2007-07-11 | BWBR0005904 | Wet op het specifiek cultuurbeleid

This commit is contained in:
Coornhert 2007-07-11 12:00:00 +00:00
parent a105b4a83a
commit 8fff437a31

View file

@ -42,23 +42,21 @@ Onze Minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houde
### Artikel 2b
Bij de benoeming van de leden van de Raad wordt rekening gehouden met de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 2d.
Vervallen
### Artikel 2c
**1.** Onder de Raad ressorteren drie commissies ter voorbereiding van de adviezen die Onze Minister vraagt ingevolge de Archiefwet 1995, de Monumentenwet 1988 onderscheidenlijk de Wet tot behoud van cultuurbezit.
**2.** Indien voor de voorbereiding van een advies als bedoeld in het eerste lid een specifieke deskundigheid is vereist die niet in voldoende mate in de Raad aanwezig is, kunnen in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges in de commissies, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste vijf andere personen dan leden van de Raad worden benoemd.
**2.** De commissies, bedoeld in het eerste lid, kunnen in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges geheel of gedeeltelijk bestaan uit andere personen dan leden van de Raad.
**3.** Ter voorbereiding van andere adviezen dan bedoeld in het eerste lid, kan de Raad tijdelijke commissies instellen die in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges gedeeltelijk kunnen bestaan uit andere personen dan leden van de Raad. Het aantal andere personen, bedoeld in de eerste volzin, bedraagt ten hoogste zeven.
**3.** Ter voorbereiding van andere adviezen dan bedoeld in het eerste lid, kan de Raad tijdelijke commissies instellen die in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges geheel of gedeeltelijk kunnen bestaan uit andere personen dan leden van de Raad.
**4.** Op de in het tweede en derde lid bedoelde commissieleden zijn de artikelen 11 tot en met 14 van de Kaderwet adviescolleges van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze leden door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.
### Artikel 2d
**1.** De Raad stelt bij reglement van orde de aandachtsgebieden van het terrein van de cultuur vast die in de inrichting van de Raad herkenbaar aanwezig dienen te zijn.
**2.** Onze Minister kan de Raad een aanwijzing ter zake van de vaststelling van de aandachtsgebieden geven.
Vervallen
### Artikel 2e
@ -92,19 +90,13 @@ Vervallen
Vervallen
## Hoofdstuk II. Cultuurnota
## Hoofdstuk II. Wijziging hoofdlijnen cultuurbeleid
### Artikel 3
**1.** Onze Minister legt eenmaal per vier jaar aan beide Kamers der Staten-Generaal een cultuurnota over.
**1.** Onze Minister bericht ten minste een keer in de vier jaar beide kamers der Staten-Generaal over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid.
**2.** De cultuurnota bevat in ieder geval een verslag van de uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 2, en van belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest. Het verslag gaat vergezeld van een globaal overzicht van de ten behoeve van het cultuurbeleid bestede en aangewezen rijksbegrotingsmiddelen gedurende de verslagperiode.
**3.** De cultuurnota bevat tevens een beschrijving van de hoofdlijnen van het cultuurbeleid van het Rijk in de daarop volgende periode van vier jaren alsmede van de te verwachten belangrijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het culturele leven in Nederland; over de financiële en bestuurlijke gevolgen daarvan voor provincies en gemeenten pleegt Onze Minister tijdig overleg met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën, bij welk overleg aandacht besteed wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.
**4.** De cultuurnota kan vergezeld gaan van een of meer sectornota's waarin per deelterrein van de cultuur de hoofdlijnen van het cultuurbeleid, bedoeld in het derde lid, worden uitgewerkt.
**5.** Bij tussentijdse wijziging van hoofdlijnen van het cultuurbeleid, bedoeld in het derde lid, doet Onze Minister daarvan mededeling aan beide kamers der Staten-Generaal.
**2.** Bij wijziging van hoofdlijnen van het cultuurbeleid doet Onze Minister daarvan telkens mededeling aan beide kamers der Staten-Generaal.
## Hoofdstuk III. Subsidies ten behoeve van cultuuruitingen
@ -112,6 +104,49 @@ Vervallen
Onze Minister kan ten behoeve van cultuuruitingen subsidies verstrekken.
### Artikel 4a
**1.** Onze Minister stelt bij ministeriële regeling eenmaal per vier jaar regels vast voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende periode van vier kalenderjaren.
**2.**
De ministeriële regeling bevat in ieder geval:
a. een omschrijving van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;
b. de criteria die bij de subsidieverlening voor de onder a bedoelde activiteiten gehanteerd worden, en
c. het financieel kader waarbinnen de subsidieverstrekking geschiedt.
**3.** De ministeriële regeling heeft betrekking op activiteiten die voor vier jaar voor subsidieverstrekking in aanmerking komen.
**4.** In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen subsidie verstrekken voor minder dan vier jaar.
### Artikel 4b
**1.** Onze Minister kan instellingen of groepen van instellingen aanwijzen ten behoeve waarvan hij telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie verstrekt.
**2.**
De criteria op grond waarvan Onze Minister beoordeelt of een instelling of een groep van instellingen wordt aangewezen, zijn:
a. de onderlinge samenhang binnen een groep van instellingen;
b. de continuïteit van de activiteiten van een instelling of een groep van instellingen, of
c. het specifieke belang van de activiteiten van een te subsidiëren instelling of een groep van instellingen voor de cultuur in Nederland.
**3.** Een aanwijzing of de intrekking van een aanwijzing wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
**4.**
Onze Minister kan een aanwijzing intrekken:
a. indien een instelling of groep van instellingen niet meer voldoet aan een of meer van de in het tweede lid bedoelde criteria, of
b. om bijzondere redenen.
### Artikel 4c
**1.** Onze Minister verstrekt aan een fonds telkens voor een periode van vier kalenderjaren een subsidie.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister voor minder dan vier kalenderjaren subsidie verstrekken, indien zich omstandigheden voordoen die daartoe aanleiding geven.
### Artikel 5
**1.**
@ -155,7 +190,7 @@ h. de betaling en terugvordering van de subsidie, alsmede het verlenen van voors
**3.** Indien bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in een subsidieplafond, worden daarbij regels gesteld omtrent de wijze van verdeling.
**4.** Onverminderd artikel 5, tweede en derde lid, kan bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid worden bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt voor perioden van ten hoogste vier jaren, doch uitsluitend binnen de perioden waarvoor een cultuurnota geldt.
**4.** Onverminderd de artikelen 4a tot en met 4c en 5, tweede en derde lid, kan bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid worden bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt voor perioden van ten hoogste vier jaren.
**5.** Onze Minister kan bij het verstrekken van een subsidie de ontvanger daarvan verplichtingen opleggen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid.
@ -201,7 +236,7 @@ Het bestuur van een fonds verstrekt subsidies als bedoeld in artikel 9, eerste l
### Artikel 11a
Voor het uitlenen van gedrukte werken in openbare bibliotheken aan personen beneden de leeftijd van achttien jaren wordt slechts een contributie of andere geldelijke bijdrage geheven, indien gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders, dat de openbare bibliotheek bekostigt of in stand houdt daartoe hebben onderscheidenlijk heeft besloten. De contributie of andere geldelijke bijdrage bedraagt ten hoogste de helft van de contributie of andere geldelijke bijdrage die wordt geheven van personen die achttien jaren of ouder zijn.
Voor het uitlenen van gedrukte werken in openbare bibliotheken aan personen beneden de leeftijd van achttien jaren wordt slechts een contributie of andere geldelijke bijdrage geheven, indien het college van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders dat de openbare bibliotheek bekostigt of in stand houdt daartoe heeft besloten. De contributie of andere geldelijke bijdrage bedraagt ten hoogste de helft van de contributie of andere geldelijke bijdrage die wordt geheven van personen die achttien jaren of ouder zijn.
### Artikel 11b