diff --git a/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-afschrijvingen/BWBR0027392/README.md b/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-afschrijvingen/BWBR0027392/README.md index 1e4a25fdf4f..2c2bd325592 100644 --- a/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-afschrijvingen/BWBR0027392/README.md +++ b/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-afschrijvingen/BWBR0027392/README.md @@ -12,7 +12,7 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, afschrijvingen De Minister van Financiën heeft het volgende besloten. -*In dit besluit zijn standpunten over de afschrijving op bedrijfsmiddelen opgenomen. Het besluit bevat een samenvoeging en actualisering van de besluiten van 14 november 2000, nr. CPP2000/2264M (afschrijving voorwerpen van geringe waarde), 14 november 2000, nr. CPP2000/2314M (afschrijving pleziervaartuigen) en van 14 november 2000, nr. CPP2000/2316M (afschrijving aankoopkosten onroerende zaken). Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Daarnaast zijn in het besluit nieuwe standpunten opgenomen over de afschrijving op verhuurde personeelswoningen, immateriële activa, gebouwen en onderhanden werk.* +*In dit besluit zijn standpunten over de afschrijving op bedrijfsmiddelen opgenomen. Het besluit bevat een samenvoeging en actualisering van de besluiten van 14 november 2000, nr. CPP2000/2264M (afschrijving voorwerpen van geringe waarde), 14 november 2000, nr. CPP2000/2314M (afschrijving pleziervaartuigen) en van 14 november 2000, nr. CPP2000/2316M (afschrijving aankoopkosten onroerende zaken). Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Daarnaast zijn in het besluit nieuwe standpunten opgenomen over de afschrijving op verhuurde personeelswoningen, immateriële activa, gebouwen en onderhanden werk.* ## 1. Inleiding @@ -25,7 +25,7 @@ Per 1 januari 2007 is op het gebied van de afschrijvingen een aantal nieuwe wett ## 2. Aankoopkosten en afschrijving onroerende zaken -Het afschrijvingspotentieel van een onroerende zaak bestaat uit het verschil tussen de aanschaffingskosten en de restwaarde van dat bedrijfsmiddel. Volgens vaste jurisprudentie (onder andere HR 28 maart 1927, B. nr. 3225, HR 30 oktober 1963, nr. 15 103 en HR 20 oktober 1971, nr. 16 587) behoort niet alleen de koopprijs tot de aanschaffingskosten maar ook andere kosten die de onderneming heeft moeten opofferen om het bedrijfsmiddel te verkrijgen, zoals notariskosten, provisie en transportkosten. Afschrijving brengt tot uitdrukking de vermindering van de gebruikswaarde van het bedrijfsmiddel als gevolg van technische en economische slijtage. Dit brengt mee dat voor zover de waarde van de onroerende zaak als gevolg van het gebruik niet daalt, geen afschrijving plaatsvindt; dus ook geen afschrijving over de aankoopkosten. Dit is onder meer het geval bij (landbouw)gronden. Op de aanschaffingskosten hiervan kan daarom niet worden afgeschreven. +Het afschrijvingspotentieel van een onroerende zaak bestaat uit het verschil tussen de aanschaffingskosten en de restwaarde van dat bedrijfsmiddel. Volgens vaste jurisprudentie (onder andere HR 28 maart 1927, B. nr. 3225, HR 30 oktober 1963, nr. 15 103 en HR 20 oktober 1971, nr. 16 587) behoort niet alleen de koopprijs tot de aanschaffingskosten maar ook andere kosten die de onderneming heeft moeten opofferen om het bedrijfsmiddel te verkrijgen, zoals notariskosten, provisie en transportkosten. Afschrijving brengt tot uitdrukking de vermindering van de gebruikswaarde van het bedrijfsmiddel als gevolg van technische en economische slijtage. Dit brengt mee dat voor zover de waarde van de onroerende zaak als gevolg van het gebruik niet daalt, geen afschrijving plaatsvindt; dus ook geen afschrijving over de aankoopkosten. Dit is onder meer het geval bij (landbouw)gronden. Op de aanschaffingskosten hiervan kan daarom niet worden afgeschreven. Wanneer de bedrijfswaarde van een onroerende zaak is gedaald beneden de aanschaffingskosten kan wel een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde plaatsvinden. @@ -52,7 +52,7 @@ Het jaarlijkse afschrijvingsbedrag is wettelijk gemaximeerd. Voor goodwill geldt ### . Voorbeeld -BV A schaft een bestelwagen aan voor € 20.000. De restwaarde van dit bedrijfsmiddel bedraagt € 5.000. De gebruiksduur van dit bedrijfsmiddel is drie jaar. De ondernemer wenst de wagen in drie jaar af te schrijven. +BV A schaft een bestelwagen aan voor € 20.000. De restwaarde van dit bedrijfsmiddel bedraagt € 5.000. De gebruiksduur van dit bedrijfsmiddel is drie jaar. De ondernemer wenst de wagen in drie jaar af te schrijven. Het jaarlijkse bedrag van de afschrijving is € 5.000 ((20.000 – 5.000)/3; artikel 3.30, eerste lid, van de Wet IB 2001). De maximaal toegestane afschrijving bedraagt € 4.000 (20% × 20.000; artikel 3.30, tweede lid, van de Wet IB 2001). Aangezien het afschrijvingsbedrag het wettelijke afschrijvingsplafond overschrijdt, mag BV A voor de bestelwagen op jaarbasis slechts € 4.000 als afschrijving in aftrek brengen. Het restant (€ 3.000) mag in het vierde jaar worden afgeschreven. @@ -72,11 +72,11 @@ Ter verduidelijking merk ik op dat in 2006 geactiveerde kosten niet in 2007 inee ## 6. Voorwerpen van geringe waarde -De aanschaffings- of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde worden in het kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens afgeschreven (artikel 3.30, vierde lid, van de Wet IB 2001). Het ontmoet geen bezwaar als de belastingplichtige in de gevallen waarin bedoelde aanschaffings- of voortbrengingskosten minder bedragen dan € 450, het standpunt inneemt dat sprake is van voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, vierde lid, van de Wet IB 2001. Tenzij de kosten onderdeel vormen van de kosten van een complex van zaken, betekent dit standpunt dat genoemde aanschaffings- of voortbrengingskosten in het jaar van aanschaf ten laste van het resultaat mogen worden gebracht. +De aanschaffings- of voortbrengingskosten van voorwerpen van geringe waarde worden in het kalenderjaar van aanschaffing of voortbrenging ineens afgeschreven (artikel 3.30, vierde lid, van de Wet IB 2001). Het ontmoet geen bezwaar als de belastingplichtige in de gevallen waarin bedoelde aanschaffings- of voortbrengingskosten minder bedragen dan € 450, het standpunt inneemt dat sprake is van voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, vierde lid, van de Wet IB 2001. Tenzij de kosten onderdeel vormen van de kosten van een complex van zaken, betekent dit standpunt dat genoemde aanschaffings- of voortbrengingskosten in het jaar van aanschaf ten laste van het resultaat mogen worden gebracht. ## 7. Onderhanden werk en opdracht -Onderhanden werk wordt sinds 2007 gewaardeerd op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding dat aan dat onderhanden werk is toe te rekenen (artikel 3.29b van de Wet IB 2001). Deze activeringsplicht heeft betrekking op de vergoeding voor het aangenomen werk en niet op de voor het aangenomen werk gemaakte kosten. Vanwege de activering van de vergoeding komen de kosten van het aangenomen werk via de winst-en-verliesrekening in beginsel in aftrek in het jaar waarop zij drukken. Deze aftrek lijdt uitzondering als een aftrekbeperking van toepassing is. Zo komt rente die betrekking heeft op onderhanden werk, en die op grond van artikel 10a of 10d Wet Vpb van aftrek is uitgesloten, dan ook niet in aftrek. De fiscale regeling van artikel 3.29b van de Wet IB 2001 brengt mee dat het activeren van de (rente)kosten en het er op afschrijven niet aan de orde is. +Onderhanden werk wordt sinds 2007 gewaardeerd op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding dat aan dat onderhanden werk is toe te rekenen (artikel 3.29b van de Wet IB 2001). Deze activeringsplicht heeft betrekking op de vergoeding voor het aangenomen werk en niet op de voor het aangenomen werk gemaakte kosten. Vanwege de activering van de vergoeding komen de kosten van het aangenomen werk via de winst-en-verliesrekening in beginsel in aftrek in het jaar waarop zij drukken. Deze aftrek lijdt uitzondering als een aftrekbeperking van toepassing is. Zo komt rente die betrekking heeft op onderhanden werk, en die op grond van artikel 10a of 10d Wet Vpb van aftrek is uitgesloten, dan ook niet in aftrek. De fiscale regeling van artikel 3.29b van de Wet IB 2001 brengt mee dat het activeren van de (rente)kosten en het er op afschrijven niet aan de orde is. Voor onderhanden opdrachten geldt het bovenstaande overeenkomstig.