2005-05-25 | BWBR0011788 | Wet stedelijke vernieuwing

This commit is contained in:
Coornhert 2005-05-25 12:00:00 +00:00
parent 602e971d2b
commit 8861120b01

View file

@ -18,11 +18,12 @@ citeertitel: Wet stedelijke vernieuwing
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. stedelijke vernieuwing: op stedelijk gebied gerichte inspanningen die strekken tot verbetering van de leefbaarheid en veiligheid, bevordering van een duurzame ontwikkeling en verbetering van de woon- en milieukwaliteit, versterking van het economisch draagvlak, bevordering van de sociale samenhang, verbetering van de bereikbaarheid, verhoging van de kwaliteit van de openbare ruimte of anderszins tot structurele kwaliteitsverhoging van dat stedelijk gebied;
a. stedelijke vernieuwing: op stedelijk gebied gerichte inspanningen die strekken tot verbetering van de leefbaarheid en veiligheid, bevordering van een duurzame ontwikkeling en verbetering van de woon- en milieukwaliteit, versterking van het economisch draagvlak, versterking van culturele kwaliteiten, bevordering van de sociale samenhang, verbetering van de bereikbaarheid, verhoging van de kwaliteit van de openbare ruimte of anderszins tot structurele kwaliteitsverhoging van dat stedelijk gebied;
b. ontwikkelingsprogramma: programma als bedoeld in artikel 7, eerste lid;
c. investeringsbudget: subsidie aan een gemeente krachtens hoofdstuk 3, ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van een ontwikkelingsprogramma of van een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, als bedoeld in artikel 7, vierde lid;
c. investeringsbudget: subsidie aan een gemeente krachtens hoofdstuk 3, ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van een ontwikkelingsprogramma of van een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid;
d. investeringstijdvak: tijdvak van vijf kalenderjaren, waarvoor investeringsbudget wordt verstrekt;
e. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
e. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
f. samenwerkingsgebied: samenwerkingsgebied genoemd in artikel 2 van de Kaderwet bestuur in verandering.
**2.** De in deze wet neergelegde taken en bevoegdheden ten aanzien van stedelijke vernieuwing hebben slechts betrekking op stedelijke vernieuwing, die gericht is op de fysieke leefomgeving.
@ -34,7 +35,7 @@ De gemeenteraad draagt zorg voor stedelijke vernieuwing. Hiertoe stelt hij een o
### Artikel 3
Provinciale staten dragen uitsluitend zorg voor de bevordering en ondersteuning van stedelijke vernieuwing, in het bijzonder ten aanzien van gemeenten waaraan de provincies investeringsbudget kunnen verlenen.
Provinciale staten dragen uitsluitend zorg voor de bevordering en ondersteuning van stedelijke vernieuwing, in het bijzonder ten aanzien van gemeenten waaraan gedeputeerde staten investeringsbudget kunnen verlenen.
### Artikel 4
@ -62,12 +63,18 @@ Provinciale staten dragen uitsluitend zorg voor de bevordering en ondersteuning
Uiterlijk op 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het investeringstijdvak geeft Onze Minister inzicht in:
a. voor een gemeente waaraan hij investeringsbudget kan verstrekken: een indicatie van de hoogte van dat budget, waarbij hij tevens aangeeft welk deel van dat budget afkomstig is uit gelden voor onderscheidenlijk bodemsanering en stadseconomie, en
a. voor een gemeente waaraan hij investeringsbudget kan verstrekken: een indicatie van de hoogte van dat budget, waarbij hij tevens aangeeft welk deel van dat budget afkomstig is uit gelden voor bodemsanering, en
b. voor een provincie: de hoogte van het provinciale budget ten behoeve van de verstrekking van investeringsbudget aan de overige gemeenten.
**2.** De berekening van de budgetten, bedoeld in het eerste lid, geschiedt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels.
**3.** Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat voorafgaat aan het investeringstijdvak geven gedeputeerde staten inzicht in de verdeling van de middelen voor investeringsbudget over in hun provincie gelegen gemeenten waaraan zij investeringsbudget kunnen verstrekken. Daarbij wijzen zij de gemeenten aan waarvan naar hun oordeel gelet op de aard en de omvang van de stedelijke vernieuwingsopgave een ontwikkelingsprogramma wordt verlangd om in aanmerking te komen voor investeringsbudget en geven zij een indicatie van de hoogte van dat budget voor deze gemeenten.
**3.**
Uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het provinciale budget, bedoeld in het eerste lid, onder b, geven gedeputeerde staten inzicht in de verdeling van de middelen voor investeringsbudget over in hun provincie gelegen gemeenten waaraan zij investeringsbudget kunnen verstrekken. Daarbij:
a. wijzen gedeputeerde staten de gemeenten aan waarvan naar hun oordeel gelet op de aard en de omvang van de stedelijke vernieuwingsopgave een ontwikkelingsprogramma wordt verlangd om in aanmerking te komen voor investeringsbudget,
b. geven gedeputeerde staten een indicatie van de hoogte van het budget voor deze gemeenten en
c. maken gedeputeerde staten, gehoord burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, met het oog op de toepassing van artikel 11, vijfde lid, aanhef en onder a, artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, aanhef en onder c, bekend binnen welke groepen van gemeenten onderlinge afstemming van de ontwikkelingsprogramma's en de activiteiten in het kader van de stedelijke vernieuwing, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, hun gewenst voorkomt, welke bekendmaking geen betrekking heeft op gemeenten die zijn gelegen in een samenwerkingsgebied.
**4.** Bij provinciale verordening worden regels gegeven omtrent de wijze waarop de verdeling tussen de gemeenten van de middelen voor investeringsbudget wordt vastgesteld. Bij de verdeling houdt de provincie rekening met de aard en de omvang van de stedelijke vernieuwingsopgave in die gemeenten.
@ -79,27 +86,35 @@ b. voor een provincie: de hoogte van het provinciale budget ten behoeve van de v
**1.**
Investeringsbudget wordt verleend aan een gemeente die beschikt over een door de gemeenteraad vastgesteld ontwikkelingsprogramma:
Investeringsbudget kan worden verleend aan een gemeente die beschikt over een door de gemeenteraad vastgesteld ontwikkelingsprogramma:
a. waarin de gemeentelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing voldoende zijn onderbouwd en worden weergegeven in termen van toetsbare resultaten,
b. waarin wordt ingegaan op de relatie met stedelijke vernieuwing die zich niet richt op de fysieke leefomgeving,
c. dat betrekking heeft op het investeringstijdvak en inzicht geeft in het daaropvolgende tijdvak,
d. dat een financiële paragraaf bevat, die inzicht geeft in de van stedelijke vernieuwing te verwachten kosten en opbrengsten,
e. dat vermeldt op welke wijze de ingezetenen van de gemeente en degenen die in de gemeenten een belang hebben bij het programma, worden gehoord en met welk resultaat zij worden betrokken bij de voorbereiding en realisering van het programma, en
e. dat vermeldt met welk resultaat intergemeentelijke afstemming van de ontwikkelingsprogramma's heeft plaatsgevonden, en
f. waarin de in het tweede lid bedoelde landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing in acht zijn genomen.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing vastgesteld en kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de in het eerste en derde lid gestelde eisen.
**2.**
Bij algemene maatregel van bestuur worden de landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing vastgesteld en kunnen:
a. nadere regels worden gegeven omtrent de in het eerste en derde lid gestelde eisen en
b. eisen worden gesteld aan de intergemeentelijke afstemming van de ontwikkelingsprogramma's.
**3.**
Bij de voorbereiding van het ontwikkelingsprogramma betrekken burgemeester en wethouders in elk geval:
a. de ingezetenen van de gemeente en degenen die in de gemeente een belang hebben bij het programma, op de wijze als is voorzien in de verordening die is vastgesteld krachtens artikel 150 van de Gemeentewet, en
b. de besturen van gemeenten wier belangen hierbij rechtstreeks in het geding zijn.
a. de ingezetenen van de gemeente en degenen die in de gemeente een belang hebben bij het programma, op de wijze als is voorzien in de verordening die is vastgesteld krachtens artikel 150 van de Gemeentewet,
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, indien van toepassing, die behoren tot dezelfde groep, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c, als die waartoe de gemeente behoort, dan wel hetzelfde samenwerkingsgebied als waarin de gemeente is gelegen, en
c. burgemeester en wethouders van andere gemeenten wier belangen hierbij rechtstreeks in het geding zijn.
**4.** In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten aan een gemeente, die niet is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, tweede volzin, investeringsbudget verlenen ten behoeve van een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, indien de daartoe strekkende aanvraag vergezeld gaat van een onderbouwing van de voorgenomen stedelijke vernieuwing, waarin in elk geval een financiële paragraaf is opgenomen en welke vermeldt hoe en met welk resultaat met betrokken partijen overleg is gevoerd alsmede hoe deze bij de uitvoering van die activiteit worden betrokken.
**4.** De raad van een gemeente als bedoeld in artikel 5, tweede lid, die een meerjarenprogramma voor de onderscheidenlijke uitkeringen van het Grotestedenbeleid voor het investeringstijdvak vaststelt, laat het ontwikkelingsprogramma daarvan deel uitmaken.
**5.** De beschikking tot verlening van investeringsbudget vermeldt het bedrag van dat budget.
**5.** In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten gedurende het investeringstijdvak op aanvraag aan een gemeente, die niet is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, investeringsbudget verlenen ten behoeve van een activiteit in het kader van de stedelijke vernieuwing, indien de daartoe strekkende aanvraag vergezeld gaat van een onderbouwing van de voorgenomen stedelijke vernieuwing, waarin in elk geval een financiële paragraaf is opgenomen en welke vermeldt met welk resultaat overleg is gevoerd met betrokken partijen, waaronder, indien van toepassing, mede begrepen burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot dezelfde groep, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c, als die waartoe de gemeente behoort, dan wel hetzelfde samenwerkingsgebied als waarin de gemeente is gelegen.
**6.** De beschikking tot verlening van investeringsbudget vermeldt het bedrag van dat budget.
### Artikel 8
@ -107,7 +122,7 @@ b. de besturen van gemeenten wier belangen hierbij rechtstreeks in het geding zi
De verlening van investeringsbudget kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:
a. de gemeente geen ontwikkelingsprogramma heeft vastgesteld,
a. de gemeenteraad geen ontwikkelingsprogramma heeft vastgesteld,
b. het ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met de eisen die zijn gesteld in artikel 7, eerste of derde lid, of
c. het ontwikkelingsprogramma naar het oordeel van Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten niet verenigbaar is met de ingevolge artikel 7, tweede lid, gegeven regels.
@ -128,7 +143,16 @@ b. het ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met op grond van een wettelijk
**4.** Onze Minister gaat onderscheidenlijk gedeputeerde staten gaan niet over tot weigering van verlening van investeringsbudget dan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het ontwikkelingsprogramma aan te passen binnen een door Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten te bepalen termijn.
**5.** In afwijking van het eerste lid kan de provincie in geval van een andere gemeente dan aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, tweede volzin, de verlening van investeringsbudget geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de aanvraag niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 7, vierde lid, en indien de beoogde activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing niet verenigbaar is met de ingevolge artikel 7, tweede lid, gegeven regels en kan de provincie deze aanvraag overigens geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de beoogde stedelijke vernieuwing niet verenigbaar is met op grond van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal of rijksbeleid. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
**5.**
In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten in geval van een andere gemeente dan aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, de verlening van investeringsbudget geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 7, vijfde lid,
b. de beoogde activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing niet verenigbaar is met de ingevolge artikel 7, tweede lid, gegeven regels,
c. de beoogde activiteit in het kader van de stedelijke vernieuwing onvoldoende intergemeentelijk is afgestemd, of
d. de beoogde activiteit in het kader van de stedelijke vernieuwing niet verenigbaar is met op grond van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal of rijksbeleid. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
**6.** Onze Minister kan de verlening van investeringsbudget geheel of gedeeltelijk weigeren indien budgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven.
### Artikel 9
@ -139,7 +163,7 @@ b. het ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met op grond van een wettelijk
Aan de verlening van investeringsbudget is in elk geval de verplichting verbonden dat:
a. indien de ingevolge artikel 7, tweede lid, vastgestelde landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing gedurende het investeringstijdvak worden gewijzigd, het ontwikkelingsprogramma voorzover mogelijk hieraan wordt aangepast, en
b. indien een gemeentelijke beleidswijziging leidt tot wijziging van de gemeentelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing gedurende het investeringstijdvak, het ontwikkelingsprogramma slechts wordt aangepast na instemming van Onze Minister, gedeputeerde staten gehoord, onderscheidenlijk van gedeputeerde staten.
b. indien een gemeentelijke beleidswijziging leidt tot wijziging van de gemeentelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing gedurende het investeringstijdvak, het ontwikkelingsprogramma slechts wordt aangepast na instemming van Onze Minister, gehoord gedeputeerde staten, dan wel, indien van toepassing, het dagelijks bestuur van het samenwerkingsgebied, onderscheidenlijk na instemming van gedeputeerde staten, gehoord, indien van toepassing, het dagelijks bestuur van het samenwerkingsgebied.
**3.**
@ -171,32 +195,37 @@ c. de verlening van investeringsbudget anderszins onjuist was en de gemeente dit
### Artikel 11
**1.** Een aanvraag tot verlening van investeringsbudget wordt gedaan door burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van het ontwikkelingsprogramma.
**1.**
**2.** De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 1 juli van het eerste jaar van het investeringstijdvak. Indien in een bepaald geval het wegens overschrijding van de indieningstermijn buiten behandeling laten van een aanvraag zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard, kan Onze Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten besluiten de aanvraag alsnog te behandelen. In dat geval kan een lager investeringsbudget worden verleend dan het bedrag dat op grond van artikel 6, eerste of derde lid, voor de betrokken gemeente als investeringsbudget is geïndiceerd.
Een aanvraag tot verlening van investeringsbudget wordt gedaan door burgemeester en wethouders, gaat vergezeld van het ontwikkelingsprogramma en wordt ingediend:
**3.** Op een aanvraag wordt beslist binnen acht weken na de dag waarop die aanvraag is ontvangen. Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd. Indien toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid, kan de termijn nogmaals, met ten hoogste vier weken, worden verlengd.
a. indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, bij Onze Minister en
b. indien het een gemeente betreft die is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, bij gedeputeerde staten.
**4.**
**2.** Indien een aanvraag tot verlening van de onderscheidenlijke uitkeringen van het Grotestedenbeleid bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid wordt ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, die aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag tot verlening van investeringsbudget.
**3.** De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 15 november van het jaar dat voorafgaat aan het investeringstijdvak, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en uiterlijk op 15 februari van het eerste jaar van het investeringstijdvak, indien het een gemeente betreft die is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a. Indien in een bepaald geval het wegens overschrijding van de indieningstermijn buiten behandeling laten van een aanvraag zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard, kan Onze Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten besluiten de aanvraag alsnog te behandelen. In dat geval kan een lager investeringsbudget worden verleend dan het bedrag dat op grond van artikel 6, eerste of derde lid, voor de betrokken gemeente als investeringsbudget is geïndiceerd.
**4.** Onze Minister, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, beslissen op een aanvraag binnen acht weken na de dag waarop die aanvraag door Onze Minister, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, dan wel waarop de aanvraag tot verlening van de onderscheidenlijke uitkeringen van het Grotestedenbeleid voor het investeringstijdvak door Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid, is ontvangen. Deze termijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd.
**5.**
Onze Minister beslist niet op de aanvraag van een gemeente waaraan hij investeringsbudget kan verlenen dan nadat hij gedeputeerde staten van de betrokken provincie gedurende ten minste vier weken in de gelegenheid heeft gesteld hem van advies te dienen ten aanzien van in elk geval:
a. de intergemeentelijke afstemming van het ontwikkelingsprogramma, en
a. de intergemeentelijke afstemming van het ontwikkelingsprogramma, met dien verstande dat het advies geen betrekking heeft op de intergemeentelijke afstemming van een ontwikkelingsprogramma van een gemeente die is gelegen in een samenwerkingsgebied, en
b. de verenigbaarheid van het ontwikkelingsprogramma met op grond van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal beleid.
**5.** Indien het advies van gedeputeerde staten inhoudt dat het ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met het vastgesteld provinciaal bodembeleid, nodigt Onze Minister de betrokken bestuursorganen uit voor een nader overleg, onder leiding van een door hem aan te wijzen voorzitter. De voorzitter deelt binnen vier weken aan Onze Minister mee tot welke uitkomst het overleg heeft geleid.
**6.** Onze Minister beslist niet op de aanvraag van een gemeente waaraan hij investeringsbudget kan verlenen en die is gelegen in een samenwerkingsgebied, dan nadat hij het dagelijks bestuur van het betreffende samenwerkingsgebied gedurende ten minste vier weken in de gelegenheid heeft gesteld hem van advies te dienen ten aanzien van de intergemeentelijke afstemming van het ontwikkelingsprogramma.
**6.** Het vijfde lid is niet van toepassing op de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, alsmede op de gemeenten waarop artikel 88, eerste lid, van de Wet bodembescherming krachtens het negende lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing is verklaard.
**7.** Het tweede lid, eerste volzin, is niet van toepassing op gemeenten als bedoeld in artikel 7, vierde lid.
**7.** Gedeputeerde staten beslissen niet op de aanvraag van een gemeente waaraan zij investeringsbudget kunnen verlenen en die is gelegen in een samenwerkingsgebied, dan nadat zij het dagelijks bestuur van het betreffende samenwerkingsgebied gedurende ten minste vier weken in de gelegenheid hebben gesteld hen van advies te dienen ten aanzien van de intergemeentelijke afstemming van het ontwikkelingsprogramma of de activiteit in het kader van de stedelijke vernieuwing, bedoeld in artikel 7, vijfde lid.
### Artikel 12
**1.** Onze Minister verleent gedurende het investeringstijdvak per jaar een voorschot aan de provincies en de gemeenten waaraan hij investeringsbudget heeft verleend.
**2.** Gedeputeerde staten verlenen gedurende het investeringstijdvak per jaar een voorschot aan de gemeenten die zijn aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, tweede volzin, en waaraan zij investeringsbudget hebben verleend.
**2.** Gedeputeerde staten verlenen gedurende het investeringstijdvak per jaar een voorschot aan de gemeenten die zijn aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, en waaraan zij investeringsbudget hebben verleend.
**3.** Aan andere gemeenten dan die aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, tweede volzin, kunnen gedeputeerde staten een voorschot verlenen.
**3.** Aan andere gemeenten dan die aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, kunnen gedeputeerde staten een voorschot verlenen.
**4.** Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening betaald. Het voorschot wordt binnen vier weken na de voorschotverlening betaald.
@ -208,24 +237,26 @@ b. de verenigbaarheid van het ontwikkelingsprogramma met op grond van een wettel
### Artikel 13
**1.** Burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan investeringsbudget is verleend, dienen uiterlijk op de 1e juli volgende op de afloop van het investeringstijdvak een aanvraag in tot vaststelling van het investeringsbudget bij Onze Minister, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of bij gedeputeerde staten, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, derde lid.
**1.** Burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan investeringsbudget is verleend, dienen uiterlijk op de 15e juli volgende op de afloop van het investeringstijdvak een aanvraag in tot vaststelling van het investeringsbudget bij Onze Minister, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of bij gedeputeerde staten, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 5, derde lid.
**2.** Bij de aanvraag wordt een verantwoordingsverslag gevoegd. Dit verslag bevat een vergelijking van de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen gemeentelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing, dan wel, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de in de aanvraag opgenomen onderbouwing van de activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, en de aan het investeringsbudget verbonden verplichtingen met de bereikte resultaten en een toelichting van de verschillen. Bij de aanvraag wordt tevens een verslag over de besteding van de verleende voorschotten gezonden. Dit verslag gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de in dat verslag vermelde bestedingen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verslagen, bedoeld in de tweede en derde volzin, en de verklaring, bedoeld in de vierde volzin.
**2.** Bij de aanvraag wordt een verantwoordingsverslag gevoegd. Dit verslag bevat een vergelijking van de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen gemeentelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing, dan wel, indien het een gemeente betreft als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de in de aanvraag opgenomen onderbouwing van de activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, en de aan het investeringsbudget verbonden verplichtingen met de bereikte resultaten en een toelichting van de verschillen. Bij de aanvraag wordt tevens een verslag over de besteding van de verleende voorschotten gezonden. Dit verslag gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de in dat verslag vermelde bestedingen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verslagen, bedoeld in de tweede en derde volzin, en de verklaring, bedoeld in de vierde volzin.
**3.** Gedeputeerde staten vatten ten aanzien van gemeenten waaraan zij investeringsbudget hebben verleend, de bevindingen samen die zij hebben verkregen uit de stukken, bedoeld in het eerste en tweede dan wel vijfde lid, en dienen deze samenvatting, vergezeld van die stukken, in bij Onze Minister uiterlijk op de 1e augustus volgende op de afloop van het investeringstijdvak.
**3.** Indien een aanvraag tot vaststelling van de onderscheidenlijke uitkeringen van het Grotestedenbeleid voor het investeringstijdvak bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid wordt ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, die aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag tot vaststelling van het investeringsbudget.
**4.** Indien voor het investeringstijdvak direct volgend op het investeringstijdvak waarvoor de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend, een aanvraag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt ingediend, geschiedt de indiening gelijktijdig.
**4.** Het verantwoordingsverslag, bedoeld in het tweede lid, maakt, indien van toepassing, deel uit van het verantwoordingsverslag dat bij de bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid ingediende aanvraag is gevoegd.
**5.**
**5.** Gedeputeerde staten vatten ten aanzien van gemeenten waaraan zij investeringsbudget hebben verleend, de bevindingen samen die zij hebben verkregen uit de stukken, bedoeld in het eerste en tweede dan wel zesde lid, en dienen deze samenvatting, vergezeld van die stukken, in bij Onze Minister uiterlijk op de 1e augustus volgende op de afloop van het investeringstijdvak.
Indien het investeringsbudget betreft ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, als bedoeld in artikel 7, vierde lid, en voornoemde activiteit aan het einde van het investeringstijdvak niet is verwezenlijkt, geldt in afwijking van het eerste en tweede lid dat:
**6.**
Indien het investeringsbudget betreft ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, en voornoemde activiteit aan het einde van het investeringstijdvak niet is verwezenlijkt, geldt in afwijking van het eerste en tweede lid dat:
a. burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk op de in het eerste lid bedoelde datum aan gedeputeerde staten een verklaring overleggen omtrent de reden van het niet verwezenlijken van voornoemde activiteit;
b. zij een aanvraag tot vaststelling van het investeringsbudget indienen uiterlijk zes maanden nadat voornoemde activiteit is verwezenlijkt, onder overlegging van de in het tweede lid bedoelde bescheiden.
### Artikel 14
**1.** Onze Minister stelt onderscheidenlijk gedeputeerde staten stellen het bedrag van het investeringsbudget vast. Met uitzondering van aanvragen van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, alsmede van de gemeenten waarop artikel 88, eerste lid, van de Wet bodembescherming krachtens het negende lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing is verklaard, beslist Onze Minister niet dan nadat hij gedeputeerde staten van de provincie waarin de gemeente is gelegen gedurende ten minste vier weken in de gelegenheid heeft gesteld hem van advies te dienen ten aanzien van de verwezenlijking van de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen gemeentelijke doelstellingen van bodemsanering. Het bedrag van het investeringsbudget wordt vastgesteld op het bedrag van het verleende investeringsbudget, indien geen van de in artikel 10, eerste en tweede lid, bedoelde omstandigheden zich voordoet.
**1.** Onze Minister stelt onderscheidenlijk gedeputeerde staten stellen binnen vier maanden na de indieningstermijn genoemd in artikel 13, eerste of zesde lid, het bedrag van het investeringsbudget vast. Het bedrag van het investeringsbudget wordt vastgesteld op het bedrag van het verleende investeringsbudget, indien geen van de in artikel 10, eerste en tweede lid, bedoelde omstandigheden zich voordoet.
**2.** De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag.
@ -233,7 +264,7 @@ b. zij een aanvraag tot vaststelling van het investeringsbudget indienen uiterli
### Artikel 15
**1.** Indien de in artikel 13, eerste of vijfde lid, bedoelde termijn voor indiening van de aanvraag om vaststelling van het investeringsbudget is verstreken zonder dat een aanvraag is ingediend, kan het investeringsbudget ambtshalve worden vastgesteld.
**1.** Indien de in artikel 13, eerste of zesde lid, bedoelde termijn voor indiening van de aanvraag om vaststelling van het investeringsbudget is verstreken zonder dat een aanvraag is ingediend, kan het investeringsbudget ambtshalve worden vastgesteld.
**2.** Onze Minister gaat onderscheidenlijk gedeputeerde staten gaan niet over tot ambtshalve vaststelling dan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld een aanvraag in te dienen binnen een door Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten te bepalen termijn.
@ -244,7 +275,7 @@ b. zij een aanvraag tot vaststelling van het investeringsbudget indienen uiterli
Onze Minister kan onderscheidenlijk gedeputeerde staten kunnen jegens de betrokken gemeente verplichtingen verbinden aan investeringsbudget dat voor het op dat moment lopende investeringstijdvak wordt of is verleend, indien met betrekking tot het afgelopen investeringstijdvak:
a. de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen gemeentelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing naar het oordeel van Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten onvoldoende zijn bereikt en dit de gemeente kan worden toegerekend,
b. de activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, bedoeld in artikel 7, vierde lid, naar het oordeel van gedeputeerde staten niet of niet geheel heeft plaatsgevonden en dit de gemeente kan worden toegerekend,
b. de activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, naar het oordeel van gedeputeerde staten niet of niet geheel heeft plaatsgevonden en dit de gemeente kan worden toegerekend,
c. de gemeente niet heeft voldaan aan de aan de verlening van investeringsbudget verbonden verplichtingen,
d. de verleende voorschotten door de gemeente zijn besteed aan een ander doel dan stedelijke vernieuwing, of
e. de aanvraag tot vaststelling van investeringsbudget niet of niet tijdig is ingediend.
@ -322,7 +353,7 @@ Het totaal van de in dit hoofdstuk genoemde subsidies dat uit 's Rijks kas besch
**1.** Na afloop van een investeringstijdvak doet Onze Minister verslag aan de Staten-Generaal over de toepassing en de effecten van deze wet.
**2.** Burgemeester en wethouders alsmede gedeputeerde staten verlenen desgevraagd medewerking aan het door Onze Minister uit te brengen verslag.
**2.** Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, alsmede het dagelijks bestuur van een samenwerkingsgebied, verlenen desgevraagd medewerking aan het door Onze Minister uit te brengen verslag.
### Artikel 25