2017-01-01 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
This commit is contained in:
parent
733f9a542b
commit
98d79a8812
1 changed files with 149 additions and 135 deletions
|
|
@ -268,7 +268,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*kleefstof:* mengsel dat wordt gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;
|
||||
|
||||
*kleiduiven:* kleiduiven als bedoeld in artikel 1 van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer;
|
||||
*kleiduiven:* voorwerpen die, in de lucht geschoten of geworpen, dan wel over de grond gerold of mechanisch voortbewogen, dienen als doel bij het schieten met hagelgeweren;
|
||||
|
||||
*kleiduivenbaan:* buitenschietbaan waarop wordt geschoten met hagelgeweren met als doel, kleiduiven of andere doelen in het kader van de oefening voor de jacht te raken;
|
||||
|
||||
|
|
@ -282,7 +282,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*Lnight:* de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;
|
||||
|
||||
*laadportaal:* laadportaal als bedoeld in artikel 2, onderdeel o, van richtlijn 94/63;
|
||||
*laadportaal:* laadportaal als bedoeld in artikel 2, onderdeel o, van richtlijn 94/63/EG;
|
||||
|
||||
*lak:* doorzichtige coating;
|
||||
|
||||
|
|
@ -427,6 +427,8 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer
|
|||
*richtlijn 2003/30/EG:*
|
||||
richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer;
|
||||
|
||||
*richtlijn 94/63/EG:* richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994 L 365);
|
||||
|
||||
*rookzwak kruit:* kruit dat onder de klasse 1.3 van het ADR valt;
|
||||
|
||||
*schoorsteen:* structuur met een of meer afgaskanalen voor de afvoer van afgassen met het oog op de emissie ervan in de lucht;
|
||||
|
|
@ -594,10 +596,10 @@ i. waarbinnen geen van de bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 genoemde activ
|
|||
6°. het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
|
||||
7°. het lozen van koelwater anders dan in een vuilwaterriool;
|
||||
8°. het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, op of in de bodem of met een duur van ten hoogste 48 uur;
|
||||
9° het opslaan in opslagtanks van maximaal 1.000 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
|
||||
10° het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen, minerale olie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
|
||||
9° het opslaan in opslagtanks van maximaal 1.000 liter gasolie of biodiesel die valt onder klasse 3 van het ADR zonder bijkomende gevaareigenschappen;
|
||||
10° het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen, minerale olie of biodiesel die valt onder klasse 3 van het ADR zonder bijkomende gevaareigenschappen;
|
||||
11°. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid en derde lid, onder a tot en met d, van het Bouwbesluit 2012;
|
||||
12°. het opslaan in verpakking van maximaal 50 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
|
||||
12°. het opslaan in verpakking van maximaal 50 liter gasolie of biodiesel die valt onder klasse 3 van het ADR zonder bijkomende gevaareigenschappen;
|
||||
13°. het opslaan in verpakking van stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen;
|
||||
14°. het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden aan vaste objecten, die periodiek worden uitgevoerd en waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt verwijderd;
|
||||
15°. het in werking hebben van een acculader;
|
||||
|
|
@ -1057,7 +1059,7 @@ Indien er sprake is van een zodanige combinatie van meerdere activiteiten, dat e
|
|||
|
||||
Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen voor het lozen worden uitgevoerd volgens:
|
||||
|
||||
a. NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 ten aanzien van arseen, barium, berylium, boor, cadmium, chroom, cobalt, ijzer, koper, molybdeen, nikkel, lood, seleen, tin, titaan, uranium, vanadium, zilver en zink, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1 en NEN 6961;
|
||||
a. NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 ten aanzien van arseen, barium, berylium, boor, cadmium, chroom, cobalt, ijzer, koper, molybdeen, nikkel, lood, seleen, tin, titaan, uranium, vanadium, zilver en zink, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1;
|
||||
b. NEN-EN-ISO 12846 ten aanzien van kwik;
|
||||
c. NEN-EN-ISO 14403-1 of NEN-EN-ISO 14403-2 ten aanzien van vrij cyanide in afvalwater;
|
||||
d. NEN-EN-ISO 15680 ten aanzien van benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen en naftaleen;
|
||||
|
|
@ -1088,15 +1090,15 @@ t. NEN-ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
|
|||
|
||||
**1.** Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.8, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Indien de BBT-conclusie van toepassing is op een groep van stoffen, geldt de eerste volzin voor alle stoffen die tot die groep van stoffen behoren.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, tweede, derde en zesde lid niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in de hoofdstukken 3 en 4 emissie-eisen aan die stoffen zijn gesteld.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid is artikel 2.5, tweede, derde, vijfde en zevende lid niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in de hoofdstukken 3, 4 en 5 emissie-eisen aan die stoffen zijn gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid is artikel 2.7a, eerste, tweede en vierde lid, niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in hoofdstuk 3, 4 en 5 eisen aan geurhinder zijn gesteld.
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid is artikel 2.7a, eerste, tweede en vierde lid, niet van toepassing op emissies van geur voor zover in hoofdstuk 3, 4 en 5 eisen aan geurhinder zijn gesteld.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste lid is artikel 2.8 niet van toepassing op stoffen waarvoor op grond van hoofdstuk 5 een monitoringsbepaling geldt.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, 2.6 en 2.8 niet van toepassing op oplosmiddeleninstallaties die vallen onder afdeling 2.11.
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, 2.6 en 2.8 niet van toepassing op emissies van vluchtige organische stoffen uit oplosmiddeleninstallaties die vallen onder afdeling 2.11.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3b
|
||||
|
||||
|
|
@ -1138,15 +1140,15 @@ c. de bepaling van de immissieconcentratie, bedoeld in het vijfde lid.
|
|||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu, en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging, bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorie ZZS voor zover het betreft:
|
||||
Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, als het belang van de bescherming van het milieu en het belang van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging zich daartegen niet verzetten, bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorie ZZS voor zover het betreft:
|
||||
|
||||
a. een inrichting type C, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de emissiewaarden, bedoeld in het vijfde lid, dan wel afwijken van de emissiewaarden in de tabellen 2.5 en 2.6 of de tijdelijk bij ministeriële regeling vastgestelde waarden als bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, dan wel andere eisen stellen;
|
||||
a. een inrichting type C, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de emissiewaarden, bedoeld in het vijfde lid, dan wel afwijken van de emissiewaarden in de tabellen 2.5 en 2.6 of de tijdelijk bij ministeriële regeling vastgestelde waarden als bedoeld in artikel 2.5, zesde lid, dan wel andere eisen stellen;
|
||||
b. een inrichting type B, eisen stellen aan de situering en uitvoering van het afvoerpunt van emissies;
|
||||
c. eisen stellen aan de emissies van diffuse bronnen.
|
||||
|
||||
**9.** Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het achtste lid, wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, de kosten en baten en een integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
|
||||
**10.** Dit artikel is, met uitzondering van het tweede lid en het achtste lid, onderdeel b, niet van toepassing op de stoffen genoemd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.
|
||||
**10.** Dit artikel is, met uitzondering van het tweede lid, het achtste lid en het negende lid, niet van toepassing op de stoffen genoemd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1175,29 +1177,30 @@ Onverminderd het eerste lid is voor de stofcategorieën ZZS, sA en gO in tabel 2
|
|||
a. de gedurende één uur optredende massastromen van stoffen uit een stofklasse genoemd in tabel 2.5 samen met de gedurende hetzelfde uur optredende massastromen van stoffen uit de eerstvolgende hogere stofklasse genoemd in die tabel, vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in die tabel genoemde grensmassastroom van de laatstbedoelde stofklasse overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofklassen per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hogere stofklasse;
|
||||
b. de gedurende één uur optredende massastromen van afzonderlijke stofklassen binnen één stofcategorie samen vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 genoemde grensmassastroom van de hoogste stofklasse genoemd in die tabel van die stofcategorie overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofcategorie per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hoogste stofklasse.
|
||||
|
||||
**5.** Voor stoffen die in een andere stofklasse of stofcategorie worden ingedeeld kunnen, in afwijking van de waarden genoemd in tabel 2.5 en 2.6, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij ministeriële regeling voor de betreffende stof tijdelijk andere waarden worden vastgesteld.
|
||||
**5.** Indien de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van een stof in de stofcategorie gA naar de lucht vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt, is de emissieconcentratie van die stof per puntbron niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij die stof.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
**6.** Voor stoffen die in een andere stofklasse of stofcategorie worden ingedeeld kunnen, in afwijking van de waarden genoemd in tabel 2.5 en 2.6, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij ministeriële regeling voor de betreffende stof tijdelijk andere waarden worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Indien in hoofdstuk 4 of bij ministeriële regeling als bedoeld in het vijfde lid, eisen zijn gesteld aan de emissie van stoffen in de stofcategorie ZZS wordt ten aanzien van de berekeningen in het eerste en vierde lid gerekend met de afwijkende massastroom en emissiegrenswaarde zoals opgenomen in de betreffende artikelen van hoofdstuk 4 of in de betreffende artikelen van de ministeriële regeling.
|
||||
|
||||
| Stofcategorie | Stofklasse | Grensmassastroom mg TEQ/jaar | Emissiegrenswaarde ng TEQ /Nm^3 |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| ZZS | ERS | 20 | 0,1 |
|
||||
| Stofklasse | Grensmassastroom g/uur | Emissiegrenswaarde mg/Nm^3 | |
|
||||
| MVP1 | 0,15 | 0,05 | |
|
||||
| MVP2 | 2,5 | 1 | |
|
||||
| sA | sA.1 | 0,25 | 0,05 |
|
||||
| | sA.2 | 2,5 | 0,5 |
|
||||
| | sA.3 | 10 | 5 |
|
||||
| gA | gA.1 | 2,5 | 0,5 |
|
||||
| | gA.2 | 15 | 3 |
|
||||
| | gA.3 | 150 | 30 |
|
||||
| | gA.4 | 2.000 | 50 |
|
||||
| | gA.5 | 2.000 | 200 |
|
||||
| gO | gO.1 | 100 | 20 |
|
||||
| | gO.2 | 500 | 50 |
|
||||
| | gO.3 | 500 | 100 |
|
||||
| Stofcategorie | Stofklasse | Grensmassastroom | Emissiegrenswaarde | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| ZZS | ERS | 20 | mg TEQ/jaar | 0,1 | ng TEQ/Nm^3 |
|
||||
| | MVP1 | 0,15 | g/uur | 0,05 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | MVP2 | 2,5 | g/uur | 1 | mg/Nm^3 |
|
||||
| sA | sA.1 | 0,25 | g/uur | 0,05 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | sA.2 | 2,5 | g/uur | 0,5 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | sA.3 | 10 | g/uur | 5 | mg/Nm^3 |
|
||||
| gA | gA.1 | 2,5 | g/uur | 0,5 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | gA.2 | 15 | g/uur | 3 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | gA.3 | 150 | g/uur | 30 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | gA.4 | 2.000 | g/uur | 50 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | gA.5 | 2.000 | g/uur | 200 | mg/Nm^3 |
|
||||
| gO | gO.1 | 100 | g/uur | 20 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | gO.2 | 500 | g/uur | 50 | mg/Nm^3 |
|
||||
| | gO.3 | 500 | g/uur | 100 | mg/Nm^3 |
|
||||
|
||||
### Artikel 2.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1205,13 +1208,17 @@ Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2.6 g
|
|||
|
||||
### Artikel 2.7
|
||||
|
||||
**1.** Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag de emissiegrenswaarden voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 6, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en andere emissiegrenswaarden vaststellen dan wel eisen stellen aan emissies van diffuse bronnen dan wel andere eisen stellen om luchtverontreiniging te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken. Daarbij worden in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast.
|
||||
**1.** Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag de emissiegrenswaarden voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3, 4 en 5 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en andere emissiegrenswaarden vaststellen, dan wel andere eisen stellen om luchtverontreiniging te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van de technische kenmerken wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, kosteneffectiviteit en integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, eisen stellen aan emissies van diffuse bronnen.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag stelt de kosteneffectiviteit van maatregelen vast volgens de rekenmethode in bijlage 2 en de waarden, bedoeld in het vierde tot en met het zesde lid.
|
||||
**3.** Bij maatwerkvoorschriften op grond van het eerste en tweede lid worden in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**4.** Ten aanzien van de technische kenmerken wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, kosteneffectiviteit en integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag stelt de kosteneffectiviteit van maatregelen vast volgens de rekenmethode in bijlage 2 en de waarden, bedoeld in het zesde tot en met achtste lid.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Een maatregel met betrekking tot emissies van stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2), vluchtige organische stoffen (VOS) of totaal stof is in ieder geval kosteneffectief indien de berekende waarde lager is dan de laagste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1222,13 +1229,13 @@ Een maatregel met betrekking tot emissies van stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxi
|
|||
| VOS | 8 – 15 |
|
||||
| Stof | 8 – 15 |
|
||||
|
||||
**5.** Een maatregel met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het vierde lid, is niet kosteneffectief indien de berekende waarde hoger is dan de hoogste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.
|
||||
**7.** Een maatregel met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het zesde lid, is niet kosteneffectief indien de berekende waarde hoger is dan de hoogste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de berekende kosteneffectiviteit van een maatregel, met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het vierde lid, binnen het afwegingsgebied van tabel 2.7 ligt, bepaalt het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of die maatregel in een individueel geval kosteneffectief is.
|
||||
**8.** Indien de berekende kosteneffectiviteit van een maatregel, met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het zesde lid, binnen het afwegingsgebied van tabel 2.7 ligt, bepaalt het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of die maatregel in een individueel geval kosteneffectief is.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van maatregelen wordt overgelegd om te kunnen voldoen aan de artikelen 2.5 en 2.6.
|
||||
**9.** Indien een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van maatregelen wordt overgelegd om te kunnen voldoen aan de artikelen 2.5 en 2.6.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
**10.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het controleren van emissies naar de lucht, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, en alle activiteiten waarvoor bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld indien:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1237,7 +1244,7 @@ b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde s
|
|||
c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven, of
|
||||
d. de grootte van de emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.
|
||||
|
||||
**9.** Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door degene die de inrichting drijft, wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
|
||||
**11.** Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door degene die de inrichting drijft, wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.7a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2329,7 +2336,7 @@ a. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die blijkens een da
|
|||
b. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is, met uitzondering van dieselmotoren die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit in gevallen anders dan noodgevallen;
|
||||
c. een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van minder dan 400 kilowatt waarin andere brandstoffen dan biomassa worden toegepast;
|
||||
d. een grote stookinstallatie;
|
||||
e. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
e. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
f. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
|
@ -2337,7 +2344,7 @@ f. een mobiele stookinstallatie.
|
|||
De artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o inzake het doelmatig beheer van afvalwater, het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het doelmatig beheer van afval, zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft:
|
||||
|
||||
a. een grote stookinstallatie;
|
||||
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
c. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -2346,7 +2353,7 @@ De artikelen 3.10l en 3.10m inzake een doelmatig gebruik van energie, zijn van t
|
|||
|
||||
a. het een warmtekrachtinstallatie betreft waarin vergistinggas wordt gebruikt;
|
||||
b. de warmtekrachtinstallatie een grote stookinstallatie betreft;
|
||||
c. de warmtekrachtinstallatie een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie betreft waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
c. de warmtekrachtinstallatie een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie betreft waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
d. de warmtekrachtinstallatie een mobiele stookinstallatie betreft.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
|
@ -2356,7 +2363,7 @@ Artikel 3.10p inzake keuring en onderhoud van een stookinstallatie is van toepas
|
|||
a. een stookinstallatie die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof;
|
||||
b. een grote stookinstallatie;
|
||||
c. een afvalverbrandingsinstallatie;
|
||||
d. een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
d. een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
e. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**5.** Deze paragraaf is niet van toepassing op het stoken van stookinstallaties die ingevolge bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a, van het Besluit omgevingsrecht er toe leiden, dat een inrichting vergunningplichtig is.
|
||||
|
|
@ -2410,7 +2417,7 @@ Het rookgas van een dieselmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in t
|
|||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat kan worden volstaan met een kosteneffectiviteitsberekening indien de resterende levensduur van de installatie daartoe aanleiding geeft.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, derde tot en met zesde lid.
|
||||
**5.** Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, vijfde tot en met achtste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10f
|
||||
|
||||
|
|
@ -2493,15 +2500,13 @@ Een stookinstallatie voldoet ten behoeve van het veilig functioneren, een optima
|
|||
|
||||
### Artikel 3.10q
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO_2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, tot 1 januari 2019 aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.
|
||||
|
||||
**2.** Het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet met ingang van 1 januari 2017 aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f.
|
||||
**2.** Het rookgas van een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voldoet met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid voldoet het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO_2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.
|
||||
**3.** Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) tot de datum, genoemd in het eerste lid, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot de in het eerste lid genoemde datum bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt.
|
||||
|
||||
**4.** Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot de in het tweede of derde lid genoemde data bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt.
|
||||
|
||||
**5.** Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.
|
||||
**4.** Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10r
|
||||
|
||||
|
|
@ -2535,16 +2540,24 @@ In afwijking van de artikelen 3.10a en 3.10b en onverminderd het eerste lid, vol
|
|||
|
||||
### Artikel 3.10s
|
||||
|
||||
Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste of derde lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2017 onderscheidenlijk 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal vermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f, wordt voldaan.
|
||||
Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal vermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f, wordt voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10t
|
||||
|
||||
Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste of derde lid, of artikel 3.10r, eerste lid.
|
||||
Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10u
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10l, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in dat lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10v
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10d, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 225 milligram per normaal kubieke meter, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities vaststellen voor een gasturbine die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, indien deze gasturbine is uitgerust met een stoom- of waterinjectie.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10w
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10f, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor onverbrande koolwaterstoffen vaststellen voor een gasmotor met een thermisch vermogen van 2,5 megawatt of groter die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarin brandstof anders dan vergistinggas wordt verbrand, indien met een motorzijdige aanpassing onvoldoende reductie van koolwaterstoffen kan worden bereikt. In het maatwerkvoorschrift wordt een einddatum opgenomen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.2. In werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
|
||||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
|
@ -3043,7 +3056,7 @@ ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -3291,7 +3304,7 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.30a
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het vulpunt van een ondergrondse opslagtank met organische oplosmiddelen of de opstelplaats van een tankwagen, wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand aangehouden van tenminste 20 meter.
|
||||
Met betrekking tot het vulpunt van een ondergrondse opslagtank met organische oplosmiddelen of de opstelplaats van een tankwagen met organische oplosmiddelen, wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand aangehouden van tenminste 20 meter.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.3. Opslaan en overslaan van goederen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3418,7 +3431,7 @@ b. S3 bij een windsnelheid groter dan 14 meter per seconde.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -3634,7 +3647,7 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.54e
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 of 1.6 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.54f
|
||||
|
||||
|
|
@ -3656,7 +3669,7 @@ c. de bouwkundige staat van de voorzieningen waarin gevaarlijke stoffen van de A
|
|||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid is de totale hoeveelheid NEG van een gezamenlijke opslag van de ADR klassen 1.2 en 1.3 niet groter dan de toegestane hoeveelheid van de ADR klasse 1.1, indien de gezamenlijke opslag van de ADR klassen 1.2 en 1.3 kan reageren als ADR klasse 1.1.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
**5.** Bij het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 of 1.6 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.11. Op- en overslaan van verwijderd asbest
|
||||
|
||||
|
|
@ -4213,8 +4226,6 @@ b. uitsluitend gebruik gemaakt van venturidoppen uit de 50% driftreductieklasse.
|
|||
|
||||
**10.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan bij ministeriële regeling ten aanzien van de daarbij aangewezen driftarme doppen een lagere hoogte worden vastgesteld waarop de spuitdoppen zich ten hoogste boven het gewas mogen bevinden.
|
||||
|
||||
**11.** Het derde tot en met vijfde lid zijn tot 1 januari 2017 niet van toepassing op veldspuitapparatuur die niet is voorzien van een drukregistratievoorziening als bedoeld in die leden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.84
|
||||
|
||||
Bij het op andere wijze dan door middel van een werk lozen van meststoffen in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het gebruik van meststoffen bij het telen van gewassen in de open lucht, wordt ten minste voldaan aan artikel 3.85.
|
||||
|
|
@ -4466,8 +4477,6 @@ b. het is geleid door een zuiveringsvoorziening waarmee ten minste 95% van de ge
|
|||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**6.** Het vierde lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op het sorteren van gewassen die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van derden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.7. Composteren
|
||||
|
||||
### Artikel 3.106
|
||||
|
|
@ -4951,7 +4960,7 @@ g. de productie van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een:
|
||||
Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een:
|
||||
|
||||
a. saneringsinspanning A geldt, of
|
||||
b. saneringsinspanning B geldt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd door middel van biologische zuivering.
|
||||
|
|
@ -4985,7 +4994,7 @@ Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
|||
|
||||
**1.** Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken is toegestaan indien daarbij ten minste voldaan wordt aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met zesde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater, bedoeld in dat lid, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5013,7 +5022,7 @@ Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken waarbij voedingsmiddelen of dranken of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken waarbij voedingsmiddelen of dranken of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5041,7 +5050,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het schieten op een schietbaan of een combin
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het schieten op een binnenschietbaan, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het schieten op een binnenschietbaan, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5177,10 +5186,12 @@ De artikelen 2.17 tot en met 2.22 zijn niet van toepassing op een buitenschietba
|
|||
|
||||
**1.** Een buitenschietbaan voldoet ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 50 dB B_s,dan op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in verband met nationale of operationele belangen bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vaststellen van ten hoogste 55 dB B_s,dan.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in verband met nationale of operationele belangen, of indien bijzondere lokale omstandigheden daartoe aanleiding geven, bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vaststellen, echter niet hoger dan 55 dB B_s,dan.
|
||||
|
||||
**3.** De geluidvoorschriften in een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting waarvan een buitenschietbaan deel uitmaakt, die in werking en onherroepelijk was tot het tijdstip van het in werking treden van het eerste lid, blijven van toepassing gedurende ten hoogste vijf jaar na dat tijdstip dan wel tot het tijdstip waarop het gebruik, het wapentype of de constructie van de buitenschietbaan wordt gewijzigd dan wel tot het tijdstip waarop een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid, wordt opgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.161
|
||||
|
||||
**1.** De berekening van de geluidbelasting wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
|
@ -5203,7 +5214,7 @@ Het is verboden om in de buitenlucht planten of onderdelen van planten met behul
|
|||
|
||||
### Artikel 3.165
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5325,7 +5336,7 @@ Inbeslaggenomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen
|
|||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van stoffen in een bovengrondse opslagtank van:
|
||||
|
||||
a. propeen, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof;
|
||||
a. propeen, zuurstof, koolzuur, argon, helium of stikstof;
|
||||
b. stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar;
|
||||
c. halfzware olie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns bij een inrichting voor agrarische activiteiten;
|
||||
d. PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel;
|
||||
|
|
@ -5342,7 +5353,7 @@ f. andere vloeibare bodembedreigende stoffen, niet zijnde:
|
|||
|
||||
### Artikel 4.5
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**1.** Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, koolzuur, argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in een inrichting een bovengrondse opslagtank, bestemd voor de opslag van zuurstof, op een afstand van minder dan 10 meter is gelegen van een andere opslagtank, bestemd voor de opslag van propaan, propeen of een gas als bedoeld in het eerste lid, is de opslagtank bestemd voor de opslag van zuurstof gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5404,11 +5415,11 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het parkeren van vervoerseenheden met stoffe
|
|||
|
||||
### Artikel 4.8
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik of de opslag in verpakking van stoffen van:
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type C, D, E of F, waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet vereist is, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening en in LQ-verpakking;
|
||||
b. het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, voor zover de opslag plaatsvindt bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt en waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening en in een verpakking niet zijnde LQ, en
|
||||
c. het gebruik van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt en waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist.
|
||||
b. het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, waarvoor ingevolge het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening, in een verpakking niet zijnde LQ en voor zover het desinfectiemiddelen betreft of de opslag plaatsvindt bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt;
|
||||
c. het gebruik van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, waarvoor ingevolge het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist, als desinfectiemiddel of bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.9
|
||||
|
||||
|
|
@ -5481,7 +5492,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op mechanische bewerkingen van hout of kurk dan
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5512,7 +5523,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, coaten of lijmen van hout of k
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5565,7 +5576,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op de mechanische bewerking van rubber, kunstst
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij de mechanische bewerking van rubber, kunststof of van rubber- of kunststofproducten de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij de mechanische bewerking van rubber, kunststof of van rubber- of kunststofproducten de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5596,7 +5607,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, coaten of lijmen van rubber, k
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5635,7 +5646,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het wegen of mengen van rubbercompounds of o
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het wegen of mengen van rubbercompounds de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het wegen of mengen van rubbercompounds de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5674,7 +5685,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op spaanloze, verspanende of thermische bewerki
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij smeden, shredderen, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij smeden, shredderen, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5683,7 +5694,7 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2
|
|||
|
||||
### Artikel 4.34
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van roestvast staal, de emissieconcentratie van chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 gram per uur.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van roestvast staal, de emissieconcentratie van chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkzaamheden op grond van de artikelen 4.32, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5691,7 +5702,7 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het snijden van koper:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het snijden van koper:
|
||||
|
||||
a. de emissieconcentratie van koperverbindingen berekend als koper, niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van koperverbindingen naar de lucht berekend als koper, meer bedraagt dan 10 gram per uur;
|
||||
b. de emissieconcentratie van koperrook berekend als koper, niet meer dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van koperrook naar de lucht berekend als koper, meer bedraagt dan 2,5 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5726,7 +5737,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van metalen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij laswerkzaamheden behorend tot de klassen III tot en met VII, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij laswerkzaamheden behorend tot de klassen III tot en met VII, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5739,7 +5750,7 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het lassen van roestvast staal of Berylliumlegeringen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het lassen van roestvast staal of Berylliumlegeringen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 gram per uur; en
|
||||
b. berylliumverbindingen, berekend als beryllium, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van berylliumverbindingen naar de lucht, berekend als Beryllium, meer bedraagt dan 0,15 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5748,7 +5759,7 @@ b. berylliumverbindingen, berekend als beryllium, niet meer dan 0,05 milligram p
|
|||
|
||||
### Artikel 4.42
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het lassen van materialen die geverfd zijn met loodmenie de emissieconcentratie van loodverbindingen, berekend als lood, niet hoger dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van loodverbindingen naar de lucht, berekend als lood, meer bedraagt dan 2,5 gram per uur.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het lassen van materialen die geverfd zijn met loodmenie de emissieconcentratie van loodverbindingen, berekend als lood, niet hoger dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van loodverbindingen naar de lucht, berekend als lood, meer bedraagt dan 2,5 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de laswerkzaamheden op grond van de artikelen 4.39, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5766,7 +5777,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het solderen van metalen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij solderen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij solderen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5775,11 +5786,11 @@ b. niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kl
|
|||
|
||||
### Artikel 4.45
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij hardsolderen met cadmiumhoudend soldeermiddel de emissieconcentratie van cadmium en cadmiumverbindingen, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen naar de lucht meer bedraagt dan 10 gram per uur.
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij hardsolderen met cadmiumhoudend soldeermiddel de emissieconcentratie van cadmium en cadmiumverbindingen, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen naar de lucht meer bedraagt dan 10 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.46
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij solderen met vloeimiddelen die leiden tot gasvormige emissies naar de lucht de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gA.4, gA.5, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij solderen met vloeimiddelen die leiden tot gasvormige emissies naar de lucht de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gA.4, gA.5, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.47
|
||||
|
||||
|
|
@ -5814,7 +5825,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het stralen van metalen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij straalwerkzaamheden de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij straalwerkzaamheden de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
|
||||
|
|
@ -5849,7 +5860,7 @@ Bij het stralen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaar
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5908,7 +5919,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen op
|
|||
|
||||
### Artikel 4.58
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
|
||||
|
|
@ -5939,7 +5950,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het beitsen of etsen van metalen.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het beitsen of etsen van metalen of metalen voorwerpen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het beitsen of etsen van metalen of metalen voorwerpen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. waterstoffluoride niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van waterstoffluoride naar de lucht groter is dan 15 gram per uur;
|
||||
b. zoutzuur niet meer dan 10 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van zoutzuur naar de lucht groter is dan 150 gram per uur, tenzij de concentratie aan zoutzuur in de ongereinigde massastroom kleiner is dan 1 gram per normaal kubieke meter in welk geval de emissieconcentratie van zoutzuur niet meer is dan 30 milligram per normaal kubieke meter;
|
||||
|
|
@ -5963,7 +5974,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van chroom en cadmiumlagen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van chroom en cadmiumlagen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, groter is dan 0,5 gram per uur;
|
||||
b. cadmium en cadmiumverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen groter is dan 0,25 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -5996,7 +6007,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van conversielagen op metalen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het chroomzuuranodiseren en het zwavelzuuranodiseren de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het chroomzuuranodiseren en het zwavelzuuranodiseren de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. chroom VI-verbindingen berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht berekend als chroom, groter is dan 0,5 gram per uur;
|
||||
b. zwavelzuur niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van zwavelzuur naar de lucht groter is dan 15 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6021,7 +6032,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het thermisch aanbrengen van metaallagen op
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen:
|
||||
|
||||
a. de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. de emissieconcentratie van zinkchloride niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van zinkchloride naar de lucht groter is dan 10 gram per uur;
|
||||
|
|
@ -6127,22 +6138,22 @@ f. het maken van de vorm met behulp van was, inclusief het verwijderen van de wa
|
|||
|
||||
**1.** Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies van dioxines en polycyclische aromatische koolwaterstoffen naar lucht worden bij het smelten van metalen alleen metalen gesmolten die voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het smelten van metalen de emissieconcentratie van lood naar de lucht ten hoogste 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van lood naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 2,5 gram per uur.
|
||||
**2.** Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het smelten van metalen de emissieconcentratie van lood naar de lucht ten hoogste 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van lood naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 2,5 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74.3
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het maken en coaten van verloren gietvormen en kernen uit kleigebonden of chemische gebonden zand de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het maken en coaten van verloren gietvormen en kernen uit kleigebonden of chemische gebonden zand de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74.4
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het maken van croning- en coldbox-kernen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het maken van croning- en coldbox-kernen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. totaal stof ten hoogste 20 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. aminen ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74.5
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij uitbreken van gietstukken de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
**1.** Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij uitbreken van gietstukken de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het gietstuk inclusief zandvorm vanwege het gewicht en de omvang niet verplaatsbaar is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -6150,7 +6161,7 @@ b. aminen ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.74.6
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het koud regenereren van zand, de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het koud regenereren van zand, de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -6182,7 +6193,7 @@ b. op het breken van steenachtig materiaal als bedoeld in paragraaf 4.5a.6.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.74b
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij mechanische bewerkingen van steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij mechanische bewerkingen van steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6235,7 +6246,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van lijmen, harsen of coating
|
|||
|
||||
### Artikel 4.74f
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6272,7 +6283,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het vervaardigen van betonmortel.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het doseren en mengen van goederen, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van het vervaardigen van betonmortel de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het doseren en mengen van goederen, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van het vervaardigen van betonmortel de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6307,10 +6318,6 @@ Onverminderd artikel 2.12 kan het bevoegd gezag in afwijking van het tweede lid
|
|||
a. de nuttige toepassing van de afvalstof is toegestaan, en
|
||||
b. de toepassing van de afvalstof bijdraagt aan de fysische of bouwtechnische eigenschappen van de bouwstof en daarmee de inzet van primaire grondstoffen uitspaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74la
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.5. Het vormgeven van betonproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74m
|
||||
|
|
@ -6365,7 +6372,7 @@ d. zoveel mogelijk voorkomen dat steenachtig materiaal in een voorziening voor h
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het inpandig breken van steenachtig materiaal de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het inpandig breken van steenachtig materiaal de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6382,7 +6389,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten als bedoeld in de paragrafen 4.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.75
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een of meer activiteiten als bedoeld in de paragrafen 3.3.4, 4.6.3, 4.6.5 en 4.6.6 wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een of meer activiteiten als bedoeld in de paragrafen 4.6.3, 4.6.5 en 4.6.6 wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -6402,7 +6409,7 @@ In het afvalwater afkomstig van het reviseren van motoren worden de emissiegrens
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Ander afvalwater dan het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, dat afkomstig is uit een ruimte waar een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd of van een vloeistofdichte vloer of verharding waarop die activiteit wordt uitgevoerd wordt niet geloosd, indien het in enig steekmonster meer bevat dan:
|
||||
Ander afvalwater dan het afvalwater bedoeld in het tweede lid, afkomstig van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt niet geloosd indien het in enig steekmonster meer bevat dan:
|
||||
|
||||
a. 20 milligram olie per liter;
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
|
@ -6596,7 +6603,7 @@ Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen ge
|
|||
|
||||
### Artikel 4.92
|
||||
|
||||
Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.93
|
||||
|
||||
|
|
@ -6615,7 +6622,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met vellenoffset.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.94
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6644,7 +6651,7 @@ wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
|||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer, blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
**4.** Bij het lozen, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94c
|
||||
|
||||
|
|
@ -6689,7 +6696,7 @@ wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
|||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dd
|
||||
|
||||
|
|
@ -6721,7 +6728,7 @@ Indien bij de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek de
|
|||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van watergedragen inkten, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94di
|
||||
|
||||
|
|
@ -6764,7 +6771,7 @@ de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het mechanisch verkleinen van papier of karton of van papieren of kartonnen producten de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het mechanisch verkleinen van papier of karton of van papieren of kartonnen producten de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6835,7 +6842,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op de mechanische bewerking of verwerking van t
|
|||
|
||||
### Artikel 4.103aa
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en het verkleinen van textiel en producten van textiel, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en het verkleinen van textiel en producten van textiel, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6866,7 +6873,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het lijmen of coaten of veredelen van textie
|
|||
|
||||
### Artikel 4.103d
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen en het veredelen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen en het veredelen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
|
@ -6875,7 +6882,7 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S
|
|||
|
||||
**1.** Bij het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het veredelen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling van stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7077,14 +7084,14 @@ de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.118a
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:
|
||||
Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.119
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven niet zijnde een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van kwik en kwikverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van kwik naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 0,25 gram per uur.
|
||||
Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven niet zijnde een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van kwik en kwikverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van kwik naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 0,25 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.120
|
||||
|
||||
|
|
@ -7133,9 +7140,9 @@ b. de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing verkla
|
|||
|
||||
### Artikel 4.125
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij activiteiten die leiden tot stofvormige emissies afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen S, sO, sA1, sA2 en sA3 naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij activiteiten die leiden tot stofvormige emissies afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen S, sO, sA1, sA2 en sA3 naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6 is bij activiteiten die leiden tot gasvormige emissies afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij activiteiten die leiden tot gasvormige emissies afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij activiteiten emissies van Extreem risicovolle stoffen of MVP, afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte, kunnen vrijkomen, kan het bevoegd gezag in het belang van de luchtkwaliteit maatwerkvoorschriften stellen aan de minimalisatie van die emissies. Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7149,7 +7156,7 @@ Bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of een prakti
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Industriële emissies
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.1. Industriële emissies
|
||||
### Afdeling 5.0. Reikwijdte
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -7157,6 +7164,12 @@ Bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of een prakti
|
|||
|
||||
**2.** De paragrafen 5.1.4 tot en met 5.1.7 zijn van toepassing op degene die een inrichting type B of C drijft, waartoe een installatie behoort als bedoeld in de paragrafen 5.1.4 tot en met 5.1.7.
|
||||
|
||||
**3.** Paragrafen 5.2.1 en 5.2.2 zijn van toepassing op degene die een inrichting type C drijft of op degene die een inrichting type B drijft waartoe een installatie behoort als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 94/63/EG.
|
||||
|
||||
**4.** Paragraaf 5.3.1 is van toepassing op degene die een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.1
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.1.1. Grote stookinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
|
@ -7174,7 +7187,7 @@ f. cokesovens;
|
|||
g. windverhitters van hoogovens;
|
||||
h. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
|
||||
i. gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt;
|
||||
j. stookinstallaties waarvoor emissie-eisen zijn gesteld in paragraaf 5.2.
|
||||
j. stookinstallaties waarvoor emissie-eisen zijn gesteld in paragraaf 5.1.2.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -7505,7 +7518,7 @@ C_afval: in tabel 5.19 aangegeven emissiegrenswaarde voor de desbetreffende stof
|
|||
|
||||
V_proces: volume van het afgas ten gevolge van het in de verbrandingsinstallatie plaatshebbende proces van de verbranding van niet als afvalstoffen aan te merken brandstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte dat bij ministeriële regeling is vastgesteld. Indien geen voorschriften gelden met betrekking tot het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht gebruikt.
|
||||
|
||||
C_proces: emissiegrenswaarde die voor de desbetreffende stof zou gelden op grond van paragraaf 5.1 voor grote stookinstallaties of op grond van paragraaf 3.2.1. voor het in werking hebben van andere dan grote stookinstallaties, wanneer in het desbetreffende type installatie andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Bij het ontbreken van zodanige regelgeving wordt de in de omgevingsvergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de omgevingsvergunning geen emissiegrenswaarde is gesteld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.
|
||||
C_proces: emissiegrenswaarde die voor de desbetreffende stof zou gelden op grond van paragraaf 5.1.1 voor grote stookinstallaties of op grond van paragraaf 3.2.1. voor het in werking hebben van andere dan grote stookinstallaties, wanneer in het desbetreffende type installatie andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Bij het ontbreken van zodanige regelgeving wordt de in de omgevingsvergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de omgevingsvergunning geen emissiegrenswaarde is gesteld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.
|
||||
|
||||
C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een bij ministeriële regeling vastgesteld zuurstofgehalte.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7708,7 +7721,7 @@ Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en in afwijking va
|
|||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste en tweede lid vaststellen voor een installatie die als brandstof grotendeels organische dampen gebruikt en waarbij de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven. De emissiegrenswaarde is in dat geval ten hoogste 250 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**4.** Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, derde tot en met zevende lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
**4.** Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, vijfde tot en met negende lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
|
||||
**5.** De emissiegrenswaarden genoemd in het eerste tot en met derde lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op het rookgas van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol die voor 1 januari 2016 *(datum inwerkingtreding vierde tranche)* in gebruik is genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7718,7 +7731,7 @@ Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en in afwijking va
|
|||
|
||||
### Artikel 5.45
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en voor zover er in deze paragraaf emissie-eisen worden gesteld aan stoffen in afwijking van die paragraaf 3.2.1, van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt.
|
||||
Deze paragraaf is, in afwijking van paragraaf 3.2.1 en onverminderd artikel 3.10p, van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.46
|
||||
|
||||
|
|
@ -7763,7 +7776,7 @@ b. zwaveloxiden ten hoogste 75 mg/Nm^3 indien de massastroom van zwaveloxiden na
|
|||
|
||||
### Artikel 5.50
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 2.5 zijn de emissiegrenswaarden behorende bij stofklasse gO niet van toepassing op diffuse emissies van vluchtige organische stoffen bij de op- en overslag van vloeistoffen.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift andere eisen stellen dan bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
**2.** Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies van vluchtige organische stoffen wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7779,18 +7792,19 @@ b. zwaveloxiden ten hoogste 75 mg/Nm^3 indien de massastroom van zwaveloxiden na
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *benzine:* benzine als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn 94/63;
|
||||
- *benzine:* benzine als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn 94/63/EG;
|
||||
- *benzinedebiet:* de in de drie voorgaande jaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die van een opslaginstallatie van een terminal is overgeslagen in een mobiele tank;
|
||||
- *damp:* damp als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 94/63;
|
||||
- *mobiele tank:* mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 94/63;
|
||||
- *richtlijn 94/63:* richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365);
|
||||
- *damp:* damp als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 94/63/EG;
|
||||
- *mobiele tank:* mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 94/63/EG;
|
||||
- *terminal:* inrichting of een gedeelte van een inrichting voor de opslag of overslag van benzine in mobiele tanks;
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen die strekken tot een hoger beschermingsniveau dan de voorschriften die bij of krachtens deze afdeling zijn gesteld.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.1. Opslaginstallaties
|
||||
|
||||
### Artikel 5.52
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een opslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 94/63.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een opslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 94/63/EG.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.53
|
||||
|
||||
|
|
@ -7800,7 +7814,7 @@ Degene die een terminal met opslaginstallatie drijft, voldoet ten behoeve van he
|
|||
|
||||
### Artikel 5.54
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een overslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel n, van richtlijn 94/63.
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een overslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel n, van richtlijn 94/63/EG.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op terminals met een benzinedebiet van minder dan 10.000 ton per jaar die voor 31 december 1995 in werking waren of waarvoor voor 31 december 1995 een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue