2013-01-01 | BWBR0034414 | Besluit pensioen politieke ambtsdragers

This commit is contained in:
Coornhert 2013-01-01 12:00:00 +00:00
parent 635dfa982a
commit 9095960664

View file

@ -31,7 +31,7 @@ Indien in een bepaling in onderhavig besluit wordt verwezen naar een artikel in
## Hoofdstuk 2. Het pensioen en de inhouding met ingang van 1 januari 2014
### Paragraaf 1. Het ouderdomspensioen
### Paragraaf 1. Het eigen pensioen
### Artikel 2.1.1
@ -47,22 +47,19 @@ De pensioengrondslag voor een dienstjaar bedraagt de overeenkomstig artikel 13d
### Artikel 2.1.3
**1.**
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bezoldiging:
a. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de tweede afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in de artikelen 1 en 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen;
b. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de derde afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in de artikelen 2, 2a, 2b, 11 en 12 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer;
c. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de vijfde afdeling van de wet:
c. voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de vijfde afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in artikel 3 en 4 van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, artikel 3 van het Rechtspositiebesluit wethouders, artikel 3.11 en 3.13 van het Waterschapsbesluit en artikel 2, eerste en vijfde lid en artikel 3 van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.
de bezoldiging van de gedeputeerde, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 2.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
de bezoldiging van de wethouder, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
de bezoldiging van het lid van het dagelijks bestuur, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 4.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; onderscheidenlijk
de bezoldiging Rijksvertegenwoordiger, inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.
**2.** In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de bezoldiging de verhoging van de bezoldiging per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.
### Artikel 2.1.4
**1.** De franchise, bedoeld in artikel 13d, eerste lid, van de wet zoals die tot 1 juli 2022 luidde, is de franchise die in een kalenderjaar ten aanzien van de beroepsmilitairen, gewezen beroepsmilitairen en gepensioneerde beroepsmilitairen wordt gehanteerd.
**2.** Met ingang van 1 juli 2022 wordt in dit hoofdstuk onder franchise verstaan de franchise, bedoeld in artikel 13d, eerste lid, van de wet.
De franchise, bedoeld in artikel 13d, eerste lid, van de wet, is de franchise die in een kalenderjaar ten aanzien van de beroepsmilitairen, gewezen beroepsmilitairen en gepensioneerde beroepsmilitairen wordt gehanteerd.
### Artikel 2.1.5
@ -94,7 +91,9 @@ De door een betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken worden jaarlijks gewijzigd
### Artikel 2.1.11
De omzettingen, bedoeld in artikel 13g, vierde lid, van de wet, geschieden op dezelfde wijze als de omzettingen die het ABP toepast bij het verminderen van het ouderdomspensioen bij het eindigen van de deelneming door omzetting in partnerpensioen bij overlijden voor de pensioengerechtigde leeftijd, de aanpassing van de vermindering van het ouderdomspensioen na waardeoverdracht of het opnieuw zijn van deelnemer.
**1.** Bij een verlaging van de pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 13g van de wet, worden slechts opgebouwde aanspraken op pensioen omgezet, voor zover die aanspraken zijn opgebouwd vanaf 1 augustus 2003.
**2.** De omzettingen, bedoeld in artikel 13g, vierde lid, van de wet, geschieden op dezelfde wijze als de omzettingen die het ABP toepast bij het verminderen van het ouderdomspensioen bij het eindigen van de deelneming door omzetting in partnerpensioen bij overlijden voor de pensioengerechtigde leeftijd, de aanpassing van de vermindering van het ouderdomspensioen na waardeoverdracht of het opnieuw zijn van deelnemer.
### Artikel 2.1.12
@ -104,15 +103,17 @@ Indien een voor de berekening van de pensioenaanspraken of het pensioen toe te p
### Artikel 2.2.1
**1.** De inhouding op de bezoldiging terzake van aanspraken bij ouderdom en overlijden, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ouderdoms- en partnerpensioen, met inachtneming van de franchise, bedoeld in artikel 2.1.4.
**1.** De inhouding op de bezoldiging terzake van aanspraken bij ouderdom en overlijden, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de Anw-compensatie, met inachtneming van de franchise, bedoeld in artikel 2.1.4.
**2.** De inhouding op de bezoldiging ter zake van aanspraken bij arbeidsongeschiktheid, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen, met inachtneming van de daarvoor geldende franchise.
**3.** De inhouding op de uitkering, bedoeld in de artikelen 106 en 160, tweede lid, van de wet is 50% van de inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid. Het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid wordt voor de inhouding op de uitkering beschouwd als het in eerste lid bedoelde bezoldiging.
**3.** De inhouding op de uitkering, bedoeld in de artikelen 106 en 160, tweede lid, van de wet is gelijk aan de inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkering de inhouding 100% bedraagt en daarna 50%. Het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid wordt voor de inhouding op de uitkering beschouwd als het in eerste lid bedoelde bezoldiging.
**4.** Gedurende de tijd dat de uitkering is verminderd vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, worden de inhoudingspercentages, bedoeld in het tweede lid vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
## Hoofdstuk 3. Het pensioen tot 1 januari 2014
## Hoofdstuk 3. Het pensioen en de inhoudingen tot 1 januari 2014
### Paragraaf 1. Het eigen pensioen
### Artikel 3.1.1
@ -211,7 +212,34 @@ Met ingang van 1 januari 2004 is artikel 3.1.5, eerste lid, van toepassing, met
De opgebouwde pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 40a, derde lid, van de wet, zijn de aanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2014. Vanaf deze datum worden de aanspraken gewijzigd overeenkomstig artikel 2.1.8
## Hoofdstuk 4. Het partner- en wezenpensioen
### Paragraaf 2. De inhouding tot 1 januari 2014
### Artikel 3.2.1
**1.** De inhouding, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de wet, is gelijk aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen, Anw-compensatie en ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen.
**2.**
Met ingang van 1 januari 2004 bedraagt de franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van inhouding van de premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen als volgt:
| Ingangsdatum | Franchise |
| --- | --- |
| 1 januari 2004 | € 16.350, |
| 1 januari 2005 | € 16.350, |
| 1 januari 2006 | € 16.450, |
| 1 januari 2007 | € 16.850, |
| 1 januari 2008 | € 17.300, |
| 1 januari 2009 | € 17.900, |
| 1 januari 2010 | € 18.200, |
| 1 januari 2011 | € 18.450, |
| 1 januari 2012 | € 18.700, |
| 1 januari 2013 | € 19.000, |
**3.** De inhouding op de uitkering, bedoeld in de artikelen 106 en 160, tweede lid, van de wet is gelijk aan de inhouding op de wedde, waarvan de uitkering is afgeleid, met dien verstande dat gedurende de eerste vier jaar van de uitkering de inhouding 100% bedraagt en daarna 50%. Het bedrag waarvan de uitkering is afgeleid wordt voor de inhouding op de uitkering beschouwd als het in eerste lid bedoelde bezoldiging.
**4.** In afwijking van het derde lid worden de inhoudingspercentages, bedoeld in dat lid gehalveerd over de periode waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 9 van de wet.
## Hoofdstuk 4. Het nabestaanden- en wezenpensioen
### Artikel 4.1.1