2022-07-01 | BWBR0034414 | Besluit pensioen politieke ambtsdragers

This commit is contained in:
Coornhert 2022-07-01 12:00:00 +00:00
parent 99f5f67b98
commit 88a5b8e12d

View file

@ -31,11 +31,11 @@ Indien in een bepaling in onderhavig besluit wordt verwezen naar een artikel in
## Hoofdstuk 2. Het pensioen en de inhouding met ingang van 1 januari 2014
### Paragraaf 1. Het eigen pensioen
### Paragraaf 1. Het ouderdomspensioen
### Artikel 2.1.1
**1.** Dit hoofdstuk is met ingang van 1 januari 2014 van toepassing op het pensioen van alle politieke ambtsdragers als bedoeld in de wet, voor zover zij op grond van de wet pensioenaanspraken opbouwen of recht hebben op pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepaling anders blijkt.
**1.** Dit hoofdstuk is met ingang van 1 januari 2014 van toepassing op het pensioen van alle politieke ambtsdragers als bedoeld in de wet, voor zover zij op grond van de wet pensioenaanspraken opbouwen of recht hebben op pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepaling anders blijkt.
**2.** Het pensioen wordt voor iedere functie als ambtsdrager afzonderlijk opgebouwd, onverminderd de mogelijkheid van waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107 van de wet.
@ -47,23 +47,26 @@ De pensioengrondslag voor een dienstjaar bedraagt de overeenkomstig artikel 13d
### Artikel 2.1.3
**1.**
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bezoldiging:
a. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de tweede afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in de artikelen 1 en 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen;
b. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de derde afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in de artikelen 2, 2a, 2b, 11 en 12 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer;
c. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de vijfde afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in artikel 3 en 4 van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, artikel 3 van het Rechtspositiebesluit wethouders, artikel 3.11 en 3.13 van het Waterschapsbesluit en artikel 2, eerste en vijfde lid en artikel 3 van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.
c. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de vijfde afdeling van de wet:
**2.** In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de bezoldiging de verhoging van de bezoldiging per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
de bezoldiging van de gedeputeerde, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 2.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
de bezoldiging van de wethouder, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
de bezoldiging van het lid van het dagelijks bestuur, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 4.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; onderscheidenlijk
de bezoldiging Rijksvertegenwoordiger, inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.
### Artikel 2.1.4
De franchise, bedoeld in artikel 13d, eerste lid, van de wet, is de franchise die in een kalenderjaar ten aanzien van de beroepsmilitairen, gewezen beroepsmilitairen en gepensioneerde beroepsmilitairen wordt gehanteerd.
**1.** De franchise, bedoeld in artikel 13d, eerste lid, van de wet zoals die tot 1 juli 2022 luidde, is de franchise die in een kalenderjaar ten aanzien van de beroepsmilitairen, gewezen beroepsmilitairen en gepensioneerde beroepsmilitairen wordt gehanteerd.
**2.** Met ingang van 1 juli 2022 wordt in dit hoofdstuk onder franchise verstaan de franchise, bedoeld in artikel 13d, eerste lid, van de wet.
### Artikel 2.1.5
De dienstjaren zijn kalenderjaren. Voor zover de betrokkene gedurende een kalenderjaar niet het hele jaar als ambtsdrager werkzaam is geweest of in het genot is geweest van een uitkering, wordt die tijd uitgedrukt in een gedeelte van een dienstjaar overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de wet.
De dienstjaren zijn kalenderjaren. Voor zover de betrokkene gedurende een kalenderjaar niet het hele jaar als ambtsdrager werkzaam is geweest of in het genot is geweest van een uitkering, wordt die tijd uitgedrukt in een gedeelte van een dienstjaar overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de wet.
### Artikel 2.1.6
@ -85,15 +88,13 @@ De door een betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken worden jaarlijks gewijzigd
### Artikel 2.1.10
**1.** Bij een verhoging van de pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 13f van de wet, worden slechts de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen als bedoeld in hoofdstuk 5 omgezet, voor zover die aanspraken zijn opgebouwd vanaf 1 juli 1999.
**1.** Bij een verhoging van de pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 13f van de wet, worden slechts de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen als bedoeld in hoofdstuk 5 omgezet, voor zover die aanspraken zijn opgebouwd vanaf 1 juli 1999.
**2.** De omzetting, bedoeld in artikel 13f, vierde lid, van de wet, geschiedt op dezelfde wijze als de omzetting die het ABP toepast bij het verhogen van het ouderdomspensioen van een overheidswerknemer door het omzetten van partnerpensioen.
### Artikel 2.1.11
**1.** Bij een verlaging van de pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 13g van de wet, worden slechts opgebouwde aanspraken op pensioen omgezet, voor zover die aanspraken zijn opgebouwd vanaf 1 augustus 2003.
**2.** De omzettingen, bedoeld in artikel 13g, vierde lid, van de wet, geschieden op dezelfde wijze als de omzettingen die het ABP toepast bij het verminderen van het ouderdomspensioen bij het eindigen van de deelneming door omzetting in partnerpensioen bij overlijden voor de pensioengerechtigde leeftijd, de aanpassing van de vermindering van het ouderdomspensioen na waardeoverdracht of het opnieuw zijn van deelnemer.
De omzettingen, bedoeld in artikel 13g, vierde lid, van de wet, geschieden op dezelfde wijze als de omzettingen die het ABP toepast bij het verminderen van het ouderdomspensioen bij het eindigen van de deelneming door omzetting in partnerpensioen bij overlijden voor de pensioengerechtigde leeftijd, de aanpassing van de vermindering van het ouderdomspensioen na waardeoverdracht of het opnieuw zijn van deelnemer.
### Artikel 2.1.12
@ -103,21 +104,19 @@ Indien een voor de berekening van de pensioenaanspraken of het pensioen toe te p
### Artikel 2.2.1
**1.** De inhouding op de bezoldiging terzake van aanspraken bij ouderdom en overlijden, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de Anw-compensatie, met inachtneming van de franchise, bedoeld in artikel 2.1.4.
**1.** De inhouding op de bezoldiging terzake van aanspraken bij ouderdom en overlijden, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ouderdoms- en partnerpensioen, met inachtneming van de franchise, bedoeld in artikel 2.1.4.
**2.** De inhouding op de bezoldiging ter zake van aanspraken bij arbeidsongeschiktheid, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen, met inachtneming van de daarvoor geldende franchise.
**3.** De inhouding op de uitkering, bedoeld in de artikelen 106 en 160, tweede lid, van de wet is gelijk aan de inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkering de inhouding 100% bedraagt en daarna 50%. Het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid wordt voor de inhouding op de uitkering beschouwd als het in eerste lid bedoelde bezoldiging.
**3.** De inhouding op de uitkering, bedoeld in de artikelen 106 en 160, tweede lid, van de wet is 50% van de inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid. Het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid wordt voor de inhouding op de uitkering beschouwd als het in eerste lid bedoelde bezoldiging.
**4.** Gedurende de tijd dat de uitkering is verminderd vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, worden de inhoudingspercentages, bedoeld in het tweede lid vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
**4.** Gedurende de tijd dat de uitkering is verminderd vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, worden de inhoudingspercentages, bedoeld in het tweede lid vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
## Hoofdstuk 3. Het pensioen en de inhoudingen tot 1 januari 2014
### Paragraaf 1. Het eigen pensioen
## Hoofdstuk 3. Het pensioen tot 1 januari 2014
### Artikel 3.1.1
De opbouw van pensioenaanspraken geschiedt tot 1 januari 2014 met inachtneming van deze paragraaf.
De opbouw van pensioenaanspraken geschiedt tot 1 januari 2014 met inachtneming van deze paragraaf.
### Artikel 3.1.2
@ -129,52 +128,52 @@ De opbouw van pensioenaanspraken geschiedt tot 1 januari 2014 met inachtneming v
**1.** Het pensioen bedraagt voor ieder dienstjaar 2 percent van de daarvoor geldende pensioengrondslag, zoals berekend op grond van de artikelen 3.1.4 tot en met 3.1.8. Voor de toepassing van deze artikelen wordt verstaan onder wedde: de laatstelijk genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, derde lid van de wet.
**2.** In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de wedde de verhoging van de wedde per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
**2.** In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de wedde de verhoging van de wedde per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
**3.** Als diensttijd telt mee de tijd met recht op uitkering. Het pensioen over die tijd wordt berekend naar 2 percent per jaar over de eerste vier jaren van het recht op uitkering dan wel over de volledige tijd met recht op uitkering indien die tijd minder is dan vier jaren en vervolgens naar 1 percent per jaar. In het geval van een uitkering als bedoeld in artikel 8a van de wet, wordt het pensioen over de tijd met recht op uitkering berekend naar 2 percent per jaar voor zover en voor zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55 percent of meer bedraagt. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt een uitkering als bedoeld in artikel 7 van de wet aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 8a van de wet, indien en zolang de belanghebbende tijdens de duur van de eerstbedoelde uitkering voor 55 percent of meer algemeen invalide is.
**3.** Als diensttijd telt mee de tijd met recht op uitkering. Het pensioen over die tijd wordt berekend naar 2 percent per jaar over de eerste vier jaren van het recht op uitkering dan wel over de volledige tijd met recht op uitkering indien die tijd minder is dan vier jaren en vervolgens naar 1 percent per jaar. In het geval van een uitkering als bedoeld in artikel 8a van de wet, wordt het pensioen over de tijd met recht op uitkering berekend naar 2 percent per jaar voor zover en voor zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55 percent of meer bedraagt. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt een uitkering als bedoeld in artikel 7 van de wet aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 8a van de wet, indien en zolang de belanghebbende tijdens de duur van de eerstbedoelde uitkering voor 55 percent of meer algemeen invalide is.
**4.**
In afwijking van het derde lid wordt het pensioen over de in dat lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 van de wet. Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in het derde lid vindt plaats:
In afwijking van het derde lid wordt het pensioen over de in dat lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 van de wet. Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in het derde lid vindt plaats:
a. voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 van de wet tot nihil is verminderd;
a. voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 van de wet tot nihil is verminderd;
b. in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering, maar die minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 106 van de wet berekende inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval als een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is voldaan;
c. indien de belanghebbende daarom verzoekt.
**5.** Indien voor de pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd voor het pensioen meetellen, wordt over elk van die tijden een afzonderlijk pensioen berekend. De som van die pensioenen wordt als een eenheid toegekend.
**6.** De betrokkene heeft bij ingang van het pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen, voor zover het is berekend over diensttijd die is gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 22 van de wet voor de berekening van het nabestaandenpensioen in aanmerking wordt genomen.
**6.** De betrokkene heeft bij ingang van het pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen, voor zover het is berekend over diensttijd die is gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 22 van de wet voor de berekening van het nabestaandenpensioen in aanmerking wordt genomen.
**7.** Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het zesde lid, vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voor zover opgebouwd na 30 juni 1999.
**7.** Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het zesde lid, vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voor zover opgebouwd na 30 juni 1999.
**8.** De keuze, bedoeld in het zesde lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner.
**9.** De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk.
**10.** Indien een gewezen kamerlid tevens is opgetreden als voorzitter, ondervoorzitter dan wel als fractievoorzitter wordt het pensioen voor ieder jaar dat het kamerlid als zodanig is opgetreden, verhoogd met 1,75 percent van de laatstelijk uit dien hoofde genoten toelage of verhoging van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, en artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, inbegrepen de daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 2b van die wet en aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, derde lid, van de wet.
**10.** Indien een gewezen kamerlid tevens is opgetreden als voorzitter, ondervoorzitter dan wel als fractievoorzitter wordt het pensioen voor ieder jaar dat het kamerlid als zodanig is opgetreden, verhoogd met 1,75 percent van de laatstelijk uit dien hoofde genoten toelage of verhoging van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, en artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, inbegrepen de daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 2b van die wet en aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, derde lid, van de wet.
### Artikel 3.1.4
**1.** Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de wedde.
**1.** Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de wedde.
**2.** De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met 100/110 indien deze laatstelijk is genoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. De aldus vastgestelde pensioengrondslag is echter niet lager dan de wedde verminderd met € 2.867,89. Het bedrag van € 2.867,89 wordt met ingang van 1 januari 2008 gewijzigd in € 4.434,37 en met ingang van 1 januari 2010 in € 4.446,79.
**2.** De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met 100/110 indien deze laatstelijk is genoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. De aldus vastgestelde pensioengrondslag is echter niet lager dan de wedde verminderd met € 2.867,89. Het bedrag van € 2.867,89 wordt met ingang van 1 januari 2008 gewijzigd in € 4.434,37 en met ingang van 1 januari 2010 in € 4.446,79.
**3.** De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor zoals berekend op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, indien deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Op het aldus gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel van toepassing.
**3.** De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor zoals berekend op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, indien deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Op het aldus gevonden bedrag is het tweede lid van dit artikel van toepassing.
**4.** Hoofdstuk 17 van de wet is van toepassing op het pensioen, indien of voor zover berekend over de in het eerste lid bedoelde tijd.
### Artikel 3.1.5
**1.** Voor tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 is de pensioengrondslag de wedde verminderd met een bedrag, genaamd franchise.
**1.** Voor tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 is de pensioengrondslag de wedde verminderd met een bedrag, genaamd franchise.
**2.** De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor indien deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de teller honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het percentage waarmee het inkomen als minister per 1 januari 1995 uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 1994, 418) is gewijzigd.
**2.** De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor indien deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de teller honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het percentage waarmee het inkomen als minister per 1 januari 1995 uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 1994, 418) is gewijzigd.
**3.**
De in het eerste lid bedoelde franchise is:
a. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat;
b. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.
a. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat;
b. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.
**4.** In de in het derde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht bestaat.
@ -182,15 +181,15 @@ b. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderd
### Artikel 3.1.6
Voor de tijd tussen 1 januari 1995 en 1 januari 2004 zijn de ingevolge artikel 4 van de Wet privatisering ABP vastgestelde franchises van toepassing.
Voor de tijd tussen 1 januari 1995 en 1 januari 2004 zijn de ingevolge artikel 4 van de Wet privatisering ABP vastgestelde franchises van toepassing.
### Artikel 3.1.7
Met ingang van 1 januari 2004 is artikel 3.1.5, eerste lid, van toepassing, met dien verstande dat de franchise als volgt wordt vastgesteld:
Met ingang van 1 januari 2004 is artikel 3.1.5, eerste lid, van toepassing, met dien verstande dat de franchise als volgt wordt vastgesteld:
### Artikel 3.1.8
**1.** De betrokkene heeft recht op een toeslag op zijn pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de franchise bedoeld in artikel 3.1.7 en indien de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt met kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en indien de diensttijd valt tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.
**1.** De betrokkene heeft recht op een toeslag op zijn pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de franchise bedoeld in artikel 3.1.7 en indien de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt met kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en indien de diensttijd valt tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de betrokkene wordt aangemerkt.
@ -202,7 +201,7 @@ Met ingang van 1 januari 2004 is artikel 3.1.5, eerste lid, van toepassing, met
### Artikel 3.1.9
**1.** Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering, ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór 1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
**1.** Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering, ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór 1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging ambtshalve plaatsvond.
@ -210,46 +209,19 @@ Met ingang van 1 januari 2004 is artikel 3.1.5, eerste lid, van toepassing, met
### Artikel 3.1.10
De opgebouwde pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 40a, derde lid, van de wet, zijn de aanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2014. Vanaf deze datum worden de aanspraken gewijzigd overeenkomstig artikel 2.1.8
De opgebouwde pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 40a, derde lid, van de wet, zijn de aanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2014. Vanaf deze datum worden de aanspraken gewijzigd overeenkomstig artikel 2.1.8
### Paragraaf 2. De inhouding tot 1 januari 2014
### Artikel 3.2.1
**1.** De inhouding, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen, Anw-compensatie en ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen.
**2.**
Met ingang van 1 januari 2004 bedraagt de franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van inhouding van de premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen als volgt:
| Ingangsdatum | Franchise |
| --- | --- |
| 1 januari 2004 | € 16.350, |
| 1 januari 2005 | € 16.350, |
| 1 januari 2006 | € 16.450, |
| 1 januari 2007 | € 16.850, |
| 1 januari 2008 | € 17.300, |
| 1 januari 2009 | € 17.900, |
| 1 januari 2010 | € 18.200, |
| 1 januari 2011 | € 18.450, |
| 1 januari 2012 | € 18.700, |
| 1 januari 2013 | € 19.000, |
**3.** De inhouding op de uitkering, bedoeld in de artikelen 106 en 160, tweede lid, van de wet is gelijk aan de inhouding op de wedde, waarvan de uitkering is afgeleid, met dien verstande dat gedurende de eerste vier jaar van de uitkering de inhouding 100% bedraagt en daarna 50%. Het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid wordt voor de inhouding op de uitkering beschouwd als het in eerste lid bedoelde bezoldiging.
**4.** In afwijking van het derde lid worden de inhoudingspercentages, bedoeld in dat lid gehalveerd over de periode waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 van de wet.
## Hoofdstuk 4. Het nabestaanden- en wezenpensioen
## Hoofdstuk 4. Het partner- en wezenpensioen
### Artikel 4.1.1
De franchise, bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet, is de algemene franchise, zoals vastgesteld in artikel 3.1.7, voor het tijdvak vanaf 1 januari 1986 tot 1 januari 1995, in het geval de betrokkene voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt.
De franchise, bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet, is de algemene franchise, zoals vastgesteld in artikel 3.1.7, voor het tijdvak vanaf 1 januari 1986 tot 1 januari 1995, in het geval de betrokkene voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt.
## Hoofdstuk 5. De afkoop van een klein pensioen met ingang van 1 januari 2014
### Artikel 5.1
**1.** Dit artikel heeft met ingang van 1 januari 2014 betrekking op de afkoop van pensioen als bedoeld in de wet dat op de dag van ingang van het pensioen op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet.
**1.** Dit artikel heeft met ingang van 1 januari 2014 betrekking op de afkoop van pensioen als bedoeld in de wet dat op de dag van ingang van het pensioen op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet.
**2.** De vaststelling van de uitkering ineens geschiedt overeenkomstig de berekening die het ABP toepast bij de vaststelling van de afkoopsom van het overeenkomstige pensioen.
@ -289,10 +261,10 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit pensioen politieke ambtsdragers.
### Artikel 8.1.2
**1.** De besluiten van 25 juni 1993, houdende vaststelling van regelen, bedoeld in de artikel 106, eerste en tweede lid, en 118, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1993, 436) respectievelijk van 29 april 1970, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 160 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1970, 198), worden ingetrokken.
**1.** De besluiten van 25 juni 1993, houdende vaststelling van regelen, bedoeld in de artikel 106, eerste en tweede lid, en 118, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1993, 436) respectievelijk van 29 april 1970, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 160 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1970, 198), worden ingetrokken.
**2.** Bedragen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge de in het eerste lid bedoelde besluiten, verschuldigd zijn aan een politieke ambtsdrager, zijn met ingang van dat tijdstip verschuldigd krachtens dit besluit.
### Artikel 8.1.3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013.