2005-07-13 | BWBR0004800 | Leidraad invordering 1990
This commit is contained in:
parent
8f69664c7e
commit
8f247aa069
1 changed files with 37 additions and 37 deletions
|
|
@ -68,11 +68,9 @@ De ontvanger dient zich er steeds van bewust te zijn dat het verlengen van betal
|
|||
|
||||
Als de ontvanger het nodig acht in het kader van de invordering maatregelen te treffen, waardoor naar redelijkerwijs moet worden aangenomen het voortbestaan wordt bedreigd van een bedrijf of een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden, vraagt hij daartoe toestemming van het ministerie.
|
||||
|
||||
De enkele maatregel van beslaglegging hoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar, waarin het beslag een zekerheidskarakter heeft en waarin op een zodanige wijze kan worden gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging.
|
||||
De enkele maatregel van beslaglegging hoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar waarin op een zodanige wijze kan worden gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging.
|
||||
|
||||
Alsdan is voor de beslaglegging geen toestemming nodig; de zaak behoeft in dat geval pas te worden voorgelegd als verkoop nodig wordt geacht.
|
||||
|
||||
Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan bijvoorbeeld wel sprake als:
|
||||
Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan bijvoorbeeld wel sprake en dient dus toestemming te worden gevraagd als:
|
||||
|
||||
- met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd;
|
||||
- door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd;
|
||||
|
|
@ -615,7 +613,7 @@ Artikel 431a Rv geldt niet voor de overdracht van de invordering aan een andere
|
|||
|
||||
Waar in de navolgende paragrafen wordt gesproken over de bewaarder wordt hiermee bedoeld de gerechtelijke bewaarder als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is aangegeven.
|
||||
|
||||
Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is op grond van artikel 198 Sr - kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de directeur of, als laatstgenoemde dit wenselijker acht, rechtstreeks aan de Officier van Justitie aan de hand van de daartoe in overleg met het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
|
||||
Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is op grond van artikel 198 Sr - kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger wordt geconfronteerd met een situatie waarin hij door één of meer rechtshandelingen in zijn verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld, kan de ontvanger deze rechtshandeling(en) vernietigen. Daarbij geldt het bepaalde in artikel 3:45 e.v. BW. Een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging als bedoeld in artikel 3:49 BW geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan direct beslaglegging plaatsvinden op de goederen die door de rechtshandeling buiten het verhaalsbereik van de ontvanger zijn gebracht, mits gelijktijdig de desbetreffende rechtshandeling buitengerechtelijk wordt vernietigd. De buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging kan in het beslagexploot zelf worden opgenomen. Voorts dient een verklaring tot vernietiging ook tot de andere bij de rechtshandeling betrokken partijen te worden gericht. Ten aanzien van registergoederen kan de vernietiging niet altijd buitengerechtelijk geschieden: zie hiervoor artikel 3:50, tweede lid, BW. Voor conservatoir paulianabeslag in afwachting van een rechterlijke uitspraak tot vernietiging wordt verwezen naar artikel 737 Rv.
|
||||
|
||||
|
|
@ -876,7 +874,7 @@ Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen
|
|||
|
||||
Voor het doen van een vordering dient de ontvanger, met uitzondering van faillissementssituaties, te beschikken over een betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Bij het bevel tot betaling wordt de belastingschuldige een termijn van twee dagen gegeven. De vordering wordt pas na afloop van deze termijn gedaan. Ingeval van versnelde invordering op grond van artikel 15 van de wet wordt veelal bevel tot onmiddellijke betaling gedaan. In dat geval behoeft voor het doen van een vordering uiteraard geen termijn van twee dagen in acht te worden genomen.
|
||||
|
||||
In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) is de ontvanger verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de ontvanger. De loonvordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
|
||||
In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) dan wel een andere vordering wordt gedaan op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden is de ontvanger verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de ontvanger. De betreffende vordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
|
||||
|
||||
Een vordering geschiedt bij beschikking die wordt bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige door toezending of, als de ontvanger dat wenselijk acht, door betekening. Bij de betekening van een vordering wordt gehandeld overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de betekening worden geen kosten in rekening gebracht. Als de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt de vordering ten name van de echtgenoot van de belastingschuldige gesteld, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de gelden, penningen of periodieke betalingen te vorderen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de gelden, penningen of periodieke betalingen niet in de tussen beiden bestaande huwelijksgemeenschap vallen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1004,9 +1002,9 @@ Ook zonder toepassing van het bodemrecht en afgezien van aansprakelijkheid van d
|
|||
|
||||
Voor zaken waarop met toepassing van het bodemrecht verhaal kan worden gezocht, wordt in het algemeen niet in de eerste plaats gebruik gemaakt van artikel 3:45 BW. Hieraan staat overigens niet in de weg dat subsidiair op dit artikel een beroep kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
Een met toepassing van het bodemrecht gelegd beslag op niet aan de belastingschuldige toebehorende zaken vervalt niet door het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of door het faillissement van de belastingschuldige. Het beslag op bodemzaken kan ook nog worden gelegd na het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of van het faillissement, mits de zaken zich op het moment van de beslaglegging nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Bodembeslag is ook mogelijk tijdens de zogenaamde afkoelingsperiode van artikel 63a en 309 FW. Gedurende de afkoelingsperiode kan het beslag, anders dan met toestemming van de rechter-commissaris, echter niet verder worden vervolgd. Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde de uitspraak, houdende de vaststelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de rechter op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder dan wel van de schuldenaar reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald.
|
||||
Een met toepassing van het bodemrecht gelegd beslag op niet aan de belastingschuldige toebehorende zaken vervalt niet door het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of door het faillissement van de belastingschuldige. Het beslag op dergelijke bodemzaken kan ook nog worden gelegd na het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of van het faillissement, mits de zaken zich op het moment van de beslaglegging nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Ook tijdens een zogenoemde afkoelingsperiode is het mogelijk bodembeslag te leggen. Een bodembeslag dat tijdens een afkoelingsperiode in een faillissement of surseance wordt gelegd, kan echter niet worden tegengeworpen aan de derde-eigenaar van een zaak, als deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak (artt. 63c en 241c Fw.). Als de derde-eigenaar de bodemzaak heeft verpand, geldt hetzelfde voor de pandhouder van die zaak die een dergelijk exploot heeft uitgebracht.
|
||||
|
||||
Het voor of tijdens het faillissement gelegde beslag vervalt wanneer de derde-eigenaar in staat van faillissement wordt verklaard. De ontvanger meldt zijn vordering alsdan ter verificatie aan in de schuldsaneringsregeling dan wel het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. Hij beroept zich hierbij op de fiscale voorrang. Een vordering op grond van artikel 19 van de wet kan in dit geval niet worden gedaan.
|
||||
Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde-eigenaar de uitspraak, houdende de vaststelling van het saneringsplan, in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de rechter reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald. Het voor of tijdens het faillissement gelegde beslag vervalt wanneer de derde-eigenaar in staat van faillissement wordt verklaard. De ontvanger meldt zijn vordering alsdan ter verificatie aan in de schuldsaneringsregeling dan wel het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. Hij beroept zich hierbij op de fiscale voorrang. Een vordering op grond van artikel 19 van de wet kan in dit geval niet worden gedaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger gaat ervan uit dat een verzet op de voet van artikel 456 Rv of artikel 538 e.v. Rv tegen de verkoop van roerende c.q. onroerende zaken de voortgang van de executie niet van rechtswege opschort.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1082,7 +1080,7 @@ Voorts geeft het besluit nog een bijzondere regeling voor specifieke lease-objec
|
|||
- zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige, hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij dientengevolge risico's draagt, in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid, die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist, omdat hij deze in een van de situatie afhankelijke mate feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder welke de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt niet denkbaar is;
|
||||
- zaken die zijn vervreemd in het kader van de uitoefening van een pandrecht of een ander tot zekerheid strekkend recht (mede) met het oogmerk deze zaken aan verhaal door de ontvanger te onttrekken.
|
||||
|
||||
De directeur pleegt met betrekking tot de te nemen beslissing voor zoveel nodig overleg met zijn bij de zaak betrokken ambtgenoten. De beslissing wordt, ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift, gemotiveerd. De directeur zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van de directeur op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing van de directeur worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door de directeur rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden. Als het gewenst is dat de zaken, in afwachting van de beslissing op het beroepschrift, spoedig worden verkocht, kan de ontvanger na overleg met de directeur erin toestemmen dat de verkoop door de derde geschiedt mits de opbrengst - die in dit opzicht in de plaats van de zaken treedt - in afwachting van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.
|
||||
De directeur pleegt met betrekking tot de te nemen beslissing voor zoveel nodig overleg met zijn bij de zaak betrokken ambtgenoten. De beslissing wordt, ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift, gemotiveerd. De directeur zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van de directeur op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing van de directeur worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door de directeur rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en - zo nodig - aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van de directeur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.
|
||||
|
||||
Als een derde bezwaar maakt tegen een beslaglegging op roerende zaken en uit het ingediende geschrift niet kan worden opgemaakt of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv, nodigt de ontvanger de derde uit zich daaromtrent binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22 van de wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1154,9 +1152,9 @@ De betalingskorting (zie hiervoor hetgeen bij artikel 27a van deze leidraad is v
|
|||
|
||||
Als met betrekking tot een conserverende belastingaanslag dan wel met betrekking tot de in een belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 25, paragrafen 4, 5a, 5b, 5c, 5d, 5e, 5f, 6 of 6a van deze leidraad wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening overgegaan. Verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten die nog niet onherroepelijk vaststaan en die samenhangen met de conserverende belastingaanslag dan wel samenhangen met de belasting waarvoor ingevolge artikel 25, negende, dertiende, veertiende, zestiende of achttiende lid, van de wet uitstel van betaling is verleend kan zonder enig bezwaar plaatsvinden, tenzij voor de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met bezwaar of beroep. Voor een zodanige bestuurlijke boete wordt in elk geval geen uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 25, paragrafen 4, 5a, 5b, 5c, 5d, 5e, 5f, 6 of 6a van deze leidraad. Zie in dit verband artikel 25, §4, zesde lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Bij verrekening van een voorlopige teruggaaf dient rekening te worden gehouden met de beslagvrije voet. Indien de voorlopige teruggaaf om doelmatigheidsredenen in één keer kan worden uitbetaald, wordt daarvan bij de berekening van de beslagvrije voet niet uitgegaan. Indien de ontvanger derhalve het bedrag van de voorlopige teruggaaf wil verrekenen met een belastingaanslag, zal die verrekening slechts betrekking kunnen hebben op het vervallen termijnbedrag, althans voor zover dit bedrag op grond van het voorgaande voor verrekening in aanmerking komt. In het geval de belastingschuldige periodieke inkomsten geniet en zijn partner maandelijks voorlopige teruggaven ontvangt, kunnen die teruggaven zonder toestemming van de partner niet met de de belastingschulden van de belastingschuldige worden verrekend. Zie in dit verband hoofdstuk III, artikel 19, §3, lid 7 a.
|
||||
In het geval de belastingschuldige periodieke inkomsten geniet en zijn partner maandelijks voorlopige teruggaven ontvangt, kunnen die teruggaven zonder toestemming van de partner niet met de de belastingschulden van de belastingschuldige worden verrekend. Zie in dit verband hoofdstuk III, artikel 19, §3, lid 7 a.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een belastingaanslag die betrekking heeft op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak als een voorlopige teruggaaf, is verrekening mogelijk van die teruggaaf met de belastingaanslag in weerwil van instemming met cessie of verpanding van de teruggaaf. Bij verrekening van de voorlopige teruggaaf met de betreffende belastingaanslag in deze situatie wordt ook geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. Immers de belastingaanslag kan worden gezien als een correctie op de vastgestelde voorlopige teruggaaf.
|
||||
Als sprake is van een belastingaanslag die betrekking heeft op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak als een voorlopige teruggaaf, is verrekening mogelijk van die teruggaaf met de belastingaanslag in weerwil van instemming met cessie of verpanding van de teruggaaf.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1306,7 +1304,7 @@ Bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen door middel van een bez
|
|||
|
||||
Naast bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen ook bezwaren worden ingebracht tegen een op grond van enige bepaling van de (belasting)wet door de inspecteur of de ontvanger genomen beschikking of kennisgeving. Te denken valt bijvoorbeeld aan een beschikking heffings- of invorderingsrente en aan een beschikking aansprakelijkstelling. Het beleid is daarop zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
In § 1, hiervoor, is aangegeven dat uitstel van betaling in beginsel wordt verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, wordt het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling aangemerkt. Dit geldt echter uitsluitend, indien in het bezwaarschrift het be-streden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. Een afzonderlijk verzoek om uitstel is in dat geval niet nodig.
|
||||
In § 1, hiervoor, is aangegeven dat uitstel van betaling in beginsel wordt verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, wordt het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling aangemerkt. Dit geldt echter uitsluitend, indien in het bezwaarschrift het be-streden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. Een expliciet verzoek om uitstel is in dat geval niet nodig.
|
||||
|
||||
Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een door de belastingschuldige ingesteld beroep tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1318,7 +1316,9 @@ Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet in het verzoek om uitstel
|
|||
|
||||
Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het bestreden bedrag dient tijdig te worden voldaan.
|
||||
|
||||
Voor de betwiste belastingschuld kan de ontvanger zekerheid verlangen. De ontvanger zal in het algemeen zekerheid vragen als de aard en de omvang van de belastingschuld in relatie tot de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag kan aanleiding zijn voor het vragen van zekerheid. (Zie verder § 1, lid 16, hiervoor). Vooruitlopend op de uiteindelijke uitspraak op het bezwaarschrift kan de ontvanger ook een betalingsregeling met de belastingschuldige overeenkomen als bedoeld in § 7 e.v. hierna.
|
||||
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de betwiste belastingschuld. In beginsel wordt alleen zekerheid gevraagd als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de bij de ontvanger bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag wordt mede bij de beslissing van de ontvanger betrokken. Voor het geval voor de betwiste belastingschuld geen uitstel van betaling wordt verleend omdat de verlangde zekerheid niet wordt verstrekt, zij verwezen naar het bepaalde in § 2, lid 3a.
|
||||
|
||||
Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, worden voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen getroffen. Wanneer echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat of de belangen van belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen zouden worden geschaad, kunnen bedoelde maatregelen wel worden getroffen. Het enkel leggen van beslagen die feitelijk dienst doen als bewaringsmaatregel, geldt in dit verband niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.
|
||||
|
||||
Als het bezwaarschrift te laat is ingediend, verleent de ontvanger eveneens in het algemeen desgevraagd uitstel van betaling tot op het bezwaarschrift ambtshalve door de inspecteur uitspraak is gedaan, tenzij het bezwaarschrift volstrekt ongegrond is of slechts tot doel heeft het invorderingsproces te traineren dan wel betalingsfaciliteiten te verkrijgen. Voordat een beslissing wordt genomen, pleegt de ontvanger in de daartoe aanleiding gevende gevallen overleg met de inspecteur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1379,13 +1379,13 @@ Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 2
|
|||
|
||||
Voor een bestuurlijke boete die samenhangt met een conserverende belastingaanslag, dan wel samenhangt met de belasting waarvoor anderszins een uitstelfaciliteit van toepassing is, wordt nooit uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende, zeventiende of achttiende lid, van de wet. Uitstel van betaling voor de bestuurlijke boete kan wel worden verleend in verband met redenen als omschreven in de paragrafen 2, 3, 7 e.v. van dit artikel. Zie tevens § 1, lid 14, hiervoor. Behoudens in de gevallen dat uitstel van betaling voor de bestuurlijke boete is verleend, kan de bestuurlijke boete die samenhangt met een conserverende belastingaanslag, dan wel samenhangt met de belasting waarvoor ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet uitstel is verleend, worden ingevorderd zodra die boete opeisbaar is. De boete hoeft dus niet onherroepelijk vast te staan. Ook verrekening is mogelijk, ondanks het feit dat de bestuurlijke boete niet onherroepelijk vaststaat, zelfs in het geval uitstel van betaling is verleend, tenzij uistel van betaling is verleend in verband met bezwaar, beroep en hoger beroep.
|
||||
|
||||
Als uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende of zeventiende lid, van de wet, wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening van uit te betalen bedragen met de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend overgegaan. Met betrekking tot verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten wordt verwezen naar het zesde lid van deze paragraaf.
|
||||
Als uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende tot en met negentiende lid, van de wet, wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening van uit te betalen bedragen met de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend overgegaan. Met betrekking tot verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten wordt verwezen naar het zesde lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Wanneer uitstel van betaling is verleend voor een conserverende belastingaanslag, wordt dat uitstel niet beëindigd als zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet. Bij uitstel van betaling ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet is artikel 25, §1, zevende lid, van deze leidraad van toepassing. Dit houdt in dat het op grond van artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet verleende uitstel onder meer wordt beëindigd als er een situatie is ontstaan zoals omschreven in de artikelen 10/15 van de wet en de ontvanger van oordeel is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld, waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, veertiende of zestiende lid, van de wet, reeds zonder meer uit de wettekst volgt dat het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige of in het geval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is.
|
||||
|
||||
De betreffende uitstelfaciliteiten strekken zich ook uit tot de verschuldigde heffingsrente en bij de toepassing van artikel 25, vijfde lid, van de wet eveneens tot de verschuldigde revisierente.
|
||||
|
||||
Indien een voorlopige conserverende aanslag is opgelegd en die aanslag wordt gevolgd door een definitieve conserverende aanslag vindt geen verrekening van de voorlopige aanslag plaats ingevolge artikel 15 AWR. De voorlopige aanslag vervalt op het moment waarop de definitieve conserverende aanslag wordt opgelegd. Een ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleend uitstel van betaling, de daartoe gestelde zekerheid en eventuele betalingen op de voorlopige conserverende aanslag worden van rechtswege dan toegerekend aan de definitieve. De ontvanger stelt de belastingschuldige hiervan schriftelijk in kennis. Voor zover de definitieve conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverende aanslag verleent de ontvanger, op schriftelijk verzoek, mits voldoende zekerheid wordt gesteld en wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden, uitstel van betaling voor het bedrag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat. Het uitstel wordt verleend met inachtneming van de voor die conserverende aanslag geldende bepalingen, hetgeen onder meer inhoudt dat alleen voor de duur van het uitstel van betaling voor het bedrag van de definitieve conserverende aanslag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat, wordt uitgegaan van de vervaldag van de definitieve conserverende aanslag.
|
||||
Indien een voorlopige conserverende aanslag is opgelegd en die aanslag wordt gevolgd door een definitieve conserverende aanslag vindt geen verrekening van de voorlopige aanslag plaats ingevolge artikel 15 AWR. De voorlopige aanslag vervalt op het moment waarop de definitieve conserverende aanslag wordt opgelegd. Een ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleend uitstel van betaling, de daartoe gestelde zekerheid en eventuele betalingen op de voorlopige conserverende aanslag worden van rechtswege dan toegerekend aan de definitieve. De ontvanger stelt de belastingschuldige hiervan schriftelijk in kennis. Voor zover de definitieve conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverende aanslag verleent de ontvanger, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in lid 2 van deze paragraaf, uitstel van betaling voor het bedrag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat. Het uitstel wordt verleend met inachtneming van de voor die conserverende aanslag geldende bepalingen, hetgeen onder meer inhoudt dat alleen voor de duur van het uitstel van betaling voor het bedrag van de definitieve conserverende aanslag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat, wordt uitgegaan van de vervaldag van de definitieve conserverende aanslag.
|
||||
|
||||
Op de uitstelregeling ingevolge artikel XIVa van de Wet ondernemerspakket 2001 is het in deze leidraad opgenomen beleid zoals dat geldt voor de uitstelregeling ingevolge artikel 25, vijftiende lid, van de wet van overeenkomstige toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze leidraad wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1639,12 +1639,12 @@ Een betalingsregeling dient steeds een op de toekomst gerichte oplossing te bied
|
|||
|
||||
Aan het verlenen van een betalingsregeling kan de ontvanger bovendien de voorwaarde verbinden dat zekerheid wordt gesteld (zie § 1, lid 16, hiervoor). De ontvanger zal in het algemeen zekerheid vragen als de aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.
|
||||
|
||||
Als een particulier een (schriftelijk of telefonisch) verzoek om een betalingsregeling heeft ingediend dat de strekking heeft de betaling enkele maanden te verschuiven, zal de ontvanger dit verzoek in de regel zonder nader onderzoek inwilligen als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
|
||||
Als een particulier een (schriftelijk of telefonisch) verzoek om een betalingsregeling heeft ingediend dat de strekking heeft de betaling enkele maanden te verschuiven, zal de ontvanger in de regel zonder nader onderzoek een betalingsregeling toestaan die zich uitstrekt tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.
|
||||
b. Ten name van de belastingschuldige staat geen zakelijke schuld open in de zin van artikel 22, derde lid, van de wet.
|
||||
c. Aan de belastingschuldige is niet voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
d. De betalingsregeling strekt zich tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag uit.
|
||||
c. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
d. Het verzoek betreft niet een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in meerdere termijnen betaald mag worden.
|
||||
e. Aan de belastingschuldige is geen dwangbevel betekend (voor openstaande schuld), waarvan de betalingstermijn reeds is verstreken.
|
||||
|
||||
Als het verzoek niet kan worden toegewezen op grond van het voorgaande lid, alsmede in daartoe aanleiding gevende gevallen, zal de ontvanger overgaan tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie, tenzij hij van mening is dat door een andere factor of omstandigheid uitstel niet in de rede ligt. De ontvanger zal in ieder geval geen uitstel van betaling verlenen als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd reeds uitstel van betaling op grond van het vorige lid is verleend.
|
||||
|
|
@ -1706,7 +1706,7 @@ De ontvanger trekt het uitstel in indien:
|
|||
|
||||
Indien de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de schuldregeling op grond van dit lid wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling, waarin gesteld wordt dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan, aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling.
|
||||
|
||||
Een aan ondernemers te verlenen betalingsregeling dient zich over een zo kort mogelijke periode uit te strekken. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de betalingscapaciteit en de vermogenspositie van de onderneming en het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag. Zo nodig vraagt de ontvanger nadere gegevens bij de verzoeker op. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden - gerekend vanaf de vervaldag van de belastingaanslag - niet te boven gaan.
|
||||
Een aan ondernemers te verlenen betalingsregeling dient zich over een zo kort mogelijke periode uit te strekken. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de betalingscapaciteit en de vermogenspositie van de onderneming en het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag. Zo nodig vraagt de ontvanger nadere gegevens bij de verzoeker op. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden - gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag - niet te boven gaan.
|
||||
|
||||
Een betalingsregeling dient steeds een op de toekomst gerichte oplossing te bieden. Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger dan ook de voorwaarde dat de nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, worden bijgehouden. Tevens wordt rekening gehouden met de op het moment van aangaan van de be-talingsregeling reeds verschuldigde kosten en invorderingsrente en met de invorderingsrente die tijdens de looptijd van de betalingsregeling verschuldigd zal worden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1870,7 +1870,7 @@ Het netto-besteedbare inkomen wordt gevormd door:
|
|||
|
||||
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies en premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
|
||||
- uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering);
|
||||
- overige inkomsten (bijvoorbeeld vorderingen tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AWR, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met uitzondering van de daarin begrepen kinderkorting, aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan) met uitzondering van de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen alsmede de uitkeringen op grond van artikel 229d, tweede lid, Gemeentewet (negatieve aanslag), artikel 255a Gemeentewet (uitbetaling aan degene die om kwijtschelding verzoekt) en bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget worden toegekend en bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb. Zie ook artikel 26, § 2, lid 18, van deze leidraad.
|
||||
- overige inkomsten (bijvoorbeeld vorderingen tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AWR, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met uitzondering van de daarin begrepen kinderkorting, aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een toeslag op basis van de Wet kinderopvang of een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan) met uitzondering van de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen alsmede de uitkeringen op grond van artikel 229d, tweede lid, Gemeentewet (negatieve aanslag), artikel 255a Gemeentewet (uitbetaling aan degene die om kwijtschelding verzoekt) en bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget worden toegekend en bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb. Zie ook artikel 26, § 2, lid 18, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Inkomsten van een inwonende worden in de berekening van het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige betrokken als deze inwonende met de belastingschuldige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Het feit dat een ouder of kind inwoont, kan dus niet leiden tot bijtelling van inkomsten. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van in gezins-verband levende echtgenoten, ongeacht hun huwelijksgoederenregime, en twee personen die een gezamenlijke huishouding voeren, mits geen bloedverwanten in de eerste graad. Het inkomen van een inwonend kind en een inwonende ouder blijft buiten beschouwing. Een uitzondering daarop vormen de inkomsten voor, door of ten behoeve van minderjarige kinderen ontvangen alimentatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1900,14 +1900,14 @@ Voordat van het netto-besteedbare inkomen de kosten van bestaan worden afgetrokk
|
|||
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de ontvanger niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de ontvanger de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die belastingaanslagen blijkt. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de ontvanger een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Betreft het belastingen van lokale overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De ontvanger kan de belastingschuldige te zijner tijd bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden waarvoor geen kwijtschelding kan worden verleend (zie § 1, zesde lid, hiervoor).
|
||||
|
||||
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Huursubsidiewet minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Voor het tijdvak 1 juli 2004 - 1 juli 2005 is dit een bedrag van € 179,61 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Huursubsidiewet voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 179,61: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 177,79 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 175,98) tot maximaal het bedrag van de hoogste subsidiabele huur (€ 597,54 per maand voor het tijdvak 1 juli 2004 - 1 juli 2005). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 597,54 - € 179,61 = € 417,93.
|
||||
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Huursubsidiewet minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Voor het tijdvak 1 juli 2005 - 31 december 2005 is dit een bedrag van € 178,54 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Huursubsidiewet voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 178,54: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 176,72 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 174,91) tot maximaal het bedrag van de hoogste subsidiabele huur (€ 604,72 per maand voor het tijdvak 1 juli 2005 - 31 december 2005). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 604,72 - € 178,54 = € 426,18.
|
||||
|
||||
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Huursubsidiewet, dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huursubsidie en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhogingen wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf), wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De "kost" wordt dus niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huursubsidie verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet. Dat is het geval als: - het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; - belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huursubsidie.
|
||||
|
||||
In het vorige lid dient voor:
|
||||
|
||||
a. "€ 179,61" in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: "€ 177,79" voor éénpersoonsouderenhuishoudens en "€ 175,98" voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
|
||||
b. "€ 597,54 - € 179,61 = € 417,93" in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 597,54 - € 177,79 = € 419,75 onderscheidenlijk € 597,54 - € 175,98 = € 421,56.
|
||||
a. € 178,54 in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: € 176,72 voor éénpersoonsouderenhuishoudens en € 174,91 voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
|
||||
b. € 604,72 - € 178,54 = € 426,18 in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 604,72 - € 176,72 = € 428 onderscheidenlijk € 604,72 - € 174,91 = € 429,81.
|
||||
|
||||
Premies voor een ziektekostenverzekering die niet door de werkgever worden ingehouden, de nominale ziekenfondspremie en aanvullende premies en de AWBZ-premies die niet door de werkgever worden ingehouden mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AAW, AWBZ of ZFW. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1928,9 +1928,9 @@ Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld, kunnen de kosten van bestaan
|
|||
|
||||
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die vanaf 1 januari 2005 gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
|
||||
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 831 en maximum € 1.039; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1.099; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1099. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 727 en maximum € 935; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 986. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 520 en maximum € 727; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 783. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 828 en maximum € 1.035; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1.095; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1095. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 725 en maximum € 932; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 983. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 518 en maximum € 725; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 780. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
|
||||
NB: Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1938,20 +1938,20 @@ Voorbeelden
|
|||
|
||||
Voorbeeld 1
|
||||
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 830. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 750. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 830 en bedraagt dus € 747. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 727. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 727. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 750 minus € 727 = € 23 x 80% = € 18.
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 830. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 750. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 830 en bedraagt dus € 747. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 725. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 725. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 750 minus € 725 = € 25 x 80% = € 20.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 2
|
||||
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 935 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 727. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil.
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 932 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 725. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 3
|
||||
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 830. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 831. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 831 = nihil.
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 830. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met
|
||||
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 172;
|
||||
- voor gehuwden: € 267.
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 171;
|
||||
- voor gehuwden: € 266.
|
||||
|
||||
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2248,7 +2248,7 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Van een belastingschuld waarvoor een buitenlandse belastingadministratie om bijstand bij de invordering heeft verzocht, kan hier te lande geen kwijtschelding worden verleend. Als een belastingschuldige zich met een verzoek om kwijtschelding tot de ontvanger wendt, stelt de ontvanger een onderzoek in naar de persoonlijke en financiële omstandigheden van de belastingschuldige. Nadat de ontvanger bericht en raad heeft uitgebracht aan de FIOD-ECD, kantoor Haarlem Internationaal c.q. aan de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem zal de beslissing luiden dat de Nederlandse Belastingdienst niet bevoegd is kwijtschelding te verlenen van buitenlandse belastingaanslagen. Als daartoe echter aanleiding bestaat, wordt tevens besloten dat de belastingschuldige voor zijn buitenlandse belastingschuld niet verder zal worden bemoeilijkt. In de beschikking waarin deze beslissing aan de belastingschuldige wordt bekendgemaakt, wordt gesproken over het niet meer treffen van invorderingsmaatregelen in plaats van "niet verder bemoeilijken". Als betalingscapaciteit aanwezig is voor de voldoening van een deel van de schuld wordt de belastingschuldige niet verder bemoeilijkt na betaling van een deel van de schuld. Als voldoende betalingscapaciteit aanwezig is, bestaat er geen aanleiding om belastingschuldige niet verder te bemoeilijken.
|
||||
Van een belastingschuld waarvoor een buitenlandse belastingadministratie om bijstand bij de invordering heeft verzocht, kan hier te lande geen kwijtschelding worden verleend. Als een belastingschuldige zich met een verzoek om kwijtschelding tot de ontvanger wendt, stelt de ontvanger een onderzoek in naar de persoonlijke en financiële omstandigheden van de belastingschuldige. Nadat de ontvanger bericht en raad heeft gevraagd aan de FIOD-ECD, kantoor Haarlem Internationaal c.q. aan de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem zal de beslissing van de ontvanger luiden dat de Nederlandse Belastingdienst niet bevoegd is kwijtschelding te verlenen van buitenlandse belastingaanslagen. Als daartoe echter aanleiding bestaat, wordt tevens besloten dat de belastingschuldige voor zijn buitenlandse belastingschuld niet verder zal worden bemoeilijkt. In de beschikking van de ontvanger waarin deze beslissing aan de belastingschuldige wordt bekendgemaakt, wordt gesproken over het niet meer treffen van invorderingsmaatregelen in plaats van "niet verder bemoeilijken". Als betalingscapaciteit aanwezig is voor de voldoening van een deel van de schuld wordt de belastingschuldige niet verder bemoeilijkt na betaling van een deel van de schuld. Als voldoende betalingscapaciteit aanwezig is, bestaat er geen aanleiding om belastingschuldige niet verder te bemoeilijken.
|
||||
|
||||
Zoals uit het eerste lid van deze paragraaf blijkt, maakt de toezegging dat ten aanzien van de belastingschuldige, eventueel onder het stellen van voorwaarden, geen invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen, onderdeel uit van de kwijtscheldingsbeschikking. Dit laatste betekent dat tegen deze beschikking beroep openstaat bij de directeur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2797,7 +2797,7 @@ De schone verklaring zal in deze gevallen slechts worden afgegeven als de inhoud
|
|||
|
||||
Tevens vermeldt hij dat de onderaannemer voor deze belastingaanslagen zekerheid heeft gesteld.
|
||||
|
||||
De ontvanger geeft ook een schone verklaring als tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid is verstrekt. Wil of kan de onderaannemer geen zekerheid verstrekken, dan geeft de ontvanger enkel een beschikking betreffende een verklaring inzake betalingsgedrag onder voorbehoud.
|
||||
De ontvanger geeft ook een schone verklaring als tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid is verstrekt.
|
||||
|
||||
Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract kan geen verklaring worden afgegeven omdat nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat de gevraagde verklaring nog niet kan worden afgegeven omdat nog niet eerder loonbelasting en premies volksverzekeringen moesten worden afgedragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3353,7 +3353,7 @@ Voor situaties waarin geen sprake is van aangewezen "risico-goederen" zal in dit
|
|||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Natuurlijke personen en/of lichamen in de zin van de AWR die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, worden voor de omzetbelasting als één ondernemer aangemerkt. De inspecteur stelt de belanghebbende(n) van zijn besluit in kennis door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking. Als aan een fiscale eenheid (de belastingschuldige) een naheffingsaanslag in de omzetbelasting wordt opgelegd en deze wordt niet betaald, is het mogelijk de gehele omzetbelastingschuld ten name van de fiscale eenheid te verhalen op elk van de personen of lichamen die de fiscale eenheid vormen, ongeacht bij welk(e) persoon/lichaam de schuld materieel is ontstaan. Artikel 43 is ook van toepassing op de omzetbelasting bij invoer.
|
||||
Natuurlijke personen en/of lichamen in de zin van de AWR die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, worden voor de omzetbelasting als één ondernemer aangemerkt. Als aan een fiscale eenheid (de belastingschuldige) een naheffingsaanslag in de omzetbelasting wordt opgelegd en deze wordt niet betaald, is het mogelijk de gehele omzetbelastingschuld ten name van de fiscale eenheid te verhalen op elk van de personen of lichamen die de fiscale eenheid vormen, ongeacht bij welk(e) persoon/lichaam de schuld materieel is ontstaan. Artikel 43 is ook van toepassing op de omzetbelasting bij invoer.
|
||||
|
||||
Wanneer niet langer aan de vereisten voor een fiscale eenheid wordt voldaan, blijft elk onderdeel hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting van de onderdelen van de fiscale eenheid totdat de belanghebbende de inspecteur schriftelijk ervan in kennis heeft gesteld dat de vereiste eenheid in financieel, organisatorisch en/of economisch opzicht is beëindigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3772,7 +3772,7 @@ De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf als bedoeld in artikel 54, eerst
|
|||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
Als een aansprakelijkgestelde op grond van de artikelen 34, 35, 35a, 35b, 36 of 36a van de wet heeft betaald en geen verhaal mogelijk is op de belastingschuldige zelf en op grond van het desbetreffende artikel verschillende hoofdelijk aansprakelijken zijn aan te wijzen, behoort een onverhaald gebleven bedrag door alle op grond van het artikel hoofdelijk aansprakelijken tezamen en in beginsel voor gelijke delen te worden gedragen. Als op grond van de inlenersaansprakelijkheid (artikel 34 van de wet) belasting is voldaan, bedraagt de bijdrage van elk van de hoofdelijk aansprakelijke inleners c.q. doorleners niet meer dan het bedrag waarvoor ieders aansprakelijkheid op grond van artikel 34 van de wet bestaat.
|
||||
Als een aansprakelijkgestelde op grond van de artikelen 33, eerste lid, onderdelen a, b of c, 34, 35, 35a, 35b, 36, 36a of 37 van de wet heeft betaald en geen verhaal mogelijk is op de belastingschuldige zelf en op grond van het desbetreffende artikel verschillende hoofdelijk aansprakelijken zijn aan te wijzen, behoort een onverhaald gebleven bedrag door alle op grond van het artikel hoofdelijk aansprakelijken tezamen en in beginsel voor gelijke delen te worden gedragen. Als op grond van de inlenersaansprakelijkheid (artikel 34 van de wet) belasting is voldaan, bedraagt de bijdrage van elk van de hoofdelijk aansprakelijke inleners c.q. doorleners niet meer dan het bedrag waarvoor ieders aansprakelijkheid op grond van artikel 34 van de wet bestaat.
|
||||
|
||||
Als op grond van de ketenaansprakelijkheid (artikelen 35, 35a of 35b van de wet) belasting is voldaan, dragen de hoofdelijk aansprakelijken naar evenredigheid bij als het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk van ieder van hen kan worden vastgesteld. Bij de vaststelling van het bij te dragen bedrag wordt rekening gehouden met een eventuele beperking van de aansprakelijkheid als gevolg van een vrijwarende storting die op de g-rekening heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4462,12 +4462,12 @@ Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, bedraagt de beslagvrij
|
|||
|
||||
## Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering
|
||||
|
||||
**Hulptabel opbouw maandbudget BOL per 1-8-2005 tot 1-1-2006 en HO van 1-9-2005 tot 1-1-2006**
|
||||
|
||||
Partnertoeslag per maand € 514,07
|
||||
|
||||
Eenoudertoeslag per maand € 411,73
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
## Bijlage 1c. Overzicht normen huursubsidie
|
||||
|
||||
De vermelde bedragen zijn op maandbasis
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue