From 87a0fbf33e30c6259f683c08565d5257a6892cbe Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Mon, 1 Oct 2012 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2012-10-01 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C) --- .../BWBR0012288/README.md | 24 +++++++++++++++---- 1 file changed, 20 insertions(+), 4 deletions(-) diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md index 6fb841566c3..72eaa929b12 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md @@ -632,13 +632,15 @@ Voor niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen gelden bovenstaande criteria e De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt. -Het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap. +De (gestelde) gezinsleden van een vreemdeling die zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd en in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komen niet in aanmerking voor een mvv in het kader van nareis danwel voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw. De vreemdeling heeft in zijn eigen nareisprocedure namelijk gesteld feitelijk deel uit te maken van het gezin van de in Nederland verblijvende hoofdpersoon. + +Het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het land van herkomst verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap. Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie kan slechts één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd en de uit die vreemdeling geboren kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Van een polygame situatie is sprake indien de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, met een andere persoon (of meerdere andere personen) tegelijkertijd een huwelijk en/of een relatie is aangegaan (inclusief geregistreerd partnerschap). Indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon reeds met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele andere gezinsleden niet voor toelating in aanmerking. -Dat er door betrokkenen in het buitenland ook daadwerkelijk is samengewoond is een belangrijke indicatie om vast te kunnen stellen dat er ook feitelijk sprake is van een gezinsband. Het niet hebben samengewoond is geen absolute afwijzingsgrond, men moet echter wel een aannemelijke verklaring hebben voor de omstandigheid dat men weliswaar (traditioneel) gehuwd was, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning. +Dat door betrokkenen in het land van herkomst ook daadwerkelijk is samengewoond, is een belangrijke indicatie om te kunnen vaststellen dat ook feitelijk sprake is van een gezinsband. Het niet hebben samengewoond is geen absolute afwijzingsgrond, men moet echter wel een aannemelijke verklaring hebben voor de omstandigheid dat men weliswaar (traditioneel) gehuwd was, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning. Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen biologische kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of relatie die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden. @@ -660,7 +662,7 @@ De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebbe In aanvulling hierop komt dit niet-biologische (pleeg- of adoptie)kind niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning bij de hoofdpersoon, indien het kind na vertrek van de hoofdpersoon is opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon. -Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het buitenland al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was. +Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het land van herkomst al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was. Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C9/2.1.5 Vc). @@ -680,6 +682,18 @@ Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent. +Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. + +Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. + +Voor niet-biologische (adoptie- en pleeg)kinderen geldt het volgende. Indien gedurende de asielprocedure van de hoofdpersoon dan wel gedurende de onderhavige aanvraag is gebleken dat één of beide in het buitenland verblijvende biologische ouder(s) nog in leven is, wordt de aanvraag om een afgeleide asielvergunning afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening. + +Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. + +Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. + +De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent. + #### 6.2. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, komen op grond van artikel 3.77 en 3.107 Vb in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning (zie C4/3.11.4.). @@ -3173,7 +3187,7 @@ Indien de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van voor de eerdere afwij Uitgangspunt is dat de vreemdeling bij de eerste aanvraag alle hem bekende informatie en documenten overlegt. Ook in geval van mogelijk traumatiserende gebeurtenissen wordt in beginsel van de vreemdeling verwacht dat hij daar in de eerste procedure op enigerlei wijze – hoe summier ook – melding van maakt. -Bijzondere door de vreemdeling zelf ingebrachte en aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn om aan te nemen dat deze feiten redelijkerwijs niet eerder konden worden ingebracht. Met name bij de tweede of volgende asielaanvraag aannemelijk gemaakte traumatiserende gebeurtenissen, zoals opgesomd in C2/4.2, is het onder omstandigheden denkbaar dat de vreemdeling ten tijde van de eerdere aanvraag terughoudend is geweest met het naar voren brengen van deze gebeurtenissen. Dit zal eerder het geval zijn wanneer de eerdere aanvraag in de algemene asielprocedure is afgewezen. +Bijzondere door de vreemdeling zelf ingebrachte en aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn om aan te nemen dat deze feiten redelijkerwijs niet eerder konden worden ingebracht. Met name bij de tweede of volgende asielaanvraag aannemelijk gemaakte traumatiserende gebeurtenissen, zoals opgesomd in CC2/4.2, is het onder omstandigheden denkbaar dat de vreemdeling ten tijde van de eerdere aanvraag terughoudend is geweest met het naar voren brengen van deze gebeurtenissen. Dit zal eerder het geval zijn wanneer de eerdere aanvraag in de algemene asielprocedure is afgewezen. Het kan voorkomen dat in de eerdere procedure een asielzoeker is vertegenwoordigd door zijn ouders (zonder zelf te zijn gehoord), en de tweede of volgende asielaanvraag door die asielzoeker in persoon wordt ingediend. Wanneer tijdens deze tweede of volgende aanvraag de asielzoeker voor het eerst feiten en omstandigheden naar voren brengt die specifiek zien op de eigen persoon en die niet reeds door de ouders naar voren zijn gebracht, wordt in geen geval aangenomen dat deze feiten en omstandigheden in redelijkheid eerder naar voren konden worden gebracht. @@ -3195,6 +3209,8 @@ Daarnaast kunnen bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten In het geval er twijfel bestaat of toepassing van artikel 4:6 Awb in een individuele zaak redelijk te achten is, wordt de aanvraag – al dan niet binnen de algemene asielprocedure – inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw. +Indien de vreemdeling pas tijdens een tweede of opvolgende asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is, en deze informatie wordt geloofwaardig geacht, dan wordt de vreemdeling niet tegengeworpen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid. + Artikel 3.1, eerste lid, Vb bepaalt dat tijdens de behandeling van een aanvraag uitzetting niet achterwege blijft indien naar het voorlopig oordeel van de Minister sprake is van een herhaalde aanvraag. Wanneer dit gelet op bijvoorbeeld een geplande uitzetting van belang is, en de feiten of omstandigheden op het moment van de eerdere afwijzing reeds bekend waren, redelijkerwijs bekend konden zijn, dan wel niet op voorhand is uitgesloten dat die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust, kan dit schriftelijk aan de vreemdeling kenbaar worden gemaakt. Dit kan onmiddellijk geschieden na het moment dat de vreemdeling aangeeft een tweede of volgende aanvraag te willen indienen. Hierbij wordt de vreemdeling tevens meegedeeld dat het voorlopig oordeel tot gevolg heeft dat de uitzetting niet achterwege blijft. Indien bij de aanvraag wel mogelijk relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangegeven, geldt de procedure die is beschreven onder C9/2.1.2. #### 4.2. Verzoek om heroverweging