2016-07-09 | BWBR0037926 | Aansluit- en transportcode gas RNB

This commit is contained in:
Coornhert 2016-07-09 12:00:00 +00:00
parent f75b831814
commit 8924a3225c

View file

@ -245,11 +245,69 @@ Bij opstelling van verscheidene invoedingsinstallaties op één locatie gelden d
De voorwaarden gelden voor het technisch ontwerp en het gedrag tijdens bedrijf van de invoedingsinstallatie in zijn totaliteit.
### Artikel 2.5.1.3
De voorwaarden in de paragrafen 2.5 en 3.4 zijn van toepassing op de invoeding van gas zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet en dat voldoet aan de kwaliteitsspecificaties zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit.
### Artikel 2.5.1.4
In geval van invoeding van andere gassen dan bedoeld in 2.5.1.3, kan de netbeheerder in overleg met de invoeder voor onderdelen van paragrafen 2.5 en 3.4 aanvullende of afwijkende voorwaarden overeenkomen op basis van maatwerk, voor die gevallen waarin de in genoemde paragrafen opgenomen voorwaarden niet voorzien.
### Artikel 2.5.1.5
De regionale netbeheerder bepaalt de druk waarbij en de plaats in het net waarop het gas wordt ingevoed.
### Artikel 2.5.1.6
De regionale netbeheerder maakt op verzoek van de invoeder binnen een maand een verkenning naar invoedingsmogelijkheden op basis waarvan de invoeder kan beslissen om over te gaan tot een offerteverzoek aan de netbeheerder voor een aansluiting van een invoedingsinstallatie. De invoeder doet bij dit verzoek een opgave van de beoogde invoedingslocatie en de gewenste invoedingscapaciteit. Aan de uitkomsten van deze verkenning kunnen geen rechten worden ontleend.
### Artikel 2.5.1.7
De regionale netbeheerder brengt binnen twee maanden na een schriftelijk verzoek daartoe een offerte uit voor de aansluiting van een invoedingsinstallatie, waarbij de maximaal geoffreerde capaciteit is gebaseerd op de op grond van 2.5.1.6 uitgevoerde verkenning.
### Artikel 2.5.1.8
De regionale netbeheerder handelt offerteaanvragen, zoals bedoeld in 2.5.1.7, af in volgorde van binnenkomst.
### Artikel 2.5.1.9
De in 2.5.1.7 bedoelde offerte heeft een geldigheidstermijn van drie maanden.
### Artikel 2.5.1.10
Gedurende de periode vanaf het schriftelijk verzoek, zoals bedoeld in 2.5.1.7, tot het aflopen van de geldigheidstermijn van de offerte, zoals bedoeld in 2.5.1.9, reserveert de regionale netbeheerder een hoeveelheid transportcapaciteit conform de offerteaanvraag van de invoeder, zoals bedoeld in 2.5.1.7, tot maximaal de hoeveelheid zoals vastgesteld in de verkenning op grond van 2.5.1.6.
### Artikel 2.5.1.11
Indien geen verkenning, zoals bedoeld in 2.5.1.6, is uitgevoerd voorafgaand aan de offerteaanvraag, zoals bedoeld in 2.5.1.7, bepaalt de netbeheerder de hoeveelheid transportcapaciteit die ten behoeve van deze offerteaanvraag gereserveerd wordt, tot een maximum van de transportcapaciteit zoals verzocht in de offerteaanvraag.
### Artikel 2.5.1.12
Indien een invoeder niet binnen de in 2.5.1.9 bedoelde geldigheidstermijn van de offerte overgaat tot opdrachtverstrekking voor aansluiting van de invoedingsinstallatie, vervalt de in 2.5.1.10 en 2.5.1.11 bedoelde reservering van transportcapaciteit.
### Artikel 2.5.1.13
Indien op grond van 2.5.1.12 een reservering van transportcapaciteit vervalt, beoordeelt de netbeheerder de consequenties hiervan voor andere lopende offerteaanvragen voor aansluiting van een invoedingsinstallatie en informeert de aanvragers hierover. Bij de herverdeling van beschikbare transportcapaciteit handelt de netbeheerder in volgorde van aanvragen.
#### Paragraaf 2.5.1a. De aansluiting van de invoedingsinstallatie
### Artikel 2.5.1a.1
De aansluiting van de invoedingsinstallatie is voorzien van een monsterafnamepunt. Indien tussen de regionale netbeheerder en de invoeder op grond van 2.5.2.5a wordt overeengekomen dat door de netbeheerder niet op afstand kan worden ingegrepen via de voorziening voor automatische afschakeling in de invoedingsinstallatie, zoals bedoeld in 2.5.2.5, is de aansluiting tevens voorzien van een door de regionale netbeheerder te bedienen afsluitklep, om de invoeding op afstand te kunnen afschakelen.
### Artikel 2.5.1a.2
De leidinglengte tussen het monsterafnamepunt en de plaats waar op grond van 2.5.2.4a injectie van odorant plaats vindt, bedraagt tenminste 100 maal de leidingdiameter.
### Artikel 2.5.1a.3
Indien de injectie van het odorant, zoals bedoeld in 2.5.2.4a, plaats vindt aan de netzijde van de meetinrichting, bevindt het overdrachtspunt van de aansluiting zich, in afwijking van 2.1.1.4 jo. 2.1.2.3, op de eerste koppeling van de inlaatafsluiter van de aansluiting van de invoedingsinstallatie, zoals bedoeld in 2.5.1a.1, gezien vanuit de invoedingsinstallatie.
#### Paragraaf 2.5.2. De invoedingsinstallatie
### Artikel 2.5.2.1
De invoedingsinstallatie dient voorzien te zijn van een drukregeling, ten behoeve van de regeling van de druk waarmee wordt ingevoed in het gastransportnet. De instelling van deze drukregeling geschiedt in overleg tussen de invoeder en de regionale netbeheerder.
De invoedingsinstallatie is voorzien van een drukregeling en drukbeveiliging conform NEN 1059:2010 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 Gasvoorzieningssystemen Gasdrukregelstations voor transport en distributie” indien de werkdruk ten hoogste 0,5 bar is en conform NEN-EN 15001-1 “Gasinfrastructuur Gasinstallatieleidingen” indien de werkdruk hoger is dan 0,5 bar en ten hoogste 40 bar. De instelling van deze drukregeling geschiedt in overleg tussen de invoeder en de regionale netbeheerder.
### Artikel 2.5.2.2
@ -257,15 +315,36 @@ De beveiligingen van de invoedingsinstallatie zijn selectief ten opzichte van de
### Artikel 2.5.2.3
De invoedingsinstallatie is voorzien van twee in serie geschakelde gasgestuurde drukbeveiligingen, ten behoeve van de automatische afschakeling van de invoedingsinstallatie ingeval de invoed-druk boven een in overleg tussen regionale netbeheerder en invoeder vast te stellen waarde komt. Beide drukbeveiligingen werken bij voorkeur volgens een onderling verschillend principe.
De invoedingsinstallatie is voorzien van twee in serie geschakelde gasgestuurde drukbeveiligingen, ten behoeve van de automatische afschakeling van de invoedingsinstallatie ingeval de invoedingsdruk boven een in overleg tussen regionale netbeheerder en invoeder vast te stellen waarde komt. Beide drukbeveiligingen werken bij voorkeur volgens een onderling verschillend principe.
### Artikel 2.5.2.4
De invoedingsinstallatie is voorzien van een doorstroombegrenzing, waarmee de maximaal in het regionale gastransportnet in te voeden capaciteit wordt begrensd. De dimensionering van deze doorstroombegrenzing geschiedt in overleg tussen de regionale netbeheerder en de invoeder.
De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening voor de meting van de temperatuur van het in te voeden gas.
### Artikel 2.5.2.4a
De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening voor injectie van odorant zoals bedoeld in bijlage 2 van de Regeling gaskwaliteit. Deze voorziening bevat een bewaking van de volumevoorraad odorant en een controlemogelijkheid voor de odorisatie.
### Artikel 2.5.2.4b
De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening om partikels met een diameter groter dan 0,3 micrometer te weerhouden met een doeltreffendheid van minimaal 99,95%. Van deze voorwaarde wordt afgezien wanneer:
i) de invoeder een rapport overlegt aan de netbeheerder waaruit blijk dat er geen schadelijke organismen kunnen voorkomen of zich kunnen vormen in het in te voeden gas;
ii) de netbeheerder de inhoud van het rapport heeft geverifieerd, en de juistheid daarvan heeft kunnen vaststellen;
De netbeheerder informeert de invoeder over zijn bevindingen ten aanzien van de juistheid van het overlegde rapport uiterlijk 4 weken na overleggen van dit rapport.
### Artikel 2.5.2.4c
De invoedingsinstallatie is voorzien van een gaskwaliteitsmeetinrichting, die voldoet aan de voorwaarden in hoofdstuk 5a van de Meetcode gas RNB, ten behoeve van registratie en vaststelling van de fysische eigenschappen en hoedanigheden van het in te voeden gas, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit.
### Artikel 2.5.2.5
De invoedingsinstallatie is voorzien van een bewaking waarmee de invoedingsinstallatie kan worden afgeschakeld, indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in de 3.3 genoemde grenzen voor de gaskwaliteit komt.
De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening ten behoeve van automatische afschakeling waarmee de invoedingsinstallatie wordt afgeschakeld, indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 en 2.5.2.4a bedoelde bewakingsvoorzieningen of uit de doorlopende kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.5 van de Meetcode gas RNB. De afschakeling duurt zo lang de gaskwaliteit zich buiten de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit bedoelde grenzen bevindt.
### Artikel 2.5.2.5a
Door de netbeheerder kan op afstand worden ingegrepen via de voorziening voor automatische afschakeling, zoals bedoeld in 2.5.2.5, om de invoeding te kunnen onderbreken, tenzij de netbeheerder en de invoeder zijn overeengekomen dat de aansluiting van de invoedingsinstallatie is voorzien van een door de regionale netbeheerder te bedienen afsluitklep. Deze automatische afstandschakeling vindt plaats conform het Modbus/IEC 60870-5 protocol.
### Artikel 2.5.2.6
@ -273,16 +352,20 @@ De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening voor monsterafname.
### Artikel 2.5.2.7
De invoeder legt de meetresultaten en de frequentie van de controlemetingen (die tenminste jaarlijks zullen plaatsvinden), zoals deze zijn afgesproken met de regionale netbeheerder, vast in een keuringsrapport.
Vervallen
### Artikel 2.5.2.8
Keuringsrapporten worden desgevraagd volledig overlegd aan de regionale netbeheerder.
Vervallen
### Artikel 2.5.2.9
Indien niet aan de voorwaarden voor invoeders wordt voldaan zodat de gaskwaliteit, de systeemintegriteit van het gasdistributienet of de veiligheid in het geding zijn, heeft de regionale netbeheerder uit voorzorg het recht op het onmiddellijk afsluiten van de invoedingsinstallatie. De regionale netbeheerder stelt de invoeder daarvan onmiddellijk op de hoogte. Indien anderszins niet aan de voorwaarden voor invoeders wordt voldaan, stelt de regionale netbeheerder de invoeder een redelijke termijn om de invoedingsinstallatie aan de vereiste voorwaarden aan te passen.
### Artikel 2.5.2.10
De voorwaarden zoals genoemd in 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.3 zijn niet van toepassing indien tussen de netbeheerder en de invoeder wordt overeengekomen dat de in deze artikelen genoemde voorzieningen worden opgenomen in de aansluiting van de invoedingsinstallatie en worden beheerd door de netbeheerder.
### Paragraaf 2.6. Aanvullende voorwaarden voor regionale netbeheerders onderling
#### Paragraaf 2.6.1. Algemeen
@ -337,82 +420,91 @@ Transport vindt plaats op grond van een tussen de regionale netbeheerder en de a
Indien de aangeslotene voldoet aan het bepaalde in 3.1.1 heeft de aangeslotene recht op transport van gas binnen het regionale gastransportnet waarop hij is aangesloten tot een hoeveelheid ter grootte van de op de aansluiting gecontracteerde transportcapaciteit dan wel, indien het de aansluiting van een profielafnemer betreft, een met de G-waarde van de meetinrichting bij de aansluiting overeenkomende capaciteit, zoals op grond van 2.1.3, onderdeel o, van de Informatiecode elektriciteit en gas is vastgelegd in het aansluitingenregister.
### Paragraaf 3.1a. Het recht op transport aanvullende voorwaarden voor invoeders
### Artikel 3.1a.1
In afwijking van 3.1.2 heeft de invoeder recht op transport van het in te voeden gas binnen het netgebied tot een hoeveelheid ter grootte van de momentane gasafname in dit netgebied mits de bedrijfszekerheid in het netgebied, in de zin van het drukbeheer in het netgebied, niet in gevaar komt.
### Artikel 3.1a.2
Indien op grond van 3.1a.1 transportcapaciteit aan een invoeder is toegekend en de invoeder maakt hiervan na toekenning geen (volledig) gebruik, heeft de netbeheerder de mogelijkheid om in overleg met en na instemming van de invoeder de transportcapaciteit in te trekken. Zo nodig stelt de netbeheerder de invoeder een redelijke termijn van tenminste een half jaar, indien de invoeder bij voortduring geen (volledig) gebruik maakt van de toegekende transportcapaciteit, alvorens deze toekenning voor het niet gebruikte deel wordt ingetrokken.
### Artikel 3.1a.3
Indien binnen een netgebied, waarop reeds één of meer invoedingsinstallaties zijn aangesloten en invoeden, een nieuwe invoedingsinstallatie wordt aangesloten en wil invoeden, en deze nieuwe invoedingsinstallatie de aan de bestaande invoeder(s) beschikbaar gestelde transportcapaciteit nadelig kan beïnvloeden door de instellingen van de drukregeling, treft de netbeheerder zo mogelijk maatregelen in het net om deze nadelige invloed op te heffen.
### Artikel 3.1a.4
Indien de in 3.1a.3 genoemde maatregelen ontoereikend zijn, worden maatregelen getroffen in de aansluitingen van zowel de bestaande als de nieuwe invoedingsinstallaties, zodat de overeengekomen transportcapaciteiten met de bestaande invoeders blijven gewaarborgd.
### Artikel 3.1a.5
De invoeders zullen bij de toepassing van 3.1a.4 de netbeheerder toestaan om maatregelen te (laten) treffen die nodig zijn om dit door middel van volume- en drukregeling te kunnen regisseren.
### Artikel 3.1a.6
De in 3.1a.3 bedoelde nieuwe invoedingsinstallatie mag invoeden voor zover het momentane invoedvolume niet groter is dan het verschil tussen de momentane afname in het netgebied en het momentane invoedvolume van de reeds eerder aangesloten invoedingsinstallaties.
### Artikel 3.1a.7
Om de uitvoering van 3.1a.6 mogelijk te maken, staat de invoeder toe dat de netbeheerder, van de individuele invoeders in een netgebied, continu volumegegevens van de invoeding ontvangen.
### Paragraaf 3.2. De kwaliteit van de transportdienst gaskwaliteit op aansluitingen van verbruikers
### Artikel 3.2.1
Het naar de aansluiting getransporteerde gas voldoet aan de volgende hoedanigheden:
a. de Wobbe-index ligt tussen 43,46 MJ/m^3 en 44,41 MJ/m^3;
b. het gehalte zuurstof is niet hoger dan 0,5 mol%;
c. de gehaltes van de volgende stoffen zijn niet hoger dan de genoemde gewichtshoeveelheden (vóór odorisatie):
totaal zwavel 45 mg/m^3(n)
anorganisch gebonden zwavel 5,0 mg/m^3(n)
zwavel gebonden in mercaptanen 10,0 mg/m^3(n).
Vervallen
### Artikel 3.2.2
Het gas is voldoende ruikbaar. Daartoe bedraagt het gehalte aan tetrahydrothiofeen (THT) minimaal 10,0 mg/m^3(n). Het toegepaste odorant bestaat ten minste voor 98% uit THT.
Vervallen
### Paragraaf 3.3. De kwaliteit van de transportdienst voorwaarden voor invoeders
### Artikel 3.3.1
Het gas dat wordt aangeboden voor transport voldoet aan de volgende hoedanigheden:
a. de Wobbe-index ligt tussen 43,46 MJ/m^3 en 44,41 MJ/m^3;
b. het gehalte zuurstof is niet hoger dan 0,5 mol%;
c. de gehaltes van de volgende stoffen zijn niet hoger dan de genoemde\ gewichtshoeveelheden (vóór odorisatie):
totaal zwavel 45 mg/m^3(n)
anorganisch gebonden zwavel 5,0 mg/m^3(n)
zwavel gebonden in mercaptanen 10,0 mg/m^3(n)
Vervallen
### Artikel 3.3.2
Indien gas wordt ingevoed, anders dan vanuit het landelijk gastransportnet, kan de regionale netbeheerder aanvullende eisen stellen aan bepaalde componenten in het gas. De regionale netbeheerder zal hierbij als uitgangspunten hanteren dat:
a. de integriteit van het desbetreffende regionale gastransportnet, en de eventuele achterliggende gastransportnetten, niet in gevaar mag komen door het in te voeden gas;
b. het goed en veilig functioneren van gasinstallaties en toestellen van aangeslotenen op het desbetreffende regionale gastransportnet of op eventuele achterliggende gastransportnetten, geen hinder mag ondervinden van het in te voeden gas.
Voor thans bekende vormen van biogas-invoeding is dat uitgewerkt in 3.3.9 en volgende. Voor nieuwe vormen van invoeding, anders dan aardgas, zal de regionale netbeheerder op basis van bovenstaande uitgangspunten na overleg met de invoeder de eventuele aanvullende eisen vaststellen.
Vervallen
### Artikel 3.3.3
Het gas is voldoende ruikbaar. Daartoe dient op de plaats van invoeding het gehalte aan tetrahydrothiofeen (THT) minimaal 10,0 mg/m^3(n) te bedragen. Het toegepaste odorant bestaat ten minste voor 98% uit THT.
Vervallen
### Artikel 3.3.4
Het gas is technisch vrij van vloeibare en/of vaste substantie, zoals condensaat, methanol, water, olie, odorant en stof.
Vervallen
### Artikel 3.3.5
De regionale netbeheerder bepaalt de druk waarbij en de plaats in het net waarop het gas wordt ingevoed.
Vervallen
### Artikel 3.3.6
De temperatuur van het gas ter plaatse van het overdrachtspunt is niet hoger dan 15 graden Celsius.
Vervallen
### Artikel 3.3.7
De regionale netbeheerder en de invoeder maken onderling afspraken over de wijze waarop de in 3.3.1 tot en met 3.3.3 genoemde gaskwaliteit wordt vastgesteld.
Vervallen
### Artikel 3.3.8
De invoeder maakt tenminste 5 werkdagen van te voren bekend wanneer hij voornemens is een invoedingsinstallatie in onderhoud te nemen, dan wel deze om andere redenen buiten bedrijf te stellen, dan wel wanneer de invoeding van gas om andere redenen gepland zal worden onderbroken. Uitvoering van deze voornemens zal eerst geschieden na instemming van de regionale netbeheerder.
Vervallen
### Artikel 3.3.9
In afwijking van 3.3.1 voldoet, in geval van invoeding van biogas, het gas dat wordt aangeboden voor transport aan de gashoedanigheden, zoals vermeld in bijlage 3.
Vervallen
### Artikel 3.3.10
De regionale netbeheerder kan, in gevallen zoals bedoeld in 3.3.2, nadere eisen stellen aan de invoeder van biogas over het controleren van het in te voeden gas. De in 3.3.2 genoemde uitgangspunten zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. De invoeder van biogas legt de regionale netbeheerder een procedure voor waarin is aangegeven hoe de uitvoering van de controle plaatsvindt.
Vervallen
### Artikel 3.3.11
De regionale netbeheerder kan op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het bij aangeslotenen af te leveren gas zelf controlemetingen (laten) uitvoeren op de aansluiting waar biogas wordt ingevoed.
Vervallen
### Paragraaf 3.4. De bewaking van de kwaliteit van de transportdienst
@ -428,6 +520,38 @@ De regionale netbeheerder bewaakt of controle van de ruikbaarheid van het gas ov
De regionale netbeheerder bewaakt of controle van de gaskwaliteit, tot uitdrukking komend in de calorische waarde, de Wobbe-index en de chemische samenstelling, overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in de Meetcode gas LNB wordt uitgevoerd.
### Artikel 3.4.4
Bij de eerste ingebruikname van een invoedingsinstallatie wordt de invoeding niet eerder gestart dan nadat de invoeder aantoont dat de invoedingsinstallatie voldoet aan 2.5.2 en dat de kwaliteit van het in te voeden gas stabiel binnen de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit is en blijft, blijkend uit de kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.2 en 5a.2.3 van de Meetcode gas RNB en de rapportage bedoeld in 5a.4.1.3 van de Meetcode gas RNB.
### Artikel 3.4.5
De invoeding wordt door middel van automatische afschakeling direct onderbroken indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 tot en met 2.5.2.4c bedoelde bewakingsvoorzieningen. De invoeding wordt niet eerder herstart dan nadat uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 tot en met 2.5.2.4c bedoelde bewakingsvoorzieningen is gebleken dat de kwaliteit van het in te voeden gas binnen de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit genoemde grenzen voor de gaskwaliteit is gekomen.
### Artikel 3.4.6
De invoeding wordt direct onderbroken indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 2, tweede lid, van de Regeling gaskwaliteit bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit de periodieke kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.5 van de Meetcode gas RNB, indien sprake is van een nog steeds voortdurende overschrijding van de genoemde grenzen. Bij overige gesignaleerde overschrijdingen geeft de invoeder aan dat de oorzaak van de opgetreden overschrijding inmiddels is weggenomen.
### Artikel 3.4.7
Indien de invoeding op grond van 3.4.6 is onderbroken vanwege een overschrijding, anders dan van de grenswaarden voor de Wobbe-index en/of de componenten die de Wobbe-index bepalen, dient de invoeder te onderzoeken wat de oorzaak is van het niet voldoen aan de gaskwaliteit en over welke periode van invoeding niet aan de gestelde eisen is voldaan. De invoeding wordt niet hervat dan nadat de invoeder heeft aangegeven welke maatregelen hij treft om herhaling er van te voorkomen en hij over deze maatregelen overeenstemming heeft bereikt met de regionale netbeheerder.
### Artikel 3.4.8
De invoeder maakt tenminste vijf werkdagen van te voren bekend wanneer hij voornemens is een invoedingsinstallatie in onderhoud te nemen, dan wel deze om andere redenen buiten bedrijf te stellen, dan wel wanneer de invoeding van gas om andere redenen gepland zal worden onderbroken.
### Artikel 3.4.9
De invoeding wordt direct onderbroken indien één of meer van de in 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.6 genoemde voorzieningen niet goed functioneert.
### Artikel 3.4.10
De regionale netbeheerder kan, in gevallen zoals bedoeld in 2.5.1.4, nadere eisen stellen aan de invoeder van gas over het controleren van het in te voeden gas. De invoeder van gas legt de regionale netbeheerder een procedure voor waarin is aangegeven hoe de invoeder de controle zal uitvoeren. Na goedkeuring van deze procedure van de netbeheerder kan invoeding plaats vinden.
### Artikel 3.4.11
De regionale netbeheerder kan op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het bij aangeslotenen af te leveren gas zelf controlemetingen (laten) uitvoeren op de aansluiting waar gas wordt ingevoed.
## Hoofdstuk 4. Kwaliteit van dienstverlening
### Paragraaf 4.1. Service van de regionale netbeheerder aan aangeslotenen
@ -562,4 +686,4 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Aansluit- en transportcode gas RNB.
## Bijlage 3. Kwaliteitseisen, bepalingsmethoden en meetonzekerheden biogas
^1 Van belang indien relatief veel H_2 en/of C_3H_8 aanwezig is (veroorzaakt laag methaangetal)
Vervallen