diff --git a/amvb/inkomensbesluit-volksverzekeringen-en-sociale-voorzieningen/BWBR0029368/README.md b/amvb/inkomensbesluit-volksverzekeringen-en-sociale-voorzieningen/BWBR0029368/README.md index 6ebadb84b25..398a8514631 100644 --- a/amvb/inkomensbesluit-volksverzekeringen-en-sociale-voorzieningen/BWBR0029368/README.md +++ b/amvb/inkomensbesluit-volksverzekeringen-en-sociale-voorzieningen/BWBR0029368/README.md @@ -1,14 +1,14 @@ --- -titel: Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen +titel: Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten bwb_id: BWBR0029368 type: AMvB status: geldend datum_inwerkingtreding: '2010-12-30' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0029368 -citeertitel: Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen +citeertitel: Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten --- -# Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen +# Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten ## Hoofdstuk 1. Algemeen @@ -20,13 +20,15 @@ In dit besluit wordt verstaan onder: - *aangiftetijdvak:* het tijdvak van vier weken dan wel een maand waarop de aangifte op basis waarvan de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking heeft; - *college:* college van burgemeester en wethouders; +- *loondoorbetaling:* doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, doorbetaling van bezoldiging op grond van artikel 76a van de Ziektewet of loondoorbetaling of bezoldiging die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; - *stamrecht:* recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon; - *SVB:* Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; -- *uitkeringsgerechtigde:* de persoon die recht heeft op een uitkering of toeslag op grond van een wet als bedoeld in artikel 2:1; +- *uitkeringsgerechtigde:* de persoon die recht heeft op een uitkering, toeslag of inkomensvoorziening op grond van een wet als bedoeld in de artikelen 2:1 en 3:1; +- *UWV:* Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; - *verlof:* een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg; - *werknemersverzekering:* werknemersverzekering, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen. -**2.** In geval van toepassing van dit besluit voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 12 van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt onder uitkeringsgerechtigde mede verstaan de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het eerste lid. +**2.** In geval van toepassing van dit besluit voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 12 van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt onder uitkeringsgerechtigde mede verstaan de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het eerste lid. **3.** In geval van toepassing van dit besluit voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, en 11 van de Algemene Ouderdomswet, wordt, in afwijking van het eerste lid, onder uitkeringsgerechtigde verstaan de echtgenoot van de pensioengerechtigde. @@ -36,7 +38,7 @@ In dit besluit wordt verstaan onder: ### Artikel 2:1 -Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. +Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. ### Artikel 2:2 @@ -44,7 +46,7 @@ Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Alg Onder inkomen uit arbeid wordt verstaan: -a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen uit arbeid worden gerekend uitkeringen op grond van een werknemersverzekering, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of stond; +a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen uit arbeid worden gerekend uitkeringen op grond van een werknemersverzekering, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of stond; b. het loon, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13 van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de uitkeringsgerechtigde niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen uit arbeid worden gerekend: 1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten; @@ -57,7 +59,7 @@ f. een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdelen e tot en met g, **2.** Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld. -**3.** Indien geen recht op doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of de doorbetaling van bezoldiging op grond van artikel 76a van de Ziektewet bestaat door toepassing van artikel 629, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 76b, eerste tot en met het derde lid, van de Ziektewet, dan wel de betaling daarvan geheel of gedeeltelijk is opgeschort door toepassing van artikel 629, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van dit artikel het loon of de bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel recht op doorbetaling en ware deze niet geheel of gedeeltelijk opgeschort. +**3.** Indien geen recht op loondoorbetaling bestaat door toepassing van artikel 629, derde of negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 76b, eerste tot en met het derde lid, van de Ziektewet, dan wel de betaling daarvan geheel of gedeeltelijk is opgeschort door toepassing van artikel 629, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van dit artikel het loon of de bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel recht op doorbetaling en ware deze niet geheel of gedeeltelijk opgeschort. ### Artikel 2:3 @@ -113,9 +115,11 @@ c. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een **4.** In afwijking van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel a, wordt onder overig inkomen mede verstaan een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, indien het recht op die uitkering is ontstaan omdat recht op een uitkering als bedoeld in het eerste lid bestond. +**5.** Indien een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet geheel of gedeeltelijk is geëindigd omdat de uitkeringsgerechtigde minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren wordt die uitkering in aanmerking genomen alsof die eindiging niet heeft plaatsgevonden. + ### Artikel 2:5 -**1.** In afwijking van de artikelen 2:2, 2:3 en 2:4 wordt vakantiebijslag of een vakantiebon niet als inkomen uit arbeid of als overig inkomen beschouwd. +**1.** In afwijking van de artikelen 2:2, 2:3 en 2:4 wordt vakantiebijslag, vakantiebon of een aanspraak die naar aard en strekking daarmee overeenkomt niet als inkomen uit arbeid of als overig inkomen beschouwd. **2.** @@ -142,7 +146,7 @@ b. in afwijking van artikel 2:4, eerste lid, onderdelen m, o en q: 1°. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen, die ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten en het loon, bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel q, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid; en 2°. een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel m, en een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel m, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid, met dien verstande dat een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen niet wordt aangemerkt als inkomen; en -c. de artikelen 2:2, derde lid, 2:3, eerste lid, onderdeel d, en 2:4, derde lid, niet van toepassing zijn. +c. de artikelen 2:2, derde lid, 2:3, eerste lid, onderdeel d, en 2:4, derde en vijfde lid, niet van toepassing zijn. **2.** @@ -171,7 +175,7 @@ b. indien de pensioengerechtigde en zijn echtgenoot samenwerken in de uitoefenin X staat voor het loon van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de echtgenoot, en Y staat voor het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de pensioengerechtigde; en -c. de artikelen 2:2, derde lid, 2:3, eerste lid, onderdeel d, en 2:4, derde lid, niet van toepassing zijn. +c. de artikelen 2:2, derde lid, 2:3, eerste lid, onderdeel d, en 2:4, derde en vijfde lid, niet van toepassing zijn. **2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, en artikel 1.1, tweede lid, wordt voor het bepalen van het gezamenlijke inkomen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet een uitkering van een pensioengerechtigde die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel K, aangemerkt als overig inkomen. @@ -210,29 +214,253 @@ Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet in a. in afwijking van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, belastbare winst uit onderneming niet tot het inkomen wordt gerekend; en b. artikel 2:8, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, en het derde lid, van overeenkomstige toepassing zijn. +### Artikel 2:10 + +Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Toeslagenwet geldt in afwijking van de artikelen 2:2, eerste lid, onderdeel a, en 2:4, eerste lid, onderdelen l en o, dat: + +a. loondoorbetaling wordt aangemerkt als overig inkomen; +b. niet als inkomen wordt aangemerkt een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel l, of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; en +c. indien op grond van artikel 7, eerste lid, van de Toeslagenwet van het inkomen uit arbeid een gedeelte is vrijgelaten, de op dat inkomen betrekking hebbende uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die uitkeringen als inkomen uit arbeid worden beschouwd. + +### Artikel 2:11 + +Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen geldt in afwijking van artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h tot en met l en o, dat niet als overig inkomen wordt aangemerkt: + +a. een uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h tot en met l; of +b. een uitkering of toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering of toeslag als bedoeld in onderdeel a. + ## Hoofdstuk 3. Werknemersverzekeringen en +### Paragraaf 1. Algemeen + +### Artikel 3:1 + +Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Werkloosheidswet, hoofdstuk 2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet. + +### Artikel 3:2 + +**1.** + +Onder inkomen wordt verstaan: + +a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend: + +1°. uitkeringen op grond van een werknemersverzekering, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat; +2°. hetgeen wordt genoten op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstige regelingen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat; +b. het loon, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de uitkeringsgerechtigde niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend: + +1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten; +2°. een vergoeding voor de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet; +3°. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964; +c. het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet, voor zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de onderdelen a en b; +d. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst; +e. een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg aan de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onder a en b, van die wet. + +**2.** Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld. + +**3.** + +Voor zover de uitkeringsgerechtigde op de dag voorafgaand aan: + +a. de dag waarop het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan; of +b. de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Ziektewet, ingeval de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet; + +inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet is ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen voor de uitkering op grond van de Werkloosheidswet respectievelijk Ziektewet. + +**4.** Voor zover de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, inkomen ontvangt als bedoeld in eerste lid, onderdelen b tot en met d, uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op uitkering is ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen voor de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. + +**5.** + +Voor zover een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet: + +a. op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Ziektewet, recht had op een uitkering op grond van de artikelen 3:7, 3:8, 3:9 of 3:10 van de Wet arbeid en zorg; en +b. op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg is ontstaan inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontvangt uit een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit het recht op hiervoor genoemde uitkering op grond van de Ziektewet is ontstaan; + +wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen. + +**6.** + +Voor zover een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet: + +a. op de dag voorafgaand aan de dag waarop het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan recht had op een uitkering op grond van de artikelen 3:7, 3:8, 3:9 of 3:10 van de Wet arbeid en zorg; en +b. op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg is ontstaan inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontvangt uit een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit het recht op hiervoor genoemde uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan; + +wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen. + +**7.** Indien een uitkeringsgerechtigde inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit dezelfde werkzaamheden als de werkzaamheden waaruit een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of recht op loondoorbetaling bestaat, wordt dat inkomen uitsluitend in aanmerking genomen voor die uitkering of loondoorbetaling. + +**8.** + +Indien een uitkeringsgerechtigde recht heeft op: + +a. twee uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet en loondoorbetaling; +b. recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; of +c. recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of loondoorbetaling; + +en daarnaast inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit werkzaamheden die zijn aangevangen nadat het eerste recht op uitkering of loondoorbetaling is ontstaan, uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan en voordat het tweede recht op uitkering of loondoorbetaling is ontstaan, wordt dat inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering of loondoorbetaling waarvan het recht als eerste is ontstaan. + +**9.** + +Indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op: + +a. twee uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet en loondoorbetaling; of +b. een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of loondoorbetaling en een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; + +en daarna inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan, dan wordt dat inkomen pro rato in aanmerking genomen voor de twee uitkeringen of loondoorbetalingen. + +**10.** Indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of de Werkloosheidswet of loondoorbetaling en een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en daarna inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan, wordt dat inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering of loondoorbetaling waarvan het recht als tweede is ontstaan. + +**11.** Voor de toepassing van het zevende, het achtste lid en het tiende lid geldt dat, indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid, meer bedraagt dan het dagloon op grond waarvan de uitkering waarvoor dat inkomen in aanmerking is genomen, wordt berekend, wordt dat meerdere in aanmerking genomen voor de andere uitkering. + +**12.** Indien de uitkeringsgerechtigde waarop het zevende, achtste, negende, of tiende lid van toepassing is met verlof gaat of recht ontstaat op een uitkering die voorafgaat aan een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening of het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, wordt voor de toepassing van het zevende, achtste, negende, tiende of elfde lid het inkomen dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin het verlof aanving respectievelijk het recht op die uitkering ontstond aangemerkt als inkomen als bedoeld in het eerste lid. + +### Artikel 3:3 + +**1.** + +Ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet recht ontstaat op: + +a. loondoorbetaling; +b. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; +c. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; +d. een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in het vierde lid, + +wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op die loon, bezoldiging respectievelijk uitkering. + +**2.** + +Ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen recht bestaat op: + +a. loondoorbetaling; +b. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; +c. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; +d. een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met: + +1° uitkering als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a; of +2° uitkering als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, + +wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op die loon, bezoldiging respectievelijk uitkering. + +**3.** Indien de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet met verlof gaat of indien de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen met verlof is, wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin het verlof aanving. + +**4.** + +Ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet, recht ontstaat op: + +a. een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet; of +b. een uitkering op grond van hoofdstuk II of III van de Werkloosheidswet; wordt tevens onder inkomen verstaan het dagloon op grond waarvan de uitkering, bedoeld in onderdeel a of b, wordt berekend. + +**5.** + +Indien voor de uitkeringsgerechtigde naast recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen recht bestaat op: + +a. een uitkering op grond artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet; of +b. een uitkering op grond van hoofdstuk II of III van de Werkloosheidswet; + +wordt tevens onder inkomen verstaan het dagloon op grond waarvan de uitkering, bedoeld in onderdeel a of b, wordt berekend. + +**6.** Artikel 3:3, eerste, derde en vierde lid, is uitsluitend van toepassing indien het recht op de daargenoemde uitkering, bezoldiging of loon is ontstaan uit hoofde van werkzaamheden die zijn gestart nadat een eerder recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet is ontstaan. + +**7.** Voor zover de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, recht heeft op een uitkering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt die uitkering niet aangemerkt als inkomen. + +**8.** Indien geen recht op loondoorbetaling bestaat door toepassing van artikel 629, derde of negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 76b, eerste tot en met het derde lid, van de Ziektewet, of op gronden die naar aard en strekking daarmee overeenkomen, wordt voor de toepassing van dit artikel het loon of bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel recht op doorbetaling. + +**9.** Indien de uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd omdat de uitkeringsgerechtigde niet beschikbaar is voor arbeid, wordt die uitkering in aanmerking genomen alsof die eindiging niet heeft plaatsgevonden. + +**10.** Na het bepalen van het inkomen op grond van het vierde en vijfde lid wordt voor de toepassing van die leden het dagloon niet herzien als bedoeld in de artikelen 16 van de Ziektewet of 46 van de Werkloosheidswet. + +**11.** Voor de toepassing van het eerste, tweede of derde lid wordt bij een per aangiftetijdvak wisselend inkomen in afwijking van het eerste, tweede of derde lid als inkomen aangemerkt het gemiddelde van het inkomen in de drie aangiftetijdvakken voor het aangiftetijdvak waarin het recht ontstond op de doorbetaling van loon, bezoldiging of uitkering, bedoeld in het eerste respectievelijk het tweede lid, of het verlof, bedoeld in het derde lid, aanving. + +### Paragraaf 2. Uitzonderingen + +### Artikel 3:4 + +**1.** Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 52, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt dat het loon dat door de werkgever wordt betaald niet als inkomen wordt aangemerkt, indien sprake is van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van die wet. + +**2.** + +Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 60, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt dat: + +a. indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet, artikel 3:2, zevende, achtste of tiende lid, uitsluitend van toepassing is indien de dienstbetrekking voortduurt op grond waarvan het recht op uitkering ontstond; +b. indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, artikel 3:2, zevende, achtste of tiende lid, uitsluitend van toepassing is indien het een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet betreft of een uitkering wegens werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend; +c. artikel 3:3, tweede lid, onderdeel d, onder 1°, uitsluitend van toepassing is indien de dienstbetrekking voortduurt op grond waarvan het recht op uitkering ontstond; +d. artikel 3:3, tweede lid, onderdeel d, onder 2°, uitsluitend van toepassing is indien het een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet betreft; +e. artikel 3:3, derde lid, uitsluitend van toepassing is, indien: + +1°. het verlof als bedoeld in de Wet arbeid en zorg betreft; of +2°. de uitkeringsgerechtigde tijdens het verlof een uitkering op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 ontvangt; +f. artikel 3:3, vijfde lid, onderdeel a, uitsluitend van toepassing is, indien de dienstbetrekking voortduurt op grond waarvan het recht op uitkering ontstond; +g. artikel 3:3, vijfde lid, onderdeel b, uitsluitend van toepassing is indien het een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet betreft of een uitkering wegens werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend. + +### Artikel 3:5 + +**1.** + +Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 34 van de Werkloosheidswet, zijn de artikelen 3:2 en 3:3 niet van toepassing en wordt tot het inkomen gerekend: + +a. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, danwel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de leeftijd van 65 jaar; +b. een uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers; +c. loon uit dienstbetrekking dat de uitkeringsgerechtigde geniet zonder hiervoor te werken; en +d. een wettelijke buitenlandse uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. + +**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt niet tot het inkomen gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde wordt ontvangen en die betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen op enig moment naast elkaar werden vervuld. + +**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt niet tot het inkomen gerekend de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. + +**4.** + +De uitkering of het loon bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, wordt niet tot het inkomen gerekend indien zij: + +a. door de uitkeringsgerechtigde reeds voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden; of +b. door de uitkeringsgerechtigde na het intreden van de werkloosheid wordt ontvangen en zij betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld. + +**5.** Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 34 van de Werkloosheidswet, geldt ingeval van een werknemer die wegens eindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen ontvangt, dat de uitkering per dag niet hoger wordt gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen. + +**6.** Voor de toepassing van het vijfde lid wordt het dagloon, zoals dat is of zou zijn vastgesteld op de eerste dag waarop ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor zoveel nodig herzien overeenkomstig artikel 46 van de Werkloosheidswet. + +**7.** In afwijking van de artikelen 3:2 en 3:3 wordt voor de toepassing van artikel 35aa, eerste lid, onderdeel a, onder inkomen uitsluitend verstaan hetgeen onder inkomen wordt verstaan op grond van artikel 3:2, eerste lid, onderdelen c, d en e. + +**8.** + +Voor het bepalen van het inkomen als bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet geldt in afwijking van artikel 3:3, eerste lid, onderdelen c en d, en vierde lid, onderdeel b, dat: + +a. artikel 3:3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing is; +b. artikel 3:3, vierde lid, onderdeel b, uitsluitend van toepassing is voor zover het een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet of een uitkering wegens werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, betreft; en +d. artikel 3:3, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, uitsluitend van toepassing is voor zover het een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet of een uitkering wegens werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, betreft. + +### Artikel 3:6 + +Voor het bepalen van het inkomen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten geldt dat: + +a. de artikelen 2:2, derde lid, 2:4, derde lid, 2:5 en 3:3, achtste en negende lid, van overeenkomstige toepassing zijn; +b. in afwijking van artikel 3:2, eerste lid, onder inkomen wordt verstaan: + +1°. een uitkering op grond van een werknemersverzekering; +2°. hetgeen wordt genoten op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstige regelingen; of +3°. hetgeen wordt genoten op grond van een wettelijke regeling die naar aard en strekking overeenkomt met de uitkering of loon, bedoeld onder 1° en 2°; en +c. tevens onder inkomen wordt verstaan een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. + ## Hoofdstuk 4. Bepaling van het inkomen ### Artikel 4:1 -**1.** Het inkomen, met uitzondering van het inkomen voor de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand. +**1.** Het inkomen, met uitzondering van het inkomen voor de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Toeslagenwet, de Ziektewet en artikel 2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand. -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de kalendermaand gesteld op 21,75 dagen. De kalenderweek wordt gesteld op vijf dagen. +**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de kalendermaand gesteld op 21,75 dagen. De kalenderweek wordt gesteld op vijf dagen. Het boek- of kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen. **3.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. **4.** Bij de toepassing van het eerste lid worden betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat. -**5.** Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. +**5.** Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, en 3:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. -**6.** Bij een per kalendermaand wisselend inkomen kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalendermaand worden bepaald, waarna per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening plaatsvindt. +**6.** De SVB of het UWV kunnen op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalendermaand bepalen, waarna per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening plaatsvindt en het gemiddeld inkomen per periode kan worden toegerekend aan maanden in die periode. -**7.** De SVB kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft. +**7.** De SVB of het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft. -**8.** De SVB kan bij de vaststelling van het inkomen artikel 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen overeenkomstig toepassen ten aanzien van loon dat het karakter heeft van een extra periodiek salaris, waarbij in plaats van een refertejaar, kalendermaand wordt gelezen. +**8.** De SVB of het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen artikel 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen overeenkomstig toepassen ten aanzien van loon dat het karakter heeft van een extra periodiek salaris of vakantiebijslag, waarbij in plaats van een refertejaar, aangiftetijdvak wordt gelezen. -**9.** Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB het inkomen op een andere wijze. +**9.** Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze. ### Artikel 4:2 @@ -244,6 +472,44 @@ c. indien aannemelijk is dat een inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt d. indien winst als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, wordt genoten, het daaruit voortvloeiende inkomensbestanddeel per maand vastgesteld wordt op 1/12 van de winst, genoten over het kalenderjaar of het niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, voorafgaand aan de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt; en e. indien de toepassing van de onderdelen a tot en met d gelet op het tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, het college bepaalt op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden betrekking te hebben en hoe dit geacht moet worden over deze periode te zijn verdeeld. +### Artikel 4:2a + +**1.** + +Voor de toepassing van artikel 35aa, eerste lid, onderdeel a, wordt, in afwijking van artikel 4:1, het inkomen: + +a. berekend op basis van de volgende formule: + +I = I1 + ((I2 x W) / 52) + +waarbij: + +I staat voor het inkomen; + +I1 staat voor het inkomen over het aanvangsjaar; + +I2 staat voor het inkomen over het jaar gelegen na het aanvangsjaar; + +W staat voor het aantal weken gelegen tussen de eerste dag van het aanvangsjaar en de dag waarop de toestemming, bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de Werkloosheidswet is verleend; +b. per maand vastgesteld op 8,33 % van het inkomen, bedoeld in onderdeel a, indien de uitkering wordt betaald per maand; +c. per week vastgesteld op 1,92 % van het inkomen, bedoeld in onderdeel a, indien de uitkering wordt betaald per week of een veelvoud daarvan. + +**2.** In dit artikel wordt onder aanvangsjaar verstaan het kalenderjaar, dan wel, indien artikel 3.66 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, het boekjaar waarin de werknemer de werkzaamheden, bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de Werkloosheidswet, is gaan verrichten. + +**3.** Voor het bepalen van I1 en I2 als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 3:2, tweede lid, niet van toepassing. + +### Artikel 4:2b + +**1.** + +In afwijking van artikel 4:1, eerste en vijfde lid, geldt dat het inkomen herleid wordt tot een bedrag per dag voor toepassing van: + +a. de Toeslagenwet; +b. de Ziektewet; en +c. artikel 2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. + +**2.** In afwijking van artikel 4:1, eerste lid, geldt dat het inkomen herleid wordt tot een bedrag per kalenderweek voor toepassing van de Werkloosheidswet, met uitzondering van artikel 35aa, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet. + ### Artikel 4:3 **1.** Indien het bij de toepassing van dit hoofdstuk noodzakelijk is om niet in euro’s uitgedrukt inkomen om te rekenen in euro’s, geschiedt dat met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen. @@ -259,30 +525,36 @@ b. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt. ### Artikel 5:1 -Wijzigt het Besluit Wfsv. +**1.** Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de artikelen 52, vierde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet wordt onder verlof als bedoeld in artikel 3:3, derde lid, tevens verstaan verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg, en wordt in afwijking van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel a, niet onder inkomen verstaan een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, indien dit verlof is aangevangen voor inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79). + +**2.** + +Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet, geldt dat indien voor de uitkeringsgerechtigde naast een uitkering op grond van de Werkloosheidswet: + +a. recht ontstaat op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of hoofdstuk II of III van de Werkloosheidswet; en +b. het recht, bedoeld onder a, is ontstaan voor de inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79); + +voor de duur van dat recht, bedoeld in onderdeel a, artikel 3:3, vierde lid, niet van toepassing is en wordt tevens onder inkomen wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op die uitkering. + +**3.** + +Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt dat indien voor de uitkeringsgerechtigde naast een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: + +a. recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of hoofdstuk II of III van de Werkloosheidswet; en +b. het recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en het recht, bedoeld onder a, zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79); + +voor de duur van het recht, bedoeld in onderdeel a, artikel 3:3, vijfde lid, niet van toepassing is en tevens onder inkomen wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht bestond op die uitkering. + +**4.** In geval van een uitkeringsgerechtigde waarvan het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en het ontvangen van ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet zijn ontstaan voor inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79) is, voor de duur van dat recht op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet, artikel 3:4, tweede lid, onderdelen a en d, niet van toepassing. + +**5.** Ingeval van een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en recht heeft op een uitkering op grond van een vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet, Ziektewet, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op de dag voor inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79) is artikel 3:6, onderdeel b, onder 3, voor zover het de uitkering op grond van een vrijwillige verzekering betreft, niet van toepassing gedurende de duur van die uitkering doch ten hoogste gedurende twee jaar. + +**6.** Ingeval ter zake van het belastbare loon artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt toegepast wordt voor toepassing van de artikelen 2:2, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, en 3:2, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, onder eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964 verstaan eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2010. + +**7.** Het zesde lid en dit lid vervallen met ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt. ### Artikel 5:2 -Wijzigt het Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. - -### Artikel 5:3 - -Wijzigt het Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. - -### Artikel 5:4 - -Wijzigt het Inkomensbesluit Wet WIA. - -### Artikel 5:5 - -Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie. - -### Artikel 5:6 - -Wijzigt het Boetebesluit socialezekerheidswetten. - -### Artikel 5:7 - **1.** De volgende besluiten worden ingetrokken: @@ -296,18 +568,18 @@ d. Inkomensbesluit AOW 1996. **3.** Het tweede lid vervalt met ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt. -### Artikel 5:8 +### Artikel 5:3 In afwijking van artikel 5:7 blijft artikel 9b van het Inkomensbesluit IOAW van toepassing in wettelijke procedures en rechtsgedingen inzake besluiten die op grond van artikel 9b van het Inkomensbesluit IOAW zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie. -### Artikel 5:9 +### Artikel 5:4 -Wijzigt dit besluit. +Dit besluit berust mede op de artikelen 6, tweede lid, van de Toeslagenwet, 10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 34, tweede lid, en 35aa, tweede lid, van de Werkloosheidswet, 2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 52, vierde lid, 60, vijfde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 31, derde lid, van de Ziektewet. -### Artikel 5:10 +### Artikel 5:5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 met uitzondering van artikel 5:5, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terug werkt tot en met 9 juni 2010. -### Artikel 5:11 +### Artikel 5:6 -Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen. +Dit besluit wordt aangehaald als: Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.