From 88d07f8a4c91ff72b0a3a919fcae0cf0b6be405d Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 15 Feb 2014 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2014-02-15 | BWBR0016637 | Wet op de jeugdzorg --- wet/wet-op-de-jeugdzorg/BWBR0016637/README.md | 109 ++++++++---------- 1 file changed, 50 insertions(+), 59 deletions(-) diff --git a/wet/wet-op-de-jeugdzorg/BWBR0016637/README.md b/wet/wet-op-de-jeugdzorg/BWBR0016637/README.md index 21ccb0c3783..eb17321d8c5 100644 --- a/wet/wet-op-de-jeugdzorg/BWBR0016637/README.md +++ b/wet/wet-op-de-jeugdzorg/BWBR0016637/README.md @@ -22,7 +22,6 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - accommodatie: een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid; - bureau jeugdzorg: een bureau als bedoeld in artikel 4; - cliënt: jeugdige, zijn ouders of stiefouders of anderen die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders; -- eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 70; - experiment: het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat; - huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning; - hulpverleningsplan: het plan, bedoeld in artikel 24, tweede lid; @@ -37,7 +36,7 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - landelijk beleidskader: het landelijke beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 34, eerste lid; - Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen: het bureau, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen; - machtiging: een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid; -- Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Justitie tezamen; +- Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Veiligheid en Justitie tezamen; - ouderbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 69; - pleegouder: degene die een pleegcontract als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, met een zorgaanbieder heeft gesloten; - provinciaal beleidskader: het provinciale beleidskader jeugdzorg, bedoeld in artikel 31, eerste lid; @@ -249,13 +248,13 @@ c. zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige. ### Artikel 3 -**1.** Cliënten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000. +**1.** Cliënten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard en inhoud van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000. **2.** Gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft, dragen ervoor zorg dat cliënten hun aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid, tot gelding kunnen brengen. -**3.** Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt gelijk gesteld een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een beslissing van Onze Minister van Justitie in het kader van artikel 77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover hij de veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 77wa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, en een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, bij welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld. +**3.** Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. Met een zodanig besluit wordt gelijk gesteld een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 261, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een beslissing van Onze Minister van Veiligheid en Justitie in het kader van artikel 77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover hij de veroordeelde elders doet opnemen, een beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 77wa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, en een beslissing van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, bij welke beslissing jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt opgelegd of als voorwaarde wordt gesteld. -**4.** Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit. Indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn gelijk aan de duur van de machtiging. +**4.** Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit. **5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in het derde lid, niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van het derde lid. @@ -309,21 +308,35 @@ Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan; b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel; -c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen; -d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht; -e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen. +c. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht; +d. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen. **2.** In het besluit geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren. -**3.** Door het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, of indien een aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder d, tot gelding is gebracht, vervalt de aanspraak. +**3.** Indien in een besluit dat strekt tot de vaststelling dat een cliënt is aangewezen op jeugdzorg in de zin van artikel 5, tweede lid, onder a, bepalingen over de duur en de omvang van de geïndiceerde jeugdzorg worden opgenomen, hebben deze bepalingen geen gevolgen voor de aanspraak op jeugdzorg. -**4.** De aanspraak vervalt voorts indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid. +**4.** Indien een besluit strekt tot de vaststelling dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, wordt daarin opgenomen de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen. -**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van totstandkoming daarvan, alsmede omtrent het vierde lid. +**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van totstandkoming daarvan. ### Artikel 6a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** + +De aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, vervalt, indien: + +a. de cliënt de aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, tot gelding heeft gebracht, +b. de zorgaanbieder en de cliënt tezamen schriftelijk aan de stichting hebben medegedeeld dat de met de zorg beoogde doelen zijn bereikt, of +c. de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat de cliënt niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg. + +**2.** + +In afwijking van het eerste lid vervalt de aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, op grond van het eerste lid, onder b of onder c, uitsluitend indien de stichting daarmee instemt, voor zover het gaat om een aanspraak die wordt verleend: + +a. in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of +b. indien de stichting de voogdij op grond van artikel 302, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de voorlopige voogdij op grond van artikel 241, tweede lid, 271, vierde lid, of 272, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefent. + +**3.** In afwijking van het eerste lid vervalt de aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, zodra de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 77wa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voltooid, tenzij de zorgaanbieders en de cliënt gezamenlijk van oordeel zijn dat de zorg dient te worden voortgezet. ### Artikel 7 @@ -381,7 +394,7 @@ h. het volgen van de verleende zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het i. het adviseren van de cliënt omtrent zorg die na beëindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig is en het bijstaan van de cliënt bij het verkrijgen van deze zorg; j. het in gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, bijstaan van een cliënt bij het verkrijgen van zorg, zo nodig motiveren van een cliënt tot het gebruik maken van zorg, en volgen van deze zorg. -**2.** De stichting neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder c, bedoelde taken de aanwijzingen van de raad voor de kinderbescherming in acht. Bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder d, bedoelde taken neemt de stichting de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie, van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 1, onder aa, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel van de directeur, bedoeld in artikel 1, onder i, van die wet, in acht. +**2.** De stichting neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder c, bedoelde taken de aanwijzingen van de raad voor de kinderbescherming in acht. Bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder d, bedoelde taken neemt de stichting de aanwijzingen van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 1, onder aa, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel van de directeur, bedoeld in artikel 1, onder i, van die wet, in acht. **3.** @@ -506,7 +519,7 @@ Een zorgaanbieder bij wie een cliënt zijn aanspraak op jeugdzorg tot gelding ka ### Artikel 20 -Een zorgaanbieder en een aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c, doen aan de stichting die heeft vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg, mededeling van de aanvang en de beëindiging van de zorg. Zij houden de stichting op de hoogte van de voortgang van de zorg, verschaffen de stichting de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg en werken mee aan deze evaluatie. +Een zorgaanbieder en een aanbieder van andere zorg doen aan de stichting die heeft vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg, mededeling van de aanvang en de beëindiging van de zorg. Zij houden de stichting op de hoogte van de voortgang van de zorg, verschaffen de stichting de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg en werken mee aan deze evaluatie. ### Artikel 21 @@ -534,7 +547,7 @@ Vervallen **4.** Voor zover het betreft cliënten ten aanzien van wie de stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op elkaar te doen aansluiten. -**5.** Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht, of onderdelen van het hulpverleningsplan als bedoeld in de artikelen 29o tot en met 29r. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het behoeft diens instemming, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt wordt vorm gegeven. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is aangewezen, zal verlenen. +**5.** Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht, of onderdelen van het hulpverleningsplan als bedoeld in de artikelen 29o tot en met 29r en 29ta. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het behoeft diens instemming, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt wordt vorm gegeven. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is aangewezen, zal verlenen. **6.** @@ -749,9 +762,9 @@ e. de raad voor de kinderbescherming. **2.** Bij opneming van de jeugdige in een accommodatie wordt de machtiging overgelegd. -**3.** De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel 29d, eerste lid, kan hij de duur verlengen met inachtneming van de eerste volzin. +**3.** De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar. -**4.** De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid. +**4.** De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6a, eerste lid, onder c. **5.** De voorlopige machtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken. @@ -907,7 +920,7 @@ c. tijdelijke plaatsing in een afzonderlijke en af te sluiten ruimte in het verv ### Artikel 29w -**1.** Een jeugdige of degene die het gezag over hem heeft kan binnen redelijke termijn tegen een beslissing als bedoeld in de artikelen 29h, zesde lid, tweede volzin, 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q, derde lid, en 29r, derde en vierde lid, de toepassing van artikel 29t, of een beslissing aangaande verlof als bedoeld in artikel 29v een schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie, bedoeld in artikel 68. +**1.** Een jeugdige of degene die het gezag over hem heeft kan binnen redelijke termijn tegen een beslissing als bedoeld in de artikelen 29h, zesde lid, tweede volzin, 29o, derde lid, 29p, tweede lid, 29q, derde lid, en 29r, derde en vierde lid, de toepassing van de artikelen 29t en 29ta, eerste lid, of een beslissing aangaande verlof als bedoeld in artikel 29v een schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie, bedoeld in artikel 68. **2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling van de klachtencommissie bij de behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid en de wijze waarop deze klachten worden behandeld. @@ -953,7 +966,7 @@ Alvorens het ontwerp van het provinciale beleidskader vast te stellen, plegen ge a. de stichting, de in de provincie werkzame zorgaanbieders en de raad voor de kinderbescherming, teneinde de behoefte aan de uitvoering van de taken van de stichting te kunnen vaststellen alsmede afstemming van de door de provincie te subsidiëren jeugdzorg op de vraag te realiseren en gegevens te verkrijgen die nodig zijn voor de onder b tot en met d, genoemde afspraken; b. de colleges van burgemeester en wethouders, teneinde afspraken te maken over de inzet van de stichting met betrekking tot de taken, genoemd in artikel 10, derde lid, alsmede over de inzet van algemene voorzieningen voor jeugdigen bij het vroegtijdig signaleren van problemen en het voorzien in jeugdzorg anders dan bedoeld in artikel 5, tweede lid; c. de in de provincie werkzame zorgverzekeraars, teneinde afspraken te maken over de zorg waarin door de provincie, respectievelijk de zorgverzekeraars zal worden voorzien; -d. Onze Minister van Justitie, teneinde afspraken te maken over de capaciteit van inrichtingen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen ten behoeve van aldaar op grond van de artikelen 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te plaatsen minderjarigen. +d. Onze Minister van Veiligheid en Justitie, teneinde afspraken te maken over de capaciteit van inrichtingen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen ten behoeve van aldaar op grond van de artikelen 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te plaatsen minderjarigen. **3.** Gedeputeerde staten stellen de betrokken cliëntenorganisaties en pleegouderorganisaties in de gelegenheid te reageren op het ontwerp van het provinciale beleidskader. @@ -967,7 +980,7 @@ d. Onze Minister van Justitie, teneinde afspraken te maken over de capaciteit va **4.** Uitgangspunt bij de vaststelling van het provinciale beleidskader is dat het aanbod van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, aansluit bij de behoefte van cliënten en bij het uitgangspunt dat jeugdzorg in het algemeen het meest doelmatig en het meest doeltreffend plaatsvindt in de minst ingrijpende vorm, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode. -**5.** Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg bevat het provinciale beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop de zorgverzekeraars, de gemeenten en Onze Minister van Justitie voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat. +**5.** Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg bevat het provinciale beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop de zorgverzekeraars, de gemeenten en Onze Minister van Veiligheid en Justitie voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat. **6.** Provinciale staten bezien jaarlijks in hoeverre het provinciale beleidskader bijstelling behoeft en zij stellen het in ieder geval bij naar aanleiding van een wijziging van het landelijk beleidskader. @@ -1015,7 +1028,7 @@ Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg, bevat het landelijke beleidska a. de gemeenten voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, en waarop zij voornemens zijn vorm te geven aan de samenwerking, bedoeld in artikel 2g; b. de zorgverzekeraars voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c; -c. Onze Minister van Justitie voornemens is te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d. +c. Onze Minister van Veiligheid en Justitie voornemens is te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d. **4.** Bij de vaststelling van het landelijke beleidskader wordt rekening gehouden met het door de provinciebesturen in de voorafgaande jaren gevoerde beleid, zoals dit blijkt uit de uitvoeringsprogramma's. @@ -1073,9 +1086,9 @@ b. een uitkering ten behoeve van de door zorgaanbieders verleende jeugdzorg waar **3.** Onze Ministers kunnen met betrekking tot deze subsidie een subsidieplafond vaststellen. Daarbij wordt voorzien in de wijze van verdeling. -**4.** Onze Minister van Justitie kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede lid, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister van Justitie aan te geven kosten daaronder begrepen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie. Deze regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen genoemd in artikel 39, eerste lid. +**4.** Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede lid, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan te geven kosten daaronder begrepen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie. Deze regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen genoemd in artikel 39, eerste lid. -**5.** Op een rechtspersoon als bedoeld in het vierde lid zijn de artikelen 13 tot en met 16 en de hoofdstukken VII, VIII, IX, X en XII van overeenkomstige toepassing. Waar in deze bepalingen wordt gesproken van gedeputeerde staten wordt daarvoor gelezen Onze Minister van Justitie. +**5.** Op een rechtspersoon als bedoeld in het vierde lid zijn de artikelen 13 tot en met 16 en de hoofdstukken VII, VIII, IX, X en XII van overeenkomstige toepassing. Waar in deze bepalingen wordt gesproken van gedeputeerde staten wordt daarvoor gelezen Onze Minister van Veiligheid en Justitie. ### Artikel 39 @@ -1140,7 +1153,7 @@ Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de stichtingen, de zor **1.** De stichtingen verstrekken ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, gegevens aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie en de betrokken zorgverzekeraars. -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de raad voor de kinderbescherming en de justitiële jeugdinrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, gegevens verstrekken aan Onze Minister van Justitie of de provincies. Bij die maatregel kan worden geregeld dat zorgaanbieders gegevens verstrekken aan gedeputeerde staten van de betrokken provincies ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, tweede lid, en aanbieders van andere zorg aan de betrokken zorgverzekeraars ten behoeve van de verwerking bedoeld in artikel 42, derde lid. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de raad voor de kinderbescherming en de justitiële jeugdinrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, gegevens verstrekken aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie of de provincies. Bij die maatregel kan worden geregeld dat zorgaanbieders gegevens verstrekken aan gedeputeerde staten van de betrokken provincies ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, tweede lid, en aanbieders van andere zorg aan de betrokken zorgverzekeraars ten behoeve van de verwerking bedoeld in artikel 42, derde lid. **3.** Gedeputeerde staten verstrekken gegevens aan Onze Ministers ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, eerste lid. @@ -1188,7 +1201,7 @@ c. de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het aanbod aan jeugdzorg als bedo Er is een Inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en die tot taak heeft: a. het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en van de raad voor de kinderbescherming, alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan; -b. het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de stichtingen, zorgaanbieders en vervoerders als bedoeld in artikel 29ta, derde lid, met uitzondering van artikel 70 en het toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidies; +b. het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de stichtingen, zorgaanbieders en vervoerders als bedoeld in artikel 29ta, derde lid, met uitzondering van het toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidies; c. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen bepaalde omtrent de kwaliteit van de justitiële jeugdinrichtingen; d. het toezicht op de naleving van artikel 9 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, voor zover het betreft minderjarigen die onder toezicht staan van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of die onder voogdij staan van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. @@ -1196,13 +1209,13 @@ d. het toezicht op de naleving van artikel 9 van de Wet Centraal Orgaan opvang a **3.** De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren, belast met de taak bedoeld in het eerste lid, onder a. -**4.** De ambtenaren van de inspectie nemen bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, de instructies van Onze Ministers en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder b, de instructies van gedeputeerde staten van de betrokken provincie in acht. Bij de vervulling van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, nemen zij de instructies van Onze Minister van Justitie in acht. +**4.** De ambtenaren van de inspectie nemen bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, de instructies van Onze Ministers en bij de vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder b, de instructies van gedeputeerde staten van de betrokken provincie in acht. Bij de vervulling van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, nemen zij de instructies van Onze Minister van Veiligheid en Justitie in acht. -**5.** De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, uit eigen beweging of indien het onderzoeken betreft met betrekking tot de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, op verzoek van Onze Ministers en met betrekking tot de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de raad voor de kinderbescherming, op verzoek van Onze Minister van Justitie. Onderzoeken in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden uit eigen beweging verricht of op verzoek van Onze Minister van Justitie. +**5.** De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, uit eigen beweging of indien het onderzoeken betreft met betrekking tot de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, op verzoek van Onze Ministers en met betrekking tot de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de raad voor de kinderbescherming, op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Onderzoeken in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden uit eigen beweging verricht of op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie. **6.** De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid onder b uit eigen beweging of op verzoek van gedeputeerde staten van de betrokken provincie. -**7.** De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder c, uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Justitie. +**7.** De inspectie verricht onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder c, uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister van Veiligheid en Justitie. **8.** De inspectie brengt van haar bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kan daarbij voorstellen doen tot verbetering van de kwaliteit. De inspectie stelt het betrokken overheidsorgaan schriftelijk op de hoogte van haar bevindingen. @@ -1363,7 +1376,7 @@ o. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel van het zorgaanbod **2.** Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het wezenlijk van invloed kan zijn op het te nemen besluit. -**3.** De cliëntenraad is bevoegd de zorgaanbieder ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de cliënten van belang zijn. +**3.** De cliëntenraad is bevoegd de stichting of de zorgaanbieder ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de cliënten van belang zijn. **4.** Ingeval een zorgaanbieder meer dan een cliëntenraad heeft ingesteld en bovendien één cliëntenraad die alle door hem in stand gehouden zorgeenheden omvat, bevat de regeling, bedoeld in artikel 58, tweede lid, tevens een voorziening waardoor de in dit hoofdstuk bedoelde verplichtingen en bevoegdheden slechts behoeven te worden nagekomen jegens en kunnen worden uitgeoefend door één cliëntenraad. @@ -1387,7 +1400,7 @@ o. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel van het zorgaanbod ### Artikel 63 -**1.** De zorgaanbieders, indien deze een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien in de statuten in een regeling die waarborgt dat de cliënten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De regeling houdt ten minste in dat één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij deze van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik heeft onderscheidenlijk hebben gemaakt. +**1.** De stichtingen en de zorgaanbieders die rechtspersoon zijn als bedoeld in artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien in de statuten in een regeling die waarborgt dat de cliënten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De regeling houdt ten minste in dat één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij deze van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik heeft onderscheidenlijk hebben gemaakt. **2.** Het eerste lid is niet van toepassing als het bestuur bestaat uit één of meer personen die deze functie uitoefent onderscheidenlijk uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan een geldelijke beloning is verbonden. In dat geval is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de samenstelling van het orgaan dat belast is met het toezicht op of de goedkeuring van besluiten van het bestuur. @@ -1566,9 +1579,7 @@ De artikelen 67 en 68 zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die ### Artikel 70 -**1.** Een jeugdige aan wie jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69, eerste lid, is aan de zorgaanbieder een bijdrage verschuldigd in de kosten van de zorg. - -**2.** De eigen bijdrage wordt vastgesteld naar het inkomen van de jeugdige. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het inkomen dat bij de vaststelling van de bijdrage in aanmerking wordt genomen en omtrent de hoogte van de bijdrage. +Vervallen ### Artikel 71 @@ -1578,9 +1589,7 @@ Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien: a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed; b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet; -c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken; -d. aan een minderjarige jeugdige nog jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69 na schriftelijk aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kenbaar gemaakt bezwaar door degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot verlening van zodanige zorg strekt of die deze noodzakelijk maakt; -e. het bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 70, tweede lid, te bepalen inkomen van de jeugdige een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag te boven gaat. +c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken. **2.** Geen ouderbijdrage is verschuldigd door de ouder of stiefouder ten aanzien van wie de rechter op de voet van de artikelen 406 en 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bedrag heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind of stiefkind. @@ -1590,9 +1599,7 @@ Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedra ### Artikel 73 -**1.** De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. - -**2.** De eigen bijdrage wordt vastgesteld door de betrokken zorgaanbieder. Deze is tevens met de inning belast. +De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. ### Artikel 73a @@ -1602,31 +1609,15 @@ Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan in bij algemene maatregel va **1.** De bijdrageplichtige, bedoeld in artikel 69, eerste lid, is verplicht aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor de vaststelling en inning van de ouderbijdrage. -**2.** De jeugdige, die ingevolge artikel 70, eerste lid, een eigen bijdrage verschuldigd is, is verplicht aan de zorgaanbieder die belast is met de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage alle inlichtingen te geven die deze daartoe nodig heeft. - -**3.** De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage schriftelijk te stellen, redelijke termijn. - -**4.** Een zorgaanbieder doet, als zich een geval als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder e, voordoet, daarvan mededeling aan degene die belast is met de vaststelling van de ouderbijdrage. +**2.** De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage schriftelijk te stellen, redelijke termijn. ### Artikel 75 -Degene die belast is met de vaststelling van de eigen bijdrage deelt de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke eigen bijdrage is verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens moet worden voldaan. +Vervallen ### Artikel 76 -**1.** Indien de eigen bijdrage voor het geheel of voor een deel niet tijdig is betaald, kan degene die belast is met de inning, van een bijdrageplichtige de verschuldigde bedragen, vermeerderd met de aan de invordering verbonden kosten van aanmaning, betekening en executie, invorderen. - -**2.** Geen invordering geschiedt dan nadat de bijdrageplichtige schriftelijk is aangemaand om alsnog binnen veertien dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de bijdrageplichtige anders door de middelen bij wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. - -**3.** Indien de bijdrageplichtige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering geschieden bij een door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen uit te vaardigen dwangbevel, dat meebrengt het recht de roerende en onroerende goederen van de bijdrageplichtige zonder vonnis aan te tasten. - -**4.** De betekening van het dwangbevel geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van dagvaardingen. - -**5.** Het dwangbevel wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten. - -**6.** De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling bedoeld in artikel 75 of de aanmaning niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de bijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. - -**7.** Voor de toepassing van deze wet kan degene die belast is met de inning executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel in afschrift mededeling te doen aan de derde beslagene. Artikel 479 g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ## Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten @@ -1738,7 +1729,7 @@ Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. **2.** Het eerste lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van gezinsvoogdij-instellingen, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het uitoefenen van het voorlopig toezicht, bedoeld in artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de bevoegdheden en taken van gezinsvoogdij-instellingen genoemd in de artikelen 77f, eerste lid, 77j, vijfde lid , 77aa, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en in de maatregel krachtens artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, een en ander zoals die bepalingen tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidden. Overgang met betrekking tot de taken, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en het uitoefenen van het voorlopig toezicht, bedoeld in artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt niet voor wat betreft de gezinsvoogdijen die de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitoefent. -**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de kinderrechter op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de raad voor de kinderbescherming, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij opdragen aan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, die werkzaam is in de provincie waar de minderjarige verblijft ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet, alsmede een minderjarige onder toezicht stellen van een zodanige stichting. +**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de kinderrechter op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de raad voor de kinderbescherming, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij opdragen aan de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, die werkzaam is in de provincie waar de minderjarige verblijft ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet, alsmede een minderjarige onder toezicht stellen van een zodanige stichting. **4.** Een verzoek als bedoeld in het derde lid kan tot zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet worden gedaan.