From 998723b3532581dfbe652739cb56ef533dd910e7 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sun, 1 Oct 2017 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2017-10-01 | BWBR0020674 | Besluit inburgering --- .../besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md | 132 +++++++++++------- 1 file changed, 85 insertions(+), 47 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md index fc65010bff6..28b76507223 100644 --- a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md +++ b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit inburgering bwb_id: BWBR0020674 type: AMvB status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2007-01-01' +datum_inwerkingtreding: '2017-06-26' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0020674 citeertitel: Besluit inburgering --- @@ -133,7 +133,7 @@ Vervallen ### Artikel 2.8 -**1.** Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. +**1.** Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. **2.** Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. @@ -151,7 +151,7 @@ Vervallen ### Artikel 2.8b -**1.** Een aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. +**1.** Een aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. **2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot het verlenen van de ontheffing. @@ -179,17 +179,21 @@ b. oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. **2.** Van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde te verwerven kennis is vrijgesteld de persoon die inburgeringsplichtig is geworden voor 1 januari 2015. +### Artikel 2.10a + +De inburgeringsplichtige verwerft in het participatieverklaringstraject kennis van de Nederlandse kernwaarden. + ### Afdeling 7. Verlenging van de termijn ### Artikel 2.11 -De termijn, genoemd in artikel 7, eerste lid, van de wet wordt verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid. +De termijnen genoemd in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid. ### Artikel 2.12 -**1.** Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. +**1.** Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. -**2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. +**2.** In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. **3.** In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld. @@ -201,21 +205,25 @@ De termijn, genoemd in artikel 7, eerste lid, van de wet wordt verlengd met de d ### Artikel 3.1 -**1.** Onze Minister stelt het inburgeringsexamen vast en neemt het af. +**1.** Onze Minister stelt het inburgeringsexamen vast. -**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid. +**2.** Het inburgeringsexamen wordt wat betreft het onderdeel, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, afgenomen door het college en wat betreft de onderdelen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, afgenomen door Onze Minister. + +**3.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste en het tweede lid. ### Artikel 3.2 -**1.** Degene die wenst te worden toegelaten tot een of meer onderdelen van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe schriftelijk aan overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels. +**1.** Degene die wenst te worden toegelaten tot een of meer onderdelen van het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, meldt zich daartoe schriftelijk aan overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels. -**2.** Onze Minister bevestigt de aanmelding schriftelijk. +**2.** Degene die wenst te worden toegelaten tot het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, meldt zich daartoe schriftelijk bij het college aan voor deelname aan het participatieverklaringstraject op een van de door het college vastgestelde data. + +**3.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid. + +**4.** Onze Minister dan wel het college bevestigt de aanmelding schriftelijk. ### Artikel 3.3 -**1.** Voor toelating tot de af te leggen onderdelen van het inburgeringsexamen is examengeld verschuldigd, dat overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde regels wordt voldaan. - -**2.** Het examengeld wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister. +Onze minister bepaalt voor welke onderdelen van het af te leggen inburgeringsexamen, welke doelgroepen inburgeringsplichtigen welk bedrag aan examengeld zijn verschuldigd en op welke wijze het verschuldigde examengeld wordt voldaan. ### Artikel 3.4 @@ -223,7 +231,7 @@ Op verzoek van degene die het examen afneemt of daarop toezicht houdt, identific ### Artikel 3.5 -**1.** Onze Minister stelt de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap op diens verzoek in de gelegenheid het inburgeringsexamen dan wel een onderdeel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden. +**1.** Onze Minister dan wel het college stelt de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap op diens verzoek in de gelegenheid het inburgeringsexamen dan wel een onderdeel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden. **2.** Indien Onze Minister bij de toepassing van artikel 2.8 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen dan wel een onderdeel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanvraag de beschikking, bedoeld in het derde lid van dat artikel over. @@ -251,41 +259,52 @@ Vervallen **1.** -Het inburgeringsexamen bestaat voor wat betreft de examinering van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, uit de volgende onderdelen: +Het inburgeringsexamen bestaat wat betreft het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, uit de volgende onderdelen: + +a. een inleiding op de Nederlandse kernwaarden; +b. de ondertekening van de participatieverklaring. + +**2.** + +Het inburgeringsexamen bestaat voor wat betreft de examinering van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, uit de volgende onderdelen: a. leesvaardigheid; b. luistervaardigheid; c. schrijfvaardigheid; d. spreekvaardigheid. -**2.** +**3.** -Het inburgeringsexamen bestaat voor wat betreft de examinering van de kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, uit de volgende onderdelen: +Het inburgeringsexamen bestaat voor wat betreft de examinering van de kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van de wet, uit de volgende onderdelen: a. kennis van de Nederlandse maatschappij; b. oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. -**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de onderdelen van het inburgeringsexamen, genoemd in het eerste en tweede lid. +**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de onderdelen van het inburgeringsexamen, genoemd in het eerste tot en met derde lid. ### Artikel 3.9a -**1.** De onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid en spreekvaardigheid van het inburgeringsexamen worden afgelegd door middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem. +**1.** Het participatieverklaringstraject wordt wat betreft het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden afgelegd door het deelnemen aan een door of namens het college aangeboden inleiding op de Nederlandse kernwaarden en wat betreft het onderdeel ondertekenen van de participatieverklaring door het aanwezig zijn bij de ondertekeningsbijeenkomst en het aldaar ondertekenen van de participatieverklaring. -**2.** Het onderdeel schrijfvaardigheid van het inburgeringsexamen wordt schriftelijk afgelegd. +**2.** De onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid en spreekvaardigheid van het inburgeringsexamen worden afgelegd door middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem. -**3.** Het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen wordt voor wat betreft het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt afgelegd door middel van een praktijkexamen en voor wat betreft het onderwerp kennis van de Nederlandse maatschappij door middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem. +**3.** Het onderdeel schrijfvaardigheid van het inburgeringsexamen wordt schriftelijk afgelegd. -**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van examineren. +**4.** Het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen wordt voor wat betreft het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt afgelegd door middel van een praktijkexamen en voor wat betreft het onderwerp kennis van de Nederlandse maatschappij door middel van een door Onze Minister beheerd geautomatiseerd systeem. + +**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van examineren. ### Artikel 3.9b -**1.** De resultaten van de onderdelen leesvaardigheid en luistervaardigheid van het inburgeringsexamen worden beoordeeld door Onze Minister door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in artikel 3.9a, eerste lid. Het onderdeel spreekvaardigheid van het inburgeringsexamen wordt voor een deel beoordeeld door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in artikel 3.9a, eerste lid, en voor het overige deel door de door Onze Minister aan te wijzen beoordelaars. +**1.** Bij het participatieverklaringstraject worden door het college de aanwezigheid van de inburgeringsplichtige bij de inleiding op de Nederlandse kernwaarden, aanwezigheid bij de ondertekeningsbijeenkomst en de ondertekening van de participatieverklaring geregistreerd. -**2.** Het onderdeel schrijfvaardigheid wordt beoordeeld door de door Onze Minister aan te wijzen beoordelaars. +**2.** De resultaten van de onderdelen leesvaardigheid en luistervaardigheid van het inburgeringsexamen worden beoordeeld door Onze Minister door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in artikel 3.9a, tweede lid. Het onderdeel spreekvaardigheid van het inburgeringsexamen wordt voor een deel beoordeeld door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in artikel 3.9a, tweede lid, en voor het overige deel door de door Onze Minister aan te wijzen beoordelaars. -**3.** Het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9a, derde lid, wordt voor wat betreft het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij door middel van een geautomatiseerd systeem beoordeeld en het praktijkexamen van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt wordt door examinatoren beoordeeld. +**3.** Het onderdeel schrijfvaardigheid wordt beoordeeld door de door Onze Minister aan te wijzen beoordelaars. -**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de beoordeling van het examen. +**4.** Het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9a, vierde lid, wordt voor wat betreft het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij door middel van een geautomatiseerd systeem beoordeeld en het praktijkexamen van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt wordt door examinatoren beoordeeld. + +**5.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de beoordeling van het examen. ### Artikel 3.10 @@ -317,6 +336,17 @@ c. de deskundigheid van de examinatoren en beoordelaars; d. het vaststellen van de uitslag van de onderdelen van het inburgeringsexamen; e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering. +## Hoofdstuk 3a. Criteria voor aanwijzing instelling voor afgifte keurmerk + +### Artikel 3a.1 + +Als instelling die een keurmerk als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet kan afgeven, kan worden aangewezen de instelling die: + +a. rechtspersoonlijkheid heeft; +b. onafhankelijk is; +c. beschikt over voldoende deskundigheid en toerusting om de uitvoering van deze taak naar behoren te vervullen; en +d. naar behoren functioneert. + ## Hoofdstuk 4. Sociale lening ### Paragraaf 1. Vaststelling van de lening @@ -335,10 +365,10 @@ e. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding volgt waa **1.** -Aan de inburgeringsplichtige kan eenmalig op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000,– worden verstrekt ten behoeve van: +Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde in artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000,– worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor: -a. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; -b. het afleggen van een examen als bedoeld onder a; of +a. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot de in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet bedoelde onderdelen van het inburgeringsexamen en het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; +b. het afleggen van het staatsexamen, bedoeld onder a of het inburgeringsexamen; of c. het volgen van een alfabetiseringscursus. **2.** De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstig artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in artikel 3 van die wet. @@ -354,7 +384,7 @@ b. verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking 2°. een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, of 3°. een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake internationale bescherming als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. -**4.** De lening ten behoeve van het volgen van een cursus wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een bij regeling van Onze Minister aan te wijzen keurmerk of van het in artikel 9, eerste lid, van de wet bedoelde certificaat. +**4.** De lening ten behoeve van het volgen van een cursus als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet. **5.** De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432) een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden. @@ -362,14 +392,15 @@ b. verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking ### Artikel 4.2 -**1.** De inburgeringsplichtige heeft aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, gedurende de verlengde termijn, bedoeld in artikel 7, derde en vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet en gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in artikel 32 van de wet. Een persoon als bedoeld in artikel 4.1 heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt. +**1.** De inburgeringsplichtige heeft, behoudens het bepaalde in artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet, aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet, gedurende de verlengde termijn bedoeld in de artikelen 7a, derde lid, 7b, derde lid, en 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet en gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in de artikelen 29 en 32 van de wet. Een persoon als bedoeld in artikel 4.1 heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt. **2.** Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige: a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen; -b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e en l van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000. +b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e en l van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000; +c. overeenkomstig artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet geen of niet langer aanspraak heeft op een lening. **3.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de betaling van de lening. @@ -395,12 +426,14 @@ Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikki **1.** De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren. -**2.** De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt. +**2.** De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste of tweede lid, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt. -**3.** Gedurende de in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening. +**3.** Gedurende de in artikel 17, eerste of tweede lid, van de wet bedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening. **4.** In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld in artikel 4.1 aan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat aan de inburgeringsplicht is voldaan. +**5.** In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon die, overeenkomstig artikel 16, eerste lid, tweede zin, van de wet, niet langer aanspraak heeft op een lening aan zes maanden nadat is vastgesteld dat de desbetreffende persoon niet langer aanspraak heeft op een lening. + ### Artikel 4.7 **1.** De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnbedragen, behoudens in de bij regeling van Onze Minister genoemde gevallen. @@ -447,9 +480,9 @@ Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent verzuim, aanmaning Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, die op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden, wordt volledige kwijtschelding van de schuld ambtshalve verleend indien: -a. voldaan is aan de inburgeringsplicht binnen de termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet of gedurende de verlengde termijn, bedoeld in artikel 7, derde en vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet; of +a. het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, binnen de termijn, genoemd in artikel 7a, eerste lid, van de wet, of binnen de met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet gestelde regels verlengde termijn is afgerond en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, binnen de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet gestelde regels verlengde termijn zijn behaald; of b. een vrijstelling van de inburgeringsplicht van toepassing is op grond van artikel 5 van de wet; of -c. ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de wet. +c. ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6, eerste tot en met derde lid, van de wet. ### Artikel 4.14 @@ -459,7 +492,7 @@ c. ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6, ee ### Artikel 4.15 -De termijnen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet en artikel 4.2, eerste lid, worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid. +De termijnen, bedoeld in artikel 17, eerste of tweede lid, van de wet en artikel 4.2, eerste lid, worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid. ### Paragraaf 3. Slotbepaling @@ -467,13 +500,19 @@ De termijnen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet en artikel 4.2, eers De artikelen 3, 4 en 6, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn van overeenkomstige toepassing. -## Hoofdstuk 5. Handhaving - -### Afdeling 1. Oproepen van personen +## Hoofdstuk 5. Maatschappelijke begeleiding ### Artikel 5.1 -Vervallen +**1.** + +De maatschappelijke begeleiding, die de personen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet, naast het participatieverklaringstraject ontvangen, bevat in ieder geval de volgende componenten: + +a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen; +b. hulp bij het starten van de inburgering; en +c. stimuleren van participatie en integratie door begeleiding en coaching en kennismaking met maatschappelijke organisaties. + +**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de invulling van de in het eerste lid genoemde onderwerpen. ### Artikel 5.2 @@ -483,8 +522,6 @@ Vervallen Vervallen -### Afdeling 2. Termijnverlenging en ontheffing van de inburgeringsplicht - ### Artikel 5.4 Vervallen @@ -521,16 +558,17 @@ De volgende instanties verstrekken ten behoeve van opneming in het Informatiesys a. Onze Minister; b. de rijksbelastingdienst; -c. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid; -d. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vijfde lid bedoelde keurmerk; +c. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vierde lid; +d. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vierde lid bedoelde keurmerk; e. het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens; f. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; g. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers; -h. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met de uitvoering van een internationale diplomawaardering of een indicatie van het onderwijsniveau van een betrokkene ter ondersteuning van de in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, bedoelde oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. +h. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met de uitvoering van een internationale diplomawaardering of een indicatie van het onderwijsniveau van een betrokkene ter ondersteuning van de in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, bedoelde oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt; +i. het college. **2.** -Onverminderd de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de wet aan Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de rijksbelastingdienst worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan: +Onverminderd de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de wet aan Onze Minister, het college, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de rijksbelastingdienst worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan: a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid;