2012-01-01 | BWBR0007746 | Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

This commit is contained in:
Coornhert 2012-01-01 12:00:00 +00:00
parent cf8746b1b2
commit 87bf9a04fa

View file

@ -60,7 +60,8 @@ n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&
4°. het uitvoeren van een technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van een productiemethode, indien de wijziging kan leiden tot een significante verbetering van het fysieke productieproces dat reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige, dan wel naar modellering van processen, indien deze kan leiden tot een significante verbetering van programmatuur die reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige.
o. programmatuur: het niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem dat de structuur van de gegevens en van de verwerkingsprocessen bepaalt;
p. S&O-referentiejaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de S&O-afdrachtvermindering betrekking heeft;
q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.
q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk;
r. EVC-procedure: procedure erkenning verworven competenties.
**2.**
@ -71,10 +72,15 @@ b. voorzover ingevolge artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 het loon
**3.**
Voor toepassing van het eerste lid, onderdeel h, onder 2°, dient door de Nederlandse Inspectie Verkeer en Waterstaat voor het schip een nationaal veiligheidscertificaat met onbeperkt vaargebied te zijn afgegeven, waarin tevens staat vermeld dat het schip aan de volgende voorwaarden voldoet:
Voor toepassing van het eerste lid, onderdeel h, onder 2°, dient:
a. het schip is gebouwd volgens de Voorschriften voor Commercial Cruising Vessels, bedoeld in de krachtens artikel 5, tweede lid, van de Schepenwet uitgevaardigde Beleidsregel ontheffingsregeling voor een Commercial Cruising Vessel;
b. het schip heeft een lengte van tenminste 24 meter, bepaald op basis van artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart.
a. door of namens de Nederlandse Inspectie Verkeer en Waterstaat voor het schip een veiligheidscertificaat met onbeperkt vaargebied te zijn afgegeven, welk certificaat vermeldt dat het schip voldoet aan:
1°. de krachtens artikel 5, tweede lid, van de Schepenwet uitgevaardigde voorschriften voor Commercial Cruising Vessels;
2°. de voorschriften van het SOLAS-verdrag;
3°. de voorschriften van de Special Purpose Ship (SPS) Code, of
4°. de voorschriften van de Special Purpose Ship Code 2008;
b. het schip een lengte te hebben van ten minste 24 meter, bepaald op basis van de International Convention on Load Lines.
**4.**
@ -82,7 +88,7 @@ Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel n, wordt niet tot speur- en ont
a. marktonderzoek;
b. organisatorische en administratieve werkzaamheden;
c. door Onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden.
c. door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden.
**5.**
@ -90,7 +96,7 @@ De in deze wet bedoelde ministeriële regelingen worden, voor zover niet anders
a. artikel 6 in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. artikel 14 in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
c. de artikelen 17, 18 en 20 in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
c. de artikelen 17, 18 en 20 in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
### Artikel 2
@ -131,29 +137,31 @@ Voor zover loon in aanmerking is genomen voor de toepassing van de S&O-afdrachtv
**1.**
Met betrekking tot een werknemer met een volledige arbeidsduur bedraagt de afdrachtvermindering onderwijs met betrekking tot de:
De afdrachtvermindering onderwijs bedraagt met betrekking tot:
a. in artikel 14, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde werknemers: € 2738 per kalenderjaar;
b. in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 3286 per kalenderjaar;
c. in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, bedoelde werknemer: € 1315 per kalenderjaar.
a. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, bedoelde werknemer: € 2 753 per kalenderjaar;
b. de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde werknemers: € 2 781 per kalenderjaar;
c. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, bedoelde werknemer: € 2 753 per kalenderjaar;
d. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 3 337 per kalenderjaar;
e. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel f, bedoelde werknemer: € 2 781 per kalenderjaar;
f. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, bedoelde werknemer: € 1 322 per kalenderjaar;
g. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, bedoelde werknemer: € 334 per EVC-procedure.
**2.** De afdrachtvermindering onderwijs voor de in artikel 14, eerste lid, onderdeel f, bedoelde werknemer bedraagt € 2738 per kalenderjaar.
**2.** De afdrachtvermindering zeevaart beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VII.
**3.** De afdrachtvermindering onderwijs voor de in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, bedoelde werknemer bedraagt € 329 per procedure erkenning verworven competenties (EVC-procedure).
**3.** De S&O-afdrachtvermindering beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VIII.
**4.** De afdrachtvermindering zeevaart beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VII.
**4.** De in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e en f, opgenomen bedragen, alsmede het toetsloon, worden naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken van het kalenderjaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de werknemer wiens dienstbetrekking niet gedurende het gehele kalenderjaar heeft bestaan.
**5.** De S&O-afdrachtvermindering beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VIII.
**5.** Met betrekking tot de in artikel 14a, eerste lid, bedoelde werknemer wordt de afdrachtvermindering voor het loontijdvak waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 14a, derde lid, in behandeling wordt genomen tot en met het laatste loontijdvak dat eindigt voor de datum waarop de verklaring, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, wordt afgegeven, per loontijdvak gesteld op een evenredig deel van de in het eerste lid, onderdeel a, onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel f, opgenomen bedragen. Het op grond van de eerste volzin vastgestelde bedrag wordt in aanmerking genomen in het loontijdvak waarin de verklaring, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, wordt afgegeven of in het daaropvolgende loontijdvak.
**6.** De in het eerste en tweede lid opgenomen bedragen, alsmede het toetsloon, worden naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken van het kalenderjaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de werknemer wiens dienstbetrekking niet gedurende het gehele kalenderjaar heeft bestaan.
**7.** Het in het derde lid opgenomen bedrag wordt in aanmerking genomen in het loontijdvak waarin de werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, aanvangt met het volgen van de EVC-procedure of in het daaropvolgende loontijdvak.
**6.** Het in het eerste lid, onderdeel g, opgenomen bedrag wordt in aanmerking genomen in het loontijdvak waarin de werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, aanvangt met het volgen van de EVC-procedure of in het daaropvolgende loontijdvak.
### Artikel 6
**1.**
De in artikel 5, eerste lid, opgenomen bedragen alsmede het toetsloon worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot:
De in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, opgenomen bedragen alsmede het toetsloon worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot:
a. de werknemer met een overeengekomen arbeidsduur die korter is dan de volledige arbeidsduur;
b. de werknemer zonder overeengekomen vaste arbeidsduur.
@ -221,9 +229,9 @@ f. degene die bij de inhoudingsplichtige op basis van een leer-werkovereenkomst
g. degene die bij de inhoudingsplichtige gedurende een periode van ten minste twee maanden de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsopleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen;
h. de werknemer die een EVC-procedure volgt waarvoor een verklaring is afgegeven door een bij ministeriële regeling aangewezen instantie, mits de inhoudingsplichtige de kosten van de EVC-procedure voor zijn rekening neemt.
**2.** Vervallen.
**2.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is in het geval waarin de inhoudingsplichtige niet tevens is het bedrijf dat of de organisatie die bevoegd als bedoeld in artikel 7.2.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs de beroepspraktijkvorming verzorgt, slechts van toepassing indien er tussen de inhoudingsplichtige en dat bedrijf of die organisatie een overeenkomst van opdracht is gesloten die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 23 943 per kalenderjaar.
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 24 170 per kalenderjaar.
**4.** De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdelen b en c, is met betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van toepassing. De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdeel d, is met betrekking tot een werknemer ten hoogste 24 maanden van toepassing. Indien artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot een werknemer toepassing vindt, wordt de termijn van 48 maanden onderscheidenlijk 24 maanden met betrekking tot deze werknemer naar evenredigheid verlengd.
@ -237,11 +245,23 @@ b. de werkgever niet over een verklaring beschikt waarin het UWV WERKbedrijf ver
1°. een werkloze is, of
2°. een voormalig werkloze is en uitsluitend als gevolg van deelname aan een re-integratietraject van een gemeente in het kader van de Wet werk en bijstand of van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kader van de Werkloosheidswet, niet langer een werkloze is.
**6.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, bedoelde overeenkomst bij de loonadministratie.
**6.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, het tweede lid en artikel 14a, tweede lid, bedoelde overeenkomsten bij de loonadministratie.
**7.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, bedoelde overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
**7.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, en artikel 14a, tweede lid, bedoelde overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en artikel 14a, tweede lid.
**8.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdeel h, en het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde verklaringen bij de loonadministratie.
**8.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdeel h, het vijfde lid, onderdeel b, en artikel 14a, eerste lid, bedoelde verklaringen bij de loonadministratie.
### Artikel 14a
**1.** Artikel 14, eerste lid, onderdelen a, d of g, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer die een met de opleiding, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, onderdeel d, onderscheidenlijk onderdeel g, vergelijkbare opleiding volgt in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, indien de inhoudingsplichtige beschikt over een verklaring van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat die opleiding wat betreft niveau en kwaliteit vergelijkbaar is met de opleiding, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, onderdeel d, onderscheidenlijk onderdeel g.
**2.** In afwijking in zoverre van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en g, dient de inhoudingsplichtige voor de overeenkomstige toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel g, te beschikken over een tussen hem, het opleidingsinstituut en de in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel g, bedoelde werknemer gesloten onderwijsarbeidsovereenkomst, onderscheidenlijk stageovereenkomst.
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag voor een verklaring als bedoeld in het eerste lid moeten worden overgelegd en met betrekking tot de bekendmaking van het tijdstip met ingang waarvan die aanvraag voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen.
**4.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist binnen acht weken op een aanvraag als bedoeld in het derde lid.
**5.** In afwijking in zoverre van het eerste lid is de afdrachtvermindering onderwijs voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, waarvoor de inhoudingsplichtige beschikt over een verklaring als bedoeld in het eerste lid, reeds van toepassing vanaf de datum waarop de ingediende aanvraag, bedoeld in het derde lid, voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen.
### Artikel 15
@ -286,7 +306,7 @@ b. met betrekking tot de niet in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie of
**4.** De in het tweede lid vermelde percentages kunnen bij ministeriële regeling met ingang van een kalenderkwartaal worden vervangen door andere.
**5.** Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop de krachtens het vierde lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit tot het niet aannemen van het voorstel, worden bij ministeriële regeling de krachtens het derde lid vervangen percentages met ingang van het eerstvolgende kalenderkwartaal vervangen door de percentages zoals die golden onmiddellijk vóór het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.
**5.** Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop de krachtens het vierde lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit tot het niet aannemen van het voorstel, worden bij ministeriële regeling de krachtens het vierde lid vervangen percentages met ingang van het eerstvolgende kalenderkwartaal vervangen door de percentages zoals die golden onmiddellijk vóór het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.
### Artikel 18
@ -336,19 +356,19 @@ De S&O-inhoudingsplichtige kan, in afwijking van het eerste lid, een aanvraag in
a. aan de S&O-inhoudingsplichtige in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is verstrekt, of
b. indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, aan een ander binnen de fiscale eenheid in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is verstrekt.
Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent de toepassing van de eerste volzin.
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent de toepassing van de eerste volzin.
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring en de wijze waarop deze moet worden ingediend, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de aanvraag uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring en de wijze waarop deze moet worden ingediend, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de aanvraag uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
**4.** De aanvraag moet worden ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na de aanvang van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling in het algemeen of voor groepen van gevallen, een latere datum vaststellen waarop de beslissing op de aanvraag uiterlijk moet zijn gegeven.
**4.** De aanvraag moet worden ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na de aanvang van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling in het algemeen of voor groepen van gevallen, een latere datum vaststellen waarop de beslissing op de aanvraag uiterlijk moet zijn gegeven.
**5.** De aanvraag wordt in de situatie waarin de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt, slechts in behandeling genomen indien hij uiterlijk bij de indiening van de aanvraag opgave heeft gedaan van de burgerservicenummers van zijn werknemers die dat speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht.
**6.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de opgave van de burgerservicenummers, bedoeld in het vijfde lid, moet worden gedaan, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de opgave van die burgerservicenummers uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
**6.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de opgave van de burgerservicenummers, bedoeld in het vijfde lid, moet worden gedaan, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de opgave van die burgerservicenummers uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
### Artikel 23
**1.** Onze Minister van Economische Zaken verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.
**1.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.
**2.**
@ -359,25 +379,25 @@ b. de periode waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt;
c. het aantal uren dat werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige in die periode aan het speur- en ontwikkelingswerk naar verwachting zullen besteden;
d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.
**3.** Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering beloopt 14 percent van het product van het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon als bedoeld in het vierde lid, vermeerderd met 28 percent van dat product voorzover dat product in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 220 000. De vermeerdering met 28 percent blijft achterwege voorzover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het kalenderjaar.
**3.** Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering beloopt 14 percent van het product van het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon als bedoeld in het vierde lid, vermeerderd met 31 percent van dat product voorzover dat product in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 110 000. De vermeerdering met 31 percent per 1 januari 2012: 28 percent blijft achterwege voorzover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het kalenderjaar.
**4.** Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in dat jaar speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt. Het gemiddelde uurloon wordt daarbij gesteld op de som van de door de S&O-inhoudingsplichtige aan deze werknemers in het S&O-referentiejaar betaalde lonen gedeeld door de som van de in het S&O-referentiejaar door de S&O-inhoudingsplichtige aan deze werknemers verloonde uren nadat de som van de verloonde uren is vermenigvuldigd met 0,85; de uitkomst van deze deling wordt naar boven afgerond op een veelvoud van €5. Het gemiddelde uurloon wordt aldus bepaald aan de hand van de gegevens zoals die blijken uit de polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen op een bij ministeriële regeling van Onze minister van Economische Zaken vast te stellen peildatum gelegen in het kalenderjaar volgende op het S&O-referentiejaar. Indien de berekening aan de hand van de gegevens op de peildatum leidt tot een evident onjuist gemiddeld uurloon, wordt het gemiddelde uurloon bepaald aan de hand van de juiste gegevens zoals die blijken na uitvraag daarvan bij de S&O-inhoudingsplichtige door Onze Minister van Economische Zaken. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar geen speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt, geldt een gemiddeld uurloon van €29.
**4.** Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in dat jaar speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt. Het gemiddelde uurloon wordt daarbij gesteld op de som van de door de S&O-inhoudingsplichtige aan deze werknemers in het S&O-referentiejaar betaalde lonen gedeeld door de som van de in het S&O-referentiejaar door de S&O-inhoudingsplichtige aan deze werknemers verloonde uren nadat de som van de verloonde uren is vermenigvuldigd met 0,85; de uitkomst van deze deling wordt naar boven afgerond op een veelvoud van €5. Het gemiddelde uurloon wordt aldus bepaald aan de hand van de gegevens zoals die blijken uit de polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen op een bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie vast te stellen peildatum gelegen in het kalenderjaar volgende op het S&O-referentiejaar. Indien de berekening aan de hand van de gegevens op de peildatum leidt tot een evident onjuist gemiddeld uurloon, wordt het gemiddelde uurloon bepaald aan de hand van de juiste gegevens zoals die blijken na uitvraag daarvan bij de S&O-inhoudingsplichtige door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar geen speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt, geldt een gemiddeld uurloon van €29.
**5.** Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering over een kalenderjaar bedraagt per S&O-inhoudingsplichtige maximaal € 14 000 000 dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige deel uitmaakt of in een deel van het kalenderjaar heeft uitgemaakt, van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het laatste geval wordt in de S&O-verklaring vastgesteld welk deel van het bedrag van € 14 000 000, betrekking heeft op de S&O-inhoudingsplichtige.
**5.** Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering over een kalenderjaar bedraagt per S&O-inhoudingsplichtige maximaal € 14 000 000 dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige deel uitmaakt of in een deel van het kalenderjaar heeft uitgemaakt, van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het laatste geval wordt in de S&O-verklaring vastgesteld welk deel van het bedrag van € 14 000 000, betrekking heeft op de S&O-inhoudingsplichtige.
**6.** De inhoudingsplichtige die deel uitmaakt van een fiscale eenheid en voor speur- en ontwikkelingswerk werknemers ter beschikking stelt aan een onderneming binnen die fiscale eenheid, wordt geacht dat speur- en ontwikkelingswerk zelf te verrichten. Op deze inhoudingsplichtige is het bij of krachtens deze wet bepaalde zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de inhoudingsplichtige de verplichtingen in voorkomende gevallen zal doen uitvoeren door de onderneming die het speur- en ontwikkelingswerk uitvoert.
**7.** Het in het derde lid vermelde percentage van 28 wordt vervangen door 46 indien de S&O-inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven. Indien de voor rekening van de inhoudingsplichtige gedreven onderneming een voortzetting is van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat direct of indirect is gedreven door een met hem verbonden vennootschap in de zin van artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel voor rekening van een natuurlijk persoon die op het moment van aanvraag een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 heeft in de inhoudingsplichtige, wordt voor de toepassing van de eerste volzin een ten aanzien van de verbonden vennootschap, onderscheidenlijk natuurlijk persoon, reeds voor de voortzetting afgegeven S&O-verklaring aangemerkt als een ten aanzien van de inhoudingsplichtige afgegeven verklaring. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.
**7.** Het in het derde lid vermelde percentage van 31 per 1 januari 2012: 28 percent wordt vervangen door 46 indien de S&O-inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven. Indien de voor rekening van de inhoudingsplichtige gedreven onderneming een voortzetting is van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat direct of indirect is gedreven door een met hem verbonden vennootschap in de zin van artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel voor rekening van een natuurlijk persoon die op het moment van aanvraag een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 heeft in de inhoudingsplichtige, wordt voor de toepassing van de eerste volzin een ten aanzien van de verbonden vennootschap, onderscheidenlijk natuurlijk persoon, reeds voor de voortzetting afgegeven S&O-verklaring aangemerkt als een ten aanzien van de inhoudingsplichtige afgegeven verklaring. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.
**8.** In afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, is het loon, bedoeld in het vierde lid, het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, zonder de verminderingen als bedoeld in dat onderdeel.
### Artikel 24
**1.** De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt over de periode vermeld in de verklaring een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.
**1.** De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt over de periode vermeld in de verklaring een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.
**2.**
De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven doet van het aantal uren dat zijn werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk in de periode waarop de verklaring betrekking heeft, mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken indien:
De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven doet van het aantal uren dat zijn werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk in de periode waarop de verklaring betrekking heeft, mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie indien:
a. het aantal bestede uren minder is dan 90% van het in de S&O-verklaring opgenomen aantal, of
b. het product van het aantal bestede uren en het gemiddelde uurloon waarvan de S&O-verklaring uitgaat tenminste een bedrag van € 10 000 maal het aantal kalendermaanden waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, lager is dan het product bedoeld in artikel 23, derde lid.
@ -386,34 +406,34 @@ b. het product van het aantal bestede uren en het gemiddelde uurloon waarvan de
**4.** Bij het eindigen van de inhoudingsplicht vóór het tijdstip, bedoeld in het derde lid, wordt in afwijking van dat lid de mededeling gedaan binnen één kalendermaand nadat de inhoudingsplicht is geëindigd.
**5.** Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling en de indiening daarvan, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de mededeling uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
**5.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling en de indiening daarvan, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de mededeling uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
### Artikel 25
**1.** Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de in artikel 24, tweede lid, bedoelde mededeling deed, een correctie-S&O-verklaring af voor alle op het kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen gezamenlijk, waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring, gespecificeerd per S&O-verklaring, vaststelt op basis van het volgens de mededeling niet gerealiseerde aantal uren.
**1.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de in artikel 24, tweede lid, bedoelde mededeling deed, een correctie-S&O-verklaring af voor alle op het kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen gezamenlijk, waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring, gespecificeerd per S&O-verklaring, vaststelt op basis van het volgens de mededeling niet gerealiseerde aantal uren.
**2.**
Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring af met het bedrag dat op de S&O-verklaring ten onrechte is vermeld als bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, indien:
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring af met het bedrag dat op de S&O-verklaring ten onrechte is vermeld als bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, indien:
a. aannemelijk is dat ter verkrijging van de S&O-verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest;
b. aannemelijk is geworden, dat de S&O-inhoudingsplichtige de verplichting bedoeld in artikel 24, tweede lid, niet is nagekomen.
**3.** Onze Minister van Economische Zaken kan, indien blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht.
**3.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan, indien blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht.
**4.** Een bedrag vastgesteld bij een correctie-S&O-verklaring komt zoveel mogelijk in mindering op het bij één of meer S&O-verklaringen waarop de correctie-S&O-verklaring betrekking heeft, vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering dat nog niet in mindering is gebracht op de af te dragen belasting en premie. Voorzover dat niet mogelijk is, is sprake van een negatieve S&O-afdrachtvermindering welke er toe leidt dat de over het aangiftetijdvak waarin de correctie-S&O-verklaring is gedagtekend of het daaropvolgende aangiftetijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, wordt vermeerderd met dat bedrag aan negatieve S&O-afdrachtvermindering.
### Artikel 26
**1.** Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, eerste lid, bepaalde of indien sprake is van het geval bedoeld in artikel 25, tweede lid, onderdeel a, kan Onze Minister van Economische Zaken aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van maximaal € 100 000, of, wanneer dat meer is, 20% van het in de S&O-verklaring als afdrachtvermindering vastgestelde bedrag.
**1.** Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, eerste lid, bepaalde of indien sprake is van het geval, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onderdeel a, kan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van maximaal € 100 000, of, wanneer dat meer is, 20% van het in de S&O-verklaring als afdrachtvermindering vastgestelde bedrag.
**2.** Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, tweede of derde lid, bepaalde, legt Onze Minister van Economische Zaken aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op ter hoogte van het bedrag van de correctie-S&O-verklaring die is vastgesteld op de voet van artikel 25, tweede lid, onderdeel b. De Minister van Economische Zaken kan de boete lager vaststellen op grond van geringe ernst van de overtreding.
**2.** Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, tweede of derde lid, bepaalde, legt Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op ter hoogte van het bedrag van de correctie-S&O-verklaring die is vastgesteld op de voet van artikel 25, tweede lid, onderdeel b. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan de boete lager vaststellen op grond van geringe ernst van de overtreding.
**3.** Onze Minister van Economische Zaken brengt opgelegde boeten tot uitdrukking door deze op te nemen in een correctie-S&O-verklaring. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie brengt opgelegde boeten tot uitdrukking door deze op te nemen in een correctie-S&O-verklaring. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 27
**1.** Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken op aanvraag een S&O-verklaring af.
**1.** Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op aanvraag een S&O-verklaring af.
**2.** Aanvragen kunnen voor het laatst worden ingediend drie kalendermaanden voor het einde van het kalenderjaar. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na indiening van de aanvraag.
@ -424,7 +444,7 @@ De S&O-verklaring die ten name van een S&O-belastingplichtige wordt afgegeven, b
a. een omschrijving van het werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
b. het kalenderjaar waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt.
**4.** De S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven en die in het kalenderjaar minder dan 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd heeft besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, doet daarvan binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken.
**4.** De S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven en die in het kalenderjaar minder dan 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd heeft besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, doet daarvan binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
**5.** Artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
@ -432,23 +452,23 @@ b. het kalenderjaar waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt.
**7.**
Onze Minister van Economische Zaken trekt de S&O-verklaring in indien:
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie trekt de S&O-verklaring in indien:
a. blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde;
b. de S&O-belastingplichtige de mededeling, bedoeld in het vierde lid, deed, of aannemelijk is dat hij dat had behoren te doen;
c. aannemelijk is dat ter verkrijging van de S&O-verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest.
**8.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag en de wijze waarop deze moet worden ingediend. Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling, bedoeld in het vierde lid, en de indiening daarvan.
**8.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag en de wijze waarop deze moet worden ingediend. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling, bedoeld in het vierde lid, en de indiening daarvan.
### Artikel 28
**1.** De in de artikelen 47 tot en met 51 en 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister van Economische Zaken met betrekking tot de toepassing van in dit hoofdstuk aangewezen ambtenaren.
**1.** De in de artikelen 47 tot en met 51 en 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie met betrekking tot de toepassing van in dit hoofdstuk aangewezen ambtenaren.
**2.** De artikelen 68, 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 29
Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderingen en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, onder overeenkomstige aanpassing van dit artikel, met ingang van 1 januari van enig jaar het in artikel 23, derde lid, vermelde percentage van 14, worden verhoogd tot ten hoogste 25, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld en kan, eveneens onder overeenkomstige aanpassing van dit artikel, het in artikel 23, derde en zevende lid, vermelde percentage van 28, worden verhoogd tot ten hoogste 33,5, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. Bij verlaging van de percentages wordt het percentage van 28 zo veel mogelijk ontzien. De nieuwe percentages gelden met betrekking tot S&O-verklaringen die betrekking hebben op een periode die aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.
Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderingen en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onder overeenkomstige aanpassing van dit artikel, met ingang van 1 januari van enig jaar het in artikel 23, derde lid, vermelde percentage van 14, worden verhoogd tot ten hoogste 25, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld en kan, eveneens onder overeenkomstige aanpassing van dit artikel, het in artikel 23, derde en zevende lid, vermelde percentage van 31, worden verhoogd tot ten hoogste 33,5, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. Bij verlaging van de percentages wordt het percentage van 31 zo veel mogelijk ontzien. De nieuwe percentages gelden met betrekking tot S&O-verklaringen die betrekking hebben op een periode die aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.
## Hoofdstuk IX. Bestuurlijke boeten inzake speur- en ontwikkelingswerk
@ -458,9 +478,9 @@ Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderin
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van deze wet door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
**2.** Voor de toepassing van de artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreffende de uitvoering van deze wet door Onze Minister van Economische Zaken of de door hem aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister van Economische Zaken in de plaats van Onze Minister.
**2.** Voor de toepassing van de artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreffende de uitvoering van deze wet door Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, of de door hem aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in de plaats van Onze Minister.
**3.** Tegen een besluit genomen door een van de in het eerste lid, genoemde bestuursorganen, met uitzondering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
**3.** Tegen een besluit genomen door een van de in het eerste lid, genoemde bestuursorganen bij toepassing van hoofdstuk V, onderscheidenlijk hoofdstuk VIII, kan de belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
**4.** Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer'.
@ -470,7 +490,7 @@ Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderin
### Artikel 30a
Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 5, eerste tot en met derde lid, genoemde bedragen vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding van het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals dat luidt bij het begin van het kalenderjaar tot dat bedrag zoals dat luidt op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.
Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 5, eerste lid, genoemde bedragen vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding van het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals dat luidt bij het begin van het kalenderjaar tot dat bedrag zoals dat luidt op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.
### Artikel 31