2007-11-15 | BWBR0003245 | Wet milieubeheer

This commit is contained in:
Coornhert 2007-11-15 12:00:00 +00:00
parent e6be312754
commit 8c80c66325

View file

@ -42,6 +42,8 @@ betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen die krachtens wet
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit;
bijlage: bij deze wet behorende bijlage;
biochemisch zuurstofverbruik: massaconcentratie aan opgeloste zuurstof die gedurende vijf dagen wordt verbruikt door biochemische oxydatie van organische bestanddelen onder uitsluiting van ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn gespecificeerd in een door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie Instituut;
broeikasgas: gas, genoemd in bijlage II bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten;
@ -58,8 +60,6 @@ EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling: richtlijn nr. 85/337/EEG van de Raad van
één ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton kooldioxide of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;
de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit: de richtlijn (EG) nr. 96/62 van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;
de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten: richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275);
EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging: richtlijn (EG) nr. 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;
@ -596,7 +596,7 @@ e. de redelijkerwijze te verwachten financiële, economische en ruimtelijke gevo
**2.** Het plan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar. Onze Ministers kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Onze Minister doet mededeling van een besluit als bedoeld in de tweede volzin, door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en maakt het bekend in de *Staatscourant*.
**3.** De organen van het Rijk houden in elk geval rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in de bij deze wet behorende bijlage, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
**3.** De organen van het Rijk houden in elk geval rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
**4.**
@ -644,7 +644,7 @@ d. een verslag van de voortgang van de uitvoering van het geldende nationale mil
Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
a. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheidene onderdelen van het milieu, mede gelet op de krachtens of overeenkomstig artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde grenswaarden en richtwaarden;
a. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheidene onderdelen van het milieu, mede gelet op de krachtens of overeenkomstig artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde grenswaarden en richtwaarden en de in bijlage 2 opgenomen luchtkwaliteitseisen;
b. de in de betrokken periode van acht jaar en, voor zover deze redelijkerwijze zijn aan te geven, de in de eerstvolgende vier jaar beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of ongedaan maken van gevolgen van menselijke activiteiten die het milieu verontreinigen, aantasten of uitputten;
c. de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft;
d. de wijze waarop het bereiken en instandhouden van de onder *a*, *b* en *c* bedoelde resultaten door de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen zal worden nagestreefd en de termijnen die daarbij zullen worden gehanteerd, alsmede de mate van prioriteit die aan het bereiken van die resultaten wordt gegeven;
@ -687,7 +687,7 @@ c. Onze Minister.
**2.** Provinciale staten kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Gedeputeerde staten doen mededeling van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door toezending daarvan aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden. Zij maken het bekend in de *Staatscourant*.
**3.** Provinciale staten en gedeputeerde staten houden in elk geval rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in de bij deze wet behorende bijlage, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
**3.** Provinciale staten en gedeputeerde staten houden in elk geval rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
**4.**
@ -788,7 +788,7 @@ c. Onze Minister.
**2.** De gemeenteraad kan de geldingsduur eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Artikel 4.18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad onderscheidenlijk houden burgemeester en wethouders in elk geval rekening met dat plan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in de bij deze wet behorende bijlage, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
**3.** Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad onderscheidenlijk houden burgemeester en wethouders in elk geval rekening met dat plan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen.
**4.** Het derde lid is niet van toepassing op besluiten krachtens een bevoegdheid van een ander openbaar lichaam, die aan de gemeenteraad of burgemeester en wethouders is gedelegeerd.
@ -859,9 +859,11 @@ c. de beheerders van de oppervlaktewateren waarop het ingezamelde water wordt ge
## Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen
### Titel 5.1. Algemene bepalingen ten aanzien van milieukwaliteitseisen
### Artikel 5.1
**1.** In het belang van de bescherming van het milieu kunnen, voor zover dit van meer dan provinciaal belang is, bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van onderdelen van het milieu vanaf een daarbij te bepalen tijdstip. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin, kunnen alarmdrempels worden vastgesteld ter uitvoering van een richtlijn van de Raad van de Europese Unie, vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit.
**1.** In het belang van de bescherming van het milieu kunnen, voor zover dit van meer dan provinciaal belang is, bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van onderdelen van het milieu vanaf een daarbij te bepalen tijdstip.
**2.**
@ -893,17 +895,7 @@ voor zover deze voor de vaststelling van de milieukwaliteitseis van belang zijn.
### Artikel 5.2a
**1.**
Indien bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, grenswaarden zijn gesteld ter uitvoering van een richtlijn van de Raad van de Europese Unie, vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit, bevat die maatregel regels met betrekking tot:
a. het opstellen en uitvoeren van een plan of programma als bedoeld in artikel 8, derde lid, en bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit;
b. het opstellen van verslagen over de voortgang van de uitvoering van een plan of programma als bedoeld onder a en
c. het opstellen van actieplannen waarin wordt vermeld welke maatregelen bij een dreigende overschrijding van grenswaarden op korte termijn moeten worden genomen als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit.
**2.** Bij het stellen van de in het eerste lid bedoelde regels worden artikel 8, vierde lid, en artikel 11, eerste lid, onder a, sub iv, van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit in acht genomen.
**3.** Bij de maatregel kan worden bepaald dat een plan, programma of verslag als bedoeld in het eerste lid, of gedeelten daarvan, onderdeel uitmaken van het nationale milieubeleidsplan, het nationale milieuprogramma, het provinciale milieubeleidsplan, het provinciale milieuprogramma, het regionale milieubeleidsplan, het regionale milieuprogramma of het gemeentelijke milieuprogramma, bedoeld in de artikelen 4.3, 4.7, 4.9, 4.14, 4.15a, 4.15b onderscheidenlijk 4.20.
Vervallen
### Artikel 5.2b
@ -927,20 +919,11 @@ c. de wijze van bekostiging van de onder a bedoelde metingen, onderscheidenlijk
**2.** Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat de wijze van meten of berekenen en de frequentie daarvan bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
**3.**
Indien bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, grenswaarden zijn gesteld ter uitvoering van een richtlijn van de Raad van de Europese Unie, vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit, bevat die maatregel voorts regels met betrekking tot:
a. het opstellen van lijsten als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, of artikel 9 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit, en
b. het opstellen van verslagen, bevattende inlichtingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder a, sub i en ii, van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit.
**4.** Indien bij een maatregel als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, grenswaarden zijn gesteld ter uitvoering van een richtlijn van de Raad van de Europese Unie, vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit, kan bij die maatregel worden bepaald dat een verslag als bedoeld in het derde lid, onder b, of gedeelten daarvan, onderdeel uitmaken van het nationale milieubeleidsplan, het nationale milieuprogramma, het provinciale milieubeleidsplan, het provinciale milieuprogramma, het regionale milieubeleidsplan, het regionale milieuprogramma of het gemeentelijke milieuprogramma, bedoeld in de artikelen 4.3, 4.7, 4.9, 4.14, 4.15a, 4.15b onderscheidenlijk 4.20.
**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het opstellen van programmas voor de monitoring van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens als bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn water, waarbij voor gebieden, bedoeld in bijlage IV van die richtlijn, aanvullende verplichtingen kunnen worden gesteld welke dienen ter uitvoering van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. Bij de maatregel kan ten aanzien van de milieudoelstellingen, bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn water, overeenkomstige toepassing worden gegeven aan het eerste en tweede lid.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het opstellen van programmas voor de monitoring van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens als bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn water, waarbij voor gebieden, bedoeld in bijlage IV van die richtlijn, aanvullende verplichtingen kunnen worden gesteld welke dienen ter uitvoering van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. Bij de maatregel kan ten aanzien van de milieudoelstellingen, bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn water, overeenkomstige toepassing worden gegeven aan het eerste en tweede lid.
### Artikel 5.4
Indien ter uitvoering van dit hoofdstuk een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, wordt vastgesteld, zijn daarop de artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 van overeenkomstige toepassing.
Indien ter uitvoering van deze titel een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, wordt vastgesteld, zijn daarop de artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 5.5
@ -948,6 +931,325 @@ Indien ter uitvoering van dit hoofdstuk een ministeriële regeling als bedoeld i
**2.** Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, of bij een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot een onderwerp ten aanzien waarvan in die maatregel of in die regeling een milieukwaliteitseis is vastgesteld, voor zover dat in het algemeen belang geboden is, worden beperkt.
### Titel 5.2. Luchtkwaliteitseisen
#### Paragraaf 5.2.1. Algemene bepalingen
### Artikel 5.6
**1.** In afwijking van titel 5.1 gelden ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen.
**2.** Deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
### Artikel 5.7
In deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen met betrekking tot de kwaliteit van de buitenlucht wordt verstaan onder:
*acht-uurgemiddelde concentratie*: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in microgram per m^3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
*agglomeratie*: stedelijk gebied met ten minste 250 000 inwoners;
*alarmdrempel*: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het waarschuwen van de bevolking noodzakelijk is teneinde de risicos voor de gezondheid van de mens ingeval van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
*AOT40-waarde*: gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde concentraties van ozon boven 80 microgram per m^3 en 80 microgram per m^3 tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd, over een bepaalde periode, uitgedrukt in (microgram per m^3) • uur;
*autosnelweg*: autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
*EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit*: richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296);
*grenswaarde*: kwaliteitsniveau dat moet zijn bereikt en vervolgens moet worden instandgehouden;
*informatiedrempel*: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het informeren van de bevolking noodzakelijk is, teneinde de risicos voor de gezondheid van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen ingeval van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
*jaargemiddelde concentratie*: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties in een kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m^3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM_10);
*kwaliteitsniveau*: concentratie in de buitenlucht of de depositiesnelheid van een verontreinigende stof;
*luchtverontreiniging*: aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen;
*plandrempel*: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan een planmatige aanpak van de luchtverontreiniging noodzakelijk is;
*richtwaarde*: kwaliteitsniveau dat zoveel mogelijk moet zijn bereikt en dat, waar aanwezig, zoveel mogelijk moet worden instandgehouden;
*stikstofoxiden*: het totale aantal volumedelen stikstofmonoxide en stikstofdioxide per miljard volumedelen, uitgedrukt in microgrammen stikstofdioxide per m^3;
*uurgemiddelde concentratie*: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m^3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
*verontreinigende stoffen*: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken;
*vierentwintig-uurgemiddelde concentratie*: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese-Tijd, uitgedrukt in microgram per m^3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM_10);
*winterhalfjaargemiddelde concentratie*: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgedrukt in microgram per m^3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kilo Pascal;
*zone*: gedeelte van het Nederlandse grondgebied;
*zwevende deeltjes (PM10)*: in de buitenlucht voorkomende stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van 50 procent bij een aërodynamische diameter van 10 micrometer.
### Artikel 5.8
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2009/158.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 5.2.2. Plannen
### Artikel 5.9
**1.** Burgemeester en wethouders stellen in de in bijlage 2 aangegeven gevallen waarin een plandrempel wordt overschreden een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze en door middel van welke maatregelen voldaan zal worden aan de desbetreffende in de bijlage genoemde grenswaarde, binnen de voor die waarde gestelde termijn. Zij dragen zorg voor de uitvoering van het plan.
**2.** Op de voorbereiding van een plan als bedoeld in het eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**3.** Gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat en andere bestuursorganen die maatregelen kunnen treffen leveren op verzoek van burgemeester en wethouders een bijdrage aan het opstellen en uitvoeren van een plan als bedoeld in het eerste lid. Daarbij geven de desbetreffende bestuursorganen in het plan gemotiveerd rekenschap van het al dan niet treffen van maatregelen. Omtrent het opstellen en uitvoeren van het plan bevorderen burgemeester en wethouders overleg met die bestuursorganen.
**4.** Voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarin de overschrijding van de desbetreffende plandrempel, met inachtneming van de krachtens artikel 5.20 gestelde regels, is vastgesteld en gerapporteerd, stellen burgemeester en wethouders gedeputeerde staten in kennis van een vastgesteld plan als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van alle door hen ontvangen plannen.
**5.** Burgemeester en wethouders rapporteren eenmaal in de drie jaar, voor 1 mei van het op die periode volgende jaar, aan gedeputeerde staten omtrent de voortgang van de uitvoering van een plan of plannen als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van alle door hen ontvangen voortgangsrapportages.
**6.** Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat het plan, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming is met een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid.
### Artikel 5.10
**1.** Onze Minister stelt in de in bijlage 2 aangegeven gevallen een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze, met inzet van proportionele maatregelen, zoveel mogelijk voldaan zal worden aan een in die bijlage genoemde richtwaarde, binnen de voor die waarde gestelde termijn. Onze Minister draagt zorg voor de uitvoering van het plan.
**2.** Op de voorbereiding van een plan als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**3.** Een plan als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor 1december van het tweede jaar volgend op de periode waarover de overschrijding van de richtwaarde met inachtneming van de krachtens artikel 5.20 gestelde regels is vastgesteld en gerapporteerd.
### Artikel 5.11
**1.** Een plan als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, of 5.10, eerste lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit.
**2.** Een wijziging van bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit geldt voor de toepassing van het eerste lid met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven en heeft geen betrekking op een vóór die dag vastgesteld plan, tenzij uit de desbetreffende wijziging anders volgt.
**3.** Voor gevallen waarin ingevolge artikel 5.9, eerste lid, of 5.10, eerste lid, voor meer dan één stof een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd, draagt het betrokken bestuursorgaan zorg voor één plan voor de desbetreffende stoffen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 5.2.3. Nationaal programma en overige programma's
### Artikel 5.12
**1.** Onze Minister stelt, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met betrekking tot een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat gericht is op het bereiken van die grenswaarde. Het programma heeft betrekking op een daarbij aan te geven periode van vijf jaar.
**2.** In het programma, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste genoemd of beschreven de gedurende de in dat lid bedoelde periode door een of meer bestuursorganen van het Rijk te treffen generieke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit en de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
**3.**
Bij ministeriële regeling worden één of meer gebieden aangewezen met betrekking waartoe, na overleg met de betrokken bestuursorganen, het in het eerste lid bedoelde programma tevens omvat:
a. een beschrijving van de in de buitenlucht aanwezige concentraties verontreinigende stoffen en de autonome ontwikkeling daarvan boven het desbetreffende gebied, op basis van de laatst beschikbare gegevens met betrekking tot die concentraties, alsmede een beschrijving van de oorzaken van een overschrijding of dreigende overschrijding van de desbetreffende grenswaarde;
b. indien op het moment van vaststelling van het programma op één of meer plaatsen binnen een aangewezen gebied een geldende grenswaarde wordt overschreden: een overzicht van alle redelijkerwijs, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode, door de betrokken bestuursorganen te treffen maatregelen die bijdragen aan de verwezenlijking van beleid dat erop gericht is die grenswaarde te bereiken, de effecten van die maatregelen op de luchtkwaliteit alsmede het tijdstip waarop die grenswaarde naar verwachting zal zijn bereikt;
c. een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het desbetreffende gebied en van de besluiten die gedurende de in het eerste lid bedoelde periode naar verwachting zullen worden genomen en die in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht in dat gebied van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, op basis van de krachtens het zevende lid verstrekte gegevens, alsmede de effecten van die ontwikkelingen en besluiten op de luchtkwaliteit;
d. een beschrijving van de door de bestuursorganen, die daartoe in het programma zijn aangewezen, te treffen overige maatregelen dan bedoeld onder b, die samenhangen met de onder c bedoelde ontwikkelingen of besluiten en die gericht zijn op het bereiken van de grenswaarde of grenswaarden in de betreffende gebieden, alsmede de effecten van die maatregelen op de luchtkwaliteit;
e. een prognose van de ontwikkeling van de onder a bedoelde concentraties, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode, met dien verstande dat daarbij tevens wordt aangegeven hoeveel eerder als gevolg van de maatregelen, bedoeld onder b en d, en rekening houdend met de effecten van de verwachte ontwikkelingen en besluiten, bedoeld onder c, een grenswaarde in het betreffende gebied wordt bereikt dan overeenkomstig de autonome ontwikkeling, bedoeld onder a, naar verwachting het geval zou zijn.
**4.**
Bij het beschrijven van:
a. de autonome ontwikkeling, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt mede in aanmerking genomen het gesommeerde effect van de uitoefening van bevoegdheden en de toepassing van wettelijke voorschriften die gedurende de in het eerste lid bedoelde periode naar verwachting zullen plaatsvinden en die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht in dat gebied van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
b. de effecten van de maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen de effecten van sinds 1 januari 2005 ter verbetering van de luchtkwaliteit ingevoerde maatregelen mede in aanmerking worden genomen.
**5.** Bij de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de coördinatie van de uitvoering van het derde en zesde lid.
**6.**
Het programma, bedoeld in het eerste lid, kan in delen worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. alle onderscheiden delen binnen een tijdvak van ten hoogste dertien weken worden vastgesteld, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, en
b. met elkaar, vanwege de daarin opgenomen ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of maatregelen, samenhangende delen zoveel mogelijk tegelijkertijd worden vastgesteld.
**7.** Na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister verstrekken de desbetreffende bestuursorganen hem binnen een daarbij aangegeven termijn de daarbij gevraagde gegevens over de ontwikkelingen en besluiten, bedoeld in het derde lid, onder c, en de maatregelen, bedoeld in dat lid, onder b en d.
**8.** Op de voorbereiding van een programma als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**9.** De daartoe bevoegde bestuursorganen dragen zorg voor de tijdige uitvoering van de maatregelen die in het programma zijn genoemd of beschreven, met dien verstande dat maatregelen die onlosmakelijk verbonden zijn met de ontwikkelingen en besluiten als bedoeld in het derde lid, onder c, ten behoeve van deze ontwikkelingen en besluiten worden uitgevoerd.
**10.**
Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, het programma, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen indien naar zijn oordeel:
a. uit de rapportages, bedoeld in artikel 5.14, naar voren komt dat de in dat programma opgenomen gegevens omtrent de effecten op de luchtkwaliteit van in het programma genoemde of beschreven ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of maatregelen, niet of niet langer in redelijkheid kunnen worden gehanteerd bij de uitoefening van de in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c of d, juncto het tweede lid van dat artikel, bedoelde bevoegdheden en de toepassing van de daar bedoelde wettelijke voorschriften;
b. het programma, de periode waarop het betrekking heeft of de daarin genoemde of beschreven ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of maatregelen om andere redenen wijziging behoeven.
Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
**11.** De in het negende lid bedoelde plicht tot tijdige uitvoering van maatregelen blijft van kracht totdat die uitvoering of verdere uitvoering naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, niet langer vereist is om een grenswaarde te bereiken of daaraan te blijven voldoen.
**12.**
Binnen een krachtens het derde lid aangewezen gebied kunnen bestuursorganen die het aangaat, na een daartoe strekkende melding aan Onze Minister:
a. een of meer in het programma genoemde of beschreven maatregelen of voorgenomen besluiten vervangen door een of meer andere maatregelen of voorgenomen besluiten,
b. een of meer extra maatregelen of extra voorgenomen besluiten aan het programma toevoegen, indien bij de betreffende melding aannemelijk wordt gemaakt dat die andere of extra maatregelen of besluiten per saldo een vergelijkbaar of positiever effect op de luchtkwaliteit hebben. Bij de melding wordt aangegeven welke maatregelen dan wel besluiten het betreft, welke samenhang er tussen die maatregelen en besluiten is en op welke termijn deze worden getroffen of genomen en worden de effecten op de luchtkwaliteit met overeenkomstige toepassing van artikel 5.19 aangegeven. Het negende lid is van overeenkomstige toepassing.
**13.** De bij de melding, bedoeld in het twaalfde lid, aangegeven wijziging of wijzigingen behoeven de instemming van Onze Minister. Onze Minister beslist hieromtrent binnen zes weken na ontvangst van de melding. De instemming is van rechtswege gegeven indien Onze Minister niet binnen de genoemde termijn een beslissing heeft genomen.
**14.** Binnen zes weken nadat een instemming als bedoeld in het dertiende lid is verkregen wordt door de betrokken bestuursorganen kennis gegeven van de bij de melding aangegeven wijziging of wijzingen en van de daarmee verleende instemming in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis blad, dan wel op een andere geschikte wijze.
### Artikel 5.13
**1.** Een of meerdere bestuursorganen gezamenlijk, niet zijnde bestuursorganen van het Rijk, kunnen een programma vaststellen dat gericht is op het bereiken van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde in een bij dat programma aan te wijzen gebied, niet zijnde een krachtens artikel 5.12, derde lid, aangewezen of aan te wijzen gebied, waar een grenswaarde wordt overschreden of dreigt te worden overschreden.
**2.** Bij de vaststelling van een programma op grond van het eerste lid wordt het krachtens artikel 5.12, eerste lid, vastgestelde programma in acht genomen.
**3.** Artikel 5.12, derde en vierde lid en achtste tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijziging, bedoeld in het tiende lid van dat artikel, plaatsvindt in overeenstemming met de andere betrokken bestuursorganen en dat de plicht tot melding, bedoeld in het twaalfde lid van dat artikel, niet van toepassing is.
**4.** Het programma wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan Onze Minister.
**5.** Indien voor een gebied als bedoeld in het eerste lid geen programma als bedoeld in dat lid wordt vastgesteld, treffen de betrokken bestuursorganen onverwijld de redelijkerwijs mogelijke maatregelen die er op gericht zijn de betreffende grenswaarde te bereiken. De artikelen 5.12, negende en elfde lid, en 5.14 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 5.14
De daartoe in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, aangewezen bestuursorganen rapporteren jaarlijks voor 1juli aan Onze Minister over de voortgang en uitvoering van een programma en de daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en besluiten, alsmede over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
### Artikel 5.15
**1.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, wordt afgestemd met andere bij of krachtens wettelijk voorschrift vast te stellen of vastgestelde plannen;
b. de voorbereiding, vormgeving, inhoud en uitvoering van een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid;
c. de verslaglegging, bedoeld in artikel 5.14.
**2.**
Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking tot methoden of criteria aan de hand waarvan:
a. het bereiken van de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.12, eerste of derde lid, of 5.13, eerste, derde of vijfde lid, wordt bepaald, of
b. de effecten van ontwikkelingen, besluiten en maatregelen als bedoeld in artikel 5.12, tweede of derde lid, of 5.13, derde lid, in samenhang worden bepaald.
#### Paragraaf 5.2.4. Uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften
### Artikel 5.16
**1.**
Bestuursorganen kunnen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen:
a. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;
b. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels, aannemelijk is gemaakt dat:
1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of
2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
c. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
d. hetzij indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.
**2.**
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in:
a. de artikelen 1.2, 4.15a, 4.16, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2, 8.8, 8.11, derde lid, 8.40, eerste lid, 8.44, eerste lid;
b. de artikelen 13, 16, 43, 48 en 53 van de Wet inzake de luchtverontreiniging;
c. de artikelen 2a, 2b, 4a, 6, tweede en zesde lid, 7, 10, 17, 19, 37, tweede en vijfde lid, 38, tweede lid, 39b, 40 en 41 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
d. de artikelen 11 en 15 van de Tracéwet;
e. de artikelen 2, 5 en 8 van de Planwet verkeer en vervoer;
f. artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding;
g. artikel 7 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.
**3.** Indien een onverwijlde wijziging of aanvulling van de in het tweede lid, onder a tot en met g, genoemde artikelen noodzakelijk is kan dat bij tijdelijke ministeriële regeling plaatsvinden, die voor zover daarbij is aangegeven in de plaats treedt van de daarbij genoemde artikelen. Artikel 5.8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.
**5.**
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en sub 2, of onder c, voor zover het betreft de onlosmakelijk met een uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen:
a. worden voor iedere stof afzonderlijk de positieve of negatieve effecten voor de luchtkwaliteit in beschouwing genomen;
b. is er een functionele of geografische samenhang tussen enerzijds het gebied of de gebieden waarop de uitoefening van bevoegdheden of de toepassing van wettelijke voorschriften, bedoeld in dat lid, betrekking heeft, en anderzijds de maatregel of maatregelen die in verband met die uitoefening of toepassing wordt of worden genomen;
c. worden maatregelen ter vermindering van de concentratie van een stof niet later dan gelijktijdig met de te compenseren activiteiten uitgevoerd, tenzij een gelijktijdige uitvoering een vermindering van de concentratie van die stof op de langere termijn in de weg staat of anderszins niet doelmatig is, en
d. worden waarborgen getroffen opdat de maatregelen ter vermindering van de concentratie van een stof daadwerkelijk worden uitgevoerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
**6.** Buiten een periode als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of een in een programma als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, opgenomen periode, blijft het eerste lid, aanhef en onder d, buiten toepassing, met dien verstande dat de uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk voorschrift met betrekking tot een ontwikkeling of voorgenomen besluit dat eerder was genoemd of beschreven in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, ook na het verstrijken van de desbetreffende periode mogelijk blijft.
### Artikel 5.16a
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, in daarbij aangewezen categorieën van gevallen waarin een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde op of na het tijdstip van ingang wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, en waarin de betreffende uitoefening of toepassing betrekking heeft op een bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk in de zin van de Woningwet, op een zodanige wijze plaatsvindt dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen met een verhoogde gevoeligheid voor de concentraties in de buitenlucht van een stof waar de betreffende grenswaarde betrekking op heeft.
**2.** Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan dat lid, met inbegrip van het beperken van een categorie tot gevallen waarin niet wordt voldaan aan daarbij gestelde eisen met betrekking tot de locatie of afstand van een bouwwerk ten opzichte van een bron of bronnen van luchtverontreiniging.
### Artikel 5.17
**1.** De bestuursorganen die het aangaat houden bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit rekening met de in bijlage 2 opgenomen richtwaarden en treffen maatregelen om zoveel mogelijk aan die richtwaarden te voldoen.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen.
### Artikel 5.18
**1.** De commissaris van de Koningin doet van een overschrijding van een in bijlage 2 genoemde alarmdrempel of informatiedrempel in zijn provincie zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek.
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde mededeling en de daarbij aan het publiek te verstrekken gegevens alsmede met betrekking tot de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 7, derde lid, van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit.
**3.** Artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 5.2.5. Vaststelling van het kwaliteitsniveau
### Artikel 5.19
**1.** De daartoe krachtens artikel 5.20, eerste lid, onder b, aangewezen bestuursorganen stellen het kwaliteitsniveau met betrekking tot de in bijlage 2 genoemde stoffen vast met behulp van metingen of berekeningen.
**2.** Bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau, bedoeld in het eerste lid, worden als concentraties van verontreinigende stoffen in beschouwing genomen: stoffen, die direct of indirect door de mens in de lucht worden gebracht en die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu in zijn geheel.
**3.** Bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau, bedoeld in het eerste lid, worden concentraties van zwevende deeltjes (PM_10), die veroorzaakt worden door natuurverschijnselen, buiten beschouwing gelaten.
**4.** Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten doen aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister, schriftelijk verslag van de uitkomsten van de op grond van het eerste lid verrichte metingen of berekeningen.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het tweede en derde lid.
**6.** Voor de toepassing van het derde lid wordt onder natuurverschijnselen verstaan: seismische activiteit, spontane branden, stormen, atmosferische resuspensie en verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge gebieden, die een significante verhoging van de normale achtergrondconcentraties van natuurlijke oorsprong ten gevolge hebben.
### Artikel 5.20
**1.**
Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van deze titel regels gesteld met betrekking tot:
a. de wijze waarop en de frequentie waarmee het kwaliteitsniveau gemeten of berekend wordt,
b. de voor de onder a bedoelde metingen en berekeningen verantwoordelijke bestuursorganen,
c. de wijze van bekostiging van de onder a bedoelde metingen en berekeningen,
d. de wijze en het tijdstip waarop verslag wordt gedaan van de uitkomsten van de onder a bedoelde metingen en berekeningen en de in het verslag op te nemen gegevens,
e. de wijze waarop de effecten en kwaliteitsniveaus, bedoeld in de artikelen 5.12, tweede en derde lid, en 5.16, eerste lid, worden berekend.
**2.** Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het gebruik van daarbij aangewezen gegevens of van daarbij aangewezen methoden voor het meten of berekenen van het kwaliteitsniveau uitsluitend is toegestaan na voorafgaande goedkeuring door Onze Minister.
**3.** De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, kan worden onthouden of ingetrokken indien het gebruik van de betreffende gegevens of methoden naar het oordeel van Onze Minister niet of niet langer leidt tot een voldoende nauwkeurige of betrouwbare weergave van het kwaliteitsniveau en andere, met het oog daarop meer geschikte gegevens of methoden beschikbaar zijn.
**4.** Aan de goedkeuring kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze kunnen worden gewijzigd of ingetrokken.
### Artikel 5.21
**1.**
Onze Minister kan:
a. de nauwkeurigheid van een meetmethode of een andere methode waarmee het kwaliteitsniveau of effecten gemeten of berekend wordt toetsen,
b. de nauwkeurigheid van de toepassing van een onder a bedoelde methode toetsen.
**2.** De door middel van de toetsing verkregen resultaten treden in de plaats van eerdere of anderszins verkregen resultaten.
**3.** Onze Minister maakt de in het tweede lid bedoelde resultaten kenbaar aan het desbetreffende bestuursorgaan.
### Artikel 5.22
**1.** Onze Minister wijst voor de toepassing van deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen ten behoeve van de metingen en berekeningen van het kwaliteitsniveau zones, onderscheidenlijk agglomeraties, aan.
**2.** Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de vijf jaar in hoeverre de aanwijzing van zones en agglomeraties, bedoeld in het eerste lid, wijziging behoeft.
**3.** Onze Minister stelt op basis van de aanwijzing van zones en agglomeraties en de resultaten van de metingen en berekeningen, bedoeld in het eerste lid, lijsten als bedoeld in artikel 8 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit vast, alsmede lijsten als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van richtlijn nr. 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PgEG L 67) en artikel 3 van richtlijn nr. 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG L23).
#### Paragraaf 5.2.6. Handhaving
### Artikel 5.23
**1.** Onze Minister kan gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders, indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12, zevende en negende lid, 5.14 of 5.19, vierde lid, een aanwijzing geven om daar alsnog uitvoering aan te geven. Onze Minister houdt daarbij rekening met een doelmatig luchtkwaliteitsbeleid dat gericht is op het bereiken van en het blijven voldoen aan een in bijlage 2 genoemde grenswaarde.
**2.** Bij de aanwijzing wordt een termijn gesteld waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan de aanwijzing.
**3.** Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat het betrokken bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld van zijn gevoelen omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken, tenzij spoedeisende omstandigheden zich daartegen verzetten.
**4.** Wanneer het betrokken bestuursorgaan een krachtens het eerste lid gevorderd besluit of gevorderde handeling niet of niet naar behoren neemt dan wel uitvoert, is Onze Minister bevoegd daarin namens dat bestuursorgaan en ten laste van dat bestuursorgaan te voorzien.
## Hoofdstuk 6. Milieuzonering
### Artikel 6.1
@ -1741,13 +2043,13 @@ Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening
a. het voor hem geldende milieubeleidsplan;
b. het bepaalde in artikel 10.14;
c. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2.
c. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of artikel 5.17.
**3.**
Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht:
a. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2, dan wel voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid , 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;
a. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 dan wel voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid , 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;
b. de voor hem geldende, krachtens artikel 8.45 gestelde regels;
c. de voor hem geldende, krachtens artikel 8.46 gestelde regels, behoudens voor zover een aanwijzing van Onze Minister krachtens artikel 8.27 afwijking noodzakelijk maakt;
d. aanwijzingen die met betrekking tot de beslissing op de aanvraag krachtens artikel 8.27 door Onze Minister zijn gegeven.
@ -2232,7 +2534,7 @@ a. de bestaande toestand van het milieu, voor zover inrichtingen die tot de betr
b. de gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, mede in hun onderlinge samenhang bezien;
c. de met betrekking tot inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, en de omgeving waarin zodanige inrichtingen zijn of kunnen zijn gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
d. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
e. de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de betrokken categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben, geldende milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig artikel 5.1;
e. de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de betrokken categorieën van inrichtingen gevolgen kunnen hebben, geldende milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig artikel 5.1 of bij Bijlage 2;
f. de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van de maatregel.
In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn betrokken.
@ -5669,34 +5971,36 @@ de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Watersch
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:
a. inzake een milieubeleidsplan, genomen krachtens de artikelen 4.3, 4.6, 4.9, 4.12, 4.15a, 4.16 of 4.19;
b. inzake een afvalbeheersplan, genomen krachtens artikel 10.3;
c. inzake een nationaal toewijzingsplan, genomen krachtens artikel 16.23, eerste lid;
d. inzake de toewijzing van broeikasgasemissierechten, genomen krachtens artikel 16.29, eerste lid, met uitzondering van een besluit houdende toewijzing van broeikasgasemissierechten voor een afzonderlijke inrichting.
b. inzake een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, of een instemming als bedoeld in artikel 5.12, dertiende lid;
c. inzake een afvalbeheersplan, genomen krachtens artikel 10.3;
d. inzake een nationaal toewijzingsplan, genomen krachtens artikel 16.23, eerste lid;
e. inzake de toewijzing van broeikasgasemissierechten, genomen krachtens artikel 16.29, eerste lid, met uitzondering van een besluit houdende toewijzing van broeikasgasemissierechten voor een afzonderlijke inrichting.
**2.**
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking:
a. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.27,
b. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.31a,
c. inzake een verklaring als bedoeld in artikel 8.36a,
d. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 8.39,
e. houdende een certificaat of een accreditatie als bedoeld in artikel 11.2, derde lid, onderdeel b of c,
f. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 17.5, eerste lid,
g. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 18.3d, eerste lid, of 18.3f, eerste lid,
h. houdende een aanwijzing van Onze Minister met toepassing van artikel 18.3f, zevende lid, aan burgemeester en wethouders of aan het dagelijks bestuur van een waterschap ter zake van de uitvoering door deze bestuursorganen van het bepaalde krachtens artikel 18.3,
i. houdende een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 18.3e, eerste lid, laatste volzin,
j. houdende een vordering als bedoeld in artikel 18.8a, eerste lid,
k. inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 18.16m, derde lid, of
a. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 5.23,
b. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.27,
c. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.31a,
d. inzake een verklaring als bedoeld in artikel 8.36a,
e. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 8.39,
f. houdende een certificaat of een accreditatie als bedoeld in artikel 11.2, derde lid, onderdeel b of c,
g. houdende een verzoek als bedoeld in artikel 17.5, eerste lid,
h. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 18.3d, eerste lid, of 18.3f, eerste lid,
i. houdende een aanwijzing van Onze Minister met toepassing van artikel 18.3f, zevende lid, aan burgemeester en wethouders of aan het dagelijks bestuur van een waterschap ter zake van de uitvoering door deze bestuursorganen van het bepaalde krachtens artikel 18.3,
j. houdende een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 18.3e, eerste lid, laatste volzin,
k. houdende een vordering als bedoeld in artikel 18.8a, eerste lid,
l. inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 18.16m, derde lid, of
l. inhoudende een dwangbevel als bedoeld in artikel 18.16n, eerste lid.
**3.** In afwijking van het tweede lid kan tegen een beschikking als bedoeld in dat lid, onder b, c, d of e, beroep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk door het ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing, de verklaring, onderscheidenlijk het verzoek betrekking heeft, bevoegde gezag.
**3.** In afwijking van het tweede lid kan tegen een beschikking als bedoeld in dat lid, onder a, c, d, e of f, beroep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk door het ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing, de verklaring, onderscheidenlijk het verzoek betrekking heeft, bevoegde gezag.
**4.** In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de beroepstermijn in een geval als bedoeld in het derde lid aan met ingang van de dag na de dag waarop een exemplaar van de beschikking waarop de verklaring of het verzoek betrekking heeft, overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd.
### Artikel 20.2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
In een rechterlijke procedure ten aanzien van een besluit, andere rechtshandeling of feitelijke handeling die strekt tot uitvoering van een overeenkomstig artikel 5.16, eerste lid, genomen besluit of toegepast wettelijk voorschrift, kunnen uitsluitend gevolgen voor de luchtkwaliteit worden aangevoerd voor zover deze redelijkerwijs niet in een eerdere rechterlijke procedure aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld.
### Artikel 20.3
@ -5848,7 +6152,7 @@ Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet deel uitmaken
**1.** Bij de vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet wordt rekening gehouden met het geldende nationale milieubeleidsplan.
**2.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, 5.3, vijfde lid, of 18.3 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en, voorzover het de strafrechtelijke handhaving betreft van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de andere in artikel 18.1a, eerste lid, bedoelde wetten, Onze Minister van Justitie.
**2.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, 5.3, derde lid, of 18.3 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en, voorzover het de strafrechtelijke handhaving betreft van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de andere in artikel 18.1a, eerste lid, bedoelde wetten, Onze Minister van Justitie.
**3.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 of paragraaf 14.2, wordt Ons gedaan door Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens titel 12.1 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken. Indien het een of meer inrichtingen betreft, die onder Onze Minister van Defensie ressorteren, wordt de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 12.1, tweede lid, 12.4 en 12.5 Ons mede door hem gedaan.
@ -5936,7 +6240,7 @@ Vervallen
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
## Bijlage . bij de Wet milieubeheer
## Bijlage 1. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
@ -5993,5 +6297,3 @@ Wegenverkeerswet 1994
Flora- en faunawet
## Bijlage 2. bij de Wet milieubeheer
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden