2014-01-01 | BWBR0003954 | Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
This commit is contained in:
parent
970b0e6aae
commit
99306d3fd8
1 changed files with 23 additions and 29 deletions
|
|
@ -23,7 +23,7 @@ citeertitel: Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van bela
|
|||
Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse bijstand op het gebied van:
|
||||
|
||||
a. de omzetbelasting in het kader van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2010, L 268);
|
||||
b. de accijnzen in het kader van verordening (EG) nr. 2073/2004 van de Raad van de Europese Unie van 16 november 2004 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen (PbEU L 359).
|
||||
b. de accijnzen in het kader van Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad van 2 mei 2012 betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 2073/2004 (PbEU 2012, L 121).
|
||||
|
||||
Bij toepassing van die verordeningen zijn de artikelen 8, derde lid, en 11 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -41,7 +41,7 @@ c. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
|
|||
d. staat: een lidstaat, een Mogendheid of een bestuurlijke eenheid waarmee in de relatie met Nederland een wederkerige regeling bestaat die voorziet in wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
|
||||
e. bevoegde functionaris: de functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen;
|
||||
f. bevoegde autoriteit: de door een staat tot het uitwisselen van inlichtingen aangewezen persoon of instantie;
|
||||
g. richtlijn 2003/48/EG: richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (Pb EU L 157);
|
||||
g. richtlijn 2003/48/EG: Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU 2003, L 157);
|
||||
h. Richtlijn 2011/16/EU: Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PbEU 2011, L 64);
|
||||
i. centraal verbindingsbureau: een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen bureau dat is belast met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;
|
||||
j. administratief onderzoek: alle door de staten bij het vervullen van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties ter waarborging van de juiste toepassing van de belastingwetgeving;
|
||||
|
|
@ -89,7 +89,7 @@ e. icbe: een instelling voor collectieve belegging in effecten waaraan een vergu
|
|||
|
||||
**2.** Waar een uiteindelijke gerechtigde woont, of waar een marktdeelnemer of een uitbetalende instantie woont of is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van deze afdeling of bepalingen daarvan kunnen bij ministeriële regeling Mogendheden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel i, van de richtlijn 2003/48/EG, en afhankelijke en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel ii, van die richtlijn, worden gelijkgesteld met een lidstaat.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van deze afdeling of bepalingen daarvan kunnen bij ministeriële regeling Mogendheden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel i, van de Richtlijn 2003/48/EG, en afhankelijke en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel ii, van die richtlijn, worden gelijkgesteld met een lidstaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 4b
|
||||
|
||||
|
|
@ -105,9 +105,9 @@ c. inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing va
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder collectieve beleggingsinstelling verstaan:
|
||||
|
||||
a. een icbe, of een daarmee vergelijkbare instelling voor collectieve belegging gevestigd in een van de Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de richtlijn 2003/48/EG, waarbij voor de Zwitserse Bondsstaat als vergelijkbare instelling voor collectieve belegging uitsluitend wordt aangemerkt een Zwitsers beleggingsfonds als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, onder (iv), en onderdeel d, onder (iv), van de overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (Pb EU 2004, L 385) waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in richtlijn 2003/48/EG;
|
||||
a. een icbe, of een daarmee vergelijkbare instelling voor collectieve belegging gevestigd in een van de Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn 2003/48/EG, waarbij voor de Zwitserse Bondsstaat als vergelijkbare instelling voor collectieve belegging uitsluitend wordt aangemerkt een Zwitsers beleggingsfonds als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, onder (iv), en onderdeel d, onder (iv), van de overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (Pb EU 2004, L 385) waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG;
|
||||
b. een entiteit die gebruik maakt van de keuzemogelijkheid van artikel 4e, of een overeenkomstige keuzemogelijkheid in de lidstaat van vestiging;
|
||||
c. een instelling voor collectieve belegging die niet is gevestigd in een van de lidstaten, dan wel in een van de Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de richtlijn 2003/48/EG.
|
||||
c. een instelling voor collectieve belegging die niet is gevestigd in een van de lidstaten, dan wel in een van de Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn 2003/48/EG.
|
||||
|
||||
**3.** De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden slechts als rentebetaling aangemerkt voorzover deze rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel a, en dit artikel, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
|
|
@ -127,7 +127,7 @@ c. een instelling voor collectieve belegging die niet is gevestigd in een van de
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als schuldvorderingen aangemerkt binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten:
|
||||
|
||||
a. die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van richtlijn nr. 80/390/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (PbEG L 100) of door de verantwoordelijke autoriteiten in landen buiten de Europese Unie;
|
||||
a. die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn 80/390/EEG van de Raad van 17 maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (PbEG 1980, L 100) of door de verantwoordelijke autoriteiten in landen buiten de Europese Unie;
|
||||
b. die clausules bevatten inzake gross-up en vroegtijdige aflossing, en
|
||||
c. waarvoor geldt dat de uitbetalende instantie van de emittent:
|
||||
|
||||
|
|
@ -136,7 +136,7 @@ c. waarvoor geldt dat de uitbetalende instantie van de emittent:
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien op of na 1 maart 2002 een aanvullende emissie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden van de daar bedoelde verhandelbare schuldinstrumenten.
|
||||
|
||||
**3.** Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol is erkend bij een internationaal verdrag als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn 2003/48/EG, wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering.
|
||||
**3.** Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol is erkend bij een internationaal verdrag als bedoeld in de bijlage bij de Richtlijn 2003/48/EG, wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering.
|
||||
|
||||
**4.** Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een emittent die niet valt onder het bepaalde in het derde lid, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering.
|
||||
|
||||
|
|
@ -148,7 +148,7 @@ c. waarvoor geldt dat de uitbetalende instantie van de emittent:
|
|||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op basis van een door de in het eerste lid bedoelde entiteit overgelegd officieel bewijskrachtig document redenen heeft om aan te nemen dat deze entiteit:
|
||||
|
||||
a. een rechtspersoon is, niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, lid 5, van de richtlijn 2003/48/EG, of
|
||||
a. een rechtspersoon is, niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, lid 5, van de Richtlijn 2003/48/EG, of
|
||||
b. een entiteit is waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, of
|
||||
c. een icbe is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -286,15 +286,7 @@ HOOFDSTUK IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige
|
|||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat deelt Onze Minister alle inlichtingen die hij in zijn bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkrijgt en die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en handhaving van de nationale wetgeving van de verzoekende staat met betrekking tot de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, aan die bevoegde autoriteit mee.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen. Bij de kennisgeving geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het verzoek afkomstig is.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een besluit als bedoeld in het tweede lid geldt, in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend als belanghebbende degene tot wie de kennisgeving van het besluit is gericht.
|
||||
|
||||
**4.** Tenzij dringende redenen daartoe aanleiding geven, wordt aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen geen uitvoering gegeven dan na tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**5.** Indien dringende redenen daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen uitvoering geven voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de kennisgeving zo spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier maanden na het begin van de uitvoering.
|
||||
Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat deelt Onze Minister alle inlichtingen die hij in zijn bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkrijgt en die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en handhaving van de nationale wetgeving van de verzoekende staat met betrekking tot de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, aan die bevoegde autoriteit mee.
|
||||
|
||||
### Artikel 5a
|
||||
|
||||
|
|
@ -314,9 +306,7 @@ HOOFDSTUK IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen waaronder de verstrekking zal geschieden.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde aanwijzingen en voorwaarden worden door plaatsing in de *Staatscourant* bekend gemaakt.
|
||||
Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen waaronder de verstrekking zal geschieden.
|
||||
|
||||
### Artikel 6a
|
||||
|
||||
|
|
@ -350,8 +340,6 @@ b. in Nederland een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van bela
|
|||
c. in Nederland rechtshandelingen of andere handelingen zijn verricht met het doel de heffing van belasting in de staat van de bevoegde autoriteit geheel of ten dele onmogelijk te maken;
|
||||
d. zulks overigens naar het oordeel van Onze Minister is geboden.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit de inlichtingen te verstrekken. Bij de kennisgeving geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit aan wie de inlichtingen zullen worden verstrekt. Artikel 5, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
Onze Minister verstrekt de in artikel 7, eerste lid, bedoelde inlichtingen zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand nadat hij de inlichtingen beschikbaar krijgt, aan de autoriteit van de andere betrokken lidstaat.
|
||||
|
|
@ -368,7 +356,9 @@ Onze Minister verstrekt de in artikel 7, eerste lid, bedoelde inlichtingen zo sn
|
|||
|
||||
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**5.** Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.
|
||||
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden belastingplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen die op henzelf betrekking hebben te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**6.** Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.
|
||||
|
||||
### Artikel 8a
|
||||
|
||||
|
|
@ -395,19 +385,23 @@ Indien de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenar
|
|||
|
||||
**3.** Ambtenaren uit de verzoekende staat die in Nederland aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien Onze Minister aan ambtenaren van een andere staat toestemming heeft verleend als bedoeld in het eerste lid, geeft Onze Minister, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen uitvoering voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de kennisgeving zo spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier maanden na het begin van de uitvoering.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 8 wordt ingesteld, is verplicht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst alsmede de ambtenaar die ingevolge artikel 9 bij dit onderzoek aanwezig is, ten behoeve van dit onderzoek toegang te verlenen.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Artikel 67ca, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b tot en met f, en hoofdstuk IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan de in artikel 8 en artikel 10 bedoelde verplichtingen.
|
||||
**1.** Artikel 67ca, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b tot en met f, en hoofdstuk IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan de in artikel 8 en artikel 10 bedoelde verplichtingen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, worden aangemerkt als een overtreding. Indien het niet nakomen van die verplichting te wijten is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan Onze Minister hem een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.
|
||||
|
||||
**3.** Hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, met uitzondering van de artikelen 67n en 67pa, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing ingeval op grond van het eerste of tweede lid een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting is ontstaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een lidstaat gaat Onze Minister over tot betekening van stukken.
|
||||
**1.** Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een staat gaat Onze Minister over tot betekening van stukken.
|
||||
|
||||
**2.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de betekening van stukken verstaan: de uitreiking aan de geadresseerde in Nederland van een door een administratieve autoriteit van een lidstaat uitgevaardigd document, houdende een akte of beslissing inzake de heffing van een belasting die valt onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -481,7 +475,7 @@ Indien Onze Minister een wederzijdse samenwerking aangaat met de bevoegde autori
|
|||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
**1.** Het meedelen van de gevraagde inlichtingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 5a, derde lid, het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie, bedoeld in artikel 5a, vierde lid, de mededeling dat niet aan het verzoek kan of zal worden voldaan, bedoeld in artikel 5a, vijfde en zesde lid, en de beantwoording van een verzoek om een administratief onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden voor zover mogelijk langs elektronische weg en door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, gedaan.
|
||||
**1.** Het meedelen van de gevraagde inlichtingen, bedoeld in artikel 5, de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 5a, derde lid, het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie, bedoeld in artikel 5a, vierde lid, de mededeling dat niet aan het verzoek kan of zal worden voldaan, bedoeld in artikel 5a, vijfde en zesde lid, en de beantwoording van een verzoek om een administratief onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden voor zover mogelijk langs elektronische weg en door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** De verstrekking van inlichtingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, de beantwoording van het verzoek tot betekening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en het verzoek om terugmelding, bedoeld in artikel 15, eerste lid, worden door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, en voor zover mogelijk langs elektronische weg gedaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -615,7 +609,7 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering va
|
|||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
Verwijzingen naar Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (PbEG L 336) gelden als verwijzing naar Richtlijn 2011/16/EU.
|
||||
Verwijzingen naar Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (PbEG 1977, L 336) gelden als verwijzing naar Richtlijn 2011/16/EU.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue