From 8f35c4df8543faa797471a641627a961737443c8 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Jan 2016 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2016-01-01 | BWBR0011353 | Wet inkomstenbelasting 2001 --- .../BWBR0011353/README.md | 304 ++++++++---------- 1 file changed, 139 insertions(+), 165 deletions(-) diff --git a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md index ce5d6dcba5d..d98f99c8660 100644 --- a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md +++ b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md @@ -37,13 +37,19 @@ f. die in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van d In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het eerste lid wordt niet als partner aangemerkt: -a. een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt; +a. een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt; b. een persoon die geen inwoner is van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 is. **5.** Personen die partners waren op grond van het eerste lid, blijven als partners aangemerkt nadat de in dat onderdeel bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. De eerste volzin vindt geen toepassing meer indien één van beiden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de inspecteur laat weten dat zij niet langer als partners willen worden aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid. **6.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden twee ongehuwde personen die met toepassing van de vorige leden en artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als elkaars partners worden aangemerkt, voor de bepaling van aanverwantschap gelijkgesteld met gehuwden. +**7.** Onder partner wordt niet verstaan degene die uitsluitend ingevolge het eerste lid, onderdeel e, als partner wordt aangemerkt en woont in een accommodatie van een instelling die opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 biedt, mits de belastingplichtige een afschrift van de beschikkingen, bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van die wet, tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor hem en voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, ten behoeve van opvang overlegt. + +**8.** Een aanverwant van de belastingplichtige wordt uitsluitend als aanverwant als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, aangemerkt ingeval de belastingplichtige en de aanverwant in enig jaar een gezamenlijk verzoek bij de inspecteur hebben ingediend om niet als partners te worden aangemerkt. + +**9.** Een persoon die op basis van een verzoek als bedoeld in het achtste lid niet als partner van de belastingplichtige wordt aangemerkt, wordt eveneens niet als partner van de belastingplichtige aangemerkt voor de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. + ### Artikel 1.3 Vervallen @@ -199,7 +205,9 @@ c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar of een gedeelte daarvan binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 zijn, wordt het op grond van de eerste volzin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3). -**2.** Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel 12, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel verminderd. +**2.** Het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting wordt voor belastingplichtigen die, anders dan door overlijden, niet gedurende het gehele kalenderjaar binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 zijn, tijdsevenredig verminderd volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. + +**3.** Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel 12, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel verminderd. ### Artikel 2.8 @@ -232,12 +240,12 @@ De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1 respecti | Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | | | --- | --- | --- | --- | | I | II | III | IV | -| – | € 19.822 | – | 8,35% | -| € 19.822 | € 33.589 | € 1.655 | 13,85% | -| € 33.589 | € 57.585 | € 3.561 | 42,00% | -| € 57.585 | – | € 13.639 | 52,00% | +| – | € 19.922 | – | 8,40% | +| € 19.922 | € 33.715 | € 1.673 | 12,25% | +| € 33.715 | € 66.421 | € 3.362 | 40,40% | +| € 66.421 | – | € 16.575 | 52,00% | -**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 1% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 1% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning. +**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 1,5% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 1,5% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning. ### Artikel 2.10a @@ -248,12 +256,12 @@ In afwijking van artikel 2.10 wordt voor de belastingplichtige die geboren is v | Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | | | --- | --- | --- | --- | | I | II | III | IV | -| – | € 19.822 | – | 8,35% | -| € 19.822 | € 33.857 | € 1.655 | 13,85% | -| € 33.857 | € 57.585 | € 3.598 | 42,00% | -| € 57.585 | – | € 13.563 | 52,00% | +| – | € 19.922 | – | 8,40% | +| € 19.922 | € 34.027 | € 1.673 | 12,25% | +| € 34.027 | € 66.421 | € 3.400 | 40,40% | +| € 66.421 | – | € 16.487 | 52,00% | -**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 1% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 1% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning. +**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 1,5% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 1,5% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning. ### Artikel 2.11 @@ -672,7 +680,7 @@ c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in pr ### Artikel 3.18 -**1.** Bij het bepalen van de winst komen premies voor een *pensioenregeling* als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de belastingplichtige uitsluitend in aftrek indien die regeling voldoet aan de in de artikelen 18, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, 18a, tweede tot en met twaalfde lid, 18b, tweede tot en met achtste lid, 18c, tweede tot en met zevende lid, 18d, 18f en 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964 en de bij of krachtens het vijfde lid gestelde normeringen en beperkingen. Bij de toepassing van de eerste volzin zijn de artikelen 19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en f, en vierde lid, 19c en 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing. +**1.** Bij het bepalen van de winst komen premies voor een *pensioenregeling* als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de belastingplichtige uitsluitend in aftrek indien die regeling voldoet aan de in de artikelen 18, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, 18a, tweede tot en met twaalfde lid, 18b, tweede tot en met achtste lid, 18c, tweede tot en met zevende lid, 18d, 18f en 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en de bij of krachtens het vijfde lid gestelde normeringen en beperkingen. Bij de toepassing van de eerste volzin zijn de artikelen 19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en f, en vierde lid, 19c en 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing. **2.** Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek premies als bedoeld in het eerste lid, voor zover deze zijn gebaseerd op een hoger inkomen dan het voor de belastingplichtige geldende pensioengevend inkomen. @@ -692,7 +700,7 @@ e. *dienstbetrekking:* arbeidsverhouding als gevolg waarvan deelneming aan een p Voor de toepassing van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot: -a. de overeenkomstige toepassing van artikel 18a, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, onderdeel a, tweede volzin, en negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964; +a. de overeenkomstige toepassing van de artikelen 18a, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, onderdeel a, tweede volzin, en negende lid, en 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964; b. perioden die mede in aanmerking kunnen worden genomen als dienstjaren, alsmede de gedurende deze perioden met pensioengevend inkomen gelijk te stellen bedragen; c. de met pensioengevend inkomen gelijk te stellen bedragen gedurende ten hoogste de eerste drie jaar van deelneming in een pensioenregeling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambt of de Wet verplichte beroepspensioenregeling; d. de situatie waarin het pensioengevend inkomen is verlaagd in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid van de deelnemer; @@ -713,8 +721,8 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: | € 12.500 | € 25.000 | 1,35% van deze waarde | | € 25.000 | € 50.000 | 1,50% van deze waarde | | € 50.000 | € 75.000 | 1,65% van deze waarde | -| € 75.000 | € 1.050.000 | 1,80% van deze waarde | -| € 1.050.000 | – | € 18 900 vermeerderd met 2,20% van de woningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1 050 000 | +| € 75.000 | € 1.050.000 | 1,85% van deze waarde | +| € 1.050.000 | – | € 19 425 vermeerderd met 2,35% van de woningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1. 050 000 | **3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar van de onttrekking. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning. @@ -742,10 +750,9 @@ De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking t De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op jaarbasis verlaagd met: -a. 11% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot niet hoger is dan 82 gram per kilometer; -b. 5% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot hoger is dan 82 gram per kilometer, maar niet hoger dan 110 gram per kilometer. - -In afwijking van de eerste volzin wordt de onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, tot 1 januari 2016 op jaarbasis verlaagd met 21% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is en met 18% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer. +a. 21% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is; +b. 10% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot hoger is dan 0 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 50 gram per kilometer, en +c. 4% van de waarde van de auto indien de CO_2-uitstoot hoger is dan 50 gram per kilometer, maar niet hoger is dan 106 gram per kilometer. **3.** Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil. @@ -942,7 +949,7 @@ De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen v ### Artikel 3.29a -**1.** Een belang in een lichaam dat ingevolge artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een belang in een niet in Nederland gevestigde beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, die belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 6a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die niet is onderworpen aan een belastingheffing naar de winst en niet verplicht is om jaarlijks de winst aan de aandeelhouders ter beschikking te stellen, om voor de vrijstelling van de belastingheffing naar de winst in aanmerking te komen. +**1.** Een belang in een lichaam dat ingevolge artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een belang in een niet in Nederland gevestigde beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, die belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 6a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die niet is onderworpen aan een belastingheffing naar de winst en niet verplicht is om jaarlijks de winst aan de aandeelhouders ter beschikking te stellen, om voor de vrijstelling van de belastingheffing naar de winst in aanmerking te komen. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een belang in een lichaam indien de bezittingen van dat lichaam in enigszins belangrijke mate bestaan uit een belang in een lichaam als bedoeld in het eerste lid. @@ -1077,13 +1084,13 @@ Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaa Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: -| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek | +| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek | | --- | --- | --- | | – | € 2.300 | € 0 | -| € 2.300 | € 55.745 | 28% van het investeringsbedrag | -| € 55.745 | € 103.231 | € 15.609 | -| € 103.231 | € 309.693 | € 15.609 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 103.231 te boven gaat | -| € 309.693 | – | € 0 | +| € 2.300 | € 56.024 | 28% van het investeringsbedrag | +| € 56.024 | € 103.748 | € 15.687 | +| € 103.748 | € 311.242 | € 15 687 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 103.748 te boven gaat | +| € 311 242 | – | € 0 | **3.** Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld. @@ -1093,14 +1100,14 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: **2.** Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. -**3.** De energie-investeringsaftrek bedraagt 41,5 percent. +**3.** De energie-investeringsaftrek bedraagt 58 percent. **4.** Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen: -a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 119.000.000; -b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 119.000.000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. +a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 120.000.000; +b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 120.000.000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. **5.** Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. @@ -1270,27 +1277,7 @@ b. kunnen de in artikel 3.41, tweede lid, derde kolom, vermelde percentages en b ### Artikel 3.52a -**1.** Bij het bepalen van de winst komt aanvullend in aftrek een bedrag wegens kosten of uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk, met uitzondering van loonkosten, zoals vastgesteld in een door Onze Minister van Economische Zaken ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking (RDA-beschikking). Het bedrag van de RDA-beschikking komt ten laste van de winst op de dag van de dagtekening van die beschikking. - -**2.** Bij het bepalen van de winst wordt ten bate van de winst gebracht een bedrag wegens een correctie van een eerder ten name van de belastingplichtige afgegeven RDA-beschikking en wel tot het bedrag zoals vastgesteld in een door Onze Minister van Economische Zaken ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking (correctie-RDA-beschikking). Het bedrag van de correctie-RDA-beschikking komt ten bate van de winst op de dag van de dagtekening van die beschikking. - -**3.** Op voordracht van Onze Minister van Economische Zaken worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het aanvragen en het afgeven van een RDA-beschikking, de bepaling van de grondslag en het daarop toe te passen percentage ter berekening van het bedrag van een RDA-beschikking, de feiten die aanleiding zijn voor een correctie-RDA-beschikking en het berekenen van het bedrag van een correctie-RDA-beschikking alsmede met betrekking tot de door de belastingplichtige bij te houden administratie ten behoeve van de vaststelling van een RDA-beschikking. - -**4.** Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de belastingderving ten gevolge van winstverminderingen ingevolge het eerste lid en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken na overleg met Onze Minister ter zake van kosten of uitgaven met ingang van 1 januari van enig jaar worden bepaald dat het percentage voor de berekening van het bedrag van de RDA-beschikking wordt gewijzigd. - -**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder speur- en ontwikkelingswerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, met inbegrip van de beperking als bedoeld in het vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, waarvoor aan de belastingplichtige een S&O-verklaring is verstrekt als bedoeld in artikel 23 of artikel 27 van die wet. - -**6.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van het krachtens het derde lid bepaalde. Voor de toepassing van de artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreffende de uitvoering van dit artikel door Onze Minister van Economische Zaken of de door hem aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister van Economische Zaken in de plaats van Onze Minister. - -**7.** Artikel 28 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering van het krachtens dit artikel bepaalde. - -**8.** In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen kunnen belanghebbenden worden gehouden eigener beweging mededeling te doen aan Onze Minister van Economische Zaken van onjuistheden of onvolledigheden in de voor de RDA-beschikking van belang zijnde gegevens en inlichtingen die hun bekend zijn geworden. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop een mededeling als bedoeld in de eerste volzin gedaan moet worden. Het niet nakomen van de verplichting kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen worden aangemerkt als een overtreding. - -**9.** Het verstrekken van gegevens of bescheiden die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat het aannemelijk is dat op de aanvraag van een RDA-beschikking een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest, kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen worden aangemerkt als een overtreding. - -**10.** Voert een belanghebbende de administratie ten behoeve van de vaststelling van de RDA-beschikking niet overeenkomstig de krachtens het derde lid gestelde eisen, dan kan dit in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen worden aangemerkt als een overtreding. - -**11.** In het geval van een overtreding als bedoeld in het achtste, negende of tiende lid, kan Onze Minister van Economische Zaken aan de belanghebbende een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 100 000 of, indien dit meer is, tweemaal het bedrag dat voor de desbetreffende periode in de RDA-beschikking is opgenomen. +Vervallen ### Artikel 3.53 @@ -1547,7 +1534,7 @@ e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap. ### Artikel 3.68 -**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 9,8% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 8.631. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. +**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 9,8% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 8.774. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. **2.** De op grond van het eerste lid berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat. @@ -1661,13 +1648,13 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt ond ### Artikel 3.77 -**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 12.421. +**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 12.484. -**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 6.213. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. +**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 6.245. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **3.** Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde en zevende lid, van die wet, vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 14.754, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. +**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde, vierde en zevende lid, van die wet vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 14.828, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. ### Artikel 3.78 @@ -1820,24 +1807,24 @@ Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde pla | --- | --- | --- | | van meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | – | 10 km | – | -| 10 km | 15 km | € 440 | -| 15 km | 20 km | € 588 | -| 20 km | 30 km | € 983 | -| 30 km | 40 km | € 1.218 | -| 40 km | 50 km | € 1.589 | -| 50 km | 60 km | € 1.767 | -| 60 km | 70 km | € 1.961 | -| 70 km | 80 km | € 2.027 | -| 80 km | – | € 2.055 | +| 10 km | 15 km | € 443 | +| 15 km | 20 km | € 591 | +| 20 km | 30 km | € 988 | +| 30 km | 40 km | € 1225 | +| 40 km | 50 km | € 1597 | +| 50 km | 60 km | € 1776 | +| 60 km | 70 km | € 1971 | +| 70 km | 80 km | € 2038 | +| 80 km | - | € 2066 | **5.** Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; -b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,23 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 2.055 per jaar. +b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,23 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 2.066 per jaar. -**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 2.055 per jaar. +**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 2.066 per jaar. **7.** Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. @@ -2016,7 +2003,7 @@ c. voordelen die door de belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in artikel Het eerste lid is alleen van toepassing indien: -a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 4.954 per jaar, en +a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 5069 per jaar, en b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. ### Artikel 3.98 @@ -2186,7 +2173,7 @@ l. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteun m. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l; n. uitkeringen ingevolge artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet; o. de vaste vergoedingen voor behandeling of verpleging, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op artikel 11a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, onderscheidenlijk artikel 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 3 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, alsmede bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit; -p. tegemoetkomingen krachtens artikel 2 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten; +p. bij ministeriële regeling aan te wijzen publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn gericht op het verbeteren of behouden van de positie van de belastingplichtige op de arbeidsmarkt en daarmee samenhangende vervoersvoorzieningen voor het bereiken van de werkplek of opleidingslocatie; q. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met p. ### Artikel 3.105 @@ -2310,7 +2297,7 @@ De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: | € 25.000 | € 50.000 | 0,45% van deze waarde | | € 50.000 | € 75.000 | 0,60% van deze waarde | | € 75.000 | € 1.050.000 | 0,75% van deze waarde | -| € 1.050.000 | – | € 7.875 vermeerderd met 2,05% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.050.000 | +| € 1.050.000 | – | € 7.875 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.050.000 | **2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning. @@ -2318,7 +2305,7 @@ De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: **4.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil. -**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1,25% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.050.000 de voordelen gesteld op € 13.125 vermeerderd met 2,15% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.050.000. +**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1,25% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.050.000 de voordelen gesteld op € 13.125 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.050.000. **6.** Met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de basisregistratie personen. De eerste volzin is niet van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op het adres van de eigen woning in de basisregistratie personen niet mogelijk is of indien artikel 3.111, achtste lid, toepassing vindt. @@ -2328,7 +2315,7 @@ Met betrekking tot de *eigen woning* die tijdelijk ter beschikking is gesteld aa ### Artikel 3.114 -**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 4.954 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. +**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 5.069 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. **2.** Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. @@ -2528,7 +2515,7 @@ i_m: de nieuwe maandelijkse rentevoet; x: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, en n: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de schuld in gehele kalendermaanden op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan; of -b. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aflossingsachterstand in het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de eerste aflossingsachterstand is ontstaan het gevolg is van een onbedoelde fout in de betaling of berekening van het aflossingsbedrag, en de eigenwoningschuld op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c, voor dat moment. +b. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aflossingsachterstand in het jaar volgend op het kalenderjaar waarin voor het eerst een aflossingsachterstand is ontstaan het gevolg is van een onbedoelde fout in de betaling of berekening van het aflossingsbedrag, en de eigenwoningschuld op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c, voor dat moment. **3.** @@ -2542,13 +2529,11 @@ x: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf het moment n: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de schuld in gehele kalendermaanden op het moment direct voorafgaand aan het contractueel overeenkomen van het nieuwe ten minste annuïtaire aflossingsschema. -**4.** Indien het tweede lid of het derde lid er niet toe leidt dat de schuld waarvoor een aflossingsachterstand is ontstaan toch tot de eigenwoningschuld blijft behoren, behoort die schuld per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, onderscheidenlijk per 1 januari van het vierde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin aflossingsachterstand is ontstaan, voor de resterende periode van de looptijd niet tot de eigenwoningschuld. +**4.** Indien het tweede lid of het derde lid er niet toe leidt dat de schuld waarvoor een aflossingsachterstand is ontstaan toch tot de eigenwoningschuld blijft behoren, behoort die schuld per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan, onderscheidenlijk per 1 januari van het vierde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin aflossingsachterstand is ontstaan, niet tot de eigenwoningschuld. -**5.** Indien een schuld op de voet van het vierde lid niet meer behoort tot de eigenwoningschuld, de belastingplichtige deze schuld op enig moment aflost en op enig moment daarna een nieuwe schuld in verband met een eigen woning aangaat, wordt voor de toepassing van artikel 3.119a deze nieuwe schuld verminderd met het bedrag van de schuld die niet meer tot de eigenwoningschuld behoorde op de voet van het vierde lid. +**5.** Voor zover een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van de belastingplichtige op een toetsmoment als bedoeld in artikel 3.119c, zevende lid, onderdelen b tot en met d, meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c, behoort die schuld voor de toepassing van artikel 3.119a op het moment direct voorafgaand aan het toetsmoment niet meer tot de eigenwoningschuld. De eerste volzin is niet van toepassing indien het derde lid van toepassing is en de woning is vervreemd voor het verstrijken van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan. -**6.** Voor zover een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van de belastingplichtige op een toetsmoment als bedoeld in artikel 3.119c, zevende lid, onderdelen b tot en met d, meer bedraagt dan het bedrag dat volgt uit artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c, behoort die schuld voor de toepassing van artikel 3.119a op het moment direct voorafgaand aan het toetsmoment niet meer tot de eigenwoningschuld. De eerste volzin is niet van toepassing indien het derde lid van toepassing is en de woning is vervreemd voor het verstrijken van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar waarin de aflossingsachterstand is ontstaan. - -**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. +**6.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. ### Artikel 3.119f @@ -2560,13 +2545,7 @@ n: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de sc ### Artikel 3.119g -**1.** De belastingplichtige die een overeenkomst van geldlening aangaat anders dan met een op grond van artikel 10.8 aangewezen administratieplichtige en die de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld wil rekenen tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, is gehouden uiterlijk bij het indienen van de aangifte over het kalenderjaar waarin die overeenkomst tot stand is gekomen, doch uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin die overeenkomst tot stand is gekomen, mededeling daarvan te doen en de bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens te verstrekken. - -**2.** Bij wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende de looptijd van de schuld is de belastingplichtige gehouden binnen een maand na afloop van het kalenderjaar waarin de wijziging zich voordoet van die wijziging mededeling te doen en daarbij de gewijzigde gegevens te verstrekken. Indien de wijziging zich voordoet in het kalenderjaar van aangaan van de schuld geldt, in afwijking van de eerste volzin, de termijn, genoemd in het eerste lid. - -**3.** De mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt door het aan de inspecteur toezenden van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier waarop de voorgeschreven gegevens zijn ingevuld. - -**4.** Indien de mededeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet, niet tijdig of niet volledig is gedaan en de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet, niet tijdig of niet volledig zijn verstrekt, behoort de schuld met ingang van het kalenderjaar waarin de overeenkomst tot stand is gekomen, onderscheidenlijk met ingang van het kalenderjaar waarin de wijziging zich voordoet, niet tot de eigenwoningschuld. Indien in dat geval de voorgeschreven mededeling en de voorgeschreven gegevens binnen een maand na afloop van een volgend kalenderjaar wordt gedaan, onderscheidenlijk worden verstrekt, behoort, indien aan de overige eisen van artikel 3.119a, eerste lid, is voldaan, de schuld met ingang van dat kalenderjaar tot de eigenwoningschuld. +De belastingplichtige die een overeenkomst van geldlening aangaat anders dan met een op grond van artikel 10.8 aangewezen administratieplichtige en die de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld wil rekenen tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, is gehouden jaarlijks in de aangifte de bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens te verstrekken. ### Artikel 3.120 @@ -2625,12 +2604,6 @@ In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden kosten voor verbeteri **4.** Voor de toepassing van de vorige leden worden de in een kalenderjaar op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten naar evenredigheid toegerekend aan de tijdvakken waarop deze kosten betrekking hebben. De eerste volzin is niet van toepassing op afsluitprovisies die niet meer belopen dan het maximum, bedoeld in artikel 3.120, vijfde lid. -**5.** Indien door of vanwege een inhoudingsplichtige in de zin van de wet op de loonbelasting 1964 van de belastingplichtige of zijn *partner* dan wel door of vanwege een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van die wet aan de belastingplichtige of zijn partner een geldlening is verstrekt, daaronder begrepen een gedeelte van een geldlening, en de belastingplichtige of zijn partner daardoor een rentevoordeel geniet dat niet tot het loon gerekend is, maar dat als aftrekbare kosten in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 in aanmerking zou worden genomen indien het wel tot het loon gerekend zou zijn, wordt de waarde van dit rentevoordeel voor de toepassing van de vorige leden in aanmerking genomen als op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten. - -**6.** Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op aan een geldlening als bedoeld in het vijfde lid verbonden kosten. - -**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van de waarde van het rentevoordeel en de waarde van het voordeel van de aan de geldlening verbonden kosten, bedoeld in het vijfde en zesde lid. - ### Afdeling 3.7. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen ### Artikel 3.124 @@ -2654,7 +2627,7 @@ Als lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, die dienen t a. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn *partner* of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; -c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 21.142 per jaar. +c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 21.248 per jaar. **2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. @@ -2713,7 +2686,7 @@ a. bij in leven zijn van de verzekeringnemer: 1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet; 2°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, van de verzekeringnemer; -3°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd heeft bereikt die een jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 21.142, en ten minste 20 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag; +3°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd heeft bereikt die een jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 21.248, en ten minste 20 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag; 4°. dat, ingeval de uitkering van de eerste termijn plaatsvindt binnen zes maanden na het overlijden van de partner of gewezen partner van de verzekeringnemer, in afwijking van het onder 2° en 3° bepaalde, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt; b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan: @@ -2722,7 +2695,7 @@ b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen 3°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die jonger is dan 30 jaar, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn hetzij ten minste 5 jaar bedraagt doch nimmer meer dan het aantal jaren dat deze bloed- of aanverwant jonger is dan 30 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn, hetzij ten minste 20 jaar bedraagt; 4°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een ander persoon dan bedoeld onder 2° en 3°, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt. -**5.** In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan, in één termijn worden uitgekeerd, mits de waarde in het economische verkeer van dat tegoed, onderscheidenlijk van dat recht, op het onmiddellijk aan het tijdstip van uitkering voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.281. Voor de toepassing van de eerste volzin worden lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde bank of beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, geacht tezamen één rekening onderscheidenlijk één beleggingsrecht te vormen. +**5.** In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan, in één termijn worden uitgekeerd, mits de waarde in het economische verkeer van dat tegoed, onderscheidenlijk van dat recht, op het onmiddellijk aan het tijdstip van uitkering voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.303. Voor de toepassing van de eerste volzin worden lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde bank of beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, geacht tezamen één rekening onderscheidenlijk één beleggingsrecht te vormen. **6.** Indien ingevolge het vierde lid, onderdeel a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen voor uitkering van de laatste termijn overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen. @@ -2738,7 +2711,7 @@ b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen **1.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 13,8% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. -**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 7.052. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste tien jaar lager is dan de in dat kalenderjaar geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 7.052 verhoogd tot € 13.927. +**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 7.088. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste tien jaar lager is dan de in dat kalenderjaar geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 7.088 verhoogd tot € 13.997. **3.** @@ -2749,13 +2722,13 @@ b. het belastbare loon; c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden; d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; -van de belastingplichtige waarvan ten hoogste € 100.000 in aanmerking wordt genomen, verminderd met een bedrag van € 11.936. +van de belastingplichtige waarvan ten hoogste € 101.519 in aanmerking wordt genomen, verminderd met een bedrag van € 11.996. **4.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt: -a. de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: 6,5 keer de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken volgens een pensioenregeling voorzover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat kalenderjaar; +a. de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: 6,5 keer de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken volgens een pensioenregeling voorzover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat kalenderjaar, vermeerderd met het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen als bedoeld in artikel 5.17 betaalde of verrekende premies, gedeeld door de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid; b. de vermindering in verband met dotaties aan de oudedagsreserve gesteld op het bedrag waarmee de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande kalenderjaar overtreft de afneming van die reserve bij het einde van dat kalenderjaar volgens artikel 3.70, eerste lid, onderdeel b. **5.** Indien de belastingplichtige in het kalenderjaar een onderneming – of een gedeelte daarvan – waaruit hij als ondernemer winst geniet staakt, wordt op zijn verzoek in afwijking van de voorgaande leden voor de berekening van hetgeen in het kalenderjaar aan lijfrentepremies in aanmerking kan worden genomen, niet uitgegaan van de voor die berekening relevante gegevens van het voorafgaande kalenderjaar, maar van die van het kalenderjaar zelf. Alsdan wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in het volgende kalenderjaar de premiegrondslag verminderd met de daarin begrepen stakingswinst. @@ -2778,16 +2751,16 @@ Een belastingplichtige met een oudedagsreserve kan, vanwege de omzetting van die Het maximum bedraagt: -a. € 447.047 in de gevallen waarin: +a. € 449.283 in de gevallen waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste vijf jaar lager is dan de ten tijde van het staken geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet; 2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of 3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer; -b. € 223.531 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: +b. € 224.649 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste vijftien jaar lager is dan de ten tijde van het staken geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of 2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan; -c. € 111.771 in de overige gevallen. +c. € 112.330 in de overige gevallen. **3.** @@ -2855,7 +2828,7 @@ Het eerste lid vindt toepassing indien: a. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat onderdeel gestelde voorwaarden voldoet; b. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak – beoordeeld vanuit de verzekeringnemer – zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet; c. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van de artikelen 3.127 en 3.129 in totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag; -d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak op *lijfrente* of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.281; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing; +d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak op *lijfrente* of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.303; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing; e. de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990; f. het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; g. de verzekeraar of de in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, bedoelde belastingplichtige niet langer voldoet aan de in artikel 3.126 gestelde voorwaarden; @@ -2951,7 +2924,7 @@ f. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de belastingplichtige die zich op ### Artikel 3.137 -**1.** Voor de toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 en 3.136, eerste, vijfde en zesde lid wordt het bedrag aan in aanmerking te nemen premies en bedragen en het daarover behaalde rendement ter zake van een aanspraak of een gedeelte van een aanspraak gesteld op de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of dat gedeelte op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de in die artikelen bedoelde omstandigheid voordoet. Daarbij wordt de waarde in het economische verkeer van een aanspraak waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, tenminste gesteld op de premies en bedragen die voor de aanspraak of een gedeelte van de aanspraak zijn betaald doch niet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. +**1.** Voor de toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 en 3.136, eerste, vijfde en zesde lid wordt het bedrag aan in aanmerking te nemen premies en bedragen en het daarover behaalde rendement ter zake van een aanspraak of een gedeelte van een aanspraak gesteld op de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of dat gedeelte op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de in die artikelen bedoelde omstandigheid voordoet. Daarbij wordt de waarde in het economische verkeer van een aanspraak waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, tenminste gesteld op de premies en bedragen die voor de aanspraak of een gedeelte van de aanspraak zijn betaald doch niet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. De tweede volzin is niet van toepassing bij afkoop van aanspraken als bedoeld in artikel 3.133, eerste lid. **2.** @@ -3268,7 +3241,7 @@ verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6). ### Artikel 4.12a -Ingeval aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht zijn verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen op verzoek, in afwijking van artikel 4.12, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de erflater ingevolge artikel 2.8 als te conserveren inkomen is aangemerkt en waarvoor ten tijde van het genieten van de reguliere voordelen nog uitstel van betaling loopt, buiten beschouwing. +Ingeval de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen of uit aandelen of winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap op verzoek, in afwijking van artikel 4.12, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen van die soort in die vennootschap. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij de erflater ingevolge artikel 2.8 als te conserveren inkomen is aangemerkt en waarvoor ten tijde van het genieten van de reguliere voordelen nog uitstel van betaling loopt, buiten beschouwing. ### Afdeling 4.5. Reguliere voordelen @@ -3543,9 +3516,9 @@ Het vervreemdingsvoordeel ter zake van een geruisloze terugkeer als bedoeld in a **2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen. -**3.** Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap betreft. +**3.** Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlands belastingplichtig is geweest. -**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, en voor het geval voordien artikel 7.5, zevende lid, is toegepast. +**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid. **5.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het verminderen van de aanslag bij de vaststelling waarvan artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, is toegepast, in geval van terugkeer van de belastingplichtige naar Nederland binnen tien jaren nadat hij is opgehouden in Nederland te wonen onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, is toegepast. @@ -3907,26 +3880,11 @@ b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid dan wel een g ### Artikel 5.5 -Het heffingvrije vermogen bedraagt € 21.330. +Het heffingvrije vermogen bedraagt € 24.437. ### Artikel 5.6 -**1.** - -Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien: - -a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, en -b. de grondslag sparen en beleggen, vóór vermindering met de ouderentoeslag, niet meer bedraagt dan € 282.226. - -Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van: - -| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderentoeslag | -| --- | --- | --- | -| – | € 14.431 | € 28.236 | -| € 14.431 | € 20.075 | € 14.118 | -| € 20.075 | – | nihil | - -**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking genomen de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, vóór vermindering met de ouderentoeslag, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 282.226 verhoogd tot € 564.451. +Vervallen ### Afdeling 5.2. Vrijstellingen @@ -3956,22 +3914,17 @@ Tot de bezittingen behoren niet de rechten op roerende zaken die krachtens erfre ### Artikel 5.10 -**1.** - Tot de bezittingen behoren niet: a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit *levensverzekering*, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn *partner* of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits: -1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6.921; +1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6.956; -dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6.921: -2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6.921; -b. het tegoed van een bij een bank, zijnde een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, aangehouden geblokkeerde rekening, waarbij het tegoed uitsluitend wordt gedeblokkeerd bij overlijden van de bij opening van die geblokkeerde rekening vast te stellen persoon, zijnde de rekeninghouder, zijn partner of een bloed- of aanverwant, mits het tegoed van de in die zin aan het overlijden van de desbetreffende persoon gekoppelde rekeningen in totaal niet meer bedraagt dan € 6.921; -c. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; -d. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang; -e. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 517 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn *partner* gezamenlijk op € 1.034 wordt gesteld. - -**2.** Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien de som van de waarde van aan het overlijden van een persoon gekoppelde rechten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tegoed van de aan het overlijden van die persoon gekoppelde rekeningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in totaal meer bedraagt dan € 6.921. +dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6.956: +2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6.956; +b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; +c. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang; +d. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 520 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn *partner* gezamenlijk op € 1.040 wordt gesteld. ### Artikel 5.11 @@ -3985,7 +3938,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v ### Artikel 5.13 -Tot de bezittingen behoren niet groene beleggingen voor een bedrag van in totaal € 56.928. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 113.856 gesteld. +Tot de bezittingen behoren niet groene beleggingen voor een bedrag van in totaal € 57.213. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 114.426 gesteld. ### Artikel 5.14 @@ -4085,7 +4038,7 @@ vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van de vrijste **2.** Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. -**3.** Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, en de verhoging daarvan, bedoeld in artikel 5.6. +**3.** Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5. **4.** Het eerste lid is niet van toepassing op een afkoop van een nettolijfrente ingeval voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3.133, negende lid, onderdelen a en b, en het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan een bedrag gelijk aan het gemiddelde van het gezamenlijke bedrag van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, onderdelen a, b, c en d, van het voorafgaande kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar voor zover dat gezamenlijke bedrag het in het betreffende jaar in artikel 3.127, derde lid, eerstvermelde bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid. @@ -4157,7 +4110,7 @@ vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van de vrijste **2.** Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaar wordt tot de bezittingen gerekend een bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. -**3.** Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, en de verhoging daarvan, bedoeld in artikel 5.6. +**3.** Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het in het tweede lid genoemde bedrag, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het tweede lid een bedrag tot de bezittingen gerekend ter grootte van dit totale bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2. Voor de toepassing van dit lid wordt voor de berekening van de verschuldigde belasting geen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5. **4.** Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande dienstjaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van het tweede en derde lid. @@ -4425,10 +4378,10 @@ Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van | meer dan | maar niet meer dan | wordt gezinshulp geacht extra te zijn voor zover de uitgaven voor gezinshulp meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek | | --- | --- | --- | -| – | € 30.869 | 0% | -| € 30.869 | € 46.304 | 1% | -| € 46.304 | € 61.732 | 2% | -| € 61.732 | – | 3% | +| – | € 31.024 | 0% | +| € 31.024 | € 46.536 | 1% | +| € 46.536 | € 62.041 | 2% | +| € 62.041 | – | 3% | **4.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd en geldt voor de toepassing van het derde lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. @@ -4495,11 +4448,11 @@ Indien het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige Uitgaven voor specifieke zorgkosten worden in aanmerking genomen voor zover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge artikel 6.19, meer bedragen dan: -a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 7.525 niet te boven gaat: € 127; -b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 7.525 te boven gaat, maar € 39.975 niet te boven gaat: 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; -c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 39.975 te boven gaat: de som van 1,65% van € 39.975 en 5,75% van het gedeelte van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek dat € 39.975 te boven gaat. +a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 7.563 niet te boven gaat: € 128; +b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 7.563 te boven gaat, maar € 40.175 niet te boven gaat: 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; +c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 40.175 te boven gaat: de som van 1,65% van € 40.175 en 5,75% van het gedeelte van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek dat € 40.175 te boven gaat. -**2.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor specifieke zorgkosten samengevoegd en geldt voor de toepassing van het eerste lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 7.525 vervangen door € 15.050 en wordt in het eerste lid, onderdeel a, het bedrag van € 127 vervangen door € 254. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. +**2.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor specifieke zorgkosten samengevoegd en geldt voor de toepassing van het eerste lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 7.563 vervangen door € 15.126 en wordt in het eerste lid, onderdeel a, het bedrag van € 128 vervangen door € 256. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. ### Artikel 6.21 @@ -4589,7 +4542,14 @@ Vervallen **2.** Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988. -**3.** Onderhoudskosten van een monumentenpand zijn de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt. +**3.** + +Onder monumentenpand wordt mede verstaan een pand dat op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is gelegen en waarvoor Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een erkenning heeft afgegeven dat: + +a. het pand een element vormt van het Nederlands cultureel erfgoed, en +b. het pand voor aanwijzing als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988 in aanmerking zou komen als het op Nederlands grondgebied zou zijn gelegen. + +**4.** Onderhoudskosten van een monumentenpand zijn de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt. ### Afdeling 6.9. Aftrekbare giften @@ -4775,7 +4735,7 @@ Werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden verricht gedurende een **5.** Artikel 4.41, tweede en derde lid, is niet van toepassing indien en voorzover de verkrijgende vennootschap niet in Nederland is gevestigd. -**6.** Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest gedurende tien jaar na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd. +**6.** Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest, na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd zolang een belastingaanslag ter zake van te conserveren inkomen uit een aanmerkelijk belang in dat lichaam, niet volledig is voldaan. **7.** Een verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland is een vervreemding van het aanmerkelijk belang. @@ -4913,7 +4873,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin ### Artikel 8.9 -**1.** Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 53 1/3% van de algemene heffingskorting vermeerderd met de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. +**1.** Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 46 2/3% van de algemene heffingskorting vermeerderd met de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. **2.** Ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 wordt voor de bepaling van het toetsniveau de algemene heffingskorting voor 100% in aanmerking genomen. @@ -4925,7 +4885,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin ### Artikel 8.9a -**1.** De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting geldt voor de belastingplichtige die recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9, maar die deze verhoging als niet-premieplichtige niet volledig kan effectueren. De bijzondere verhoging geldt uitsluitend voor inwoners van een lidstaat van de Europese Unie, van de BES eilanden of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen. +**1.** De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting geldt voor de belastingplichtige die recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9, maar die deze verhoging als niet-premieplichtige niet volledig kan effectueren. **2.** De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is gelijk aan de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, voorzover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig in Nederland zou zijn. @@ -4937,7 +4897,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin **1.** De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. -**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 2.203, verminderd met 2,32% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 19.822, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 861 bedraagt. +**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 2.242, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 4,796% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan het in de tabel van artikel 2.10, eerste lid, in de tweede kolom als eerste vermelde bedrag. ### Artikel 8.11 @@ -4947,15 +4907,15 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin De arbeidskorting bedraagt: -a. 1,810% van het *arbeidsinkomen* met een maximum van € 163, vermeerderd met: -b. 19,679% van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 9.010, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 2.220, en verminderd, doch niet verder dan tot € 184, met: -c. 4 % van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 49.770. +a. 1,793% van het *arbeidsinkomen* met een maximum van € 164, vermeerderd met: +b. 27,698% van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 9.147, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 3.103, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met: +c. 4 % van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 49 965. -Ingeval het *arbeidsinkomen* niet meer bedraagt dan € 49.770, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag. +Ingeval het *arbeidsinkomen* niet meer bedraagt dan € 49 965, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag. ### Artikel 8.12 -**1.** De werkbonus geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet en die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 64 jaar. +**1.** De werkbonus geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet en die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 64 jaar. **2.** @@ -4978,13 +4938,13 @@ Vervallen De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: -a. hij een *arbeidsinkomen* heeft dat meer bedraagt dan € 4.857, dan wel hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek; +a. hij een *arbeidsinkomen* heeft dat meer bedraagt dan € 4.881, dan wel hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek; b. in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, en c. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lager *arbeidsinkomen* heeft dan zijn partner. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen een *kind* dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, voor de toepassing van onderdeel b beschouwd wordt ook op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen. -**2.** De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt € 1.033, vermeerderd met 4% van het *arbeidsinkomen*, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 4.857, doch niet meer dan € 2.152. +**2.** De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt € 1.039, vermeerderd met 6,159% van het *arbeidsinkomen*, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 4.881, doch niet meer dan € 2.769. **3.** Indien het *arbeidsinkomen* van de belastingplichtige in het kalenderjaar gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de inkomensafhankelijke combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige. @@ -5006,19 +4966,19 @@ Vervallen **1.** De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. -**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 715. +**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 719. ### Artikel 8.17 **1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt. -**2.** De ouderenkorting bedraagt € 1.042 indien de belastingplichtige een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 35.770. Indien de belastingplichtige een verzamelinkomen heeft van meer dan € 35.770 bedraagt de ouderenkorting € 152. +**2.** De ouderenkorting bedraagt € 1.187 indien de belastingplichtige een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 35.949. Indien de belastingplichtige een verzamelinkomen heeft van meer dan € 35.949 bedraagt de ouderenkorting € 70. ### Artikel 8.18 **1.** De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet. -**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 433. +**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 436. ### Artikel 8.18a @@ -5067,7 +5027,7 @@ De voorheffingen zijn: a. de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting; b. de geheven dividendbelasting; c. de op prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen; -d. de door het Groothertogdom Luxemburg of de Republiek Oostenrijk geheven bronbelasting, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEG 2003, L 157), over een uit die lidstaat als uiteindelijk gerechtigde in de zin van de richtlijn ontvangen rentebetaling als bedoeld in artikel 6 van die richtlijn, en +d. de door de Republiek Oostenrijk geheven bronbelasting, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEG 2003, L 157), over een uit die lidstaat als uiteindelijk gerechtigde in de zin van de richtlijn ontvangen rentebetaling als bedoeld in artikel 6 van die richtlijn, en e. de op grond van artikel 12 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 2005/684/EG, Euratom, van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PbEU 2005, L 262), geheven gemeenschapsbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen voor zover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland is toegewezen. **2.** @@ -5158,7 +5118,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps ### Artikel 10.1 -**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 2.10a, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.47, 3.77, 3.87, 3.125, 3.126a, 3.127, tweede lid, 3.129, 3.133, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 6.17, derde lid, 6.20, 8.10, 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, 8.14a, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen, het in artikel 3.127, derde lid, laatst vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. +**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 2.10a, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.47, 3.77, 3.87, 3.125, 3.126a, 3.127, tweede lid, 3.129, 3.133, 5.3,5.5, 5.10,5.13, 6.17, derde lid, 6.20, 8.10, 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, 8.14a, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen, het in artikel 3.127, derde lid, laatst vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. **2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid, tweede volzin, wordt het bedrag dat is vermeld in de tweede regel van de tweede kolom en in de derde regel van de eerste kolom van de tabel in artikel 2.10, eerste lid, berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de uitkomst van de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor – 1)). @@ -5178,7 +5138,11 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps ### Artikel 10.2b -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Het bedrag, genoemd in artikel 3.68, eerste lid, wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het na toepassing van het tweede lid in artikel 3.127, derde lid, eerstvermelde bedrag, verminderd met het na toepassing van artikel 10.1 in artikel 3.127, derde lid, laatstvermelde bedrag, te vermenigvuldigen met het na toepassing van artikel 3.68, vierde lid, in artikel 3.68, eerste lid, genoemde percentage en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. + +**2.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 3.127, derde lid, eerstvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. + +**3.** De contractloonontwikkelingsfactor is de verhouding van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het kalenderjaar tot het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het voorafgaande kalenderjaar. ### Artikel 10.3 @@ -5238,6 +5202,10 @@ Vervallen Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.9, eerste lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verlagen met 6 2/3%-punt. +### Artikel 10.6b + +Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.10, tweede lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het in artikel 8.10, tweede lid, vermelde bedrag te delen door het verschil tussen het in de tabel van artikel 2.10, eerste lid, in de tweede kolom als laatste vermelde bedrag en het in die kolom als eerste vermelde bedrag. Dit berekende percentage wordt rekenkundig afgerond op drie decimalen. + ### Artikel 10.7 **1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, vermelde percentages en de in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen b en c, eerstvermelde bedragen en het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en andere bedragen. @@ -5253,7 +5221,7 @@ b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. **4.** Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag. -**5.** Het vermelde bedrag in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, en het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, worden gesteld op 108% van 225% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag vermeerderd met € 5.977. +**5.** Het vermelde bedrag in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, en het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, worden gesteld op 108% van 225% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met € 10.443. **6.** De volgens het tweede en derde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen. @@ -5474,13 +5442,13 @@ c. tot uitkering te zijn gekomen: te zijn gedeblokkeerd. **1.** -Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan € 161.500 indien: +Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan € 162.000 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld; b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste. -In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voor zover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 36.600, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. +In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voor zover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 36.800, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. **2.** @@ -5564,6 +5532,12 @@ wordt voor de toepassing van het eerste lid de uitkering uit die kapitaalverzeke **5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij een spaarrekening eigen woning en een beleggingsrecht eigen woning. Ter zake kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. +### Artikel 10bis.11a + +**1.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner een uitkering uit kapitaalverzekering eigen woning, een gedeblokkeerd tegoed van een spaarrekening eigen woning of een gedeblokkeerde waarde van een beleggingsrecht eigen woning bij leven geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen. + +**2.** Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan in de aangifte over het jaar waarin de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering is gekomen, de spaarrekening eigen woning is gedeblokkeerd of het beleggingsrecht eigen woning is gedeblokkeerd. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. + ### Artikel 10bis.12 Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 10bis.6, eerste lid, vermelde bedragen bij ministeriële regeling gewijzigd in andere bedragen. Deze bedragen worden berekend door de te wijzigen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij wijziging worden uitgegaan van de niet-afgeronde bedragen. @@ -5646,7 +5620,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 10a.10 -Artikel 5.11, zoals dat artikel op 31 december 2011 luidde, blijft van toepassing op ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel op 31 december 2011 luidde, geblokkeerde spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen en winstbewijzen, voor zover ook na die datum wordt voldaan aan de op die datum bij of krachtens het eerste, derde en vierde lid van dat artikel gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde dat het spaarloon niet binnen de in het eerste lid van dat artikel bedoelde periode van ten minste vier jaar voor andere dan de aldaar genoemde doeleinden kan worden opgenomen. +Vervallen ### Artikel 10a.11 @@ -5668,7 +5642,7 @@ Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en st ### Artikel 10a.14 -Met betrekking tot auto’s waarvan het kenteken vóór 1 januari 2014 op naam is gesteld, dient, waar in artikel 3.20 zestiende lid, onderdeel a, achttiende lid of eenentwintigste lid, wordt gesproken over de eerste tenaamstelling van de auto in het kentekenregister, te worden uitgegaan van de eerste tenaamstelling van het kenteken van de auto in het kentekenregister. +Met betrekking tot auto’s waarvan het kenteken vóór 1 januari 2014 op naam is gesteld, dient, waar in artikel 3.20, vijftiende lid, onderdeel a, zeventiende lid of twintigste lid, wordt gesproken over de eerste tenaamstelling van de auto in het kentekenregister, te worden uitgegaan van de eerste tenaamstelling van het kenteken van de auto in het kentekenregister. ### Artikel 10a.15