2006-04-08 | BWBR0011353 | Wet inkomstenbelasting 2001
This commit is contained in:
parent
943b529d9b
commit
91d3c26782
1 changed files with 60 additions and 7 deletions
|
|
@ -449,7 +449,7 @@ Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen di
|
|||
|
||||
**1.** Voorzover de winst van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 3.3 in het jaar, vóór toepassing van dit lid, tezamen met de winst van alle daaraan voorafgaande jaren waarin dat artikel op hem van toepassing was, negatief is en in absolute zin uitgaat boven het in het tweede lid bedoelde bedrag, wordt het verschil ten bate van de winst van het jaar gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde bedrag betreft de boekwaarde van het vermogen van de onderneming op het tijdstip waarop artikel 3.3 voor het eerst op de belastingplichtige van toepassing werd, verminderd met het bedrag van de reserves, bedoeld in artikel 3.53, op dat tijdstip. Indien na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip door de belastingplichtige is gestort in of onttrokken aan de onderneming, wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag vermeerderd met de waarde van die storting op het tijdstip van die storting respectievelijk verminderd met de waarde van die onttrekking op het tijdstip van die onttrekking.
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde bedrag betreft de boekwaarde van het vermogen van de onderneming op het tijdstip waarop artikel 3.3 voor het eerst op de belastingplichtige van toepassing werd, verminderd met het bedrag van de reserves, bedoeld in artikel 3.53, op dat tijdstip. Indien na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip door de belastingplichtige is gestort in of onttrokken aan de onderneming, wordt de uitkomst van de eerste volzin vermeerderd met de waarde van die storting op het tijdstip van die storting respectievelijk verminderd met de waarde van die onttrekking op het tijdstip van die onttrekking. Indien na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip op de voet van artikel 3.42b, zoals dat luidt met ingang van 8 april 2006, filminvesteringsaftrek is genoten, wordt de uitkomst van de eerste volzin voorts vermeerderd met een bedrag ter grootte van 30 procent van deze uitkomst dan wel, indien dat lager is, met een bedrag ter grootte van 30 procent van de grondslag waarover de filminvesteringsaftrek is berekend.
|
||||
|
||||
**3.** Hetgeen op grond van het eerste lid ten bate van de winst van het jaar is gebracht, wordt ten laste van de winst van het volgende jaar gebracht indien artikel 3.3 bij de aanvang van dat volgende jaar nog op de belastingplichtige van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -475,7 +475,11 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke, onder te
|
|||
|
||||
### Artikel 3.12a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Bij een filmonderneming van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, behoort bij een film waarvoor hij op de voet van artikel 3.42b, zoals dat luidt met ingang van 8 april 2006, filminvesteringsaftrek heeft genoten en nadat deze film is afgeschreven tot een boekwaarde van nihil, niet tot de winst een in het tweede lid omschreven gedeelte van de omzet die de medegerechtigde behaalt met de exploitatie van de film (filmexploitatievrijstelling). Voor de toepassing van de eerste volzin wordt hetgeen wordt genoten bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van een film, niet tot de omzet gerekend.
|
||||
|
||||
**2.** De filmexploitatievrijstelling bedraagt ten hoogste een bedrag gelijk aan 55 procent van de grondslag waarover de filminvesteringsaftrek is berekend. Bij de toepassing van deze vrijstelling in enig jaar komt hetgeen in voorgaande jaren ter zake van de film door de medegerechtigde reeds aan filmexploitatievrijstelling is genoten, in mindering op de maximale vrijstelling, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.33 en artikel 3.42b wordt onder filmonderneming verstaan een onderneming waarvan de feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het voortbrengen van films en het exploiteren van zelf voortgebrachte films.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -818,7 +822,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 3.33
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De in een filmonderneming van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een film met betrekking waartoe op een door of namens de gerechtigde na 7 april 2006 gedane aanvraag door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schriftelijk is verklaard dat sprake is van een film die van belang is in het kader van de versterking van de filmindustrie in Nederland, kunnen willekeurig worden afgeschreven, mits van de totale drukkende voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland en de totale voortbrengingskosten € 15 000 000 niet te boven gaan.
|
||||
|
||||
**2.** De door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap af te geven verklaringen kunnen uitsluitend betreffen films die primair zijn bestemd voor vertoning in bioscopen. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kunnen, in overeenstemming met Onze Minister, nadere voorwaarden worden gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kunnen, in overeenstemming met Onze Minister, regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag tot het geven van een in het eerste lid bedoelde verklaring.
|
||||
|
||||
**4.** Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.34
|
||||
|
||||
|
|
@ -845,7 +855,8 @@ Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra ter zake van de verwerving of verbet
|
|||
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, en wel
|
||||
|
||||
a. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
b. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
b. indien het filminvesteringen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||||
c. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.37
|
||||
|
||||
|
|
@ -863,7 +874,7 @@ Afschrijving op bedrijfsmiddelen vindt plaats volgens de regels voor het tijdvak
|
|||
|
||||
### Artikel 3.40
|
||||
|
||||
Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek.
|
||||
Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtigenaast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek, van milieu-investeringsaftrek en van filminvesteringsaftrek.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.41
|
||||
|
||||
|
|
@ -944,7 +955,29 @@ mits dat advies op de aangewezen investering of mede op de aangewezen investerin
|
|||
|
||||
### Artikel 3.42b
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Indien in een kalenderjaar in een filmonderneming van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, voortbrengingskosten worden gemaakt ter zake van een film met betrekking waartoe op een door of namens de medegerechtigde na 7 april 2006 gedane aanvraag door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schriftelijk is verklaard dat sprake is van een film als bedoeld in artikel 3.33, en dat toekenning van filminvesteringsaftrek terzake en toepassing van de daaraan gekoppelde verruimde maximum-verlies-regeling, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, derde volzin, alsmede toepassing van de daaraan gekoppelde filmexploitatievrijstelling past binnen het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, wordt, indien de medegerechtigde daarvoor bij de aangifte kiest, het in het tweede lid aangewezen percentage van de voortbrengingskosten, voorzover die op de medegerechtigde drukken, ten laste gebracht van de winst over dat jaar (filminvesteringsaftrek), mits van de totale drukkende voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een bedrag aan voortbrengingskosten in een kalenderjaar van meer dan € 2 100 bedraagt de filminvesteringsaftrek 55 procent.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Als bedrag aan voortbrengingskosten wordt ten hoogste in aanmerking genomen het laagste van:
|
||||
|
||||
a. met betrekking tot de filmonderneming in totaal: een bedrag gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, eerste en tweede volzin, en
|
||||
b. per kalenderjaar: € 25 000.
|
||||
|
||||
Indien de belastingplichtige medegerechtigde is in meer dan een filmonderneming, geldt het in de eerste volzin, onderdeel b, vermelde bedrag, voor al die ondernemingen tezamen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Tot de voortbrengingskosten worden niet gerekend:
|
||||
|
||||
a. uitgaven voor goederen ter zake waarvan door een derde reeds filminvesteringsaftrek in aanmerking kan worden genomen, of
|
||||
b. voortbrengingskosten die bij de belastingplichtige reeds in aanmerking worden genomen voor investeringsaftrek uit andere hoofde dan dit artikel.
|
||||
|
||||
**5.** Bij regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kunnen, in overeenstemming met Onze Minister, regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag tot het geven van de in het eerste lid bedoelde verklaring.
|
||||
|
||||
**6.** Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.43
|
||||
|
||||
|
|
@ -1029,7 +1062,27 @@ b. het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na h
|
|||
|
||||
### Artikel 3.47a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.47, eerste lid, wordt bij een filmonderneming van de medegerechtigde, bedoeld in artikel 3.42b, van de overdrachtsprijzen van goederen terzake waarvan filminvesteringsaftrek is genoten, het in het tweede lid vermelde percentage ten bate van de winst over het in dat lid bedoelde jaar gebracht. In afwijking van artikel 3.47, tweede lid, tweede gedeelte van de zinsnede, wordt deze desinvesteringsbijtelling bij film berekend tot een bedrag van ten hoogste 130 procent van het investeringsbedrag waarover filminvesteringsaftrek is berekend.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij een overdrachtsprijs in een kalenderjaar van:
|
||||
|
||||
| meer dan het volgende percentage van het investeringsbedrag | | maar niet meer dan het volgende percentage van het investeringsbedrag | | bedraagt het in het eerste lid bedoelde percentage |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| – | | 60% | | 0 |
|
||||
| 60% | | 70% | | 4 |
|
||||
| 70% | | 80% | | 10 |
|
||||
| 80% | | 90% | | 16 |
|
||||
| 90% | | 100% | | 23 |
|
||||
| 100% | | 110% | | 30 |
|
||||
| 110% | | 120% | | 38 |
|
||||
| 120% | | 130% | | 46 |
|
||||
| 130% | | – | | 55 |
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als overdrachtsprijs aangemerkt de met de film behaalde omzet.
|
||||
|
||||
**4.** Indien met betrekking tot dezelfde film eerder een overdrachtsprijs is genoten, wordt de actuele overdrachtsprijs verhoogd met de eerdere overdrachtsprijs, en wordt de op basis daarvan berekende desinvesteringsbijtelling verminderd met de eerdere desinvesteringsbijtelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.48
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue