2017-07-01 | BWBR0003549 | Wet op de expertisecentra
This commit is contained in:
parent
c3fc757793
commit
8ee92d423f
1 changed files with 86 additions and 61 deletions
|
|
@ -200,7 +200,7 @@ e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van d
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
|
||||
**1.** Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling op aanvraag vergoeding van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
|
||||
|
||||
**2.** De regeling maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -210,13 +210,13 @@ e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van d
|
|||
|
||||
**5.** De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de leerling, en gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, tenzij vervoer met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders onderscheidenlijk de leerling met het vervoer naar die school instemmen.
|
||||
|
||||
**6.** De regeling bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag bekostiging verstrekken ten behoeve van de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer.
|
||||
**6.** De regeling bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag vergoeding verstrekken ten behoeve van de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer.
|
||||
|
||||
**7.** De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en onverminderd het bepaalde in het vierde lid voor leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
|
||||
**7.** De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en onverminderd het bepaalde in het vierde lid voor leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, bepalen dat geen aanspraak op vergoeding bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
|
||||
|
||||
**8.** De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op bekostiging wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de regeling erin te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer ontbreekt en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van vervoer in redelijkheid niet kan worden verlangd en voor die leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen.
|
||||
**8.** De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op vergoeding wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de regeling erin te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer ontbreekt en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van vervoer in redelijkheid niet kan worden verlangd en voor die leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
**9.** De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van bekostiging in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
|
||||
**9.** De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.
|
||||
|
||||
**10.** De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, ten gunste van de leerling van de inhoud van de regeling af te wijken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -255,6 +255,14 @@ c. er zorg voor draagt dat bij een persoon ten minste de volgende taken zijn bel
|
|||
|
||||
**2.** Onder veiligheid, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:
|
||||
|
||||
a. de aandachtsgebieden die het instrument inzichtelijk maakt,
|
||||
b. de representativiteit van het instrument, en
|
||||
c. de frequentie waarmee het instrument wordt ingezet.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Ten laste van een andere openbare kas dan van Rijk en gemeente worden geen scholen in stand gehouden, noch uitgaven voor een school gedaan. Gemeenten doen geen uitgaven voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan krachtens de wet.
|
||||
|
|
@ -342,7 +350,7 @@ c. is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met ver
|
|||
|
||||
**6.** Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat leerlingen die in verband met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.
|
||||
|
||||
**7.** De scholen gebruiken een leerling- en onderwijsvolgsysteem waaruit de vorderingen in de kennis en vaardigheden blijken op het niveau van de leerling, de groep en de school. Het leerling- en onderwijsvolgsysteem bevat toetsen die kennis en vaardigheden van de leerling meten op de terreinen, genoemd in het derde lid.
|
||||
**7.** De scholen gebruiken een leerling- en onderwijsvolgsysteem waaruit de vorderingen in de kennis en vaardigheden blijken op het niveau van de leerling, de groep en de school. Het leerling- en onderwijsvolgsysteem bevat toetsen die kennis en vaardigheden van de leerling meten ten minste op het terrein van de Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, met inachtneming van de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
|
||||
|
||||
**8.** De toetsen, bedoeld in het zevende lid, voldoen aan het kwaliteitsoordeel van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke commissie betreffende inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften omtrent het leerling- en onderwijsvolgsysteem en de daaraan verbonden toetsen worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -359,7 +367,7 @@ Het speciaal onderwijs wordt zodanig ingericht dat:
|
|||
a. de leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van 8 aaneensluitende schooljaren het speciaal onderwijs kunnen doorlopen, en
|
||||
b. de leerlingen in 8 schooljaren ten minste 7 520 uren onderwijs ontvangen, met dien verstande dat de leerlingen in de eerste 4 schooljaren ten minste 3 520 uren onderwijs en in de laatste 4 schooljaren ten minste 3 760 uren onderwijs ontvangen. Het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar omvat ten minste 880 uren per schooljaar. Aan de leerlingen in de laatste 6 schooljaren wordt ten hoogste 7 weken van het schooljaar 4 dagen per week onderwijs gegeven, die evenwichtig zijn verdeeld over het schooljaar, bij een schoolweek van in beginsel niet minder dan 5 dagen onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur kan op verzoek van het bevoegd gezag ermee instemmen dat wordt afgeweken van het eerste lid, onderdeel b, met uitzondering van de laatste volzin.
|
||||
**2.** De inspecteur kan op aanvraag van het bevoegd gezag ermee instemmen dat wordt afgeweken van het eerste lid, onderdeel b, met uitzondering van de laatste volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
|
|
@ -602,7 +610,7 @@ Onze minister bepaalt op voorstel van het bevoegd gezag per school, welke onderd
|
|||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
Onze minister kan in bijzondere gevallen op verzoek van het bevoegd gezag toestaan dat wordt afgeweken van artikel 13, eerste tot en met vijfde lid. De toestemming wordt verleend voor een bepaald tijdvak; aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.
|
||||
Onze minister kan in bijzondere gevallen op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten toe te staan dat wordt afgeweken van artikel 13, eerste tot en met vijfde lid. De toestemming wordt verleend voor een bepaald tijdvak; aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -641,11 +649,11 @@ De voordracht voor een krachtens artikel 11, achtste lid, en artikel 18b, achtst
|
|||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in elk geval verstaan: de zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel, en het uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in artikel 21, beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden gerealiseerd.
|
||||
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in elk geval verstaan het naleven van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 21, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
### Artikel 19a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
De kwaliteit van het onderwijs is zeer zwak indien de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 5a, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerlingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 19b
|
||||
|
||||
|
|
@ -665,19 +673,35 @@ Het bevoegd gezag rapporteert met inachtneming van het leerlingvolgsysteem, bedo
|
|||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid ten aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd. In het schoolplan wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool. Het schoolplan kan op een of meer scholen voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en een of meer scholen voor ander onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag betrekking hebben.
|
||||
**1.** Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. Het schoolplan omvat mede het beleid ten aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd. In het schoolplan wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool.
|
||||
|
||||
**2.** Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma. Daarbij wordt tevens het schoolondersteuningsprofiel betrokken.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30 van de wet.
|
||||
De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval:
|
||||
|
||||
a. de uitwerking van de wettelijke voorschriften betreffende de uitgangspunten, de doelstelling en de inhoud van het onderwijs,
|
||||
b. de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma,
|
||||
c. het pedagogisch-didactisch klimaat en het schoolklimaat,
|
||||
d. het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 5a.
|
||||
|
||||
Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt tevens het schoolondersteuningsprofiel betrokken.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De beschrijving van het personeelsbeleid omvat in elk geval:
|
||||
|
||||
a. het voldoen aan de eisen van bevoegdheid en de wijze waarop de bekwaamheid wordt onderhouden,
|
||||
b. de maatregelen met betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid,
|
||||
c. het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijspersoneel,
|
||||
d. het document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30, en
|
||||
e. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op dat beleid.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval:
|
||||
De beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg omvat in elk geval het zorg dragen voor:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt gerealiseerd,
|
||||
b. de wijze waarop het bevoegd gezag vaststelt welke maatregelen ter verbetering van de kwaliteit nodig zijn, en
|
||||
c. maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt.
|
||||
a. het bewaken dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen en dat het onderwijs wordt afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerlingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, mede met behulp van het leerling- en onderwijsvolgsysteem, bedoeld in artikel 11, zevende lid, en
|
||||
b. het vaststellen welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 21a
|
||||
|
||||
|
|
@ -707,8 +731,9 @@ f. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 21, eerste lid, om
|
|||
g. het samenwerkingsverband en in voorkomend geval de samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs waarbij het bevoegd gezag van de school is aangesloten,
|
||||
h. het beleid met betrekking tot de veiligheid,
|
||||
i. het verzuimbeleid,
|
||||
j. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool, en
|
||||
k. de persoon, bij wie de taken, bedoeld in artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, zijn belegd.
|
||||
j. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter onderscheidenlijk de identiteit voor zover het betreft een samenwerkingsschool,
|
||||
k. de persoon, bij wie de taken, bedoeld in artikel 5a, eerste lid, onderdeel c, zijn belegd, en
|
||||
l. de in het kader van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 21, vierde lid, gedane bevindingen en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, vermeldt de schoolgids onverminderd het eerste lid welk uitstroomprofiel of welke uitstroomprofielen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, worden verzorgd, en, indien het uitstroomprofiel vervolgonderwijs wordt verzorgd, welk onderwijs als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, en welke schoolsoort als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1147,7 +1172,7 @@ Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 33 te treffen regelingen, alsme
|
|||
|
||||
**1.** De leeftijd waarop het kind tot het speciaal onderwijs mag worden toegelaten is 4 jaar. Indien het betreft een kind als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a of b, kan het worden toegelaten als het de leeftijd van 3 jaar heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 40, derde lid, kan de inspecteur in het belang van het kind toestaan dat een kind eerder wordt toegelaten dan in het eerste lid is bepaald.
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 40, derde lid, kan de inspecteur in het belang van het kind besluiten toe te staan dat een kind eerder wordt toegelaten dan in het eerste lid is bepaald.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1231,7 +1256,7 @@ b. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingesch
|
|||
2. door het samenwerkingsverband waartoe de school, niet zijnde een instelling, waarvoor toelating wordt verzocht behoort, indien de leerling buiten Nederland woonachtig is:
|
||||
c. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingeschreven op een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 en de leerling was aangemeld bij een school, niet zijnde een instelling, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, die behoort tot een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs: door het landelijk samenwerkingsverband waartoe de school, niet zijnde een instelling, of de school, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, waar de leerling was aangemeld behoort.
|
||||
|
||||
**14.** De beslissing over de toelaatbaarheid, bedoeld in het tiende en twaalfde lid, is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4 onder e van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 op grond van een toelaatbaarheidsverklaring waarvan de periode, bedoeld in het vijftiende lid, bij de toelating nog niet is verstreken, is geen nieuwe toelaatbaarheidsverklaring vereist.
|
||||
**14.** De beslissing over de toelaatbaarheid, bedoeld in het tiende en twaalfde lid, is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 op grond van een toelaatbaarheidsverklaring waarvan de periode, bedoeld in het vijftiende lid, bij de toelating nog niet is verstreken, is geen nieuwe toelaatbaarheidsverklaring vereist.
|
||||
|
||||
**15.** De toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in het tiende onderscheidenlijk twaalfde lid, heeft betrekking op een periode van één of meer schooljaren. Indien de toelaatbaarheidsverklaring in de loop van een schooljaar wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode. In het laatste schooljaar waarop de toelaatbaarheidsverklaring betrekking heeft, draagt het bevoegd gezag van de school er zorg voor dat terugplaatsing of overplaatsing van de leerling naar het basisonderwijs of voortgezet onderwijs plaatsvindt, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat voortgezet verblijf van de leerling in het speciaal onderwijs dan wel voortgezet speciaal onderwijs noodzakelijk is en het samenwerkingsverband, bedoeld in het tiende onderscheidenlijk twaalfde lid, een nieuwe toelaatbaarheidsverklaring heeft verstrekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1239,7 +1264,7 @@ c. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingesch
|
|||
|
||||
**17.** De toelating van een leerling mag niet geweigerd worden op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen respecteren dan wel onderschrijven.
|
||||
|
||||
**18.** Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de betrokken leraar of leraren. Definitieve verwijdering van een leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een instelling, een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten. Indien het betreft een leerling van een instelling behorend tot cluster 1 of 2 kan, in afwijking van de vorige volzin, tot definitieve verwijdering worden overgegaan indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen. Indien het betreft een leerling van een school als bedoeld in artikel 71c, eerste lid, wordt in afwijking van de tweede volzin, tot definitieve verwijdering overgegaan indien de leerling niet langer is opgenomen in de inrichting of accommodatie, bedoeld in genoemde bepaling.
|
||||
**18.** Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de betrokken leraar of leraren en de ouders van de leerling. Definitieve verwijdering van een leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een instelling, een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten. Indien het betreft een leerling van een instelling behorend tot cluster 1 of 2 kan, in afwijking van de vorige volzin, tot definitieve verwijdering worden overgegaan indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen. Indien het betreft een leerling van een school als bedoeld in artikel 71c, eerste lid, wordt in afwijking van de tweede volzin, tot definitieve verwijdering overgegaan indien de leerling niet langer is opgenomen in de inrichting of accommodatie, bedoeld in genoemde bepaling.
|
||||
|
||||
**19.** Indien na de toelating tot de school blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het tweede lid heeft plaatsgevonden, wordt de leerling onmiddellijk verwijderd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1253,7 +1278,7 @@ c. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingesch
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan met opgave van redenen een leerling voor een periode van ten hoogste één week schorsen.
|
||||
|
||||
**2.** Het besluit tot schorsing wordt schriftelijk aan de ouders dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling bekendgemaakt.
|
||||
**2.** De beslissing tot schorsing wordt schriftelijk aan de ouders dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag stelt de inspectie van een schorsing voor een periode langer dan één dag schriftelijk en met opgave van redenen in kennis.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1320,9 +1345,9 @@ De commissie kan bij het uitoefenen van haar taak gebruik maken van bestaande on
|
|||
|
||||
**1.** Indien de inspecteur van oordeel is dat op een school een leerling is geplaatst die daar ingevolge artikel 40 dan wel artikel 41, eerste lid, niet had mogen worden toegelaten, verzoekt hij het bevoegd gezag deze leerling te verwijderen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
|
||||
**2.** Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, roept de inspecteur het besluit van Onze minister in.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de inspecteur van oordeel is dat het in artikel 41, vierde lid, bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.
|
||||
**3.** Indien de inspecteur van oordeel is dat het in artikel 41, vierde lid, bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, roept de inspecteur het besluit van Onze minister in.
|
||||
|
||||
### Artikel 42a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1373,7 +1398,7 @@ b. artikel 41a, eerste en vierde lid.
|
|||
|
||||
**1.** De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de leerling, een leerling vrijstellen van bepaalde onderwijsactiviteiten in het speciaal onderwijs. Een vrijstelling kan slechts worden verleend, op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan op aanvraag van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de leerling, een leerling vrijstellen van bepaalde onderwijsactiviteiten in het speciaal onderwijs. Een vrijstelling kan slechts worden verleend, op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
|
|
@ -1425,7 +1450,7 @@ Het bevoegd gezag stelt de ouders van de leerlingen in de gelegenheid ondersteun
|
|||
|
||||
### Artikel 48a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie opgestelde samenvatting van het inspectierapport welke samenvatting gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt binnen vier weken na de vaststelling van het inspectierapport.
|
||||
**1.** Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het oordeel is gekomen dat sprake is van zeer zwak onderwijs, bedoeld in artikel 19a, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie opgestelde samenvatting van het inspectierapport, welke samenvatting gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt binnen vier weken na de vaststelling van het inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig voldoet aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, zendt Onze minister de samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, in de vijfde week na vaststelling van het inspectie rapport aan de ouders van de leerlingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1808,7 +1833,7 @@ b. een financiële regeling tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen die per
|
|||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
|
||||
Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 71a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1864,7 +1889,7 @@ In deze titel wordt onder «school» verstaan een school of afdeling als bedoeld
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
|
||||
Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze minister op aanvraag van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
|
||||
|
||||
a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
|
||||
b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
|
||||
|
|
@ -1875,7 +1900,7 @@ f. sprake is van voor bekostiging in aanmerking brengen van een samenwerkingssch
|
|||
g. sprake is van stichting van scholen die overeenkomen met de scholen waaruit een opgeheven samenwerkingsschool is ontstaan, of
|
||||
h. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de leerlingaantallen als bedoeld in artikel 147 en artikel 148 worden toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder g, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
|
||||
**3.** De aanvraag, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder h, willigt Onze minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen, met dien verstande dat daarbij de leerlingaantallen als bedoeld in artikel 147 en artikel 148 worden toegepast. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder g, willigt Onze minister de aanvraag slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.
|
||||
|
||||
**4.** Een school die is opgenomen in een door Onze minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1885,13 +1910,13 @@ Indien beroep is ingesteld in verband met de plannen van nieuwe scholen voor de
|
|||
|
||||
### Artikel 76a
|
||||
|
||||
**1.** Indien een bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, wenst over te gaan tot het inrichten van een nevenvestiging en het daarover overeenstemming heeft bereikt met het samenwerkingsverband en de gemeente waar die nevenvestiging zal worden gevestigd, dient het bevoegd gezag voor 1 februari een daarop betrekking hebbend verzoek met de gegevens waaruit de bedoelde overeenstemming blijkt, in bij Onze minister.
|
||||
**1.** Indien een bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, wenst over te gaan tot het inrichten van een nevenvestiging en het daarover overeenstemming heeft bereikt met het samenwerkingsverband en de gemeente waar die nevenvestiging zal worden gevestigd, dient het bevoegd gezag voor 1 februari een daarop betrekking hebbende aanvraag met de gegevens waaruit de bedoelde overeenstemming blijkt, in bij Onze minister.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister beslist voor 1 april daaropvolgend. Indien Onze minister de inrichting van een nevenvestiging goedkeurt, vangt de bekostiging van die nevenvestiging aan op 1 augustus volgend op de goedkeuring. Voor de bekostiging wordt de nevenvestiging aangemerkt als deel van de school die de nevenvestiging in stand houdt.
|
||||
|
||||
### Artikel 76b
|
||||
|
||||
**1.** Indien een bevoegd gezag van een instelling wenst over te gaan tot het inrichten van een nevenvestiging en het daarover overeenstemming heeft bereikt met de andere instellingen en de gemeente waar die nevenvestiging zal worden gevestigd, dient het bevoegd gezag voor 1 februari een daarop betrekking hebbend verzoek met de gegevens waaruit de bedoelde overeenstemming blijkt, in bij Onze minister.
|
||||
**1.** Indien een bevoegd gezag van een instelling wenst over te gaan tot het inrichten van een nevenvestiging en het daarover overeenstemming heeft bereikt met de andere instellingen en de gemeente waar die nevenvestiging zal worden gevestigd, dient het bevoegd gezag voor 1 februari een daarop betrekking hebbende aanvraag met de gegevens waaruit de bedoelde overeenstemming blijkt, in bij Onze minister.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister beslist voor 1 april daaropvolgend. Indien Onze minister de inrichting van een nevenvestiging goedkeurt, vangt de bekostiging van die nevenvestiging aan op 1 augustus volgend op de goedkeuring. Voor de bekostiging wordt de nevenvestiging aangemerkt als deel van de instelling die de nevenvestiging in stand houdt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1933,8 +1958,8 @@ b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog
|
|||
|
||||
Uit het voorafgaande plan wordt een school niet opgenomen:
|
||||
|
||||
a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;
|
||||
b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd is;
|
||||
a. indien de indiener van een aanvraag heeft verzocht de school te laten vervallen;
|
||||
b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen in het tweede jaar volgend op het jaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuwe aanvraag overgelegde gegevens gerechtvaardigd is;
|
||||
c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.
|
||||
|
||||
**3.** Indien beroep is ingesteld tegen een besluit krachtens het tweede lid, onderdeel c, en de uitspraak strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
|
||||
|
|
@ -1945,7 +1970,7 @@ c. indien zich naar het oordeel van provinciale staten omstandigheden hebben voo
|
|||
|
||||
De vaststelling van een plan blijft achterwege, indien:
|
||||
|
||||
a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,
|
||||
a. geen aanvragen om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen aanvragen voor inwilliging in aanmerking komt,
|
||||
b. provinciale staten besluiten dat vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk is en
|
||||
c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1953,15 +1978,15 @@ c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerkin
|
|||
|
||||
**3.** Indien een besluit van de minister, houdende weigering van de goedkeuring onherroepelijk is geworden, nemen provinciale staten de openbare school op in het eerste na een zodanig besluit vast te stellen plan.
|
||||
|
||||
**4.** Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.
|
||||
**4.** Aan de indieners van de niet ingewilligde aanvragen bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 81
|
||||
|
||||
**1.** Een verzoek om opneming in het plan wordt voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend door de gemeenteraad, door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, door een stichting als bedoeld in artikel 28 of 51, of door ouders, indien het een openbare school betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school betreft.
|
||||
**1.** Een aanvraag tot opneming in het plan wordt voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend door de gemeenteraad, door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, door een stichting als bedoeld in artikel 28 of 51, of door ouders, indien het een openbare school betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school betreft.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Elk verzoek is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
|
||||
Elke aanvraag is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
|
||||
|
||||
a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
|
||||
b. de beschrijving van het voedingsgebied,
|
||||
|
|
@ -2010,15 +2035,15 @@ Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid worden niet in aanmerking gen
|
|||
a. de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, tenzij deze school uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd;
|
||||
b. leerlingen die in een andere provincie woonachtig zijn en bij de vaststelling van een plan in die provincie in aanmerking worden genomen.
|
||||
|
||||
**4.** Tegen een besluit van provinciale staten om een verzoek tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet in te willigen, kan iedere belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze minister.
|
||||
**4.** Tegen een besluit van provinciale staten om een aanvraag tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet in te willigen, kan iedere belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze minister.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, nemen provinciale staten de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen plan.
|
||||
|
||||
### Artikel 84
|
||||
|
||||
**1.** Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de provinciale griffie.
|
||||
**1.** Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de aanvragen die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle aanvragers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de provinciale griffie.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
|
||||
**2.** Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde aanvragen en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister besluit met inachtneming van het beroepschrift bedoeld in artikel 83, vierde lid, voor 1 december van het jaar voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan provinciale staten gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 december heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2035,7 +2060,7 @@ d. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaal
|
|||
|
||||
**6.** Bij onthouding van goedkeuring op grond van het vierde lid onder d draagt Onze minister provinciale staten op de bekostiging van de school in het eerste jaar van de planperiode in het plan op te nemen.
|
||||
|
||||
**7.** Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister dit besluit binnen 2 weken mee aan de indiener van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.
|
||||
**7.** Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister dit besluit binnen 2 weken mee aan de indiener van de aanvraag tot opneming van de betrokken school in het plan.
|
||||
|
||||
**8.** Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zevende lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2051,7 +2076,7 @@ Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht tot stic
|
|||
|
||||
**1.** Onze minister stelt jaarlijks voor 1 oktober een plan van nieuwe scholen vast voor de scholen voor dove kinderen, scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen verbonden aan pedologische instituten en instellingen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar van de vaststelling, voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking zullen worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken bedoeld in artikel 81. Tevens beziet Onze minister bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Onze minister betrekt bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen. Indien verzoeken niet zijn ingewilligd, maakt Onze minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indieners van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.
|
||||
**2.** Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de aanvragen bedoeld in artikel 81. Tevens beziet Onze minister bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Onze minister betrekt bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen. Indien aanvragen niet zijn ingewilligd, maakt Onze minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indieners van de aanvraag tot opneming van de betrokken school in het plan.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 78, derde lid, 79, 80, eerste en vierde lid, 81, 82 en 85, alsmede, behoudens voor instellingen, het bepaalde artikel 83, eerste en tweede lid, en artikel 83, derde lid onder a, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «provinciale staten» of «gedeputeerde staten» telkens wordt gelezen: Onze minister. In het plan worden in elk geval opgenomen de instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 300 leerlingen, dan wel dat zij blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen en begeleiding als bedoeld in artikel 9, onder b, zullen verstrekken aan ten minste 100 leerlingen. In het plan kunnen instellingen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen. Bij de toepassing van de vorige twee volzinnen worden voor de bepaling van het aantal leerlingen dat een instelling zal bezoeken niet in aanmerking genomen de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een andere instelling, tenzij deze uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2065,7 +2090,7 @@ Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht tot stic
|
|||
|
||||
**1.** Scholen die gedurende 3 achtereenvolgende jaren in het plan zijn opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, worden in het daaropvolgende jaar voor bekostiging in aanmerking gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, derde lid, of artikel 84, achtste lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan waarin de school was opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 83, vierde lid, of artikel 86, vierde lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan waarvoor het verzoek werd ingediend.
|
||||
**2.** Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, derde lid, of artikel 84, achtste lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan waarin de school was opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 83, vierde lid, of artikel 86, vierde lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste jaar van het plan waarvoor de aanvraag werd ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 88
|
||||
|
||||
|
|
@ -2696,9 +2721,9 @@ c. 8 jaar en ouder.
|
|||
|
||||
**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.
|
||||
|
||||
**2.** In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.
|
||||
**2.** In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
|
||||
**3.** Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Onze minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2776,18 +2801,18 @@ b. de omvang van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, tiende lid.
|
|||
|
||||
**1.** Jaarlijks voor 1 maart kan Onze minister verhoging van de bekostiging worden gevraagd, indien op grond van bijzondere omstandigheden van de school, niet zijnde een instelling, in dat jaar, het totale bedrag niet voldoende is voor de noodzakelijke uitgaven van de school, niet zijnde een instelling.
|
||||
|
||||
**2.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gedaan door het bevoegd gezag voor zover het betreft de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid, betrekking hebben. In afwijking van de vorige volzin kan ingeval artikel 116, tweede, derde of vierde lid, is toegepast, het bevoegd gezag dat dan wel de gemeente die de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt, het verzoek indienen.
|
||||
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gedaan door het bevoegd gezag voor zover het betreft de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid, betrekking hebben. In afwijking van de vorige volzin kan ingeval artikel 116, tweede, derde of vierde lid, is toegepast, het bevoegd gezag dat dan wel de gemeente die de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt, de aanvraag indienen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onze minister wijst het verzoek in elk geval af indien:
|
||||
Onze minister wijst de aanvraag in elk geval af indien:
|
||||
|
||||
a. in het jaar waarvoor de programma's van eisen zijn vastgesteld, het totaal van de noodzakelijke uitgaven voor de materiële instandhouding van de school niet ten minste 5% meer zal bedragen dan het totaal van de uit 's Rijks kas daarvoor te verstrekken inkomsten,
|
||||
b. de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven omstandigheid of afwijking van de omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de bijzondere omstandigheden zouden bestaan,
|
||||
c. de bijzondere omstandigheid het gevolg is van een verschil tussen het prijsniveau in enig jaar en de op grond van artikel 111 aangepaste bedragen, of
|
||||
d. het bevoegd gezag dat of de gemeente die het verzoek heeft ingediend, niet aantoont dat het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei wijze had kunnen voorkomen.
|
||||
d. het bevoegd gezag dat of de gemeente die de aanvraag heeft ingediend, niet aantoont dat het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei wijze had kunnen voorkomen.
|
||||
|
||||
**4.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens die bij het verzoek zijn gevoegd.
|
||||
**4.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens die bij de aanvraag zijn gevoegd.
|
||||
|
||||
**5.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2832,7 +2857,7 @@ b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het
|
|||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen vermindering als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**6.** Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het vijfde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien het besluit niet binnen 4 maanden kan worden genomen, stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop het besluit wel tegemoet kan worden gezien. Uitsluitend op grond van door het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze minister bepalen dat het besluit, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de datum waarop het bevoegd gezag het in de eerste volzin bedoelde verzoek heeft ingediend.
|
||||
**6.** Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het vijfde lid, wegens gewichtige redenen op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze minister besluit binnen 4 maanden na ontvangst van de aanvraag. Uitsluitend op grond van door het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze minister bepalen dat het besluit, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de datum waarop het bevoegd gezag de aanvraag heeft ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 133
|
||||
|
||||
|
|
@ -2859,7 +2884,7 @@ b. indien een bevoegd gezag waarvoor geen diensten meer worden verricht, in het
|
|||
|
||||
**4.** De gemeenteraad kan besluiten dat burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen 1 week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan.
|
||||
**5.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een ofmeer van de in de regeling genoemde voorzieningen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3041,7 +3066,7 @@ c. stelt Onze minister de rechtspersoon vervolgens vier weken in de gelegenheid
|
|||
|
||||
### Artikel 146a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de kwaliteit van het onderwijs of de kwaliteit van het bestuur ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 19, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
|
||||
|
||||
**2.** Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3062,11 +3087,11 @@ De bekostiging van het voortgezet speciaal onderwijs van een bijzondere school v
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de eerste 5 volledige schooljaren van de bekostiging van de school.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister kan op verzoek van het bevoegd gezag, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente gehoord, besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, de bekostiging wordt voortgezet indien aan de school behoefte bestaat. Tevens hoort Onze minister gedeputeerde staten van de betrokken provincie voor zover het scholen betreft bedoeld in artikel 78, eerste lid. Het verzoek wordt ingediend voor 16 oktober van het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
|
||||
**3.** Onze minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente gehoord, besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, de bekostiging wordt voortgezet indien aan de school behoefte bestaat. Tevens hoort Onze minister gedeputeerde staten van de betrokken provincie voor zover het scholen betreft bedoeld in artikel 78, eerste lid. De aanvraag wordt ingediend voor 16 oktober van het schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het besluit van Onze minister op het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt genomen voor 16 februari volgend op de datum 16 oktober genoemd in het derde lid. Indien Onze minister niet voor 16 februari heeft besloten, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. Een besluit van Onze minister dat de bekostiging wordt voortgezet, geldt telkens voor ten hoogste 3 schooljaren.
|
||||
**4.** Het besluit van Onze minister op de aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt genomen voor 16 februari volgend op de datum 16 oktober genoemd in het derde lid. Indien Onze minister niet voor 16 februari heeft besloten, wordt de aanvraag geacht te zijn ingewilligd. Een besluit van Onze minister dat de bekostiging wordt voortgezet, geldt telkens voor ten hoogste 3 schooljaren.
|
||||
|
||||
**5.** De beëindiging van de bekostiging geschiedt met ingang van 1 augustus van het tweede schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, tenzij door Onze minister bij zijn afwijzing van het verzoek, bedoeld in het derde lid, of bij een in beroep gegeven uitspraak anders is bepaald.
|
||||
**5.** De beëindiging van de bekostiging geschiedt met ingang van 1 augustus van het tweede schooljaar volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, tenzij door Onze minister bij zijn afwijzing van de aanvraag, bedoeld in het derde lid, of bij een in beroep gegeven uitspraak anders is bepaald.
|
||||
|
||||
**6.** Van zijn besluit en van de uitspraak in beroep wordt door Onze Minister mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan gedeputeerde staten en aan burgemeester en wethouders.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3518,7 +3543,7 @@ Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskass
|
|||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag van een school is voorts verplicht jaarlijks een door het bestuur van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.
|
||||
|
||||
**3.** Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
|
||||
**3.** Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze minister op aanvraag van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**4.** Het bestuur van de rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3548,11 +3573,11 @@ e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
|
|||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag voldoet aan de rechtspersoon jaarlijks een door het bestuur van die rechtspersoon vast te stellen bijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
|
||||
|
||||
**3.** Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
|
||||
**3.** Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Het bestuur van de rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 132, tweede lid. Indien het bevoegd gezag zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt het bestuur van de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van een in de eerste volzin bedoeld verzoek.
|
||||
**4.** Het bestuur van de rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een aanvraag van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 132, tweede lid. Indien het bevoegd gezag zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt het bestuur van de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**5.** Indien het bestuur van de rechtspersoon het in het vierde lid bedoelde verzoek heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties.
|
||||
**5.** Indien het bestuur van de rechtspersoon de aanvraag heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties.
|
||||
|
||||
**6.** Tegen een besluit van de rechtspersoon kan beroep worden ingesteld door het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue