2005-09-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang
This commit is contained in:
parent
ec7bc615a6
commit
8d4ebf6add
1 changed files with 86 additions and 191 deletions
|
|
@ -20,28 +20,18 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
b. kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
|
||||
c. gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5 aanspraak kan maken op een tegemoetkoming of diens partner, bestaande in de gelijktijdige opvang van ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de gastouder zijn hoofdverblijf heeft;
|
||||
c. gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner, bestaande in de gelijktijdige opvang van ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de gastouder zijn hoofdverblijf heeft;
|
||||
d. kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang;
|
||||
e. gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt;
|
||||
f. gastouder: de natuurlijke persoon die gastouderopvang biedt;
|
||||
g. beroepskracht: degene die werkzaam is bij een kindercentrum en is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen;
|
||||
h. beroepskracht in opleiding: degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen bij een kindercentrum;
|
||||
i. ouder:
|
||||
|
||||
1º. een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie de kinderopvang betrekking heeft, welk kind in belangrijke mate door hem wordt onderhouden in de zin van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, en op hetzelfde adres als het kind staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel
|
||||
2º. een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie de kinderopvang betrekking heeft, waarvoor die persoon een pleegvergoeding in het kader van de Wet op de jeugdzorg ontvangt;
|
||||
j. tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang door het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
|
||||
k. tegemoetkomingsjaar: het kalenderjaar waarover aanspraak op een tegemoetkoming van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bestaat;
|
||||
l. toetsingsinkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 8;
|
||||
m. houder: degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;
|
||||
n. GGD: een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid;
|
||||
o. oudercommissie: de commissie, bedoeld in artikel 58;
|
||||
p. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
q. sociaal-fiscaalnummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder j, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
|
||||
r. de inspecteur: de functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling is aangewezen;
|
||||
s. de ontvanger: de functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling is aangewezen;
|
||||
t. bestuurlijke boete: de bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die is gericht op bestraffing van de overtreder;
|
||||
u. lidstaat: een Staat die lid is van de Europese Unie of een andere Staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
|
||||
i. ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft;
|
||||
j. houder: degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;
|
||||
k. GGD: een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid;
|
||||
l. oudercommissie: de commissie, bedoeld in artikel 58;
|
||||
m. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
n. kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -52,73 +42,53 @@ b. verzorging en opvoeding in een peuterspeelzaal, waaronder wordt verstaan: een
|
|||
c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Wet op de jeugdzorg;
|
||||
d. verzorging en opvoeding van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid, onderdeel i, opgenomen voorwaarde van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt niet gedurende de periode, waarin het kind tegelijkertijd tot twee huishoudens behoort en op het adres van een van die huishoudens staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing van de eerste volzin behoort een kind tegelijkertijd tot twee huishoudens, indien het kind doorgaans drie dagen per week van het ene huishouden deel uitmaakt en voor de overige tijd van het andere huishouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 49, van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder partner:
|
||||
|
||||
a. degene die partner van de ouder is voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
b. degene die geen partner is van de ouder voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001, maar op grond van artikel 1.2 van die wet samen met de ouder de keuze voor kwalificatie als partner kan maken.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, wordt in afwijking van artikel 1.2, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, gekwalificeerd als partner:
|
||||
|
||||
a. de bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn van de ouder, ook al heeft de ouder bij de aanvang van het tegemoetkomingsjaar de leeftijd van 27 jaar nog niet bereikt;
|
||||
b. de persoon die geen inwoner is van Nederland en niet kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.
|
||||
**2.** De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, 1°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is in ieder geval sprake, indien de ouder en een derde hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en
|
||||
In afwijking in zoverre van het eerste lid zijn met betrekking tot tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alleen de volgende bepalingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van overeenkomstige toepassing:
|
||||
|
||||
a. zij in een aan het tegemoetkomingsjaar voorafgaand jaar elkaars partners waren,
|
||||
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander, of
|
||||
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.
|
||||
a. artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
|
||||
b. artikel 3,
|
||||
c. artikel 4,
|
||||
d. artikel 6,
|
||||
e. artikel 9,
|
||||
f. artikel 10,
|
||||
g. artikel 44.
|
||||
|
||||
**4.** Indien op grond van het eerste lid, onder b, meer personen in aanmerking komen om samen met de ouder de keuze voor kwalificatie als partner te maken, wijst de ouder een van deze personen aan als partner voor de toepassing van deze wet.
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**5.** De aanwijzing, bedoeld in het vierde lid, wordt gedaan bij de aanvraag tot verlening of vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gelijkgesteld een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de situatie dat een persoon niet in Nederland woont en niet is ingeschreven in een naar aard en strekking met de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de situaties dat een persoon niet kan worden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Een minderjarige is bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om toekenning van een tegemoetkoming op grond van deze wet te verkrijgen. Hij is voorts bekwaam de rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn met betrekking tot de uitoefening, onderscheidenlijk de nakoming van de voor hem uit de toekenning van tegemoetkomingen voortvloeiende rechten en verplichtingen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
## Hoofdstuk 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Aanspraken op een tegemoetkoming
|
||||
### Paragraaf 1. Aanspraken op kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Een ouder heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens het Rijk, jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
|
||||
**1.** Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
|
||||
|
||||
**2.** Geen aanspraak op een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, heeft een ouder die als vreemdeling niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. In het geval de partner van een ouder een vreemdeling is als bedoeld in de eerste volzin heeft een ouder eveneens geen aanspraak op een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van de ouder of de partner die als vreemdeling, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht, dan wel heeft verricht of na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
|
||||
|
||||
**4.** De partner van de ouder die voor een tegemoetkomingsjaar een aanvraag doet als bedoeld in artikel 9 heeft voor de periode van partnerschap met deze ouder in dat jaar geen aanspraak op een tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Tegemoetkoming van het Rijk
|
||||
### Paragraaf 2. Kinderopvangtoeslag
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een ouder heeft voor een tegemoetkomingsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van het Rijk, indien de ouder in dat jaar:
|
||||
Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar:
|
||||
|
||||
a. tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten,
|
||||
b. zonder enige vergoeding arbeid verricht in de onderneming van de partner in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
|
||||
|
|
@ -134,23 +104,21 @@ k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
|
|||
l. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
|
||||
m. door toepassing van artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet deelneemt aan een traject gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces.
|
||||
|
||||
**2.** Een ouder die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming als hij in een lidstaat woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht dan wel als hij een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.
|
||||
**2.** Een ouder die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag als hij in een lidstaat woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht dan wel als hij een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.
|
||||
|
||||
**3.** Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak, indien ook de partner een persoon is als bedoeld in het eerste lid. Een ouder met een partner die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming, indien de partner in een lidstaat woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht dan wel als hij een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.
|
||||
**3.** Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak, indien ook de partner een persoon is als bedoeld in het eerste lid. Een ouder met een partner die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in een lidstaat woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland arbeid verricht dan wel als hij een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, d, e, h of i.
|
||||
|
||||
**4.** In het geval de partner een bloed- of aanverwant is van de ouder in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan heeft de ouder aanspraak als ware hij zonder partner.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van deze wet wordt met inkomen uit werk en woning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijkgesteld een daarmee overeenkomend inkomen dat niet tot het verzamelinkomen van de ouder behoort omdat het niet behoort tot het Nederlands inkomen als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of is vrijgesteld op grond van bepalingen van internationaal recht.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van deze wet wordt met inkomen uit werk en woning als bedoeld in het eerste lid, onder a, gelijkgesteld, een daarmee overeenkomend inkomen dat in het buitenland is belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht.
|
||||
|
||||
**6.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
**5.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk is afhankelijk van:
|
||||
De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:
|
||||
|
||||
a. het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner, en
|
||||
a. de draagkracht, en
|
||||
b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
|
||||
|
||||
1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het tegemoetkomingsjaar,
|
||||
|
|
@ -161,134 +129,89 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
|
|||
|
||||
**3.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
**4.** De tegemoetkoming van het Rijk bedraagt per kind voor een ouder met een partner ten hoogste twee derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid. De uurprijs die bij de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in de eerste volzin, in aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven. Dat bedrag kan per soort kinderopvang verschillend worden vastgesteld en kan voor kinderopvang die plaatsvindt in landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie dan wel geen partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte lager worden vastgesteld.
|
||||
**4.** De kinderopvangtoeslag bedraagt per kind voor een ouder met een partner ten hoogste twee derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid. De uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de eerste volzin, in aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven. Dat bedrag kan per soort kinderopvang verschillend worden vastgesteld en kan voor kinderopvang die plaatsvindt in landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie dan wel geen partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte lager worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Voor een ouder zonder partner bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk per kind ten hoogste vijf zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid. Het vierde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Voor een ouder zonder partner bedraagt de hoogte van de kinderopvangtoeslag per kind ten hoogste vijf zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid. Het vierde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** De bedragen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, en de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de tegemoetkoming, worden per 1 januari van ieder kalenderjaar bij regeling van Onze Minister herzien aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
|
||||
**6.** De bedragen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, en de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, worden per 1 januari van ieder kalenderjaar bij regeling van Onze Minister herzien aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.
|
||||
|
||||
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de tegemoetkoming van het Rijk, waarbij tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de tegemoetkoming van het Rijk kan worden afgelezen.
|
||||
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het toetsingsinkomen is:
|
||||
|
||||
a. indien over het tegemoetkomingsjaar een aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat in die aanslag is opgenomen;
|
||||
b. indien over het tegemoetkomingsjaar geen aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval er inkomen is dat niet of niet volledig in een verzamelinkomen of belastbaar loon als bedoeld in het eerste lid is begrepen, bepaalt de inspecteur, in afwijking van dat lid, gelijktijdig met de vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk het toetsingsinkomen, als ware dat inkomen aan de Nederlandse inkomstenbelasting of loonbelasting onderworpen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** De inspecteur verleent de tegemoetkoming van het Rijk en stelt deze vast.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag van een tegemoetkoming van het Rijk wordt door de ouder ingediend bij de inspecteur.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door die partner.
|
||||
|
||||
**4.** De ouder doet bij de aanvraag zo mogelijk opgave van zijn sociaal-fiscaalnummer en dat van zijn partner en van het kind waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming van het Rijk over een tegemoetkomingsjaar wordt gedaan vóór 1 december van dat tegemoetkomingsjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een beschikking tot verlening van een tegemoetkoming wordt gegeven, wordt tevens een beschikking tot voorschotverlening gegeven.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk over een tegemoetkomingsjaar wordt gedaan vóór 1 april van het jaar volgend op dat tegemoetkomingsjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Indien vóór de in het eerste lid genoemde datum de ouder of diens partner uitgenodigd is om over het tegemoetkomingsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen, wordt, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag tot vaststelling gedaan uiterlijk op de dag waarop die aangifte moet zijn ingediend. Zijn zowel de ouder als zijn partner uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen, dan wordt de aanvraag tot vaststelling gedaan uiterlijk op de dag waarop de laatste aangifte moet zijn ingediend.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens het vermoeden rechtvaardigen dat de uitbetaalde voorschotten de vast te stellen tegemoetkoming te boven zullen gaan, worden bij beschikking van de inspecteur de voorschotten teruggevorderd voor zover dit het geval is.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens het vermoeden rechtvaardigen dat de vast te stellen tegemoetkoming de uitbetaalde voorschotten te boven zal gaan, wordt bij beschikking van de inspecteur het meerdere als voorschot toegekend en in een keer uitbetaald.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
Indien een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming niet is voorafgegaan door een aanvraag tot verlening, kan voorafgaand aan de vaststelling een beschikking omtrent verlening worden gegeven.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De inspecteur beslist op de aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk:
|
||||
|
||||
a. indien voor zowel de ouder als diens partner een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld: binnen acht weken na de dag van dagtekening van het laatste aanslagbiljet inkomstenbelasting over het tegemoetkomingsjaar;
|
||||
b. indien noch voor de ouder noch voor diens partner een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld: vóór 1 december van het jaar volgend op het tegemoetkomingsjaar;
|
||||
c. in andere gevallen dan bedoeld onder a en b: vóór 1 december van het jaar volgend op het tegemoetkomingsjaar, of binnen acht weken na de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet inkomstenbelasting over het tegemoetkomingsjaar, indien de laatste dag van die periode van acht weken is gelegen na die datum.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet binnen de in dat lid genoemde termijn van acht weken kan worden gegeven, kan de inspecteur deze termijn met een door hem te bepalen redelijke termijn verlengen. De inspecteur stelt de ouder daarvan in kennis.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Over de op grond van de vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk uit te betalen bedragen onderscheidenlijk terug te betalen voorschotten wordt rente vergoed onderscheidenlijk geheven.
|
||||
|
||||
**2.** De rente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 januari van het jaar volgend op het tegemoetkomingsjaar en eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
**3.** Het percentage van de rente is gelijk aan het percentage, bedoeld in artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Indien na een eerste of nadere vaststelling van het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964 of het inkomen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, blijkt dat de tegemoetkoming van het Rijk tot een te laag of te hoog bedrag is vastgesteld, wijzigt de inspecteur die tegemoetkoming met inachtneming van die vaststelling.
|
||||
|
||||
**2.** De beschikking tot wijziging van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de eerste of nadere vaststelling van het in het eerste lid bedoelde verzamelinkomen of inkomen onherroepelijk is geworden dan wel de herziene jaaropgaaf bij de inspecteur bekend is geworden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de beschikking tot wijziging van de tegemoetkoming niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan de inspecteur deze termijn met een door hem te bepalen redelijke termijn verlengen. De inspecteur stelt de ouder daarvan in kennis.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar tegen een ingevolge deze wet genomen beschikking van de inspecteur aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van beroep tegen een uitspraak van de inspecteur aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het besluit waarbij de beslissing op het bezwaar is genomen, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
De inspecteur en de ontvanger maken zo mogelijk van het sociaal-fiscaalnummer gebruik met betrekking tot uitvoering van deze wet.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** De ouder verstrekt desgevraagd aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn.
|
||||
|
||||
**2.** De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt binnen een door de inspecteur te stellen redelijke termijn.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** De inspecteur van de rijksbelastingdienst die bevoegd is voor de heffing van de inkomstenbelasting of loonbelasting van de ouder of diens partner, verstrekt uit eigen beweging aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor de verlening of de vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk, zo mogelijk voorzien van het sociaal-fiscaalnummer van degene op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
**2.** De houder, het college van burgemeester en wethouders, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, alsmede degene die een ouder of zijn partner in het kader van het verrichten van tegenwoordige arbeid een beloning verstrekt, verstrekken desgevraagd, zo mogelijk onder vermelding van de desbetreffende sociaal-fiscale nummers, kosteloos, aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen nodig voor de vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk.
|
||||
|
||||
**3.** De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt binnen een bij het verzoek daartoe, door de inspecteur te stellen redelijke termijn.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Tegemoetkoning van de gemeente
|
||||
### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een ouder heeft in een tegemoetkomingsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente:
|
||||
Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente:
|
||||
|
||||
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en met f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand, de artikelen 12 of 14, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder g, j, k of l;
|
||||
b. voor zover de ouder en zijn partner in dat jaar personen zijn als bedoeld onder a;
|
||||
c. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a en de ander een persoon als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a;
|
||||
d. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a en de ander een persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a.
|
||||
|
||||
**2.** Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een tegemoetkomingsjaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of voor zover de ouder en zijn partner in dat jaar personen zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand.
|
||||
**2.** Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of voor zover de ouder en zijn partner in dat jaar personen zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand.
|
||||
|
||||
**3.** De aanspraak bestaat jegens de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**4.** Een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming, indien hij geen partner heeft.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
|
@ -299,17 +222,17 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, e of f, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, e of f, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
|
||||
b. voor een ouder als bedoeld in 22, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, d, g, j, k of l, een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, c of d, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, e of f, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, c of d, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, e of f, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
|
||||
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, a, c of d, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, g, j, k of l, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn partner als bedoeld in artikel 22, tweede lid, een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**3.** De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn partner als bedoeld in artikel 22, tweede lid, een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 30, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder a, en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 30, tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -339,13 +262,13 @@ Het college van burgemeester en wethouders maakt zo mogelijk van het sociaal-fis
|
|||
|
||||
**4.** De houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Tegemoetkoning van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
|
||||
### Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een ouder heeft in een tegemoetkomingsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
|
||||
Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
|
||||
|
||||
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 14, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of op grond van artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij arbeidsinschakeling;
|
||||
b. voor zover de ouder en zijn partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a;
|
||||
|
|
@ -354,13 +277,11 @@ d. voor zover het gevallen betreft, waarin ofwel de ouder ofwel zijn partner in
|
|||
|
||||
**2.** Een persoon als bedoeld in het eerste lid onder a heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming indien hij geen partner heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**1.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in artikel 29, eerste lid, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan tegemoetkomingen van het Rijk en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**2.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in artikel 29, eerste lid, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 24, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a.
|
||||
|
||||
|
|
@ -388,7 +309,7 @@ Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen maakt zo mogelijk van het socia
|
|||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming.
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -398,7 +319,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
|
|||
|
||||
**2.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 14, vierde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van artikel 29, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 30 is van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn van de ouder, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op een tegemoetkoming van het Rijk, voor zover hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van artikel 6.
|
||||
**3.** Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op een kinderopvangtoeslag, voor zover hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van artikel 6.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de maximale duur van aanspraken, verleend op grond van het eerste of tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -406,25 +327,11 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
|
|||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
**1.** Bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet verschuldigd aan het Rijk worden ingevorderd door de ontvanger.
|
||||
|
||||
**2.** Een bedrag verschuldigd aan het Rijk is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van de beschikking, bedoeld in artikel 11, derde lid, en de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is een bedrag verschuldigd aan het Rijk, dat voortvloeit uit een beschikking waarbij de vaststelling van de tegemoetkoming wordt gewijzigd, invorderbaar één maand na dagtekening van de beschikking.
|
||||
|
||||
**4.** De invordering geschiedt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 7, 17, 19, 2425, 28 en 29 van de Invorderingswet 1990.
|
||||
|
||||
**5.** De kosten van invordering worden berekend op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
**1.** Naast de bevoegdheden die de ontvanger ter zake van invorderingen heeft ingevolge deze wet, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling.
|
||||
|
||||
**2.** Als de ouder of diens partner in gebreke blijft een door hem verschuldigd bedrag te voldoen binnen de termijn, bedoeld in artikel 36, tweede lid, zendt de ontvanger hem een aanmaning om binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning, het verschuldigde bedrag te voldoen.
|
||||
|
||||
**3.** Als de ouder of diens partner ook na aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de kosten van aanmaning en invordering, zonder rechterlijke tussenkomst geschieden bij dwangbevel.
|
||||
|
||||
**4.** De betekening en tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Invorderingswet 1990 met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
|
|
@ -440,30 +347,30 @@ Op de invordering van bedragen door een ouder of diens partner in het kader van
|
|||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
De tegemoetkomingen van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen blijven buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.
|
||||
De kinderopvangtoeslag, alsmede de tegemoetkomingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werknemersverzekeringen blijven buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De tegemoetkomingen van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft de inning van:
|
||||
De tegemoetkomingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft de inning van:
|
||||
|
||||
a. vorderingen van houders of gastouders ter zake van verleende kinderopvang;
|
||||
b. vorderingen van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voortvloeiend uit deze wet.
|
||||
b. vorderingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
**2.** Elk beding dat strijdt met het eerste lid, is nietig.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld omtrent door het college van burgemeester en wethouders of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te verstrekken inlichtingen en gegevens die van belang zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit hoofdstuk met naar aard en strekking daarmee overeenkomende tegemoetkomingen op grond van wetgeving van een andere mogendheid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
De ouder en zijn partner, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn van de ouder, zijn ten aanzien van schulden voortvloeiend uit deze wet, hoofdelijk aansprakelijk.
|
||||
De ouder en zijn partner zijn ten aanzien van schulden voortvloeiend uit vorderingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge deze wet, hoofdelijk aansprakelijk.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Kwaliteit
|
||||
|
||||
|
|
@ -717,9 +624,7 @@ Onze Minister stelt jaarlijks een verslag vast van de werkzaamheden die hij in h
|
|||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
**1.** Met de opsporing van de feiten omschreven in de artikelen 225 tot en met 227b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het feit voor de toepassing van deze wet van belang is, zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Minister van Financiën, Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
|
||||
|
||||
**2.** Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
|
||||
|
||||
|
|
@ -769,9 +674,9 @@ b. sedert het voorleggen van de gedraging dertien weken zijn verstreken en geen
|
|||
|
||||
### Artikel 76
|
||||
|
||||
**1.** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren, nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
|
||||
**1.** De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren, nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.
|
||||
**2.** Indien tegen de door het college van burgemeester en wethouders opgelegde bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.
|
||||
|
||||
### Artikel 77
|
||||
|
||||
|
|
@ -857,21 +762,11 @@ c. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder verwijzing naar het des
|
|||
|
||||
### Artikel 84
|
||||
|
||||
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt de betaalde geldsom, vermeerderd met de wettelijke rente, binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de boete ten onrechte is vastgesteld, aan de rechthebbende terugbetaald.
|
||||
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte door het college van burgemeester en wethouders is opgelegd, wordt de betaalde geldsom, vermeerderd met de wettelijke rente, binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de boete ten onrechte is vastgesteld, aan de rechthebbende terugbetaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 85
|
||||
|
||||
**1.** Indien de ouder die op grond van artikel 20, eerste lid, of de houder, dan wel degene die een ouder of zijn partner in het kader van tegenwoordige arbeid een beloning verstrekt op grond van artikel 21, tweede lid, gehouden is tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens, deze niet dan wel niet binnen de ingevolge de artikel 20, tweede lid, of artikel 21, derde lid, gestelde termijn verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 2500 kan opleggen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 67g, eerste tot en met derde lid, 67i, 67j, 67l, 67m, 67o en 67p van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «belastingplichtige» en «inhoudingsplichtige» wordt gelezen «degene die gehouden is tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens».
|
||||
|
||||
**3.** Indien het aan opzet of grove schuld van de ouder, de houder, dan wel degene die een ouder of zijn partner in het kader van tegenwoordige arbeid een beloning verstrekt te wijten is dat de inlichtingen of gegevens, bedoeld in artikel 20 of artikel 21, tweede of derde lid, niet, dan wel onjuist of onvolledig zijn verstrekt, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5000 kan opleggen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid is Hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, paragraaf 1, met uitzondering van de artikelen 67g, vierde lid, en 67h, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «belastingplichtige» en «inhoudingsplichtige» wordt gelezen «degene die gehouden is tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens».
|
||||
|
||||
**5.** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van het eerste lid vervalt vijf jaren na de dag waarop de in dat lid bedoelde inlichtingen of gegevens verstrekt hadden moeten zijn.
|
||||
|
||||
**6.** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van het derde lid vervalt vijf jaren na de dag waarop de in dat lid bedoelde inlichtingen of gegevens verstrekt hadden moeten zijn onderscheidenlijk vijf jaren na de dag waarop de inlichtingen of gegevens onjuist of onvolledig zijn verstrekt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 86
|
||||
|
||||
|
|
@ -890,12 +785,12 @@ Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier
|
|||
|
||||
a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van kinderopvang;
|
||||
b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
|
||||
c. de hoogte van de tegemoetkoming van het Rijk, van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
|
||||
c. de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de hoogte van de tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
|
||||
d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.
|
||||
|
||||
Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1, eerste lid, onder c en e, artikel 7, hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 48, alsmede van hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, hoofdstuk 5, paragraaf 2, en van de artikelen 94, 95 en 96.
|
||||
|
||||
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens het Rijk, jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
|
||||
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -937,22 +832,22 @@ De verplichting van artikel 59 geldt voor een houder die op het tijdstip van inw
|
|||
|
||||
### Artikel 94
|
||||
|
||||
**1.** Indien de ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a of b, heeft de ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner in aanvulling op de in hoofdstuk 2, paragraaf 2, bedoelde tegemoetkoming aanspraak op een extra tegemoetkoming van het Rijk gedurende vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
|
||||
**1.** Indien de ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a of b, heeft de ouder en, indien hij een partner heeft, zijn partner in aanvulling op de in hoofdstuk 2, paragraaf 2, bedoelde kinderopvangtoeslag aanspraak op een extra kinderopvangtoeslag gedurende vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De hoogte van de extra tegemoetkoming van het Rijk is bovendien afhankelijk van:
|
||||
De hoogte van de extra kinderopvangtoeslag is bovendien afhankelijk van:
|
||||
|
||||
a. de bijdragen in de kosten van kinderopvang die de ouder en zijn partner per kind kunnen ontvangen in het kader van het verrichten van tegenwoordige arbeid, met dien verstande dat die bijdragen slechts in aanmerking worden genomen, voor zover het totaal ervan een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet te boven gaat, of
|
||||
b. de bijdrage in de kosten van kinderopvang die de ouder zonder partner per kind kan ontvangen in het kader van het verrichten van tegenwoordige arbeid, met dien verstande dat die bijdrage slechts in aanmerking wordt genomen, voor zover het totaal ervan een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid, niet te boven gaat.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de in het eerste lid genoemde periode van vier jaar regels gesteld over de duur en de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te geven inkomensgroepen.
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de in het eerste lid genoemde periode van vier jaar regels gesteld over de duur en de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te geven inkomensgroepen.
|
||||
|
||||
### Artikel 95
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De extra tegemoetkoming van het Rijk, bedoeld in artikel 94, wordt gedurende vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verhoogd, voor zover de kinderopvang in de maand voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet:
|
||||
De extra kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 94, wordt gedurende vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verhoogd, voor zover de kinderopvang in de maand voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet:
|
||||
|
||||
a. is bekostigd door de gemeente op grond van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders, of
|
||||
b. is bekostigd door de gemeente op grond van een verordening en door een bijdrage van de ouder of zijn partner, gebaseerd op een door de gemeente gehanteerde bijdragetabel.
|
||||
|
|
@ -965,7 +860,7 @@ b. is bekostigd door de gemeente op grond van een verordening en door een bijdra
|
|||
|
||||
### Artikel 96
|
||||
|
||||
Bij toepassing van artikel 94 of 95 zijn de artikelen 7 tot en met 21 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Bij toepassing van artikel 94 of 95 is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 97
|
||||
|
||||
|
|
@ -1015,7 +910,7 @@ Wijzigt de Wet op de economische delicten.
|
|||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
Wijzigt deze wet.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 109
|
||||
|
||||
|
|
@ -1037,7 +932,7 @@ Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzek
|
|||
|
||||
### Artikel 113
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Financiën, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college en burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
|
||||
**1.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1045,7 +940,7 @@ Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzek
|
|||
|
||||
### Artikel 114
|
||||
|
||||
De voordracht voor een krachtens artikel 7, derde, vierde, zesde en zevende lid, 18, 94, derde lid, 95, vierde lid en 96, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
De voordracht voor een krachtens artikel 7, derde, vierde, zesde en zevende lid, 94, derde lid, 95, vierde lid en 96, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 115
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue