09/03783 is uitgemaakt dat het standpunt inzake het bestaan van buitenlandse belastingplicht voor termijnen uit Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten niet juist is. Dit betekent dat een vervreemding om niet van Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten aan een niet-inwoner leidt tot afrekening over de waarde van de lijfrente bij de vervreemder. Dit heeft ook gevolgen voor vervreemdingen om niet aan een niet-inwoner die na 21 januari 2011 hebben plaatsgevonden en waarin nog geen onherroepelijk vaststaande aanslag is opgelegd. ### 5.5. Toepassing van artikel 69 van de Wet IB 1964 op naar nieuw regime omgezette lijfrenten +Een op 31 december 2000 bestaande aanspraak op een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente kan fiscaal geruisloos worden omgezet in een 2001-lijfrenteverzekering of in een bancaire lijfrente. Bij een dergelijke omzetting geldt het overgangsrecht uit de Invoeringswet Wet IB 2001 (Hoofdstuk 2, Artikel I, Onderdeel O, negende lid, van de Invoeringswet Wet IB 2001). Daarmee blijft de anti-ontgaansbepaling van artikel 69 van de Wet IB 1964 op de aanspraak van toepassing. + +Onder het lijfrenteregime zoals dat gold vóór 1992 werden lijfrentepremies afgetrokken door de meestverdienende echtgenoot volgens de toenmalige regels voor inkomenstoerekening. Volgens dat lijfrenteregime was het indertijd mogelijk om de minstverdienende echtgenoot bij leven de begunstigde te doen zijn van de ontvangen lijfrentetermijnen (in latere lijfrenteregimes bestaat die mogelijkheid niet meer). + +Om te voorkomen dat de lijfrentetermijnen zouden worden belast bij de minstverdienende echtgenoot was een voorziening opgenomen in artikel 69 van de Wet IB 1964, tekst 1991. Hiermee werd voor Pré-Brede Herwaarderinglijfrenten de mogelijkheid van niet wenselijke inkomensoverheveling voorkomen. Om te voorkomen dat die inkomensoverheveling mogelijk zou zijn na omzetting van een Pré-Brede Herwaarderinglijfrente in een Brede Herwaarderinglijfrente werd bovendien in de .i voor de jaren 1992 tot en met 2000 een nieuw artikel 69 opgenomen. + +Door de invoering van de Wet IB 2001 zouden zonder nadere overgangsregels de bepalingen van de Wet IB 1964 geen betekenis meer hebben. De wetgever heeft ervoor gekozen om onder meer voor lijfrenten de regels van de Wet IB 1964 voor een groot deel te eerbiedigen. Dit is voor een belangrijk deel geregeld in onderdeel O, van de Invoeringswet Wet IB 2001. Onder die eerbiedigende werking valt – dit is bevestigd in vaste jurisprudentie – de werking van artikel 69 van de Wet IB 1964 op lijfrenten gesloten vóór 1992. Ook bij een omzetting van een dergelijke Pré-Brede Herwaarderinglijfrente in een (andere) lijfrenteverzekering die voldoet aan de voorwaarden van de Wet IB 2001, gaat de werking van genoemd artikel 69 niet verloren. Onwenselijke inkomensoverheveling tussen echtgenoten blijft daarmee onmogelijk. Dit standpunt is tot op heden ook steeds door de Belastingdienst uitgedragen en daaraan is in de praktijk uitvoering gegeven. + +De overgangsbepaling van onderdeel O van de Invoeringswet – en daarmee ook artikel 69 Wet IB 1964 – geldt ook voor situaties waarin een Pré-Brede Herwaarderinglijfrenteverzekering fiscaal geruisloos wordt omgezet in een met ingang van 2008 fiscaal mogelijke lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht. Dus als de rekeninghouder de andere echtgenoot is dan degene die in het verleden de lijfrentepremies van de Pré-Brede Herwaarderinglijfrente heeft afgetrokken, moeten de uitkeringen worden belast bij de op het tijdstip van ontvangst meestverdienende echtgenoot. Om onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, is het negende lid, in onderdeel O van de Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen. + +In april 2011 heeft de Belastingdienst in een specifieke casus een standpunt ingenomen dat ertoe heeft geleid dat in identieke gevallen belastingplichtigen op basis van dat standpunt vaststaande posities hebben ingenomen. Dergelijke posities moeten fiscaal worden behandeld conform het in april 2011 door de Belastingdienst voor de specifieke casus ingenomen standpunt omdat belastingplichtigen daaraan vertrouwen mogen ontlenen. + +De specifieke casus betrof een zogenoemde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die was gesloten door de meestverdienende echtgenoot die ook de lijfrentepremies had afgetrokken. Op het tijdstip van de expiratie van de kapitaalverzekering was de minstverdienende echtgenoot onherroepelijk begunstigde van de lijfrente. De lijfrenteclausule moet daarom ook door de minstverdienende echtgenoot worden uitgevoerd en deze doet dat door het inbrengen van het lijfrentekapitaal in een lijfrentespaarrekening. Langs deze weg is in de eerste plaats een fiscaal geruisloze omzetting mogelijk, ondanks het feit dat de andere echtgenoot dan de echtgenoot die oorspronkelijk verzekeringnemer was, de rechthebbende wordt van de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Bovendien hield het standpunt van de Belastingdienst in dat de uitkeringen die op de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht worden ontvangen door de minstverdienende echtgenoot, ook daadwerkelijk bij die echtgenoot zouden worden belast. Dit ondanks het feit dat de premies voor de lijfrenteverzekering in het verleden bij de andere, meestverdienende echtgenoot in aftrek zijn gekomen. + +Dit op 6 april 2011 ingenomen standpunt van de Belastingdienst blijft gelden voor alle gevallen waarvan aannemelijk is dat uitsluitend op basis van deze standpuntbepaling en nog vóór 19 augustus 2011, vóór of door de expiratie van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule de begunstiging onherroepelijk is gewijzigd ten gunste van de minstverdienende echtgenoot. Hieronder vallen in beginsel niet situaties waarin al vóór het bekend worden van het standpunt van de Belastingdienst de minstverdienende echtgenoot (onherroepelijk) begunstigde van de lijfrente was. Dit is anders als na de standpuntbepaling door de Belastingdienst, maar vóór 19 augustus 2011, ook overboeking van het lijfrentekapitaal heeft plaatsgevonden naar een aanbieder van lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten. Deze situaties worden eveneens gerespecteerd. + +Met het oog op de beoordeling of sprake is van gewekt vertrouwen en om dit voor de toekomst vast te leggen, moesten deze situaties vóór 1 januari 2012 worden gemeld aan de voor de belastingplichtige bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. Daarbij moest de belastingplichtige stukken overleggen waaruit het tijdstip van onherroepelijk worden van de begunstiging c.q. het tijdstip van overboeking van het lijfrentekapitaal blijkt. + ## 6. Hoogte van de aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrentespaarrekening ( ### 6.1. Jaar- en reserveringsruimte, pensioenaangroei (factor A) @@ -638,7 +749,12 @@ De hiervoor genoemde goedkeuring is van overeenkomstige toepassing op de regelin #### 9.1.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrentespaarrekening als uitgave voor inkomensvoorzieningen vindt plaats onder strikte voorwaarden. Schending van die voorwaarden heeft tot gevolg dat bepaalde sancties intreden (artikel 3.133 van de Wet IB 2001). Bij verboden handelingen worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het economische verkeer van het desbetreffende recht of tegoed (artikel 3.137 van de Wet IB 2001). Er is geen sprake van schending van voorwaarden: + +– Als de waarde in het economische verkeer van dat recht of tegoed minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 3.126a, vijfde lid, en artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d van de Wet IB 2001 (zogenoemde afkoopregeling kleine lijfrenten). In die situatie is volgens de wet sprake van één reguliere termijn. +– Voor zover de opgebouwde rechten onder de eerbiedigende werking van artikel 75 van de Wet IB 1964 vallen. + +Als nog geen lijfrenteuitkering is vervallen, wordt de waarde in het economische verkeer van de lijfrente ten minste gesteld op de betaalde premie of inleg (minimumwaarderingsregel; artikel 3.137, eerste lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001). Daarnaast is de belastingplichtige revisierente verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van het recht of tegoed (artikel 30i van de AWR). Hierna neem ik een aantal standpunten in die van toepassing zijn bij schending van de voorwaarden die gelden voor de aftrek van lijfrentepremie of de inleg op een lijfrentespaarrekening. #### 9.1.2. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen @@ -682,7 +798,11 @@ Van oneigenlijk gebruik is wel sprake bij een louter individuele verbetering waa #### 9.2.3. Negatieve uitgaven bij verbetering pensioen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Als er sprake is van een pensioentekort kan de belastingplichtige betaalde lijfrentepremies van het inkomen aftrekken (jaarruimte en reserveringsruimte; artikel 3.127, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001). In de jaren vóór 2001 was een vergelijkbare aanvullende premieaftrek mogelijk wegens een pensioentekort (artikel 45a, tweede en derde lid, van de Wet IB 1964). Hierna ga ik in op de gevolgen van pensioenverbetering die betrekking heeft op jaren vóór 2001. + +Het terugnemen van lijfrentepremieaftrek door pensioenverbetering ziet uitsluitend op premies die in de jaren 2001 en volgende in aftrek zijn gebracht (artikel 3.127, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001). Dit betekent dat op premieaftrek die heeft plaatsgevonden onder de Wet IB 1964 bij pensioenverbetering niet wordt teruggekomen. + +Er worden wel negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen in de volgende situatie. Met ingang van 2001 zijn premies afgetrokken met toepassing van de regeling van de reserveringsruimte, gebaseerd op een pensioentekort uit de jaren vóór 2001. Er vindt een pensioenverbetering plaats die betrekking heeft op dat pensioentekort uit de jaren vóór 2001. ### 9.3. Echtscheiding