2003-02-21 | BWBR0010646 | Uitvoeringsbesluit WEB

This commit is contained in:
Coornhert 2003-02-21 12:00:00 +00:00
parent fb9f2cb7df
commit 96fa6fcd23

View file

@ -52,7 +52,7 @@ waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cu
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. opleiding: een beroepsopleiding die is opgenomen in het Centraal register en die wordt bekostigd ingevolge een beslissing van Onze Minister op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, van de wet;
a. opleiding: een beroepsopleiding die is opgenomen in het Centraal register en die wordt bekostigd ingevolge een besluit van Onze Minister op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, van de wet;
b. voltijds deelnemer: een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een opleidingstraject volgt dat blijkens een onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.4.8 van de wet voldoet aan de eisen van Wet studiefinanciering 2000 of van de de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
c. deeltijds deelnemer: een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer;
d. diploma beroepsonderwijs: een door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een onder a bedoelde opleiding, alsmede van een opleiding die niet langer is opgenomen in het in artikel 2.1.1 van de wet bedoelde overzicht,
@ -85,7 +85,9 @@ Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiek
a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers,
b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs, en
c. het rijksbijdragedeel ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor de instelling worden berekend op grond van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5.
c. het rijksbijdragedeel ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten,
zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5.
**2.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
@ -180,6 +182,26 @@ b. niet in het bezit van:
In geval van fusie van instellingen of indien vanwege afspraken tussen instellingen over de verzorging van beroepsopleidingen, bepaalde gegevens als bedoeld in de artikelen 2.2.3, eerste lid, 2.2.4 of 2.2.5, anders moeten worden toegerekend, geeft Onze Minister op overeenkomstige wijze toepassing aan die bepalingen. Afspraken als bedoeld in de eerste volzin blijken uit een door het bevoegd gezag, in voorkomend geval tezamen met andere betrokken bevoegde gezagsorganen, aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
### Artikel 2.2.7
**1.** Indien Onze Minister van een instelling het formulier Bekostigingstelling beroepsonderwijs van bijlage 4 bij dit besluit niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vast, conform de voorschriften in het tweede tot en met het vijfde lid.
**2.**
Bij de toepassing van artikel 2.2.2 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs:
a. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep vastgesteld op 90% van de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar;
b. in afwijking van artikel 2.2.4 de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep vastgesteld op 90% van de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar;
c. in afwijking van artikel 2.2.5 het aantal deelnemers vastgesteld op 90% van het aantal deelnemers dat is gehanteerd bij de berekening van de rijksbijdrage van het voorgaande kalenderjaar.
**3.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in artikel 2.2.4 in de begripsbepalingen LD1, LD2 en LD3 tevens gelezen: alsmede de op grond van artikel 2.2.7, tweede lid, onderdeel b, vastgestelde aantallen diploma's.
**4.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar het in het eerste lid bedoelde formulier, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
**5.** Indien uit het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat toepassing van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5 leidt tot een lagere waarde dan vastgesteld op grond van het tweede lid, onderdelen a, b respectievelijk c, wordt de vergoeding van de instelling berekend op grond van die lagere waarde.
**6.** Indien uit het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat toepassing van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5, leidt tot een gelijke of hogere waarde dan vastgesteld op grond van het tweede lid, onderdelen a, b respectievelijk c, wordt de vergoeding van de instelling berekend op grond van het tweede lid.
### Paragraaf 3. Voorbereidend beroepsonderwijs aan agrarische opleidingscentra
### Artikel 2.3.1
@ -229,13 +251,13 @@ PLil: de op grond van het tweede lid voor het desbetreffende kalenderjaar toegek
**1.** Onze Minister verdeelt het op grond van artikel 2.1.3 voor een kalenderjaar vastgestelde landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs over de instellingen naar rato van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.2 berekende rijksbijdrage voor exploitatiekosten per instelling.
**2.** Ten aanzien van scholen voor voortgezet onderwijs in scholengemeenschappen als bedoeld in artikel IV, eerste lid, van de Wet van 29 mei 1997 (Stb. 1997, 229) tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht, wordt bij ministeriële regeling jaarlijks een bedrag vastgesteld ten behoeve van de huisvestingskosten per deelnemer die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar was ingeschreven aan een school voor voortgezet onderwijs als hiervoor bedoeld.
**2.** Ten aanzien van scholen voor voortgezet onderwijs in scholengemeenschappen als bedoeld in artikel IV, eerste lid, van de Wet van 29 mei 1997 (Stb. 1997, 229) tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht, wordt bij ministeriële regeling jaarlijks een bedrag vastgesteld ten behoeve van de huisvestingskosten per leerling die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar was ingeschreven aan een school voor voortgezet onderwijs als hiervoor bedoeld.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het voorbereidend beroepsonderwijs.
**4.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
**5.** Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing
**5.** Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 5. Vermindering rijksbijdrage in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
@ -249,7 +271,7 @@ a. instelling:
2°. een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet,
3°. een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut, en
4°. een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool;
b. uitkering: een werkloosheidsuitkering als bedoeld in de hoofdstukken I en II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid als bedoeld in hoofdstuk 3 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een instelling.
b. uitkering: een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet.
### Artikel 2.5.2
@ -331,7 +353,7 @@ Onze Minister berekent de in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijk
### Artikel 3.3.1
**1.** De in artikel 2.3.1, derde lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet waarmee een gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet heeft gesloten, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 12.3.5 van de wet, wordt jaarlijks door Onze Minister vastgesteld op het niveau van de vergoeding zoals voor die instelling is bepaald voor het kalenderjaar 1999.
**1.** De in artikel 2.3.1, derde lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet waarmee een gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet heeft gesloten, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 12.3.5 van de wet, wordt jaarlijks door Onze Minister vastgesteld op het niveau van de bekostiging zoals voor die instelling is vastgesteld voor het kalenderjaar 1999.
**2.** De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
@ -526,7 +548,7 @@ c. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder c.
### Artikel 4.5.1
In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering als bedoeld in de hoofdstukken I en II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid als bedoeld in hoofdstuk 3 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een landelijk orgaan.
In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een landelijk orgaan.
### Artikel 4.5.2
@ -610,7 +632,7 @@ Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijs
### Artikel 5.2.4
**1.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs, van de educatie en van de landelijke organen, gedurende ten minste vijf jaren.
**1.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs, van de educatie en van de landelijke organen, gedurende ten minste zeven jaren.
**2.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
@ -620,7 +642,7 @@ Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijs
### Artikel 6.1.1
**1.** Bij ministeriële regeling kan worden voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van artikel 2.2.4 hanteert voor de bekostiging voor de jaren 2000 en 2001 voor zover nog niet kan worden beschikt over de in dat artikel voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
**1.** Vervallen.
**2.** Bij ministeriële regeling kan worden voorgeschreven, welke gegevens Onze Minister in afwijking van artikel 2.2.5 hanteert voor de bekostiging voor zover nog niet kan worden beschikt over de in dat artikel, onder b, voorgeschreven gegevens. De vervangende gegevens komen zoveel mogelijk overeen met de voorgeschreven gegevens.
@ -628,24 +650,24 @@ Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijs
Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld:
a. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi: welke prijsfactor wordt toegekend aan opleidingen die op de dag voor de eerste toepassing van artikel 2.2.3 zijn opgenomen in het Centraal register,
a. vervallen;
b. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi respectievelijk DFi: welke prijsfactor respectievelijk welke deeltijdfactor:
1°. tot uiterlijk 1 januari 1999 voor deelnemers aan 2-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
2°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deeltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
3°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deelnemers aan 3-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
4°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor deeltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
5°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor deelnemers aan 4-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs, en
1°. vervallen;
2°. vervallen;
3°. vervallen;
4°. vervallen;
5°. vervallen;
6°. tot uiterlijk 1 januari 2002 voor deeltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
wordt toegekend aan opleidingen waarvan de opleidingen zoals vermeld in het overzicht, bedoeld in artikel 12.3.17, eerste lid, van de wet, een voortzetting vormen.
c. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, onder Pi respectievelijk DFi: welke prijsfactor respectievelijk welke deeltijdfactor:
1°. tot uiterlijk 1 januari 1999 voor deelnemers aan 2-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
2°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deeltijdse deelnemers aan 2-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
3°. tot uiterlijk 1 januari 2000 voor deelnemers aan 3-jarige opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs en voor voltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
4°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor deeltijdse deelnemers aan 3-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
5°. tot uiterlijk 1 januari 2001 voor voltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs, en
1°. vervallen;
2°. vervallen;
3°. vervallen;
4°. vervallen;
5°. vervallen;
6°. tot uiterlijk 1 januari 2002 voor deeltijdse deelnemers aan 4-jarige opleidingen middelbaar beroepsonderwijs,
wordt toegekend aan bekostigde opleidingen die niet vallen onder a of b en die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan de eerste toepassing van artikel 2.2.3 werden verzorgd aan de instellingen, en
@ -667,49 +689,11 @@ d. welk niveau wordt toegekend aan een opleiding als bedoeld onder b of c met he
### Artikel 6.1.4
**1.**
In afwijking van de artikelen 2.2.2, 2.4.1 en 6.1.3 wordt de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2000 van een instelling waarbij het verschil tussen B.2000 en het B.1999 negatief onderscheidenlijk positief is, verhoogd onderscheidenlijk verlaagd overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid. Van een negatief verschil is sprake indien de uitkomst van B.2000 lager is dan die van B.1999. Van een positief verschil is sprake indien de uitkomst van B.2000 hoger is dan die van B.1999. In de eerste en tweede volzin wordt verstaan onder:
B.2000: de som van de delen van de rijksbijdrage die op prijspeil 1999 voor de desbetreffende instelling worden vastgesteld voor het kalenderjaar 2000 ten behoeve van de exploitatiekosten respectievelijk de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs op grond van de artikelen 2.2.2 respectievelijk 2.4.1 en 6.1.3, eerste lid, met uitzondering van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 en in artikel 7 van het Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, en met uitzondering van de delen van de rijksbijdrage, bedoeld in de artikelen 2.2.2, 2.4.1 en 6.1.1 die zijn vastgesteld voor in artikel 2.2.3, tweede lid, onderdeel b, bedoelde opleidingen waarvoor een deeltijdfactor van 0,8 geldt, en
B.1999: de som van de delen van de rijksbijdrage die op prijspeil 1999 voor de desbetreffende instelling worden vastgesteld voor het kalenderjaar 1999 ten behoeve van het beroepsonderwijs voor:
a. personeel, materieel, nascholing en studie- en beroepskeuzevoorlichting, op grond van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 dan wel in geval van een agrarisch opleidingscentrum, de Regeling bekostiging agrarische opleidingscentra tot 2000, alsmede
b. huisvesting, op grond van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, voor zover het betreft agrarische opleidingscentra, dan wel de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999, met uitzondering van de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen vavo, als bedoeld in artikel 3.3.1.
Bij de berekening van B.1999 blijven buiten beschouwing de aanvullende bedragen, toegekend op grond van de paragrafen 3, 4a, 5a, 5d, 5e, paragraaf 5f voor zover geen betrekking hebbend op beroepsonderwijs, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, alsmede artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999, dan wel ingeval van een agrarisch opleidingscentrum, artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector.
**2.** Een instelling met een negatief verschil als bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking voor een verhoging van de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2000 indien het bevoegd gezag binnen acht weken na ontvangst van de bekendmaking van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.4, eerste lid, van de wet, een plan indient bij Onze Minister dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en tevens ten aanzien van het onderliggende feitenmateriaal is voorzien van een verklaring omtrent de aanvaardbaarheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
**3.**
De verhoging van de rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formule:
2,3838 x (B.1999 B.2000).
**4.**
De verlaging van de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend volgens de volgende formule:
RbI
------- x T
RbT
In deze formule wordt verstaan onder:
RbI: het verschil tussen het bedrag, bedoeld in het eerste lid, B.2000, en het bedrag, bedoeld in het eerste lid, B.1999,
RbT: de som van RbI van de instellingen, en
T: de som van de verhogingen van de rijksbijdrage van de instellingen, zoals deze zijn berekend op grond van het derde lid.
**5.** Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel 6.1.5
Indien het negatieve verschil, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, bij een instelling gelijk is aan of meer is dan 8% van B.2000, geldt in plaats van de in artikel 6.1.4, derde lid, genoemde factor 2,3838 de factor 2,5855.
Vervallen
### Paragraaf 2. Educatie
@ -763,7 +747,7 @@ Onze Minister voegt in het jaar 2000 een bedrag toe aan het totaal van de rijksb
a. het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij de nieuwe berekening ten minste f 800 000, lager is dan bij de oude berekening, of
b. het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij de nieuwe berekening, gelijk is aan of lager is dan 0,9 x dat totaal bij de oude berekening.
**3.** De op grond van het eerste of tweede lid toe te voegen bedragen worden bepaald door het op grond van artikel 6.2.2 voor het jaar 2000 vastgestelde bedrag te verdelen over de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid. Deze verdeling geschiedt naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten onderscheidenlijk bij het totaal van de gemeenten in die gebieden.
**3.** De op grond van het eerste of tweede lid toe te voegen bedragen worden vastgesteld door het op grond van artikel 6.2.2 voor het jaar 2000 vastgestelde bedrag te verdelen over de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, en de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid. Deze verdeling geschiedt naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten onderscheidenlijk bij het totaal van de gemeenten in die gebieden.
**4.** De op grond van het tweede en derde lid berekende bedragen voor de samenwerkingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, worden door Onze Minister verdeeld over de gemeenten in het desbetreffende gebied die bij de nieuwe berekening een lagere rijksbijdrage educatie zouden ontvangen dan bij de oude berekening. De verdeling vindt plaats naar rato van de omvang van de verschillen tussen de uitkomsten van de oude en de nieuwe berekening bij die gemeenten.
@ -789,50 +773,19 @@ De in deze paragraaf voor de jaren 2002 en 2003 berekende bedragen worden vastge
### Artikel 6.3.2
**1.**
In afwijking van paragraaf 2 van hoofdstuk 4 wordt de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kalenderjaar 2000 berekend op de som van:
a. 25% van de rijksbijdrage die voor het landelijk orgaan voor het kalenderjaar 1997 is berekend op grond van de Regeling bekostiging landelijke organen 1997 zoals luidend op 1 januari 1997, met dien verstande dat de berekening geschiedt op de grondslag van de gegevens die het landelijk orgaan heeft vermeld op het door Onze Minister vastgestelde en door de accountant van het landelijk orgaan gecontroleerde formulier betreffende de telling van de leerovereenkomsten en leerbedrijven 1996/1997, en
b. 75% van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten zoals voor dat landelijk orgaan berekend op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 4 en met inachtneming van artikel 6.3.1.
**2.** Onze Minister bepaalt het relatieve aandeel van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan in het totaal van de in het eerste lid, onder b, bedoelde rijksbijdrage. Indien het totaal van de rijksbijdragen, berekend op grond van het eerste lid, minder is dan het bedrag dat voor de exploitatiekosten is opgenomen in de rijksbegroting, voegt Onze Minister het verschil overeenkomstig dat relatieve aandeel toe aan de voor elk landelijk orgaan op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage.
Vervallen
### Artikel 6.3.3
**1.**
In afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 en van artikel 6.3.1 berekent Onze Minister de rijksbijdrage ten behoeve van huisvestingskosten voor een landelijk orgaan voor de kalenderjaren 2000 en 2001 op het totaal van de volgende bedragen, voor zover van toepassing:
a. het bedrag van de voor dat landelijk orgaan ten behoeve van het kalenderjaar 1996 vastgestelde vergoeding aan huurpenningen;
b. de voor het kalenderjaar 1996 vastgestelde normatieve uitgaven voor rente en aflossing ten gevolge van de schuld die resteert van het op 31 december 1996 nog uitstaande door het Rijk aan dat landelijk orgaan overgedragen leenbedrag ter zake van een investering waarvoor door het Rijk toestemming is verleend;
c. de omvang van de voor het kalenderjaar 1996 vastgestelde eigenaarsvergoeding, bedoeld in artikel 5 van de Regeling vaststelling grondslagen bekostiging landelijke organen ingaande 1 mei 1995.
**2.** Voor een landelijk orgaan waarop het eerste lid niet van toepassing is, berekent Onze Minister de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten op 5 procent van de vergoeding ten behoeve van het kalenderjaar 1995, zoals berekend op grond van de artikelen H.3 tot en met H.8 van het Uitvoeringsbesluit W.C.B.O.
**3.** De rijksbijdrage voor zover berekend op grond van het eerste lid, onder a, kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Vervallen
### Artikel 6.3.4
**1.** Onze Minister kan, na overleg met de landelijke organen, de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor de landelijke organen, voor zover berekend op grond van artikel 6.3.3, eerste lid, onder a, voor het kalenderjaar 2000 of het kalenderjaar 2001 verhogen of verlagen indien de bij ministeriële regeling voor de toepassing van dit lid vastgestelde personele component van de rijksbijdrage voor dat kalenderjaar 20% of meer afwijkt van de vergoeding voor de personele component voor het kalenderjaar 1995, zoals berekend op grond van de artikelen H.3 tot en met H.7 van het Uitvoeringsbesluit W.C.B.O.
**2.** Bij de in het eerste lid bedoelde berekening van de afwijking van de vergoeding van de personele component voor het kalenderjaar 1995 blijven algemene salarismaatregelen en andere uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen buiten beschouwing.
**3.** Bij ministeriële regeling kan jaarlijks een correctiefactor worden vastgesteld om de omvang van de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor de landelijke organen in enig kalenderjaar, berekend op grond van het eerste lid, af te stemmen op de beschikbare middelen voor de huisvestingskosten voor de landelijke organen in dat kalenderjaar.
Vervallen
### Artikel 6.3.5
**1.** In afwijking van artikel 4.5.2, derde lid, wordt voor de berekening van de vermindering van de rijksbijdragen voor de kalenderjaren 2000 en 2001 het onderdeel «(A + B + C)» van de formule «RALO x (A + B + C)» vervangen door «(A + B + C + quotum LOB's)».
**2.** Onder quotum LOB's als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, het deel van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar dat is ontstaan ten gevolge van de invoering van de Regeling bekostiging landelijke organen voor het beroepsonderwijs onder de WEB en dat volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften ten laste wordt gebracht van de landelijke organen gezamenlijk. Onze Minister stelt de landelijke organen in de gelegenheid, hem een voorstel te doen voor het gedeelte dat ten laste van de landelijke organen gezamenlijk dient te worden gebracht.
**3.**
In afwijking van artikel 4.5.2, derde lid, geldt voor de berekening van de vermindering van de rijksbijdragen voor de kalenderjaren 2000 en 2001 in plaats van onderdeel C van de in dat lid genoemde formule:
C: 65% van de kosten van de uitkeringen in het begrotingsjaar voor gewezen personeel van de landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998 en dat ingevolge bij ministeriële regeling te geven voorschriften niet wordt gerekend tot het quotum LOB's.
**4.** In afwijking van artikel 4.5.2, vierde lid, onder b, behoren voor de berekening van de vermindering van de rijksbijdragen voor de kalenderjaren 2000 en 2001 tot de daar bedoelde kosten niet die welke op grond van het tweede lid niet worden gerekend tot het quotum LOB's.
Vervallen
### Artikel 6.3.6