From 8d101e561340a66f9a2ac8378b9afe7780efe103 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 9 Jul 2022 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2022-07-09 | BWBR0046875 | Verzamelbesluit Toeslagen --- .../BWBR0046875/README.md | 119 +++++++++++++++++- 1 file changed, 116 insertions(+), 3 deletions(-) diff --git a/beleidsregel/verzamelbesluit-toeslagen/BWBR0046875/README.md b/beleidsregel/verzamelbesluit-toeslagen/BWBR0046875/README.md index 1034552e54f..6535d0d46af 100644 --- a/beleidsregel/verzamelbesluit-toeslagen/BWBR0046875/README.md +++ b/beleidsregel/verzamelbesluit-toeslagen/BWBR0046875/README.md @@ -10,13 +10,54 @@ citeertitel: Verzamelbesluit Toeslagen # Verzamelbesluit Toeslagen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +*In dit besluit staat beleid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Onder meer is hierin het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Tevens zijn (goedkeurende) beleidsregels opgenomen voor specifieke situaties met betrekking tot kwijtscheldingswinsten, de termijn voor het tijdig betalen van de kosten voor kinderopvang, de toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen partners in relatie tot de vermogenstoets in de huurtoeslag, en verworven recht situaties in de huurtoeslag. Ook bevat dit besluit twee goedkeurende beleidsregels op grond van de hardheidsclausule met betrekking tot (1) particulieren die leenbijstand ontvangen die in een later jaar wordt omgezet in een gift (alle toeslagen) en (2) het recht op huurtoeslag voor (half)wezen jonger dan 23 jaar die achterblijven in de ouderlijke woning.* ## 1. Inleiding +### 1.1. Opzet besluit + +Dit besluit omvat beleid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Onderdeel 2 bevat beleid dat geldt voor alle toeslagen, dus voor zowel de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag als het kindgebonden budget. De onderdelen 3 en 4 bevatten aanvullend beleid met betrekking tot specifiek de kinderopvangtoeslag (onderdeel 3) en de huurtoeslag (onderdeel 4). + +### 1.2. Wijzigingen besluit + +Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 januari 2021, nr. 2020-179259 (Stcrt. 2021, 2142). Het besluit is op de volgende punten aangepast: + +– In onderdeel 2.1 is het beleid inzake *Herziening van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikking kinderopvangtoeslag* en *Rente en kosten van invordering* in verband met codificatie in overige wet-/regelgeving vervallen; +– Het voormalig onderdeel 2.2*Herziening terugvorderingsbeschikking* is in verband met codificatie in overige wet-/regelgeving vervallen; +– Het voormalig onderdeel 2.3*Toetsingsinkomen bij kwijtscheldingswinsten *is vernummerd naar onderdeel 2.2 en uitgebreid voor onherroepelijk vaststaande beschikkingen conform de herzieningstermijn van vijf jaar; +– Er is een nieuw onderdeel 2.3*Omzetting leenbijstand particulieren naar gift* toegevoegd dat hardheidsclausulebeleid bevat voor particulieren die vanwege de omzetting van leenbijstand in een gift geconfronteerd worden met verlies van toeslagen; +– Het voormalig onderdeel 3.1*Proportioneel vaststellen van kinderopvangtoeslag *is in verband met codificatie in overige wet-/regelgeving vervallen; +– Het voormalig onderdeel 3.2*Tijdige betaling van kosten aan een kinderopvangorganisatie *is vernummerd naar onderdeel 3.1 en uitgebreid met een verruiming van de betalingstermijn naar zes maanden na afloop van het berekeningsjaar; +– Onderdeel 4.1 + *Overschrijding vermogensgrens door toerekening gezamenlijke grondslag sparen en beleggen *is uitgebreid voor onherroepelijk vaststaande beschikkingen conform de herzieningstermijn van vijf jaar; +– Het voormalig onderdeel 4.2*Verzoek bijzondere situaties *is in verband met codificatie in overige wet-/regelgeving vervallen; +– Het voormalig onderdeel 4.3*Verworven recht huurtoeslag* is vernummerd naar onderdeel 4.2. De goedkeuring om onherroepelijk vaststaande beschikkingen uit 2014 en 2015 tot 1 juli 2021 te kunnen herzien is in verband met verstrijken van deze termijn niet meer relevant en vervallen (voormalig onderdeel 4.3.1*Herziening van op 24 juli 2019 vaststaande tegemoetkomingen*). Hetzelfde geldt voor de goedkeuring om de aanvraagtermijn voor de berekeningsjaren 2014 -2019 te verruimen tot 1 juli 2021 (voormalig onderdeel 4.3.2*Mogelijkheid indienen van nieuwe aanvraag huurtoeslag*); +– Er is een nieuw onderdeel 4.3*Huurtoeslag voor (half)wezen jonger dan 23 jaar* toegevoegd dat hardheidsclausulebeleid bevat voor jongeren die wees worden en als huurder achterblijven in de ouderlijke woning. + +### 1.3. Gebruikte begrippen en afkortingen + + + +| Awb | Algemene wet bestuursrecht | +| --- | --- | +| Awir | Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen | +| Berekeningsjaar | Berekeningsjaar als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, Awir | +| Bht | Besluit op de huurtoeslag | +| Gastouderopvang | Gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1 Wko | +| Kinderopvang | Kinderopvang als bedoeld in artikel 1.1 Wko | +| Kinderopvangorganisatie | Gastouderbureau of kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1 Wko | +| Kinderopvangtoeslag | Kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 1.1 Wko | +| Ouder | Ouder als bedoeld in artikel 1.1 Wko | +| Regeling Wko | Regeling Wet kinderopvang | +| Toeslagen | Zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget | +| UR Awir | Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen | +| Wet IB 2001 | Wet inkomstenbelasting 2001 | +| Wht | Wet op de huurtoeslag | +| Wko | Wet kinderopvang | + ## 2. Gemeenschappelijk beleid voor toeslagen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Dit onderdeel bevat het beleid dat geldt voor alle toeslagen, dus zowel de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag als het kindgebonden budget. ### 2.1. Matiging van de terugvordering van toeslagen @@ -51,16 +92,74 @@ Als de Belastingdienst/Toeslagen op de hoogte is van de bijzondere omstandighede ### 2.2. Toetsingsinkomen bij kwijtscheldingswinsten +In de praktijk doen zich situaties voor waarin de kwijtscheldingswinstvrijstelling in de Wet IB 2001 niet volledig doorwerkt in het toetsingsinkomen voor de toeslagen. Dit kan het geval zijn als schuldeisers hun niet voor verwezenlijking vatbare rechten prijsgeven (schulden kwijtschelden) en een belastingplichtige daarnaast openstaande te verrekenen verliezen heeft. Voor het toetsingsinkomen wordt doorgaans aangesloten bij het verzamelinkomen uit de Wet IB 2001.3Artikel 2.18 Wet IB 2001. Eventuele openstaande te verrekenen verliezen maken geen deel uit van het verzamelinkomen.4Artikel 3.1, eerste lid, Wet IB 2001 jo. artikel 2.18 Wet IB 2001. Hierdoor zal in een situatie waarin de belastingplichtige openstaande te verrekenen verliezen heeft de kwijtscheldingswinst geheel of gedeeltelijk leiden tot een verhoging van het verzamelinkomen in de Wet IB 2001 en het toetsingsinkomen voor diverse toeslagen.5Indien geen sprake is van te verrekenen verliezen, zal de kwijtscheldingswinst doorgaans op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 worden vrijgesteld van de winst uit onderneming. Belanghebbende kan door dit “papieren inkomen” het recht op toeslagen verliezen of minder toeslagen krijgen. Hij wordt dan geconfronteerd met een terugbetalingsverplichting van toeslagen zonder dat hij over dit inkomen heeft kunnen beschikken. + +Ik keur daarom vooruitlopend op wetgeving goed dat in de situatie waarin de kwijtscheldingswinst als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 het toetsingsinkomen verhoogt – omdat de in dit artikel opgenomen vrijstelling deze winst niet geheel vrijstelt ten gevolge van openstaande te verrekenen verliezen in box 1 van de inkomstenbelasting – de Belastingdienst/Toeslagen op verzoek van belanghebbende voor de vaststelling van het toetsingsinkomen kan uitgaan van het verzamelinkomen zonder de hiervoor bedoelde kwijtscheldingswinst. + +Als de definitieve tegemoetkoming waarop het verzoek betrekking heeft onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor herziening zoals opgenomen in artikel 21a Awir, jo. artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met dien verstande dat artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Awir geen toepassing vindt. Dit betekent dat een belanghebbende een verzoek om herziening op basis van dit onderdeel van het besluit kan doen tenzij vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de belanghebbende niet binnen een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning om herziening heeft verzocht. + ### 2.3. Omzetting leenbijstand particulieren naar gift +Een gemeente kan op grond van de Participatiewet in bijzondere situaties bijstand aan particulieren als lening verstrekken. Zolang het om een lening gaat, behoort dit niet tot het toetsingsinkomen. In de praktijk doen zich situaties voor waarin deze leenbijstand in een later jaar wordt omgezet in een gift. Het bedrag dat hiermee gemoeid is, wordt in het jaar van de omzetting wel tot het toetsingsinkomen gerekend zonder dat dit de draagkracht in dat jaar verhoogt. Een belanghebbende kan door dit “papieren inkomen” het recht op toeslagen verliezen of minder toeslagen krijgen. + +Een omgezette leenbijstand verstrekt aan zelfstandigen (op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004) maakt geen onderdeel uit van het toetsingsinkomen voor toeslagen.6Op grond van artikel 31, eerste lid onder c, Wet op de loonbelasting 1964, jo. artikel 8.1, onder e, UR loonbelasting 2011 vormt dit geen belastbare uitkering en werkt daarmee niet door in het toetsingsinkomen voor toeslagen. Voor omgezette leenbijstand verstrekt aan particulieren geldt dat de wetgeving hier niet in voorziet, zodat de omgezette leenbijstand hier wel meetelt in het toetsingsinkomen voor toeslagen. Nu dezelfde problematiek zich voordoet bij particulieren aan wie leenbijstand wordt omgezet in een gift, is dit aan te merken als “onbillijkheid van overwegende aard” waaraan met toepassing van de hardheidsclausule kan worden tegemoetgekomen. + +Op grond van de hardheidsclausule (artikel 47, eerste lid, Awir) keur ik daarom goed dat leenbijstand verstrekt aan particulieren die in een later jaar wordt omgezet in een gift, op verzoek van de belanghebbende in het jaar van omzetting buiten beschouwing kan worden gelaten bij de bepaling van het toetsingsinkomen voor toeslagen. + +Als de definitieve tegemoetkoming waarop het verzoek betrekking heeft onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor herziening zoals opgenomen in artikel 21a Awir, jo. artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met dien verstande dat artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Awir geen toepassing vindt. Dit betekent dat een belanghebbende een verzoek om herziening op basis van dit onderdeel van het besluit kan doen tenzij vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de belanghebbende niet binnen een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning om herziening heeft verzocht. + +Indien een belanghebbende door de gemeente reeds gecompenseerd is voor het verlies aan toeslagen vanwege een omgezette leenbijstand (bijvoorbeeld middels bijzondere bijstand), zal het verzoek worden afgewezen teneinde ‘dubbele compensatie’ te voorkomen. + ## 3. Kinderopvangtoeslag +Dit onderdeel bevat aanvullend beleid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. + +### 3.1. Tijdige betaling van kosten aan een kinderopvangorganisatie + +#### 3.1.1. Tijdige betaling aan een kinderopvangorganisatie + +Voor gastouderopvang is geregeld dat de ouder de kosten voor gastouderopvang periodiek betaalt uiterlijk binnen twee kalendermaanden na afloop van het tijdvak waarover de kosten op grond van de overeenkomst worden berekend.7Artikel 11f Regeling Wko. Voor de betaling van de kosten voor de overige soorten kinderopvang, niet zijnde gastouderopvang, is in de wet- en regelgeving geen termijn opgenomen. De termijn voor gastouderopvang is van overeenkomstige toepassing op overige soorten van kinderopvang. In de praktijk blijkt de betalingstermijn van twee maanden echter te kort. + +Vooruitlopend op aanpassing van de Regeling Wko keur ik goed dat de ouder de kosten voor kinderopvang uiterlijk binnen zes kalendermaanden na afloop van het berekeningsjaar waarop de kosten betrekking hebben, moet hebben betaald. + +Dit betekent dat alle betalingen aan een kinderopvangorganisatie die de ouder heeft gedaan vóór 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar, worden aangemerkt als tijdige betaling voor de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag.8Deze goedkeuring is een codificatie van de toezegging in (de voortzetting van) het wetgevingsoverleg inzake het Belastingplan 2021 gehouden op 11 november 2020. + +#### 3.1.2. Betalingsregeling met de kinderopvangorganisatie + +In de praktijk doen zich situaties voor dat een ouder door omstandigheden niet in staat is om tijdig de kosten aan de kinderopvangorganisatie te betalen. De ouder kan met de kinderopvangorganisatie een betalingsregeling treffen. Het is mogelijk dat deze betalingsregeling de gestelde termijn van zes kalendermaanden na afloop van het berekeningsjaar overschrijdt. Ik vind het in deze situatie redelijk dat betalingen na de gestelde termijn in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van het recht op kinderopvangtoeslag. Daarom keur ik onder voorwaarden het volgende goed. + +Ik keur goed dat betalingen gedaan in het kader van een betalingsregeling met de kinderopvangorganisatie ook als tijdige betaling kunnen worden aangemerkt. + +Hierbij stel ik de volgende voorwaarden: + +– De betalingsregeling is schriftelijk overeengekomen vóór 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar; +– De overeengekomen duur van de betalingsregeling is niet langer dan één jaar; +– De ouder heeft eventuele (na)betalingen van de kinderopvangtoeslag over het betreffende berekeningsjaar gebruikt om de schuld bij de kinderopvangorganisatie af te lossen. + +Als de betalingsregeling niet volledig wordt nagekomen, wordt het recht op kinderopvangtoeslag alsnog proportioneel vastgesteld conform de Wko. + +#### 3.1.3. Bijzondere gevallen + +In bijzondere gevallen waarin de betaling niet tijdig is verricht aan de kinderopvangorganisatie, kan de Belastingdienst/Toeslagen afwijken van de in onderdeel 3.1 genoemde termijn en voorwaarden. Het gaat hierbij niet om situaties waarin de ouder financiële problemen heeft om de kosten van kinderopvang te betalen. Die omstandigheid kwalificeert niet als bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin. + ## 4. Huurtoeslag -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Dit onderdeel bevat aanvullend beleid met betrekking tot de huurtoeslag. ### 4.1. Overschrijding vermogensgrens door toerekening gezamenlijke grondslag sparen en beleggen +De door fiscale partners voor de inkomstenbelasting gekozen toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen9Artikel 2.17 Wet IB 2001. kan er in bepaalde situaties onbedoeld toe leiden dat een van die partners door overschrijding van de vermogensgrens het recht op huurtoeslag verliest.10Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5310. Het gaat dan om de situatie waarin de fiscale partners geen, of niet het gehele jaar, toeslagpartner voor de huurtoeslag zijn11Er wordt dan niet voldaan aan de inschrijvingseis van artikel 1a, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag, omdat de partner niet op hetzelfde adres als de huurder in de basisregistratie personen staat ingeschreven. en de huurder het recht op huurtoeslag verliest door overschrijding van de vermogensgrens als gevolg van de tot stand gekomen onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de aanslag inkomstenbelasting. In voorkomende gevallen hebben de fiscale partners deze gevolgen bij het invullen van de aangifte inkomstenbelasting niet onderkend. In deze situatie staan de financiële gevolgen van het verlies aan recht op huurtoeslag niet in verhouding tot het voordeel dat door de gekozen verdeling mogelijk wordt genoten in de inkomstenbelasting. + +Ik keur daarom vooruitlopend op wetgeving goed dat in genoemde situatie op verzoek van belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen uitsluitend voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag mag uitgaan van een zodanige toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen dat bij belanghebbende geen sprake meer is van een overschrijding van de vermogensgrens. Op die wijze kan de belanghebbende zijn recht op huurtoeslag behouden. De goedkeuring heeft dus geen gevolgen voor de toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in de inkomstenbelasting en ook geen gevolgen voor het toetsingsinkomen voor de toeslagen. + +Hierbij stel ik de volgende voorwaarden: + +– De aanslag inkomstenbelasting van belanghebbende en die van zijn fiscale partner staan onherroepelijk vast. Indien de aanslag niet onherroepelijk vaststaat, bestaat voor de inkomstenbelasting de mogelijkheid om de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nog aan te passen. +– Belanghebbende dient bij de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek in om voor de toepassing van de vermogenstoets in de huurtoeslag uit te gaan van een andere verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. +– Er is geen sprake van een structurele toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen met onbedoelde gevolgen voor de huurtoeslag. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij in de volgende jaren bij de toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen rekening houdt met de gevolgen voor het recht op huurtoeslag. + +Als de definitieve tegemoetkoming huurtoeslag waarop het verzoek betrekking heeft onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor herziening zoals opgenomen in artikel 21a Awir, jo. artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met dien verstande dat artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Awir geen toepassing vindt. Dit betekent dat een belanghebbende een verzoek om herziening op basis van dit onderdeel van het besluit kan doen tenzij vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de belanghebbende niet binnen een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning om herziening heeft verzocht. + ### 4.2. Verworven recht huurtoeslag De huurprijs die een huurder per maand is verschuldigd, is van invloed op het recht op huurtoeslag.12Artikel 5 jo. artikel 13 Wht. Er bestaat in beginsel geen recht op huurtoeslag als de huurprijs hoger is dan de voor het betreffende berekeningsjaar vastgestelde maximale rekenhuur.13Artikel 13, eerste lid, Wht. Hierop bestaan drie uitzonderingen.14Artikel 13, tweede lid, Wht Een van die uitzonderingen is de situatie waarin sprake is van een zogenoemd verworven recht.15Artikel 13, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Wht. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2022 gewijzigd. Een overschrijding van de rekenhuur is toegestaan als de huurder eerder een huurtoeslag ten aanzien van de desbetreffende woning is toegekend. Dit betekent dat huurders die eenmaal huurtoeslag ontvangen, niet meer buiten de huurtoeslag vallen door de enkele stijging van de huur boven de maximale huurgrens. Voor de beoordeling of er sprake is van verworven recht is alleen het moment waarop de maximale huurgrens wordt overschreden relevant. @@ -75,8 +174,22 @@ Over de toepassing van artikel 5a, onderdeel b, UR Awir bepaal ik het volgende. ### 4.3. Huurtoeslag voor (half)wezen jonger dan 23 jaar +De huurprijs die een huurder per maand is verschuldigd, is van invloed op het recht op huurtoeslag. Er bestaat in beginsel geen recht op huurtoeslag als de huurprijs hoger is dan de voor het betreffende berekeningsjaar vastgestelde maximale rekenhuur. Voor jongeren onder de 23 jaar geldt daarbij een lagere maximale rekenhuur (jongerenhuurgrens), tenzij er sprake is van een handicap of inwonend kind.17Artikel 13, eerste lid, Wht. In de praktijk doen zich echter ook uitzonderlijke situaties voor waarbij jongeren onder de 23 jaar na overlijden van hun ouder(s) of voogd achterblijven in de woning en zij vanwege de voor hen geldende lagere maximale rekenhuur geen recht hebben op huurtoeslag. + +Het betreft hier een uitzonderlijke en schrijnende groep jongeren die zich naast het verlies van hun ouder(s) of voogd mogelijk ook geconfronteerd zien met een noodgedwongen verhuizing uit de (ouderlijke) woning, nu zij de huurprijs niet zonder huurtoeslag kunnen betalen. Een oplossing op maat acht ik in deze situatie dan ook passend en geboden. Het onthouden van huurtoeslag voor deze specifieke groep jongeren vanwege een te jonge leeftijd in combinatie met een te hoge huur ontstaan door (een) overleden ouder(s) of voogd, is dermate uniek en aan te merken als “onbillijkheid van overwegende aard” waaraan met toepassing van de hardheidsclausule kan worden tegemoetgekomen. + +Op grond van de hardheidsclausule (artikel 47, eerste lid, Awir) keur ik daarom goed dat op verzoek huurtoeslag kan worden toegekend boven de jongerenhuurgrens aan een jongere die als gevolg van het overlijden van zijn ouder(s) of voogd huurder wordt van een woning waarvan de rekenhuur in combinatie met diens leeftijd te hoog is voor het recht op huurtoeslag. Dit geldt in de situatie van een jongere onder de 23 jaar van wie een bloedverwant in de opgaande lijn in de eerste graad18Dit kan eveneens zien op een pleegkind bedoeld in artikel 4, eerste lid, Awir. of een voogd komt te overlijden en deze een woning huurde, waarvan de jongere huurder wordt. De overleden ouder(s) of voogd dient op het tijdstip van overlijden samen met de jongere diens hoofdverblijf in de woning te hebben en daar beiden ingeschreven te staan in de basisregistratie personen. Alleen dan kan de huurtoeslag voor de betreffende woning worden berekend zonder rekening te houden met artikel 13, eerste lid, onder b van de Wht. De maximale rekenhuur bedoeld in artikel 13 Wht blijft voor het overige onverminderd van toepassing. + +Vanaf het moment dat de jongere 23 jaar wordt, wordt de huurtoeslag berekend conform de gebruikelijke regels van de Wht. + ## 5. Ingetrokken besluit +Het besluit van 11 januari 2021, nr. 2020-179259 (Stcrt. 2021, 2142) is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit. + ## 6. Inwerkingtreding +Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat onderdeel 2.1 terugwerkt tot en met 23 oktober 2019 en onderdeel 4.2 terugwerkt tot en met 24 juli 2019. + ## 7. Citeertitel + +Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit Toeslagen.