diff --git a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md index 76e9d056053..b1d538cd7c1 100644 --- a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md +++ b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md @@ -326,15 +326,17 @@ onder letter *b:* het heffingspercentage over het gedeelte der belaste verkrijgi | Gedeelte van de belaste verkrijging | Indien geërfd of verkregen wordt door: | | | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | -| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid1Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan. | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid | | | | +| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid^1 | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid | | | | | | | a | b | a | b | a | b | -| 0– | 21 703 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 | -| 21 703– | 43 401 | 1 085 | 8 | 5 642 | 30 | 8 898 | 45 | -| 43 401– | 86 792 | 2 820 | 12 | 12 151 | 35 | 18 662 | 50 | -| 86 792– | 173 575 | 8 026 | 15 | 27 337 | 39 | 40 357 | 54 | -| 173 575– | 347 141 | 21 043 | 19 | 61 182 | 44 | 87 219 | 59 | -| 347 141– | 867 836 | 54 020 | 23 | 137 551 | 48 | 189 622 | 63 | -| 867 836 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 173 779 | 27 | 387 484 | 53 | 517 659 | 68 | | +| 0– | 22 051 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 | +| 22 051– | 44 096 | 1 102 | 8 | 5 733 | 30 | 9 040 | 45 | +| 44 096– | 88 181 | 2 865 | 12 | 12 346 | 35 | 18 960 | 50 | +| 88 181– | 176 353 | 8 155 | 15 | 27 775 | 39 | 41 002 | 54 | +| 176 353– | 352 696 | 21 380 | 19 | 62 162 | 44 | 88 614 | 59 | +| 352 696– | 881 722 | 54 885 | 23 | 139 752 | 48 | 192 656 | 63 | +| 881 722 | en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 176 560 | 27 | 393 684 | 53 | 525 942 | 68 | + +^1 voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan **2.** @@ -344,7 +346,7 @@ a. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of b. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren en met geen ander dan met een of meer kinderen jonger dan 27 jaar van een van hen of van hen beiden een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Voor dit letteronderdeel wordt met een kind gelijkgesteld een pleegkind, waaronder voor de toepassing van dit letteronderdeel wordt verstaan een kind dat door de verkrijger en de erflater of de schenker als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; dan wel c. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. -**3.** Voor zover een schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, bedraagt het recht van schenking of het recht van overgang niet minder dan de overdrachtsbelasting welke zou zijn verschuldigd, indien artikel 15, eerste lid, letter *d*, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing zou zijn. +**3.** Voor zover een schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, bedraagt het recht van schenking of het recht van overgang niet minder dan de overdrachtsbelasting welke zou zijn verschuldigd, indien artikel 15, eerste lid, letter d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing zou zijn. **4.** De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking of recht van overgang verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking onderscheidenlijk het recht van overgang. @@ -413,26 +415,26 @@ Van het recht van successie is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 3°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; 4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen: -a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a:  € 507 803; -b. kinderen tot 23 jaar: € 4342 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 8680 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 021; -c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 8680; -d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 8680 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 26 038; -e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b:  € 507 803 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 253 903; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk  € 203 119,  € 152 338 en  € 101 556; -f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 43 395. +a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a:  € 515 928; +b. kinderen tot 23 jaar: € 4412 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 10 000 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 230; +c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 10 000; +d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 10 000 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 26 455; +e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b:  € 515 928 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 257 966; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk  € 206 369,  € 154 776 en  € 103 181; +f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 44 090. Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters *a*, *b*, *c*, *e* en *f* meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden; -6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 8680 niet te boven gaat; -7°. in andere gevallen, tot een bedrag van  € 1882. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; +6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 10 000 niet te boven gaat; +7°. in andere gevallen, tot een bedrag van  € 1913. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 8°. vervallen; 9°. door een werknemer van de erflater of zijn echtgenoot of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding; 10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten. -**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 021 voor een kind als is bedoeld in het eerste lid, 4°, letter *b*, slot, en € 8680 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen alsmede voor een ouder. +**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 230 voor een kind als bedoeld in het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, slot, € 10 000 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen en € 8819 voor een ouder. -**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 145 088 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 72 550 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. +**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 147 410 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 73 711 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. **4.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. @@ -440,10 +442,6 @@ Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke u **6.** Onder aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden worden verstaan aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, die ingaan bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in rechte lijn bestaat, of aan zijn eigen kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. -### Artikel 32a - -Van het recht van overgang is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang. - ### Artikel 33 **1.** @@ -454,9 +452,9 @@ Van het recht van schenking is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie of gemeente; 3°. door een provincie of gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; 4°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4342. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4342 voor één kalenderjaar tot € 21 700 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; +5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4412. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4412 voor één kalenderjaar tot € 22 048 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 6°. vervallen; -7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2606 niet te boven gaat; +7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2648 niet te boven gaat; 8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen; 9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven; 10°. van een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang; @@ -504,7 +502,7 @@ b. de aandelen in en winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel o **1.** Indien de op de voet van artikel 21 bepaalde waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, uitgaat boven de waarde van die bestanddelen met inachtneming van de verplichting van de verkrijger onderscheidenlijk het in artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde lichaam, om de onderneming gedurende een periode van ten minste vijf jaren voort te zetten, wordt op verzoek van de verkrijger het verschil tussen de eerstgenoemde en de laatstgenoemde waarde aangemerkt als te conserveren waarde (voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde). -**2.** Op verzoek van de verkrijger wordt 60 percent van de waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, nadat deze waarde is verminderd met de op grond van het eerste lid te conserveren waarde, aangemerkt als te conserveren waarde (voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde). +**2.** Op verzoek van de verkrijger wordt 75 percent van de waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, nadat deze waarde is verminderd met de op grond van het eerste lid te conserveren waarde, aangemerkt als te conserveren waarde (voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde). **3.** Op verzoek van de verkrijger wordt de waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, nadat die is verminderd met de op grond van het eerste en het tweede lid te conserveren waarde, aangemerkt als te conserveren waarde (belaste geconserveerde waarde).