diff --git a/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md b/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md index a89874a8b09..4760c0c5dab 100644 --- a/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md +++ b/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md @@ -153,7 +153,7 @@ De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan d **1.** De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i. -**2.** De in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid. +**2.** De in de bijlage van deze wet onder a, h en j opgenomen instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid. **3.** Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze Minister is medegedeeld. @@ -1353,7 +1353,7 @@ Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen. -**2.** Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. Artikel 5.21, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. +**2.** Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. Artikel 5.21, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 6.6 @@ -2599,36 +2599,7 @@ Vervallen ### Artikel 7.37d -**1.** - -Het instellingsbestuur kan, in afwijking van artikel 7.37, eerste lid, en onverminderd de overige bepalingen van artikel 7.37, voor een opleiding voor het studiejaar 2021–2022 of een deel daarvan degene inschrijven die ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 niet heeft kunnen voldoen aan: - -a. een of meer van de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.24 tot en met 7.26a, 7.28, eerste lid, de zinsnede voor de eerste komma, lid 1a en tweede lid, eerste en tweede volzin, voor zover het een diploma of certificaat betreft dat wordt afgegeven op grond het bepaalde bij of krachtens artikel 2.86 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, derde en vierde volzin, en 7.30; of -b. een of meer van de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b en 7.30c. - -**2.** De inschrijving, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met ingang van het reguliere instroommoment voor de opleiding waarop de inschrijving betrekking heeft. - -**3.** - -Onverminderd artikel 7.42, eerste tot en met derde lid, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving indien: - -a. degene die met ingang van 1 september 2021 is ingeschreven op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, niet vóór 1 januari 2022 alsnog heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in dat onderdeel; -b. degene die met ingang van 1 september 2021 is ingeschreven op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, niet vóór een daartoe door het instellingsbestuur bij de inschrijving vastgestelde datum, die niet eerder is gelegen dan 1 januari 2022 en niet later dan 1 september 2022, alsnog heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in dat onderdeel. - -**4.** Het instellingsbestuur kan afzien van de beëindiging van de inschrijving vanwege het niet voldoen aan de in het derde lid, onderdelen a en b, neergelegde termijn, indien de beëindiging zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dat geval wordt de inschrijving beëindigd indien niet alsnog vóór 1 september 2022 aan de in het eerste lid bedoelde eisen wordt voldaan. - -**5.** Op het beleid dat het instellingsbestuur van een universiteit en het instellingsbestuur van een hogeschool ter uitvoering van dit artikel voert, zijn respectievelijk de aanhef van artikel 9.33a, tweede lid, en de aanhef van artikel 10.20a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. - -**6.** - -Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: - -a. de nadere voorwaarden voor inschrijving, waaronder mede wordt verstaan in welke gevallen het niet kunnen voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, het gevolg is van de uitbraak van COVID-19; -b. de onderwerpen waarop het beleid dat het instellingsbestuur in het kader van zijn bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, voert, in ieder geval betrekking heeft. - -**7.** Het eerste tot en met het vierde lid en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen voor hoger onderwijs. - -**8.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 september 2022. +Vervallen ### Artikel 7.37e @@ -2747,9 +2718,7 @@ Vervallen ### Artikel 7.45Aa -**1.** Voor het studiejaar 2021–2022 wordt voor het krachtens artikel 7.45, eerste lid, vastgestelde bedrag, gelezen: € 1.084 en wordt voor het krachtens artikel 7.45, tweede lid, vastgestelde minimumbedrag, gelezen: € 645. - -**2.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 september 2022. +Vervallen ### Artikel 7.45a @@ -3929,7 +3898,7 @@ h. de opleidingscommissie. De geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.39, neemt kennis van geschillen tussen een medezeggenschapsorgaan en het college van bestuur of de decaan over: a. de totstandkoming, wijziging of toepassing van het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 9.34, en -b. geschillen die voortvloeien uit de artikelen 9.30a, 9.18, 9.32, 9.33, 9.33a, eerste, tweede lid en derde lid, onder b, 9.34, 9.35, 9.36, 9.38 en 9.38a. +b. geschillen die voortvloeien uit de artikelen 9.18, 9.30a, 9.32, 9.33, 9.33a, eerste, tweede en derde lid, onder b, 9.34, 9.35, 9.36, 9.38 en 9.38a. **2.** Indien er een geschil is tussen het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, de universiteitsraad, de faculteitsraad of de opleidingscommissie en degene die of het orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft, onderzoekt het college van bestuur of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. Indien het college van bestuur het orgaan is dat de beslissingsbevoegdheid heeft, onderzoekt de raad van toezicht of een minnelijke schikking mogelijk is. Indien dit niet mogelijk blijkt, legt het medezeggenschapsorgaan, bedoeld in de eerste volzin, of degene die of het desbetreffende orgaan dat beslissingsbevoegdheid heeft het geschil voor aan de geschillencommissie. @@ -3971,7 +3940,7 @@ Vervallen ### Artikel 9.46 -**1.** Van een uitspraak van de geschillencommissie staat beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van artikel 9.40, zevende lid. +**1.** Van een uitspraak van de geschillencommissie staat beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. **2.** Een medezeggenschapsorgaan kan in rechte optreden, als het beroep strekt tot naleving door het college van bestuur of de decaan van de verplichtingen tegenover het medezeggenschapsorgaan.