From 8feda54d74f29bc8b5b2016f4b6a00ccb0e6b7b8 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 1 Jan 2003 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2003-01-01 | BWBR0002505 | Ontgrondingenwet --- wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md | 22 ++++++++++------------ 1 file changed, 10 insertions(+), 12 deletions(-) diff --git a/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md b/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md index 627a2675763..d39eea2ad47 100644 --- a/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md +++ b/wet/ontgrondingenwet/BWBR0002505/README.md @@ -62,11 +62,11 @@ c. de uitvoering van een provinciaal milieuprogramma, voor zover dit bevat een a ### Artikel 4a -Deze wet is mede van toepassing op ontgrondingen op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat. +Deze wet is mede van toepassing op ontgrondingen op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet. ### Artikel 4b -De Staat is eigenaar van de op of onmiddellijk onder de oppervlakte van het continentaal plat aanwezige schelpen, grind, zand en klei. +De Staat is eigenaar van de op of onmiddellijk onder de oppervlakte van het continentaal plat aanwezige vaste stoffen, met inbegrip van de delfstoffen, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, voorzover die delfstoffen op een diepte van minder dan 100 meter beneden de oppervlakte van het continentaal plat aanwezig zijn. ### Artikel 5 @@ -142,17 +142,15 @@ c. in de ingepolderde gedeelten van het IJsselmeer, indien en zolang deze niet p **3.** Ten aanzien van ontgrondingen in een tot de rijkswateren behorende rivier omvat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid van Onze Minister de oppervlakte die de rivier inneemt bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed. Daarbuiten tot aan de begrenzing van het rivierbed ingevolge artikel 1a van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken oefenen gedeputeerde staten hun in het tweede lid bedoelde bevoegdheid niet uit dan in overeenstemming met Onze Minister. -**4.** Indien het betreft delfstoffen als bedoeld in artikel 2 van de wet van 21 april 1810 (*Bulletin des Lois* no. 285), wordt een vergunning niet verleend dan na overleg met Onze Minister van Economische Zaken. +**4.** Indien een bij gedeputeerde staten ingediende aanvrage betrekking heeft op een ontgronding, waarbij naar hun oordeel vrijwel uitsluitend huishoudelijke belangen van een waterschap zijn betrokken, kunnen zij deze ter beslissing in handen stellen van het bestuur van die instelling; zij doen daarvan mededeling aan de aanvrager. De beslissing op de aanvrage wordt genomen met overeenkomstige toepassing van de krachtens artikel 5, tweede lid, vastgestelde regeling. -**5.** Indien een bij gedeputeerde staten ingediende aanvrage betrekking heeft op een ontgronding, waarbij naar hun oordeel vrijwel uitsluitend huishoudelijke belangen van een waterschap zijn betrokken, kunnen zij deze ter beslissing in handen stellen van het bestuur van die instelling; zij doen daarvan mededeling aan de aanvrager. De beslissing op de aanvrage wordt genomen met overeenkomstige toepassing van de krachtens artikel 5, tweede lid, vastgestelde regeling. +**5.** Onze Minister kan, indien spoedige winning van bepaalde vaste stoffen door middel van ontgronding geboden is, aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie een aanwijzing geven ten aanzien van een aanvrage om een vergunning of een in artikel 12 bedoelde machtiging dan wel ten aanzien van een reeds verleende vergunning of machtiging. -**6.** Onze Minister kan, indien spoedige winning van bepaalde vaste stoffen door middel van ontgronding geboden is, aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie een aanwijzing geven ten aanzien van een aanvrage om een vergunning of een in artikel 12 bedoelde machtiging dan wel ten aanzien van een reeds verleende vergunning of machtiging. +**6.** Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Hij deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de Staten-Generaal. -**7.** Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Hij deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de Staten-Generaal. +**7.** Gedeputeerde staten nemen bij de beslissing op de aanvrage om een vergunning of een in artikel 12 bedoelde machtiging dan wel ten aanzien van een reeds verleende vergunning of machtiging de aanwijzing in acht die met betrekking tot de beslissing op de aanvrage krachtens het vijfde lid door Onze Minister is gegeven. -**8.** Gedeputeerde staten nemen bij de beslissing op de aanvrage om een vergunning of een in artikel 12 bedoelde machtiging dan wel ten aanzien van een reeds verleende vergunning of machtiging de aanwijzing in acht die met betrekking tot de beslissing op de aanvrage krachtens het vijfde lid door Onze Minister is gegeven. - -**9.** De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van gedeputeerde staten, ter zake waarvan zij is gegeven. +**8.** De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van gedeputeerde staten, ter zake waarvan zij is gegeven. ### Artikel 9 @@ -254,7 +252,7 @@ Indien het beroep is ingesteld door een ander dan de aanvrager of houder van de ### Artikel 21c -Een beschikking, houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, maakt voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, deel uit van de in artikel 17, tweede lid, bedoelde beschikking. +Een beschikking, houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8, vierde lid, maakt voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, deel uit van de in artikel 17, tweede lid, bedoelde beschikking. ### Artikel 21d @@ -262,7 +260,7 @@ Niet vatbaar voor afzonderlijk beroep is een mededeling inzake het verlenen van ### Artikel 21e -Indien beroep is ingesteld tegen een beschikking van gedeputeerde staten tot verlening, wijziging, intrekking of weigering van een vergunning en Onze Minister nadien met toepassing van artikel 8, vijfde lid, een aanwijzing heeft gegeven of gedeputeerde staten vervolgens overeenkomstig zodanige aanwijzing een andere beschikking op de aanvrage hebben genomen, wordt het beroepschrift met betrekking tot eerstbedoelde beschikking buiten verdere behandeling gelaten. +Indien beroep is ingesteld tegen een beschikking van gedeputeerde staten tot verlening, wijziging, intrekking of weigering van een vergunning en Onze Minister nadien met toepassing van artikel 8, vierde lid, een aanwijzing heeft gegeven of gedeputeerde staten vervolgens overeenkomstig zodanige aanwijzing een andere beschikking op de aanvrage hebben genomen, wordt het beroepschrift met betrekking tot eerstbedoelde beschikking buiten verdere behandeling gelaten. ## Hoofdstuk IIIA. Heffing @@ -337,7 +335,7 @@ Vervallen ### Artikel 26 -**1.** Voorzover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of degene die overeenkomstig afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht bedenkingen heeft ingebracht dan wel overeenkomstig afdeling 3.4 of afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, wordt hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel door Onze Minister ten laste van ’s Rijks kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, door gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en door het bestuur van het waterschap ten laste van de kas van die instelling, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, vierde lid. +**1.** Voorzover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of degene die overeenkomstig afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht bedenkingen heeft ingebracht dan wel overeenkomstig afdeling 3.4 of afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, wordt hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel door Onze Minister ten laste van ’s Rijks kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, door gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en door het bestuur van het waterschap ten laste van de kas van die instelling, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, derde lid. **2.** De vergoeding kan worden toegekend, hetzij bij de beschikking inzake de vergunning, hetzij bij afzonderlijke beschikking.