2003-01-01 | BWBR0014394 | Mijnbouwbesluit
This commit is contained in:
parent
36725354b5
commit
99df68bb4b
1 changed files with 281 additions and 1246 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Mijnbouwbesluit
|
|||
bwb_id: BWBR0014394
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2023-04-18'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2003-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0014394
|
||||
citeertitel: Mijnbouwbesluit
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -22,27 +22,21 @@ a. wet: Mijnbouwwet;
|
|||
b. schade: aantasting van de in artikel 49, tweede en derde lid, van de wet bedoelde belangen;
|
||||
c. mijnbouwactiviteiten: activiteiten waarop artikel 49, eerste en vijfde lid, van de wet van toepassing is;
|
||||
d. de uitvoerder: de in artikel 41, vierde lid, van de wet bedoelde persoon;
|
||||
e. veiligheid: veiligheid van personen en bescherming van zaken, voor zover hieromtrent geen regels zijn gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;
|
||||
f. inspecteur-generaal der mijnen: inspecteur-generaal der mijnen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, van de wet;
|
||||
g. veiligheids- en milieukritische elementen: onderdelen van een installatie, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van een zwaar ongeval;
|
||||
g. brijn: water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater;
|
||||
h. Kustwacht: een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Defensie opgerichte organisatie die door deze ministers als Kustwacht is aangeduid;
|
||||
i. Kustwachtcentrum: het voor de uitvoering van kustwachttaken opgerichte coördinatiecentrum en maritiem informatieknooppunt ten behoeve van het doel van de Kustwacht;
|
||||
j. stimuleren: het bewerken van een voorkomen om de productiviteit of injectiviteit te verbeteren.
|
||||
e. veiligheid: veiligheid van personen en bescherming van zaken, voor zover hieromtrent geen regels zijn gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
f. inspecteur-generaal der mijnen: inspecteur-generaal der mijnen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Als mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de wet worden aangewezen:
|
||||
Als mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdelen n en o, van de wet worden aangewezen:
|
||||
|
||||
a. boorgaten, bestemd voor de opsporing en winning van delfstoffen of aardwarmte of voor de opslag van stoffen, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van de werken, genoemd in de onderdelen b tot en met e, en niet geheel buiten gebruik zijn gesteld;
|
||||
b. werken voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte;
|
||||
c. werken voor het opslaan van stoffen en het terughalen van opgeslagen stoffen met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1°. water ten behoeve van het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste van 500 meter;
|
||||
2°. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
3°. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
2°. water ten behoeve van drinkwatervoorziening als bedoeld in de Waterleidingwet;
|
||||
d. werken voor het bewerken van gewonnen delfstoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
e. werken voor het bewerken van stoffen voorafgaande aan de opslag ervan dan wel voor het bewerken van opgeslagen en teruggehaalde stoffen voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
f. werken voor het meten en registreren van in de onderdelen d en e genoemde stoffen of aardwarmte voor het punt van aflevering aan de afnemer;
|
||||
|
|
@ -61,17 +55,11 @@ h. werken voor het verblijf van bij mijnbouwactiviteiten betrokken personen die
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte stelt een werkplan vast waarin alle in een vergunningsgebied uit te voeren mijnbouwactiviteiten staan vermeld.
|
||||
|
||||
**2.** Het werkplan is een jaarlijks voortschrijdend vijfjarenplan. De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte dient het plan in bij de inspecteur-generaal der mijnen binnen vier weken na verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 6, 24b of 25 van de wet en vervolgens jaarlijks voor 1 november van het jaar, voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het plan betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Ingrijpende afwijkingen van de in het eerste kalenderjaar opgenomen mijnbouwactiviteiten waarop het desbetreffende werkplan betrekking heeft, worden tenminste vier weken voor de verrichting van de desbetreffende activiteit ter kennis gebracht van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het werkplan.
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
De bescheiden en de gegevens, bedoeld bij of krachtens dit besluit, worden door een uitvoerder, een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, een onderzoeker als bedoeld in artikel 9, een beheerder als bedoeld in artikel 92, onderdeel d, en een vergunninghouder als bedoeld in de artikelen 152 en 157 op deugdelijke wijze opgesteld en bijgehouden. Zij worden, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, gedurende ten minste een jaar bewaard.
|
||||
De bescheiden en de gegevens, bedoeld bij of krachtens dit besluit, worden door een uitvoerder, een onderzoeker als bedoeld in artikel 9, een beheerder als bedoeld in artikel 92, onderdeel d, en een vergunninghouder als bedoeld in de artikelen 152 en 157 op deugdelijke wijze opgesteld en bijgehouden. Zij worden, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, gedurende ten minste een jaar bewaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
|
|
@ -84,13 +72,11 @@ b. vervoer met een helikopter, met dien verstande dat ten hoogste aanspraak word
|
|||
|
||||
**2.** Indien bij het verrichten van mijnbouwactiviteiten ernstige schade dreigt te ontstaan of is ontstaan, kan op aanwijzing van de inspecteur-generaal der mijnen het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vervoer plaatsvinden tussen 0.00 uur en 24.00 uur.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de wet dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, voorziet ambtenaren als bedoeld in de artikelen 129 en 131 van de wet, in de bij ministeriële regeling omschreven gevallen van transport, een verblijfplaats, maaltijden en andere benodigdheden.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop een melding of een aanvraag om een vergunning, ontheffing of instemming bij of krachtens de wet geschiedt en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd.
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing of vergunning bij of krachtens de wet geschiedt en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Als na een melding of het verlenen van een vergunning, ontheffing, of instemming wijzigingen optreden in de gegevens en bescheiden die zijn overgelegd, stelt degene die de melding heeft gedaan, respectievelijk de houder van de vergunning, ontheffing, of instemming, degene aan wie de gegevens of bescheiden zijn overgelegd, in kennis van de wijzigingen.
|
||||
**2.** Indien na het verlenen van een ontheffing of vergunning wijzigingen optreden in de gegevens en bescheiden die op grond van de in het eerste lid bedoelde regeling zijn overgelegd, stelt de houder van de ontheffing of vergunning degene aan wie de gegevens en bescheiden moesten worden overgelegd, in kennis van de wijzigingen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -107,9 +93,9 @@ d. aan de ontheffing of vergunning verbonden beperkingen of voorschriften niet w
|
|||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** Indien bij mijnbouwactiviteiten op het continentaal plat een archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet of een vermoedelijk archeologisch monument wordt gevonden of een archeologische vondst als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangetroffen, is artikel 5.10 van de Erfgoedwet van toepassing en zijn de artikelen 19.9 en 15.1, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingswet, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Indien bij mijnbouwactiviteiten op het continentaal plat een monument dan wel een vermoedelijk monument in de zin van de Monumentenwet 1988 wordt gevonden, zijn de artikelen 47 tot en met 49 van die wet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder onderscheidenlijk de beheerder stelt de onderzoeksgegevens, bedoeld in artikel 48, onderscheidenlijk de gegevens voortvloeiend uit onderzoek naar de aanleg en ligging van een pijpleiding als bedoeld in artikel 92, onderdeel a, ter beschikking aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor zover die gegevens informatie kunnen verschaffen over de aanwezigheid van archeologische monumenten dan wel vermoedelijke archeologische monumenten in of op de bodem van de territoriale zee of het continentaal plat.
|
||||
**2.** De uitvoerder onderscheidenlijk de beheerder stelt de onderzoeksgegevens, bedoeld in artikel 48, onderscheidenlijk de gegevens voortvloeiend uit onderzoek naar de aanleg en ligging van een pijpleiding als bedoeld in artikel 93, eerste lid, ter beschikking aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor zover die gegevens informatie kunnen verschaffen over de aanwezigheid van archeologische monumenten dan wel vermoedelijke archeologische monumenten in of op de bodem van de territoriale zee of het continentaal plat.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Verkenningsonderzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -125,11 +111,12 @@ d. aan de ontheffing of vergunning verbonden beperkingen of voorschriften niet w
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Tenminste vier weken voor de aanvang van een verkenningsonderzoek op land, verstrekt de onderzoeker aan de inspecteur-generaal der mijnen:
|
||||
Tenminste vier weken voor de aanvang van een verkenningsonderzoek, verstrekt de onderzoeker aan de inspecteur-generaal der mijnen:
|
||||
|
||||
a. gegevens omtrent de wijze waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht;
|
||||
b. een kaart waarop is aangegeven het gebied waarin en de lijnen waarlangs het verkenningsonderzoek zal worden verricht en de naam van de opdrachtnemer;
|
||||
c. de data waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht.
|
||||
c. de data waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht, en
|
||||
d. indien bij het verkenningsonderzoek op zee gebruik gemaakt zal worden van vaartuigen: de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van die vaartuigen.
|
||||
|
||||
**2.** De onderzoeker doet de inspecteur-generaal der mijnen onmiddellijk mededeling van wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
|
|
@ -147,37 +134,67 @@ Deze paragraaf is van toepassing op een verkenningsonderzoek in oppervlaktewater
|
|||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
De onderzoeker informeert het Kustwachtcentrum dagelijks over de voortgang van een verkenningsonderzoek in het gebied waarin het onderzoek wordt verricht, voor zover dat gebied is gelegen binnen de territoriale zee of het continentaal plat, onder vermelding van in ieder geval op welk tijdstip van de dag het onderzoek zal aanvangen en waarop het onderzoek zal worden gestaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Het is verboden zonder toestemming van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen bevoegde autoriteit verkenningsonderzoek te verrichten, indien het zicht vanaf het verkenningsvaartuig minder is dan de lengte van de bij het onderzoek te gebruiken of gebruikte kabels.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten met gebruikmaking van kabels met een lengte van meer dan 1500 meter en met kabels die in de breedte meer dan 150 meter van elkaar verwijderd zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het verbod geldt niet indien het verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig dat tot taak heeft de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied op veilige afstand te houden en daartoe is uitgerust met radar-, navigatie- en telecommunicatieapparatuur en voldoende pyrotechnische middelen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, nadere regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde uitrusting.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.3. Bijzondere regels voor verkenningsonderzoek in oppervlaktewater
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat die matig worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het verbod geldt niet indien:
|
||||
|
||||
a. zich aan boord van het verkenningsvaartuig een persoon bevindt die contact houdt met de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied in het belang van de veiligheid van de scheepvaart, en
|
||||
b. het vaartuig waarop de in onderdeel a bedoelde persoon zich bevindt, is uitgerust met radar-, navigatie- en telecommunicatieapparatuur, bestemd voor de begeleiding van en de communicatie met de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, regels worden gesteld omtrent de vereiste bekwaamheid en ervaring van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon, alsmede nadere regels omtrent de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitrusting.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat die druk worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het verbod geldt niet indien:
|
||||
|
||||
a. is voldaan aan de bij of krachtens artikel 16, tweede en derde lid, gestelde regels;
|
||||
b. het verkenningsvaartuig wordt begeleid door ten minste twee vaartuigen die tot taak hebben de persoon, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, bij te staan bij de begeleiding of het op afstand houden van de overige scheepvaart en daartoe zijn uitgerust met radar-, navigatie- en telecommunicatieapparatuur alsmede voldoende pyrotechnische middelen.
|
||||
|
||||
**3.** Op de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitrusting is artikel 15, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat die worden gebruikt als ankergebieden nabij aanloophavens en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een vergunning wordt slechts geweigerd in het belang van de scheepvaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van oppervlaktewater die worden gebruikt als oefen- en schietgebied en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een vergunning wordt slechts geweigerd in het belang van de landsverdediging.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat, bekend als de rede van Hoek van Holland en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.4. Gebruik ontplofbare stoffen bij verkenningsonderzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -229,7 +246,7 @@ Het winningsplan, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet voor de winning
|
|||
|
||||
a. een beschrijving van de verwachte hoeveelheid en de samenstelling van de aanwezige koolwaterstoffen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment;
|
||||
b. een opgaaf van de gegevens met betrekking tot de structuur van het voorkomen, onderverdeeld naar reservoirlaag en reservoircompartiment, met bijbehorende geologische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
|
||||
c. een beschrijving van een wijze van winning die niet in strijd is met de bij of krachtens dit besluit geldende wettelijke voorschriften inzake winning van koolwaterstoffen;
|
||||
c. een beschrijving van de wijze van de winning;
|
||||
d. een beschrijving van het mijnbouwwerk en de ligging ervan;
|
||||
e. een opgaaf van het aantal boorgaten dat bij de winning wordt gebruikt;
|
||||
f. een opgaaf van de volgorde en het tijdsbestek van het maken van de boorgaten;
|
||||
|
|
@ -238,7 +255,7 @@ h. een opgaaf van de plaats en wijze waarop de koolwaterstoffen in de verbuizing
|
|||
i. een opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden van de stoffen, die jaarlijks onvermijdelijk bij de winning van koolwaterstoffen meekomen;
|
||||
j. een opgaaf van de hoeveelheden gewonnen koolwaterstoffen die jaarlijks bij de winning wordt gebruikt, afgeblazen of afgefakkeld;
|
||||
k. een opgaaf van de samenstelling en hoeveelheden delfstoffen en andere stoffen die jaarlijks bij de winning in de ondergrond worden teruggebracht;
|
||||
l. een opgaaf van de jaarlijkse kosten van de winning, onderverdeeld in kosten voor investeringen, onderhoud, bedrijfvoering, en de kosten van het verlaten en verwijderen van mijnbouwwerken;
|
||||
l. een opgaaf van de jaarlijkse kosten van de winning, onderverdeeld in kosten voor investeringen, onderhoud en bedrijfsvoering;
|
||||
m. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijke mate van bodemdaling;
|
||||
n. een overzicht met het verloop van de verwachte mate van bodemdaling in de tijd;
|
||||
o. een opgaaf van de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodemdaling als bedoeld in de onderdelen m en n;
|
||||
|
|
@ -247,7 +264,7 @@ q. een beschrijving van de mogelijke omvang en verwachte aard van de schade door
|
|||
r. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken, en
|
||||
s. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken.
|
||||
|
||||
De onderdelen m tot en met s zijn niet van toepassing op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee.
|
||||
De onderdelen m tot en met s zijn niet van toepassing op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** In het winningsplan, bedoeld in het eerste lid, wordt per onderdeel toegelicht welke overwegingen bij de gemaakte keuze van belang zijn geweest, voor zover relevant.
|
||||
|
||||
|
|
@ -272,7 +289,7 @@ f. een beschrijving van de wijze waarop de holruimte na beëindiging van de winn
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet bevat een desbetreffend plan:
|
||||
Voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 39, onderdeel b, van de wet bevat een desbetreffend plan:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de hoeveelheid en de samenstelling van de stoffen die worden opgeslagen;
|
||||
b. een opgaaf van de gegevens met betrekking tot de structuur van het voorkomen en de ligging van het voorkomen ten opzichte van andere aardlagen, met bijbehorende geologische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
|
||||
|
|
@ -280,12 +297,10 @@ c. een opgaaf van de stoffen die worden gebruikt bij het in de ondergrond brenge
|
|||
d. een inventarisatie van de risico's ten aanzien van de verspreiding van de stoffen die in de ondergrond worden opgeslagen, het optreden van chemische processen in de ondergrond en de aantasting van de in de ondergrond aanwezige reservoirs met delfstoffen of de samenstelling van deze delfstoffen;
|
||||
e. een inventarisatie van maatregelen die worden getroffen om de risico's, bedoeld in onderdeel d, te voorkomen;
|
||||
f. een beschrijving van de wijze waarop het voorkomen na beëindiging van de opslag wordt achtergelaten, en
|
||||
g. een risico-analyse omtrent bodembeweging als gevolg van de opslag.
|
||||
g. een risico-analyse omtrent bodembeweging en bodemtrillingen als gevolg van de opslag.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 24, eerste lid, onderdelen d tot en met g, en onderdelen l, q, r en s, alsmede artikel 24, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel g, en de onderdelen q, r en s niet van toepassing zijn op voorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing indien § 3.5 van dit besluit van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
In geval de opslag van stoffen van tijdelijke aard is, bevat het plan voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 26, tevens:
|
||||
|
|
@ -308,8 +323,7 @@ b. stoffen die gebruikt worden voor:
|
|||
c. stoffen die met de activiteiten, genoemd in onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°, onvermijdelijk boven de oppervlakte meekomen, en worden teruggebracht in hetzelfde of een vergelijkbaar voorkomen als waaruit deze afkomstig zijn;
|
||||
d. hemelwater dat is gevallen op het mijnbouwwerk en het terrein eromheen;
|
||||
e. water dat wordt gebruikt voor het opslaan van warmte of koude op een diepte van ten hoogste 500 meter;
|
||||
f. water ten behoeve van openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in de Drinkwaterwet;
|
||||
g. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in hetzelfde gebied waarin het is gewonnen naar een diepte van ten hoogste 500 meter.
|
||||
f. water ten behoeve van drinkwatervoorziening als bedoeld in de Waterleidingwet.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.4. Nadere regelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -317,485 +331,13 @@ g. grondwater en brijn dat zonder toevoeging van stoffen wordt teruggevoerd in h
|
|||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het winningsplan, bedoeld in de artikelen 24 en 25, en het plan voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikelen 26 en 27.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.5. Aanvullende bepalingen voor permanent opslaan en transport van CO
|
||||
|
||||
### Artikel 29a
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. *lekkage:* het weglekken van CO_2 uit het CO_2-opslagvoorkomen;
|
||||
b. *significant risico:* een combinatie van een waarschijnlijkheid van het zich voordoen van schade en een omvang van schade die niet kan worden genegeerd;
|
||||
c. *significante onregelmatigheid:* een onregelmatigheid bij de injectie- of opslagwerkzaamheden of in de toestand van het CO_2-opslagcomplex zelf die het risico van lekkage doet ontstaan of een risico voor het milieu of de volksgezondheid oplevert;
|
||||
d. *richtlijn nr. 2009/31/EG:* richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 (PbEG L 140) van het Europese Parlement en de Raad.
|
||||
|
||||
### Artikel 29b
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen voor een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 regels worden gesteld omtrent:
|
||||
|
||||
a. het tijdvak van injectie van CO_2 en het gebied;
|
||||
b. de ligging en begrenzing van het opslagvoorkomen en het gebied van het opslagcomplex;
|
||||
c. gegevens met betrekking tot de hydraulische eenheid;
|
||||
d. voorschriften voor het opslagproces;
|
||||
e. de totale hoeveelheid CO_2 die overeenkomstig de vergunning ten hoogste kan worden opgeslagen;
|
||||
f. de grenswaarden van de druk van de opgeslagen CO_2;
|
||||
g. de maximum toelaatbare snelheid en druk bij injectie van CO_2 en de maximaal toelaatbare druk van het opgeslagen CO_2.
|
||||
|
||||
### Artikel 29c
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO_2 het voorschrift risicobeheer als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel h, van de wet, op te nemen in een risicobeheerplan.
|
||||
|
||||
**2.** Het risicobeheerplan bevat ten minste een beschrijving van maatregelen te nemen om het risico van een significante onregelmatigheid en de mogelijke gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en voldoet aan Bijlage I, fase 3.3. van de richtlijn nr. 2009/31/EG.
|
||||
|
||||
### Artikel 29d
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO_2 het voorschrift corrigerende maatregelen als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel k, van de wet uit te voeren volgens een plan.
|
||||
|
||||
**2.** Het plan bevat ten minste een beschrijving van maatregelen om tijdens de injectie van CO_2 en gedurende de verdere opslag significante onregelmatigheden te corrigeren of lekken te dichten teneinde lekkage te voorkomen of te doen ophouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 29e
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder neemt onmiddellijk passende maatregelen op basis van het plan, bedoeld in artikel 29d, zodra zich een lekkage of significante onregelmatigheid voordoet.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Zodra zich een significante onregelmatigheid of lekkage voordoet, meldt de uitvoerder dit onmiddellijk bij de inspecteur-generaal der mijnen en verstrekt hem zo spoedig mogelijk gegevens over:
|
||||
|
||||
a. de oorzaken van de significante onregelmatigheid of lekkage;
|
||||
b. de aard en de ernst van de gevolgen van de significante onregelmatigheid of lekkage;
|
||||
c. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de significante onregelmatigheid of lekkage te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;
|
||||
d. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een significante onregelmatigheid of een lekkage zich nogmaals kan voordoen.
|
||||
|
||||
**3.** In geval van een lekkage of significante onregelmatigheid die een lekkagerisico inhoudt, stelt de uitvoerder de Nederlandse emissieautoriteit daarvan onmiddellijk op de hoogte.
|
||||
|
||||
### Artikel 29f
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO_2 het voorschrift monitoring als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel i, van de wet uit te voeren volgens het monitoringsplan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het monitoringsplan omvat de wijze van de monitoring van:
|
||||
|
||||
a. de injectiefaciliteiten,
|
||||
b. het opslagcomplex en
|
||||
c. het milieu in de directe nabijheid van het opslagcomplex, en is in overeenstemming met Bijlage II, onderdeel 1.1., van de richtlijn nr. 2009/31/EG.
|
||||
|
||||
**3.** Het monitoringsplan heeft betrekking op de periode die aanvangt op het tijdstip van inwerkingtreding van een vergunning voor het permanent opslaan van CO_2 en eindigt op het tijdstip waarop de vergunning op grond van artikel 31j van de wet wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
**4.** De keuze van de monitoringstechnologie in het monitoringsplan wordt gebaseerd op de beste praktijken die bij het opstellen van de ontwerp-vergunning beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Voorts wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden het monitoringsplan drie maanden voor aanvang van de injectie van CO_2 te actualiseren en om de vijf jaar te actualiseren op basis van wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, wijzigingen in de beoordeelde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de beste beschikbare techniek. Het geactualiseerde monitoringsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister. De monitoring wordt uitgevoerd volgens het goedgekeurde monitoringsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 29g
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het document, bedoeld in artikel 31i, tweede lid, van de wet met betrekking tot afsluiting bevat ten minste:
|
||||
|
||||
1°. voor zover het mijnbouwwerken, niet zijnde mijnbouwinstallaties, betreft:
|
||||
|
||||
a. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van de boorgaten;
|
||||
b. een beschrijving van de wijze waarop bij het mijnbouwwerk behorend materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
c. een beschrijving van op het mijnbouwwerk aanwezige afvalstoffen en de bestemming ervan;
|
||||
d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van schade;
|
||||
e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht in de oorspronkelijke staat terug te brengen.
|
||||
2°. voor zover het mijnbouwinstallaties betreft:
|
||||
|
||||
a. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van de boorgaten;
|
||||
b. de wijze waarop het verwijderen van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, vierde lid, van de wet plaats zal vinden;
|
||||
c. de wijze waarop zal worden aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is;
|
||||
d. de wijze waarop de mijnbouwinstallatie en het schroot en ander materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
e. de eindbestemming van de mijnbouwinstallatie, de onderdelen ervan en schroot en ander materiaal en
|
||||
f. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen en andere stoffen en de eindbestemming daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** Voorts bevat het plan gegevens omtrent de tijdstippen waarop de onderdelen van de afsluiting worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 29h
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister verbindt aan de vergunning voor permanent opslaan van CO_2 het voorschrift activiteiten ter voorkoming of beperking van schade door bodembeweging als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdeel l, van de wet uit te voeren volgens een plan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het plan omvat ten minste:
|
||||
|
||||
a. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijke mate van bodemdaling of -stijging,
|
||||
b. een overzicht met het verloop van de verwachte mate van bodemdaling of -stijging in de tijd,
|
||||
c. een opgaaf van de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodembeweging als bedoeld in de onderdelen b en c,
|
||||
d. een risico-analyse omtrent bodemtrillingen als gevolg van de opslag,
|
||||
e. een beschrijving van de mogelijk omvang en verwachte aard van de schade door bodembeweging,
|
||||
f. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken, en
|
||||
g. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op opslagvoorkomens die gelegen zijn aan de zeezijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 29i
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het is verboden bij het permanent opslaan van CO_2 en het transporteren van CO_2 door een transportnetwerk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet naast CO_2 andere stoffen op te slaan en te transporteren dan:
|
||||
|
||||
a. incidentele aanverwante stoffen, afkomstig uit de CO_2-bron of het afvang- of injectieproces,
|
||||
b. stoffen die nodig zijn voor transport of opslag in het opslagvoorkomen of
|
||||
c. spoorelementen die aan het CO_2 zijn toegevoegd als hulpmiddel bij het monitoren en het controleren van de beweging van CO_2 binnen het CO_2-opslagcomplex.
|
||||
|
||||
**2.** De concentratie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, mag geen niveaus overschrijden die de integriteit van het opslagvoorkomen of het relevante transportnetwerk in het gedrang brengen of een significant risico voor het milieu of de volksgezondheid vormen.
|
||||
|
||||
**3.** Het CO_2 en de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, worden niet eerder opgeslagen dan nadat de uitvoerder heeft vastgesteld dat deze voldoen aan het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29j
|
||||
|
||||
**1.** De vergunning bepaalt het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld voor het jaar waarin injectie volgens de aanvraag zal aanvangen en voor elk van de daaropvolgende vier jaren. Het bedrag voor het vierde jaar blijft voor opvolgende jaren van toepassing zolang het niet is aangepast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bedrag wordt per jaar vastgesteld op het totaal van:
|
||||
|
||||
a. een raming van de kosten van verwerving van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, uitgaande van emissie als gevolg van ongecontroleerde uitstroom van CO_2 gedurende de laatste drie maanden van het desbetreffende jaar;
|
||||
b. een raming van de kosten van de uitvoering van het risicobeheerplan, genoemd in artikel 29c, uitgaande van uitvoering gedurende twee jaar;
|
||||
c. een raming van de kosten van het nemen van de maatregel of maatregelen uit het plan met betrekking tot corrigerende maatregelen, bedoeld in artikel 29d, uitgaande van de meest ingrijpende in het plan voorziene maatregel of maatregelen;
|
||||
d. een raming van de tot intrekking van de vergunning nog te maken kosten van uitvoering van het monitoringsplan, genoemd in artikel 29f, uitgaande van intrekking van de vergunning twintig jaar na afsluiting;
|
||||
e. een raming van de kosten van uitvoering van het afsluitingsplan, bedoeld in artikel 29g;
|
||||
f. een raming van de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 31j, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** De vorm waarin de zekerheid wordt gesteld behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De vergunninghouder doet hiertoe ten minste zes maanden voordat de zekerheid gesteld zal worden een aanvraag. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister stemt in indien de zekerheid in zodanige vorm is gesteld dat naar het oordeel van Onze Minister vaststaat dat de Staat daarmee gedurende de gehele periode alle verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zo nodig ook zelf kan nakomen ten laste van de vergunninghouder. Onder financiële zekerheid in dit artikel wordt eveneens verstaan een uit oogpunt van zekerheid voor de Staat gelijkwaardige voorziening.
|
||||
|
||||
**5.** Voor aanvang van injectie van CO_2 toont de vergunninghouder Onze Minister aan dat de zekerheid in overeenstemming met de wet en dit artikel is gesteld.
|
||||
|
||||
**6.** Onverminderd artikel 31h, eerste lid, onder d, van de wet, beziet Onze Minister op de voet van het tweede lid telkens na vijf jaar gerekend vanaf verlening van de vergunning de hoogte van het bedrag voor de eerstkomende vijf jaar. Het bedrag dat voor het laatste jaar in de vergunning is vastgesteld blijft voor opvolgende jaren van toepassing zolang het niet is aangepast. De vergunninghouder verstrekt Onze Minister uiterlijk drie maanden voor afloop van een vijfjaarstermijn de voor de ramingen, bedoeld in het tweede lid, benodigde gegevens vergezeld van adequate cijfermatige onderbouwing en toelichting.
|
||||
|
||||
**7.** De vergunninghouder staakt injectie van CO_2 zodra voortgaande injectie zou leiden tot een hoeveelheid opgeslagen CO_2 die meer dan 15% hoger is dan de hoeveelheid die betrokken is in de raming, bedoeld in het tweede lid onder a, voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag waarvoor op dat moment zekerheid is gesteld.
|
||||
|
||||
**8.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere maatstaven voor raming van kosten als bedoeld in het tweede lid vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 29k
|
||||
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 1 april:
|
||||
|
||||
a. de resultaten van de monitoring van het opgeslagen CO_2 over het daaraan voorafgaande kalenderjaar met vermelding van de gebruikte technologie,
|
||||
b. het bewijs dat financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden en
|
||||
c. wijzigingen in de financiële en technische mogelijkheden van de vergunninghouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 29l
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de uitvoerder een verzoek doet om het intrekken van een vergunning voor permanent opslaan van CO_2 als bedoeld in artikel 31j van de wet overlegt hij aan Onze Minister:
|
||||
|
||||
a. gegevens waaruit blijkt dat het opgeslagen CO_2 volledig en permanent ingesloten blijft,
|
||||
b. een voorstel voor een financiële bijdrage als bedoeld in artikel 31j, eerste lid, onderdeel d, van de wet die de uitvoerder zal betalen bij de intrekking van de vergunning.
|
||||
|
||||
**2.** De financiële bijdrage, bedoeld in het eerste lid, houdt rekening met de in bijlage I van de richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 (PbEG L 140) van het Europese Parlement en de Raad bedoelde parameters en elementen inzake de voorgeschiedenis van de opslag van CO_2 die relevant zijn voor het bepalen van de verplichtingen die na de overdracht gelden en dekt tenminste de geraamde monitoringskosten voor een periode van 30 jaar na het intrekken van de vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 29m
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 29c tot en met 29h, tweede lid, en 29i tot en met 29l.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3a. Het opsporen en winnen van aardwarmte
|
||||
|
||||
### Artikel 29n
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
– *startvergunning:* een startvergunning aardwarmte;
|
||||
– *toewijzing zoekgebied:* een toewijzing zoekgebied aardwarmte;
|
||||
– *vervolgvergunning:* een vervolgvergunning aardwarmte.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3a.1. Toewijzing zoekgebied, startvergunning en vervolgvergunning
|
||||
|
||||
### Artikel 29o
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied in verband met het zicht op de financiering van de opsporing en winning in ieder geval de financiële omstandigheden van de aanvrager.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de grond, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29p
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een startvergunning in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. in verband met onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van omwonenden in hoeverre wordt voldaan aan de norm voor het lokaal persoonlijk risico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft, als gevolg van bodemtrilling door de opsporing en winning van aardwarmte;
|
||||
b. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager:
|
||||
|
||||
1°. de financiële omstandigheden van de aanvrager;
|
||||
2°. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten voor de opsporing en winning van aardwarmte en de daarbij behorende aansprakelijkheden en de kosten voor het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
|
||||
3°. afspraken tussen de aanvrager en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing en winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29q
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een aanvraag voor een startvergunning geheel of gedeeltelijk afwijzen:
|
||||
|
||||
a. indien het ontwerp van de put geen dubbele verbuizing bevat ter hoogte van de zoet en brak waterlagen, tenzij is aangetoond dat een alternatief ontwerp de putintegriteit ten minste even goed borgt als een dubbele verbuizing;
|
||||
b. indien de aanvrager niet over een beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit beschikt dat voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
|
||||
c. indien de integriteit van de afsluitende aardlagen niet voldoende is geborgd.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29r
|
||||
|
||||
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake een aanvraag voor een vervolgvergunning, indien ten opzichte van de startvergunning voorschriften of beperkingen zouden moeten worden verbonden met betrekking tot het beperken van het gevolg, effect of risico als bedoeld in artikel 24ag, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 29s
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervolgvergunning in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. in verband met onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van omwonenden in hoeverre wordt voldaan aan de norm voor het lokaal persoonlijk risico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft, als gevolg van bodemtrilling door de winning van aardwarmte;
|
||||
b. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager:
|
||||
|
||||
1°. de financiële omstandigheden van de aanvrager;
|
||||
2°. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten voor de winning van aardwarmte en de daarbij behorende aansprakelijkheden en de kosten voor het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de vervolgvergunning te dragen;
|
||||
3°. afspraken tussen de aanvrager en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29t
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een aanvraag voor een vervolgvergunning geheel of gedeeltelijk afwijzen:
|
||||
|
||||
a. indien de put geen dubbele verbuizing bevat ter hoogte van de zoet en brak waterlagen, tenzij is aangetoond dat een alternatieve inrichting van de put de putintegriteit ten minste even goed borgt als een dubbele verbuizing;
|
||||
b. indien de aanvrager niet over een operationeel beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit beschikt dat voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
|
||||
c. indien de integriteit van de afsluitende aardlagen niet voldoende is geborgd.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29u
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister verbindt aan een startvergunning of vervolgvergunning voorschriften of beperkingen die betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de injectiedruk;
|
||||
b. de injectietemperatuur;
|
||||
c. het debiet;
|
||||
d. het berekenen en beperken van scheurgroei in de afsluitende aardlagen;
|
||||
e. het beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit, bedoeld in de artikelen 29q en 29t;
|
||||
f. het gebruik van mijnbouwhulpstoffen, indien van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29v
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister bepaalt in een vergunning die betrekking heeft op aardlagen die zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, het bedrag waarvoor financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte wordt gesteld voor:
|
||||
|
||||
a. het jaar waarin de opsporing volgens de aanvraag voor de startvergunning zal aanvangen en voor het daaropvolgende jaar, indien het een startvergunning betreft;
|
||||
b. het jaar waarin de vervolgvergunning wordt verleend en voor elk van de daaropvolgende vier jaren, indien het een vervolgvergunning betreft.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bedrag wordt per jaar vastgesteld op het totaal van:
|
||||
|
||||
a. een raming van de kosten voor de monitoring en reactieve maatregelen met betrekking tot de beheersing van de putintegriteit;
|
||||
b. een raming van de kosten voor het nemen van maatregelen voor de borging van de integriteit van de afsluitende aardlagen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister bepaalt in de vergunning de vorm waarin de financiële zekerheid wordt gesteld. De financiële zekerheid wordt in zodanige vorm gesteld dat naar het oordeel van Onze Minister vaststaat dat de Staat daarmee gedurende de periode waarvoor zekerheid wordt gesteld, alle verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, zo nodig ook zelf kan nakomen ten laste van de vergunninghouder.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van een startvergunning toont voor aanvang van de opsporing van aardwarmte aan Onze Minister aan dat de financiële zekerheid in overeenstemming met dit artikel is gesteld.
|
||||
|
||||
**5.** De houder van een vervolgvergunning toont binnen zes maanden na de datum van het verlenen van de vervolgvergunning aan Onze Minister aan dat de financiële zekerheid in overeenstemming met dit artikel is gesteld en houdt het bedrag dat voor het laatste jaar in de startvergunning is vastgesteld, in stand tot dit moment.
|
||||
|
||||
**6.** Onverminderd artikel 24ab, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet blijft het bedrag dat voor het laatste jaar in de startvergunning is vastgesteld, van toepassing voor opvolgende jaren gedurende de periode waarvoor de startvergunning geldt.
|
||||
|
||||
**7.** Onverminderd artikel 24ao, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet beziet Onze Minister op de voet van het tweede lid telkens na vijf jaar gerekend vanaf de datum van het verlenen van de vervolgvergunning de hoogte van het bedrag per jaar voor de eerstkomende vijf jaar. Het bedrag dat voor het laatste jaar in de vervolgvergunning is vastgesteld blijft voor opvolgende jaren van toepassing zolang het niet is aangepast. De vergunninghouder verstrekt Onze Minister uiterlijk drie maanden voor afloop van een vijfjaarstermijn de voor de ramingen, bedoeld in het tweede lid, benodigde gegevens vergezeld van een adequate cijfermatige onderbouwing en toelichting.
|
||||
|
||||
**8.** De vergunninghouder verstrekt ten minste elk jaar aan Onze Minister het bewijs dat financiële zekerheid is gesteld en aangehouden.
|
||||
|
||||
**9.** Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere maatstaven voor de raming van de kosten, bedoeld in het tweede lid, vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 29w
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan een startvergunning of vervolgvergunning voorschriften of beperkingen verbinden die betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de seismische risicoanalyse;
|
||||
b. het meten, registreren en melden van bodembeweging als gevolg van de opsporing of winning van aardwarmte;
|
||||
c. de wijze van handelen in geval van bodembeweging als gevolg van de opsporing of winning van aardwarmte.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan een startvergunning of vervolgvergunning in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager voorschriften of beperkingen verbinden die betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de financiële omstandigheden van de aanvrager;
|
||||
b. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten voor de opsporing of winning van aardwarmte en de daarbij behorende aansprakelijkheden en de kosten voor het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de betreffende vergunning te dragen;
|
||||
c. financiële zekerheden die gesteld dienen te worden ter dekking van de kosten voor de bij de opsporing of winning en de daarbij behorende aansprakelijkheden, anders dan de zekerheden, bedoeld in de artikelen 46 en 47 van de wet, en artikel 29v. Deze voorschriften of beperkingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
1°. de vorm en de omvang van de financiële zekerheden;
|
||||
2°. het tijdstip van het stellen van financiële zekerheden;
|
||||
3°. het melden van wijzigingen in de financiële zekerheden;
|
||||
d. het melden van afspraken, of wijzigingen daarvan, tussen de aanvrager en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing of winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29x
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien meer aanvragen voor een toewijzing zoekgebied die zouden kunnen worden toegewezen, zijn ingediend, rangschikt Onze Minister een aanvraag hoger naarmate:
|
||||
|
||||
a. de aanvraag beter past binnen provinciale of gemeentelijke beleidsplannen ten aanzien van aardwarmte voor het betreffende gebied;
|
||||
b. de realistisch te verwachten hoeveelheid te winnen aardwarmte groter is;
|
||||
c. de aanvrager al eerder is gestart met winning van aardwarmte in een gebied dat grenst aan het betreffende gebied;
|
||||
d. de aanvrager over ervaring met de ontwikkeling van aardwarmteactiviteiten of andere mijnbouwactiviteiten beschikt;
|
||||
e. de kwaliteit van de aanvraag beter is.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure van de rangschikking en de rangschikkingscriteria.
|
||||
|
||||
### Artikel 29y
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien meer aanvragen voor een startvergunning die zouden kunnen worden toegewezen, zijn ingediend, rangschikt Onze Minister een aanvraag hoger naarmate:
|
||||
|
||||
a. de aanvraag beter past binnen provinciale of gemeentelijke beleidsplannen ten aanzien van aardwarmte voor het betreffende gebied;
|
||||
b. de realistisch te verwachten hoeveelheid te winnen aardwarmte groter is;
|
||||
c. de aanvrager al eerder is gestart met winning van aardwarmte in een gebied dat grenst aan het betreffende gebied;
|
||||
d. de kwaliteit van de aanvraag beter is.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure van de rangschikking en de rangschikkingscriteria.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3a.2. De uitvoerder aardwarmte
|
||||
|
||||
### Artikel 29z
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag om instemming met de aanwijzing van de uitvoerder aardwarmte als bedoeld in artikel 24z, vierde lid, van de wet bevat een beschrijving van de technische en financiële capaciteiten van de uitvoerder aardwarmte.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag om instemming.
|
||||
|
||||
### Artikel 29aa
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister weigert instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte, bedoeld in artikel 24z, derde lid, van de wet, indien de technische of financiële capaciteiten van de uitvoerder niet toereikend zijn voor een goede uitvoering van de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot de mijnbouwactiviteiten.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister betrekt bij de beoordeling van de technische capaciteiten van de uitvoerder aardwarmte in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de ervaring met mijnbouwactiviteiten waarover de uitvoerder aardwarmte beschikt;
|
||||
b. de kennis over mijnbouwactiviteiten waarover de uitvoerder aardwarmte beschikt;
|
||||
c. de verantwoordelijkheidszin, waarvan de uitvoerder aardwarmte eerder blijk heeft gegeven bij feitelijke werkzaamheden met betrekking tot mijnbouwactiviteiten onder een eerdere vergunning.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onze Minister betrekt bij de beoordeling van de financiële capaciteiten van de uitvoerder aardwarmte in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de financiële omstandigheden van de uitvoerder aardwarmte;
|
||||
b. afspraken tussen de aanvrager van de startvergunning of de houder van de startvergunning of vervolgvergunning en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing of winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ab
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de instemming met de uitvoerder aardwarmte voorschriften of beperkingen verbinden die betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de financiële omstandigheden van de uitvoerder aardwarmte;
|
||||
b. financiële zekerheden die gesteld dienen te worden ter dekking van de kosten voor de opsporing of winning en de daarbij behorende aansprakelijkheden. Deze voorschriften of beperkingen kunnen betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
1°. de vorm en de omvang van de financiële zekerheden;
|
||||
2°. het tijdstip van het stellen van financiële zekerheden;
|
||||
3°. het melden van wijzigingen in de financiële zekerheden;
|
||||
c. het melden van afspraken, of wijzigingen daarvan, tussen de aanvrager van de startvergunning of de houder van de startvergunning of vervolgvergunning en de uitvoerder aardwarmte over het dragen van de kosten voor de bij de opsporing of winning behorende aansprakelijkheden, indien deze zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de instemming.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3a.3. Deelneming in opsporing en winning van aardwarmte
|
||||
|
||||
### Artikel 29ac
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
– *overeenkomst:* een overeenkomst als bedoeld in artikel 86a, eerste lid, van de wet, die een overeenkomst van samenwerking is;
|
||||
– *de vennootschap:* de vennootschap, bedoeld in artikel 82, tweede lid, van de wet;
|
||||
– *vergunninghouder:* de houder van een toewijzing zoekgebied, startvergunning of vervolgvergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ad
|
||||
|
||||
In de overeenkomst worden bepalingen die ertoe strekken dat ten behoeve van de voorgenomen opsporings- en winningswerkzaamheden wordt samengewerkt, opgenomen, waarbij:
|
||||
|
||||
a. de vennootschap voor 20% belang neemt, tenzij met de vergunninghouder een hoger percentage van ten hoogste 40% wordt overeengekomen;
|
||||
b. de vergunninghouder het resterende belang neemt;
|
||||
c. de waarde van de werken die door het doen van de in artikel 29ag, onderdeel a, bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen en de opbrengst van de winning van aardwarmte in verhouding tot ieders belang in de samenwerking toebehoren aan de vergunninghouder en de vennootschap;
|
||||
d. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in artikel 29ag, onderdeel a;
|
||||
e. op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ae
|
||||
|
||||
In de overeenkomst wordt het bedrag vastgesteld van de door de houder van de toewijzing zoekgebied reeds gemaakte kosten die naar redelijkheid kunnen worden toegeschreven aan activiteiten en investeringen ten behoeve van de voorgenomen opsporings- en winningswerkzaamheden.
|
||||
|
||||
### Artikel 29af
|
||||
|
||||
In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
|
||||
|
||||
a. de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met inachtneming van artikel 29ah zijn genomen door de vergunninghouder en de vennootschap;
|
||||
b. zijn kennis en ervaring op het gebied van opsporing, winning en afzet van aardwarmte aan de samenwerking ten goede te doen komen.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ag
|
||||
|
||||
In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die de vennootschap ertoe verplichten:
|
||||
|
||||
a. aan de vergunninghouder te vergoeden het percentage, gelijk aan het belang van de vennootschap in de samenwerking, van de uitgaven van de vergunninghouder die in overeenstemming met artikel 29ah zijn goedgekeurd of in overeenstemming zijn met een goedgekeurd jaarlijks investerings- en financieringsplan;
|
||||
b. niet te beletten dat besluiten van de vergunninghouder gebaseerd worden op normale commerciële overwegingen;
|
||||
c. zijn stem bij de besluitvorming volgens artikel 29ah uit te brengen op grond van transparantie, objectieve en niet-discriminerende beginselen;
|
||||
d. aan de houder van de toewijzing zoekgebied terstond te vergoeden het percentage, gelijk aan het belang van de vennootschap in de samenwerking, van het bedrag, bedoeld in artikel 29ae, vermeerderd met een enkelvoudige rente, waarvan het percentage gelijk is aan dat van de wettelijke rente, over een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende kosten zijn gemaakt;
|
||||
e. de informatie als bedoeld in artikel 29ai, eerste lid, onderdeel d, die de vennootschap voornemens is openbaar te maken, ter goedkeuring voor te leggen aan de vergunninghouder waarbij de vergunninghouder binnen een in de overeenkomst overeengekomen termijn bezwaar kan maken tegen openbaarmaking van die informatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ah
|
||||
|
||||
In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:
|
||||
|
||||
a. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap wordt genomen in een vergadering, waarin de vergunninghouder en de vennootschap zich door een schriftelijk gevolmachtigde kunnen laten vertegenwoordigen;
|
||||
b. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, in afwijking van onderdeel a, buiten vergadering kan worden genomen, mits de vergunninghouder en de vennootschap hier beide mee instemmen en dit gebeurt bij een gezamenlijke schriftelijke verklaring of bij een gelijkluidende schriftelijke verklaring van de vergunninghouder en de vennootschap, door deze of hun gevolmachtigde vertegenwoordigers ondertekend;
|
||||
c. de vergunninghouder en de vennootschap bij gezamenlijke besluiten een stem hebben in verhouding tot ieders belang in de samenwerking;
|
||||
d. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij in afwijking van onderdeel c de vergunninghouder en de vennootschap elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
|
||||
|
||||
1°. het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;
|
||||
2°. activiteiten en aanschaffingen die niet in het jaarlijkse investerings- en financieringsplan zijn opgenomen, en die een bedrag van € 500 000 te boven gaan of die 10% of meer van het totale bedrag van de in dat plan opgenomen uitgaven bedragen, indien het gaat om een bedrag van minder dan € 500 000;
|
||||
3°. de meerjarenplanning ten aanzien van de voorgenomen opsporings- en winningswerkzaamheden binnen het vergunningsgebied;
|
||||
4°. het aangaan, wijzigen of beëindigen van duurzame samenwerking met derden ter zake van opsporing en winning;
|
||||
5°. het aangaan en wijzigen van verplichtingen tot levering van aardwarmte;
|
||||
6°. het voortbestaan van de opsporings- of winningswerkzaamheden.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ai
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In de overeenkomst worden in verband met de kennisdeling en -borging bepalingen opgenomen met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de totstandkoming van het putontwerp;
|
||||
b. de keuze voor de locatie van boorgaten;
|
||||
c. het vastleggen en verstrekken van informatie omtrent de organisatie en de uitvoering van de opsporings- en winningswerkzaamheden;
|
||||
d. de aanwijzing van de informatie die de vennootschap overeenkomstig artikel 29ag, onderdeel e, ter goedkeuring aan de vergunninghouder dient voor te leggen, voordat deze openbaar wordt gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 29aj
|
||||
|
||||
De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot financieel nadeel voor de vennootschap.
|
||||
|
||||
### Artikel 29ak
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de vennootschap of de houder van de toewijzing zoekgebied bepalen dat de verplichting, bedoeld in artikel 86a, eerste lid, van de wet niet geldt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Het meten van bodembeweging
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.1. Metingen met het oog op bodembeweging
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder verricht metingen naar bodembeweging ten gevolge van het winnen van delfstoffen als bedoeld in artikel 41 van de wet. De metingen worden verricht overeenkomstig een meetplan.
|
||||
**1.** De uitvoerder verricht metingen naar bodembeweging ten gevolge van het winnen van delfstoffen of aardwarmte als bedoeld in artikel 41 van de wet. De metingen worden verricht overeenkomstig een meetplan.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder dient het meetplan in bij Onze Minister voor ieder voorkomen waaruit wordt gewonnen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -805,7 +347,7 @@ De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden gep
|
|||
|
||||
**5.** Onze Minister kan de instemming onder beperkingen geven en aan zijn instemming voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**6.** Het meetplan beslaat de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan voor 1 november afschrift aan Onze Minister. Onze Minister kan de uitvoerder een aanwijzing geven omtrent de tijdstippen waarop en de plaatsen waar gemeten wordt.
|
||||
**6.** Het meetplan beslaat de termijn van de winning en de daarop volgende dertig jaren. De uitvoerder actualiseert het meetplan gedurende de periode van winning en de daarop volgende vijf jaren jaarlijks en verstrekt daarvan afschrift aan Onze Minister. Onze Minister kan de uitvoerder een aanwijzing geven omtrent de tijdstippen waarop en de plaatsen waar gemeten wordt.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -825,9 +367,9 @@ c. de meetmethoden.
|
|||
|
||||
**2.** De uitvoerder overlegt de resultaten van de eerste meting, bedoeld in artikel 30, achtste lid, uiterlijk twee weken voor de aanvang van de winning aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**3.** De uitvoerder overlegt de resultaten van de metingen alsmede een analyse van die resultaten twaalf weken na het verrichten van de metingen aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
**3.** De uitvoerder overlegt de resultaten van de metingen twaalf weken na het verrichten van de metingen aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van en de wijze van verstrekking van de meetresultaten en de analyse daarvan.
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van en de wijze van verstrekking van de meetresultaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
|
|
@ -839,7 +381,7 @@ De artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op de opslag van stoff
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In geval van zoutwinning en opslag van stoffen in een door zoutwinning ontstane holruimte bevat het meetplan, bedoeld in artikel 30, eerste lid, tevens een beschrijving van:
|
||||
In geval van zoutwinning bevat het meetplan, bedoeld in artikel 30, eerste lid, tevens een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de tijdstippen waarop metingen in de holruimte worden uitgevoerd, en
|
||||
b. de methode die voor het uitvoeren van holruimtemetingen wordt gebruikt.
|
||||
|
|
@ -862,13 +404,18 @@ Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwwerken, uitgezonderd mijnbouwinstalla
|
|||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
**1.** Een voor de winning bestemd mijnbouwwerk is voorzien van meetapparatuur waarmee de hoeveelheden delfstoffen of aardwarmte die worden gewonnen, verbruikt, vernietigd of afgevoerd kunnen worden berekend.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Een voor de opslag bestemd mijnbouwwerk is voorzien van apparatuur voor het meten van de hoeveelheden stoffen die in de ondergrond worden gebracht, daaruit worden teruggehaald, verbruikt, vernietigd of afgevoerd.
|
||||
Een mijnbouwwerk is te voorzien van apparatuur:
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid op een daartoe strekkende aanvraag waarbij mede wordt aangegeven op welke andere wijze gegevens als bedoeld in het eerste en tweede lid worden verkregen.
|
||||
a. voor het meten van hoeveelheden delfstoffen of aardwarmte die worden gewonnen, verbruikt, vernietigd of afgevoerd;
|
||||
b. voor zover het mijnbouwwerk daartoe bestemd is: voor het meten van hoeveelheden stoffen die worden opgeslagen, verbruikt, vernietigd of afgevoerd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het aantal metingen, de soort metingen en de te gebruiken meetapparatuur.
|
||||
**2.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid op een daartoe strekkende aanvraag waarbij mede wordt aangegeven op welke andere wijze gegevens als bedoeld in het eerste lid worden verkregen.
|
||||
|
||||
**3.** De uitvoerder verstrekt de met deze apparatuur verkregen gegevens aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde apparatuur.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.1.2. Regels over het gebruik van mijnbouwwerken
|
||||
|
||||
|
|
@ -888,7 +435,7 @@ c. spoorwegen;
|
|||
d. kunstwerken, of
|
||||
e. licht brandbare gewassen.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte draagt er zorg voor dat het zorgsysteem, bedoeld in artikel 2.42e van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en het document, bedoeld in artikel 2.42f van dat besluit, mede betrekking hebben op de veiligheid.
|
||||
**2.** De uitvoerder draagt er zorg voor dat het zorgsysteem, bedoeld in artikel 2.42e van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en het document, bedoeld in artikel 2.42f van dat besluit, mede betrekking hebben op de veiligheid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de veilige afstanden, het zorgsysteem en het document.
|
||||
|
||||
|
|
@ -902,168 +449,35 @@ e. licht brandbare gewassen.
|
|||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde maatregelen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.1.4. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwwerken
|
||||
#### Paragraaf 5.1.4. Regels over het buiten gebruik stellen van mijnbouwwerken
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet is niet gehouden een melding als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet te doen in het geval het mijnbouwwerk voor een periode van maximaal een jaar buiten werking is, als gevolg van:
|
||||
**1.** Het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een mijnbouwwerk geschiedt volgens een door de uitvoerder bij Onze Minister in te dienen sluitingsplan. Het sluitingsplan wordt uiterlijk een jaar na het staken van de mijnbouwactiviteiten ingediend.
|
||||
|
||||
a. het uitvoeren van reparatie, onderhoud of aanpassingen van de bovengrondse installaties;
|
||||
b. het uitvoeren van een werkprogramma als bedoeld in artikel 74, eerste lid;
|
||||
c. het doen van onderzoek na een ongeluk of incident;
|
||||
d. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van de opsporing, winning of opslag;
|
||||
e. het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden door een van buiten komende oorzaak, waaronder het tijdelijk niet beschikbaar zijn van ondersteunende installaties, pijpleidingen, kabels, personeel, materialen, grondstoffen, hulpstoffen, diensten van derden die noodzakelijk zijn voor het in werking houden van het mijnbouwwerk of het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde vergunningen of toestemmingen.
|
||||
**2.** Het sluitingsplan behoeft de instemming van Onze Minister. De instemming kan worden verleend onder beperkingen of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister beslist over het sluitingsplan binnen dertien weken na de indiening ervan.
|
||||
|
||||
**4.** De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen de instemmingstermijn een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met g, dat een gedeelte is van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is een geval als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de wet, tenzij:
|
||||
Het sluitingsplan bevat ten minste:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een aanvraag om een wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet, of een verandering van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet heeft ontvangen;
|
||||
b. de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk:
|
||||
a. een beschrijving van de wijze waarop bij het mijnbouwwerk behorend materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
b. een beschrijving van op het mijnbouwwerk aanwezige afvalstoffen en de bestemming ervan;
|
||||
c. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van schade;
|
||||
d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen;
|
||||
e. voor zover onderdeel d niet mogelijk is: een beschrijving van de toestand waarin het mijnbouwwerk wordt achtergelaten en, voor zover van toepassing, de bestemming ervan;
|
||||
f. het tijdstip waarop met de beschreven werkzaamheden wordt aangevangen en waarop deze worden beëindigd, en
|
||||
g. het beoogde tijdstip van de sluiting.
|
||||
|
||||
1°. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen;
|
||||
2°. een rapport over een essentiële wijziging of een ontmanteling als bedoeld in de artikelen 45e en 45i van de wet heeft ontvangen.
|
||||
**2.** Zodra de uitvoerder een mijnbouwwerk, geheel of gedeeltelijk, buiten gebruik heeft gesteld, doet hij hiervan melding aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over de ontvangst van een werkprogramma of een rapport als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°.
|
||||
|
||||
### Artikel 40a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet overlegt voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 40, eerste lid, een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, tenzij:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, heeft verstrekt of
|
||||
b. naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk met een werkprogramma of een rapport als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°, in de verwijdering van het mijnbouwwerk is voorzien.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
### Artikel 40b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet vermeldt de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de locatie van het mijnbouwwerk;
|
||||
b. de datum waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
c. de wijze waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
d. in het geval van een mijnbouwwerk voor zoutwinning welke maatregelen zijn genomen om de holruimte te monitoren vanuit een analyse in een systeembenadering van de risico’s van dat mijnbouwwerk;
|
||||
e. bij een mijnbouwwerk anders dan een mijnbouwwerk voor zoutwinning, welke maatregelen noodzakelijk zijn aan de hand van de specifieke risico’s van dat mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.** Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 40c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44a, eerste lid van de wet bevat ten minste een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de aanduiding, locatie, aard en functie van het mijnbouwwerk ten tijde van de aanvraag om instemming met het verwijderingsplan;
|
||||
b. de activiteiten, bedoeld in artikel 74, eerste lid, die hebben geleid tot wijziging van de inrichting van het boorgat;
|
||||
c. de afspraken met de eigenaar van het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht en andere belanghebbenden;
|
||||
d. de methode en een schatting van de kosten van het buiten gebruik stellen van een boorgat en het verwijderen van de bovengrondse installaties;
|
||||
e. de staat waarin het ondergrondse deel van het mijnbouwwerk wordt achtergelaten;
|
||||
f. de datum van indiening van het werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat en de planning van de uitvoering;
|
||||
g. het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van kabels en pijpleidingen;
|
||||
h. de wijze waarop de materialen die bij het mijnbouwwerk behoren, worden afgevoerd en de bestemming ervan;
|
||||
i. de op het mijnbouwwerk aanwezige afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de bestemming ervan;
|
||||
j. de risico’s van een mijnbouwwerk dat is gebruikt voor de winning van zout na verwijdering van de bovengrondse installaties en het buiten gebruik stellen van het boorgat aan de hand van een analyse van deze risico’s in een systeembenadering en de bij dat mijnbouwwerk te nemen beheersmaatregelen, waaronder een beschrijving van een uit te voeren monitoring, indien:
|
||||
|
||||
1°. die beheersmaatregelen nodig zijn in het belang van de veiligheid of het milieu en
|
||||
2°. deze risico’s of beheersmaatregelen niet zijn beschreven in een winningsplan als bedoeld in artikel 34, eerste lid, een opslagplan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, of een meetplan als bedoeld in artikel 30, derde lid;
|
||||
k. de maatregelen die worden genomen om het terrein waarop het mijnbouwwerk is opgericht en de bodem van het terrein zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen of in het geval het terrein of de bodem niet in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht, de toestand waarin het terrein na uitvoering van het verwijderingsplan wordt achtergelaten;
|
||||
l. het beoogde gebruik van het terrein; en
|
||||
m. in geval van een gedeeltelijke verwijdering van het mijnbouwwerk voor welk doel het mijnbouwwerk wordt hergebruikt en een beschrijving daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** Het verwijderingsplan vermeldt binnen welke perioden de beschreven werkzaamheden beginnen en eindigen en kan in een fasering van de verwijdering voorzien.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan bij het overleggen van informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met k, worden volstaan met een verwijzing naar informatie die is of wordt overgelegd bij een aanvraag om een vergunning, een melding of de naleving van een verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden krachtens de wet, respectievelijk de Omgevingswet, in het geval die informatie de relevante feiten bevat of zal bevatten die nodig zijn voor een besluit tot instemming met het verwijderingsplan, respectievelijk een besluit tot instemming met het verwijderingsplan onder het stellen van voorwaarden of voorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister beslist binnen dertien weken na het overleggen van een verwijderingsplan over de instemming.
|
||||
|
||||
**5.** Van de instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**6.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 40d
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet een instemming met een verwijderingsplan, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet weigeren, indien:
|
||||
|
||||
a. het verwijderingsplan onvoldoende voorziet in een beschrijving van werkzaamheden, methode en kosten van de verwijdering die nodig zijn gedurende de periode van uitvoering van het verwijderingsplan, waaronder monitoring;
|
||||
b. het verwachte resultaat van de uitvoering van het verwijderingsplan onvoldoende is beschreven;
|
||||
c. het mijnbouwwerk in aanmerking komt voor hergebruik;
|
||||
d. het mijnbouwwerk niet in aanmerking komt voor het in de aanvraag beschreven gedeeltelijk hergebruik als mijnbouwwerk;
|
||||
e. in het geval van hergebruik het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van de wet, voor zover het hergebruik betreft, geen verklaring van geen bedenkingen heeft gegeven;
|
||||
f. naar het oordeel van het bevoegde gezag krachtens de Omgevingswet het voorstel tot onderzoeken of saneren van de bodem niet voldoet;
|
||||
g. de bestemming van de af te voeren materialen en afvalstoffen onduidelijk is;
|
||||
h. de planning van de uitvoering van de verwijdering niet duidelijk is of voorziet in een onredelijk lange termijn;
|
||||
i. de verwijdering van een mijnbouwwerk voor de winning van zout leidt tot:
|
||||
|
||||
1°. meer bodembeweging, dan blijkt uit een beschrijving als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder f, van de wet; of
|
||||
2°. een andere wijze van het buiten gebruik stellen van een holruimte dan blijkt uit een beschrijving als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder f.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een instemming ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegde gezag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, tot een afwijzend oordeel komt over het geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk;
|
||||
b. het bevoegde gezag krachtens de wet geen vergunning verstrekt voor het opsporen, winnen, of opslaan van delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk stoffen;
|
||||
c. de houder van een vergunning de instemming voor het geheel of een gedeelte van het verwijderingsplan niet langer nodig heeft; of
|
||||
d. de houder van een vergunning niet overeenkomstig de instemming handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 40e
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet verlenen, indien het mijnbouwwerk:
|
||||
|
||||
a. nodig is voor het gebruik van een ander mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
|
||||
b. doelmatiger kan worden verwijderd of hergebruikt, indien de houder van een vergunning het mijnbouwwerk tezamen met een ander mijnbouwwerk verwijdert of hergebruikt;
|
||||
c. in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik als onderzoek is of wordt verricht naar de geschiktheid voor opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte of de opslag van stoffen;
|
||||
d. redelijkerwijs rendabel opnieuw in gebruik genomen kan worden na:
|
||||
|
||||
1°. verbetering van de omstandigheden op de markt voor koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen;
|
||||
2°. een technische innovatie voor de winning van koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen; of
|
||||
e. in aanmerking komt voor een ander hergebruik dan het exploiteren van een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister vraagt advies over een aanvraag om ontheffing van de verplichting tot verwijderen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet voor het opnieuw in gebruik nemen:
|
||||
|
||||
a. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor de winning van koolwaterstoffen, aardwarmte en de opslag van CO_2 aan de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de wet en
|
||||
b. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, tevens aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de ontheffing voor hergebruik van het mijnbouwwerk voor een periode van maximaal vijf jaar verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan de ontheffing telkens voor een periode van maximaal vijf jaar verlengen.
|
||||
|
||||
**5.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een ontheffing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan, onverminderd artikel 7, derde lid, een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien de houder van een vergunning:
|
||||
|
||||
a. de ontheffing niet langer nodig heeft om in een hergebruik van het mijnbouwwerk te kunnen voorzien;
|
||||
b. niet overeenkomstig de ontheffing handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 40f
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 25 van de wet een instemming met een rapport over de verwijdering, bedoeld in artikel 44c, derde lid, van de wet weigeren als het rapport:
|
||||
|
||||
a. onvoldoende informatie bevat;
|
||||
b. het mijnbouwwerk niet is verwijderd overeenkomstig het verwijderingsplan waarmee is ingestemd; of
|
||||
c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot instemming met het rapport over de verwijdering.
|
||||
|
||||
### Artikel 40g
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud van het nazorgplan, bedoeld in artikel 52g, derde lid, van de wet.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het sluitingplan.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.2. Mijnbouwinstallaties
|
||||
|
||||
|
|
@ -1075,9 +489,7 @@ Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwinstallaties.
|
|||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 35 is van overeenkomstige toepassing op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 37, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op mijnbouwinstallaties.
|
||||
De artikelen 35 en 37, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op mijnbouwinstallaties.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.2. Het ontwerpen, plaatsen en gebruiken van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken
|
||||
|
||||
|
|
@ -1087,19 +499,19 @@ Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewat
|
|||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden een mijnbouwinstallatie, daaronder mede begrepen een veiligheidszone als bedoeld in artikel 43 van de wet, te plaatsen in gebieden die worden gebruikt als oefen- en schietgebied en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 44a
|
||||
**2.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de landsverdediging.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het is verboden een mijnbouwinstallatie te plaatsen in gebieden die druk worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 45a
|
||||
**2.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de scheepvaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
|
|
@ -1111,20 +523,14 @@ Het plaatsen van een mijnbouwinstallatie gebeurt zodanig dat in de zeebodem aanw
|
|||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voorafgaande aan het plaatsen van een mijnbouwinstallatie verricht de uitvoerder onderzoek naar:
|
||||
|
||||
a. de gesteldheid van de bodem waar de mijnbouwinstallatie geplaatst zal worden met het oog op de stabiliteit van de installatie, en
|
||||
b. de aanwezigheid van obstakels in de onmiddellijke omgeving van de locatie waar de mijnbouwinstallatie geplaatst zal worden.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder meldt twee weken voor de uitvoering van het onderzoek dit voornemen aan de directeur Kustwacht.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.** Onmiddellijk na het plaatsen van de mijnbouwinstallatie, verstrekt de uitvoerder aan de inspecteur-generaal der mijnen nauwkeurige gegevens omtrent de locatie van de mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.** In het geval een bestaande productie-installatie de Nederlandse wateren binnenkomt of verlaat, stelt de exploitant van de productie-installatie de inspecteur-generaal der mijnen binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, die in ieder geval vóór de datum waarop de productie-installatie de Nederlandse wateren binnenkomt of verlaat ligt, hiervan op de hoogte.
|
||||
Onmiddellijk na het plaatsen van de mijnbouwinstallatie, verstrekt de uitvoerder aan de inspecteur-generaal der mijnen nauwkeurige gegevens omtrent de locatie van de mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
|
|
@ -1148,13 +554,13 @@ c. is geschikt voor het parkeren van helikopters;
|
|||
d. ligt vrij ten opzichte van andere delen van de mijnbouwinstallatie, en
|
||||
e. is vrij van obstakels en brandbare stoffen.
|
||||
|
||||
**3.** De uitvoerder overlegt aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een gedetailleerde tekening van het helikopterdek en een tekening van de mijnbouwinstallatie waarop het helikopterdek is aangegeven.
|
||||
**3.** De uitvoerder overlegt aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een gedetailleerde tekening van het helikopterdek en een tekening van de mijnbouwinstallatie waarop het helikopterdek is aangegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Het helikopterdek wordt slechts gebruikt na instemming door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Instemming wordt slechts geweigerd op grond van de eisen van het tweede lid. De instemming geldt voor een periode van maximaal drie jaar.
|
||||
**4.** Het helikopterdek wordt slechts gebruikt na instemming door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Instemming wordt slechts geweigerd op grond van de eisen van het tweede lid. De instemming geldt voor een periode van maximaal drie jaar.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.
|
||||
**5.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent de in het tweede lid genoemde eisen.
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de in het tweede en derde lid genoemde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
|
|
@ -1165,11 +571,11 @@ Een mijnbouwinstallatie is ter waarborging van de veiligheid voorzien van:
|
|||
a. herkenningstekens,
|
||||
b. geluidsbakens,
|
||||
c. lichtbakens, en
|
||||
d. voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt: elektronische bakens of radarreflectoren.
|
||||
d. voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zulks bepaalt: elektronische bakens of radarreflectoren.
|
||||
|
||||
**2.** De mijnbouwinstallatie is voorts voorzien van communicatiemiddelen waarmee onder alle omstandigheden verbinding mogelijk is met de vaste wal en met vaartuigen, die voor verkenning, opsporing of winning in gebruik zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Een mijnbouwinstallatie is verder voorzien van apparatuur waarmee meteorologisch en oceanografische waarnemingen worden verricht, voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt.
|
||||
**3.** Een mijnbouwinstallatie is verder voorzien van apparatuur waarmee meteorologisch en oceanografische waarnemingen worden verricht, voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zulks bepaalt.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1180,34 +586,28 @@ b. zijn voor een voor de opsporing gebruikte mijnbouwinstallatie een unieke aand
|
|||
|
||||
**5.** De ononderbroken werking van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde licht- en geluidsbakens is gewaarborgd.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde verplichtingen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.
|
||||
**6.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde verplichtingen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**7.** Op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toont de uitvoerder aan dat de desbetreffende apparatuur, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.
|
||||
**7.** Op verzoek van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat toont de uitvoerder aan dat de desbetreffende apparatuur, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**8.** Bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, worden regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde herkenningstekens, bakens, reflectoren, de in het tweede lid bedoelde communicatiemiddelen en de in het derde lid genoemde apparatuur en waarnemingen, alsmede het verstrekken van de daarmee verkregen gegevens aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**8.** Bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, worden regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde herkenningstekens, bakens, reflectoren, de in het tweede lid bedoelde communicatiemiddelen en de in het derde lid genoemde apparatuur en waarnemingen, alsmede het verstrekken van de daarmee verkregen gegevens aan de directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder is verplicht de technische integriteit van een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie te onderzoeken. De uitvoerder stelt daartoe iedere vijf jaar een onderzoeksprogramma op.
|
||||
**1.** De uitvoerder is verplicht de staat van onderhoud en technische integriteit van een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie periodiek te onderzoeken. De uitvoerder stelt daartoe iedere vijf jaar een onderzoeksprogramma op.
|
||||
|
||||
**2.** Het onderzoeksprogramma beschrijft voor elk jaar welke onderdelen van de mijnbouwinstallatie op welke wijze worden onderzocht op de technische integriteit.
|
||||
**2.** Het onderzoeksprogramma beschrijft voor elk jaar welke onderdelen van de mijnbouwinstallatie op welke wijze worden onderzocht op de staat van onderhoud en technische integriteit.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van het onderzoeksprogramma en de in het tweede lid bedoelde jaarlijkse onderzoeken.
|
||||
|
||||
**4.** De uitvoerder verstrekt Onze Minister het onderzoeksprogramma voor het eerst samen met de verklaringen, bedoeld in artikel 53a, eerste lid, onderdelen a en b.
|
||||
**4.** De uitvoerder verstrekt Onze Minister het onderzoeksprogramma voor het eerst samen met het verzoek tot instemming, bedoeld in artikel 55.
|
||||
|
||||
### Artikel 53a
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Op een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitvoerder:
|
||||
|
||||
De uitvoerder verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen uiterlijk twee dagen voordat een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie in gebruik wordt genomen:
|
||||
|
||||
a. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de technische integriteit van de mijnbouwinstallatie gewaarborgd is gezien het ontwerp, de bouw en de plaatsing;
|
||||
b. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het onderzoeksprogramma, bedoeld in artikel 53, voor de mijnbouwinstallatie voldoet.
|
||||
|
||||
**2.** Nadat de mijnbouwinstallatie in gebruik is genomen verstrekt de uitvoerder voorts de in het eerste lid bedoelde gegevens telkens een maand voor de afloop van een periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op die van de ingebruikneming.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde verklaringen.
|
||||
a. zich ervan vergewist dat de staat van onderhoud en technische integriteit van de installatie periodiek worden onderzocht, en
|
||||
b. ervoor zorg draagt dat aan boord van die mijnbouwinstallatie een daarop betrekking hebbend onderzoeksprogramma aanwezig is.
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
|
|
@ -1219,21 +619,17 @@ b. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het onderzoeksprogramma,
|
|||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder instemming van Onze Minister een uitsluitend voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie te plaatsen. Het verzoek tot instemming wordt uiterlijk acht weken voor aanvang van de beoogde plaatsing van de mijnbouwinstallatie ingediend.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder instemming van Onze Minister een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie te plaatsen. Het verzoek tot instemming wordt uiterlijk acht weken voor aanvang van de beoogde plaatsing van de mijnbouwinstallatie ingediend.
|
||||
|
||||
**2.** De instemming wordt geweigerd indien de mijnbouwinstallatie niet voldoet aan de eisen en normen, vastgelegd in de artikelen 46, 47, 50, 51 en 52.
|
||||
|
||||
**3.** De instemming kan slechts worden geweigerd in verband met risico op schade of in verband met de opwekking van elektriciteit.
|
||||
**3.** De instemming kan slechts worden geweigerd in verband met risico op schade.
|
||||
|
||||
**4.** De instemming kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade of in verband met de opwekking van elektriciteit.
|
||||
**4.** De instemming kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade.
|
||||
|
||||
**5.** De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister over een verzoek tot instemming niet binnen acht weken na ontvangst heeft beslist. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**6.** Op een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie, voorzover deze wordt geplaatst op een alleen voor opsporing bestemde locatie, is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van een instemmingstermijn van acht weken telkens wordt gelezen een termijn van twee weken.
|
||||
|
||||
**7.** De uitvoerder doet uiterlijk drie dagen voor de beoogde datum van de plaatsing van een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie op een voor winning bestemde locatie schriftelijk mededeling hiervan aan de inspecteur-generaal der mijnen. Bij de mededeling wordt een verklaring van een onafhankelijke deskundige overgelegd dat de technische integriteit van de te plaatsen mijnbouwinstallatie gewaarborgd is. Overlegging van deze verklaring is niet vereist indien deze niet ouder is dan vijf jaar en de verklaring reeds eerder is verstrekt.
|
||||
|
||||
**8.** Op een geheel of gedeeltelijk voor de opslag bestemde mijnbouwinstallatie is het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Op een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van een instemmingstermijn van acht weken telkens wordt gelezen een termijn van twee weken.
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
|
|
@ -1243,16 +639,13 @@ Bij het verzoek om instemming als bedoeld in artikel 55, eerste lid, worden in i
|
|||
|
||||
a. gegevens omtrent de aanwezigheid van leidingen en kabels in de nabijheid van de beoogde plaats van plaatsing;
|
||||
b. gegevens omtrent de gesteldheid van de bodem en de aanwezigheid van obstakels als bedoeld in artikel 48;
|
||||
c. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: het ontwerp van de dragende constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing en een opgave van de herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens en, voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt, elektronische bakens of radarreflectoren van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
d. bij een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie op een voor de opsporing bestemde locatie: een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de technische integriteit van de mijnbouwinstallatie gewaarborgd is, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
1°. overlegging niet noodzakelijk is indien de verklaring niet ouder is dan vijf jaar en de verklaring reeds eerder is verstrekt;
|
||||
2°. artikel 53a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is;
|
||||
e. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat naar zijn voorlopige oordeel de te plaatsen mijnbouwinstallatie voldoet aan artikel 50.
|
||||
c. het ontwerp van de dragende constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing en een opgave van de herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens en, voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zulks bepaalt, elektronische bakens of radarreflectoren van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
d. bij een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie: een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de mijnbouwinstallatie voldoende sterk is, bezien vanuit het ontwerp, de bouw en de beoogde wijze van plaatsing, met vermelding van de periode waarvoor deze verklaring geldt, en
|
||||
e. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het onderzoeksprogramma, bedoeld in artikel 53, voor de desbetreffende mijnbouwinstallatie voldoet.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in de onderdelen d en e bedoelde verklaring.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.3. Regels over het buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties
|
||||
#### Paragraaf 5.2.3. Het buiten gebruik stellen en verwijderen van mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
|
|
@ -1260,154 +653,43 @@ Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven het oppervlakt
|
|||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet is niet gehouden een melding als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet te doen in het geval de mijnbouwinstallatie voor een periode van maximaal een jaar buiten werking is, als gevolg van:
|
||||
|
||||
a. het uitvoeren van reparatie, onderhoud of aanpassingen van het gedeelte van de mijnbouwinstallatie boven de waterbodem;
|
||||
b. het uitvoeren van een werkprogramma als bedoeld in artikel 74, eerste lid;
|
||||
c. het doen van onderzoek na een ongeluk of een incident;
|
||||
d. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van de opsporing, winning of opslag in een gemeentelijk ingedeeld gebied;
|
||||
e. het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden door een van buiten komende oorzaak, waaronder het tijdelijk niet beschikbaar zijn van ondersteunende installaties, pijpleidingen, kabels, personeel, materialen, grondstoffen, hulpstoffen, of diensten van derden die noodzakelijk zijn voor het in werking houden van het mijnbouwwerk of het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde vergunningen of toestemmingen.
|
||||
Bij het buiten gebruik stellen en het verwijderen van een mijnbouwinstallatie neemt de uitvoerder maatregelen ter voorkoming van schade.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met g, dat verbonden is aan of onderdeel is van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de wet is een geval als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de wet, tenzij:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een aanvraag om een wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de wet, of een verandering van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet heeft ontvangen;
|
||||
b. de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk:
|
||||
|
||||
1°. een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen;
|
||||
2°. een rapport over een essentiële wijziging of een ontmanteling als bedoeld in de artikelen 45e en 45i van de wet heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over de ontvangst van een werkprogramma of een rapport als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°.
|
||||
Wanneer een uitvoerder voornemens is een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie, schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet te verwijderen, doet hij daarvan mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen tenminste vierentwintig uren voor het tijdstip van verwijdering. De uitvoerder doet onmiddellijk mededeling van iedere wijziging van dit tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Het buiten gebruik stellen en verwijderen van een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder opgesteld verwijderingsplan.
|
||||
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet overlegt voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 59, eerste lid, een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, tenzij:
|
||||
**2.** De uitvoerder zendt het verwijderingsplan, vergezeld van een verklaring van een onafhankelijke deskundige waarin het plan wordt beoordeeld, uiterlijk acht weken voor de verwijdering ter instemming aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
a. Onze Minister voor dat mijnbouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, heeft verstrekt of
|
||||
b. naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen voor dat mijnbouwwerk met een werkprogramma of een rapport als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, respectievelijk 2°, in de verwijdering van het mijnbouwwerk is voorzien.
|
||||
**3.** Onze Minister kan zijn instemming met het opgestelde verwijderingsplan slechts weigeren in verband met het risico op schade.
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
|
||||
**4.** De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen de instemmingtermijn van acht weken of voor de afloop van de verlengingstermijn een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet vermeldt de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet in ieder geval:
|
||||
Het verwijderingsplan bevat ten minste een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de locatie van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
b. de datum waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
c. de wijze waarop het mijnbouwwerk buiten werking is gesteld;
|
||||
d. op welke wijze derden waarvan apparatuur als bedoeld in artikel 52, derde lid, op de mijnbouwinstallatie aanwezig is, zijn geïnformeerd.
|
||||
a. de wijze waarop het verwijderen van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet plaats zal vinden;
|
||||
b. de wijze waarop zal worden aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is;
|
||||
c. de wijze waarop de mijnbouwinstallatie en het schroot en ander materiaal zal worden afgevoerd;
|
||||
d. de eindbestemming van de mijnbouwinstallatie, de onderdelen ervan en schroot en ander materiaal, en
|
||||
e. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen en andere stoffen en de eindbestemming daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister openbaar kennis gegeven in de Staatscourant.
|
||||
**2.** Voorts omvat het verwijderingsplan gegevens omtrent de tijdstippen waarop de in de onderdelen a tot en met e bedoelde onderdelen van het plan worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verwijderingsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Nadat een voor de opsporing of de winning bestemde mijnbouwinstallatie, schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet zijn verwijderd, doet de uitvoerder daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen en overlegt daarbij gegevens waaruit dit blijkt.
|
||||
|
||||
De aanvraag tot instemming met een verwijderingsplan als bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet bevat ten minste een beschrijving van:
|
||||
|
||||
a. de aanduiding, locatie, aard en functie van de mijnbouwinstallatie, waaronder apparatuur van derden, ten tijde van de aanvraag om instemming met het verwijderingsplan;
|
||||
b. de activiteiten, bedoeld in artikel 74, eerste lid, die hebben geleid tot wijziging van de inrichting van het boorgat;
|
||||
c. de afspraken met de eigenaar van de waterbodem en andere belanghebbenden;
|
||||
d. de methode en een schatting van de kosten van het buiten gebruik stellen van een boorgat en het verwijderen van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
e. de staat waarin het ondergrondse deel van het mijnbouwwerk wordt achtergelaten;
|
||||
f. de datum van indiening van het werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat en de planning van de uitvoering;
|
||||
g. het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van kabels en pijpleidingen;
|
||||
h. de wijze waarop de materialen die bij het mijnbouwwerk behoren, worden afgevoerd en de bestemming ervan;
|
||||
i. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de bestemming ervan;
|
||||
j. de maatregelen die worden genomen ter voorkoming van waterverontreiniging;
|
||||
k. de maatregelen die worden genomen om de waterbodem waarop de mijnbouwinstallatie is opgericht zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen of in het geval de waterbodem niet in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht, de toestand waarin de waterbodem na uitvoering van het verwijderingsplan wordt achtergelaten;
|
||||
l. het beoogde gebruik van de waterbodem; en
|
||||
m. in geval van een gedeeltelijke verwijdering van het mijnbouwwerk voor welk doel het mijnbouwwerk wordt hergebruikt en een beschrijving daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** Het verwijderingsplan vermeldt binnen welke perioden de beschreven werkzaamheden beginnen en eindigen en kan in een fasering van de verwijdering voorzien.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef, kan bij het overleggen van informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met k, worden volstaan met een verwijzing naar informatie die is of wordt overgelegd bij een aanvraag om een vergunning, een melding of de naleving van een verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden krachtens de wet, respectievelijk de Omgevingswet, in het geval die informatie de relevante feiten bevat of zal bevatten die nodig zijn voor een besluit tot instemming met het verwijderingsplan, respectievelijk een besluit tot instemming met het verwijderingsplan onder het stellen van voorwaarden of voorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister beslist binnen dertien weken na het overleggen van een verwijderingsplan over de instemming.
|
||||
|
||||
**5.** Van de instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**6.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de instemming met een verwijderingsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 62a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een verwijderingsplan, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de wet weigeren, indien:
|
||||
|
||||
a. het verwijderingsplan onvoldoende voorziet in een beschrijving van de werkzaamheden, methode en kosten van de verwijdering die nodig zijn gedurende de periode van uitvoering van het verwijderingsplan, waaronder monitoring;
|
||||
b. het verwachte resultaat van de uitvoering van het verwijderingsplan onvoldoende is beschreven;
|
||||
c. het mijnbouwwerk in aanmerking komt voor hergebruik;
|
||||
d. het mijnbouwwerk niet in aanmerking komt voor een gedeeltelijk hergebruik als mijnbouwwerk;
|
||||
e. in het geval van hergebruik het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 44a, tweede lid, van de wet, niet heeft verklaard dat het bevoegde gezag daartegen, voor zover het hergebruik betreft, geen bedenkingen heeft;
|
||||
f. naar het oordeel van het bevoegd gezag krachtens de Omgevingswet het voorstel tot onderzoeken of saneren van de bodem niet voldoet;
|
||||
g. de bestemming van de af te voeren materialen en afvalstoffen onduidelijk is; of
|
||||
h. de planning van de uitvoering van de verwijdering niet duidelijk is of voorziet in een onredelijk lange termijn.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een instemming ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegde gezag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, krachtens wetten als bedoeld in die onderdelen tot een afwijzend oordeel komt over het geheel of gedeeltelijk hergebruik van het mijnbouwwerk;
|
||||
b. het bevoegde gezag krachtens de wet geen vergunning verstrekt voor het opsporen, winnen, of opslaan van delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk stoffen;
|
||||
c. de houder van een vergunning de instemming voor het geheel of een gedeelte van het verwijderingsplan niet langer nodig heeft; of
|
||||
d. de houder van een vergunning niet overeenkomstig de instemming handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 62b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de wet, verlenen, indien de mijnbouwinstallatie of het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 59, eerste lid:
|
||||
|
||||
a. nodig is voor het gebruik van een ander mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
|
||||
b. doelmatiger kan worden verwijderd of hergebruikt, indien de houder van een vergunning het mijnbouwwerk tezamen met een ander mijnbouwwerk verwijdert of hergebruikt;
|
||||
c. in aanmerking komt voor geheel of gedeeltelijk hergebruik als onderzoek is of wordt verricht naar de geschiktheid voor opsporing of winning van delfstoffen of aardwarmte of de opslag van stoffen;
|
||||
d. redelijkerwijs rendabel opnieuw in gebruik genomen kan worden na:
|
||||
|
||||
1°. verbetering van de omstandigheden op de markt voor koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen;
|
||||
2°. een technische innovatie voor de winning van koolwaterstoffen, andere delfstoffen, aardwarmte, respectievelijk de opslag van stoffen; of
|
||||
e. in aanmerking komt voor een ander hergebruik dan het exploiteren van een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister vraagt advies over een aanvraag om ontheffing van de verplichting tot verwijderen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet voor het opnieuw in gebruik nemen:
|
||||
|
||||
a. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor de winning van koolwaterstoffen, aardwarmte en de opslag van CO_2 aan de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de wet en
|
||||
b. als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, tevens aan de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de ontheffing voor hergebruik van de mijnbouwinstallatie voor een periode van maximaal vijf jaar verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan de ontheffing telkens voor een periode van maximaal vijf jaar verlengen.
|
||||
|
||||
**5.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de ontheffing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan, onverminderd artikel 7, derde lid, een ontheffing ambtshalve geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken, indien de houder van een vergunning:
|
||||
|
||||
a. de ontheffing niet langer nodig heeft om in een hergebruik van het mijnbouwwerk te kunnen voorzien;
|
||||
b. niet overeenkomstig de ontheffing handelt of heeft gehandeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 62c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet een instemming met een rapport over de verwijdering, bedoeld in artikel 44c, derde lid, van de wet weigeren als het rapport:
|
||||
|
||||
a. onvoldoende informatie bevat;
|
||||
b. de mijnbouwinstallatie niet is verwijderd overeenkomstig het verwijderingsplan waarmee is ingestemd; of
|
||||
c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**2.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op het besluit tot instemming met het rapport over de verwijdering.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.2.4. Regels over het ontwerpen, plaatsen, buiten werking zijn, het hergebruiken en het verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen
|
||||
#### Paragraaf 5.2.4. Het ontwerpen, plaatsen en buiten gebruik stellen alsmede verwijderen van mijnbouwinstallaties geheel onder oppervlaktewater gelegen
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
|
|
@ -1415,23 +697,21 @@ c. niet is verwijderd overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn
|
|||
|
||||
**2.** De beschermingsconstructie is voldoende sterk en wordt stevig geplaatst om de als gevolg van zeestroming, ankers en vistuig te verwachten krachten te weerstaan.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**4.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 46 tot en met 49 en paragraaf 5.2.3 zijn van overeenkomstige toepassing op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Als de inspecteur-generaal der mijnen voor een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, een werkprogramma voor het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 74, eerste lid, heeft ontvangen, is artikel 44, eerste, tweede en derde lid, van de wet niet van toepassing, indien het boorgat naar het oordeel van de inspecteur-generaal der mijnen in overeenstemming met het werkprogramma buiten gebruik is gesteld. De inspecteur-generaal der mijnen informeert Onze Minister over het oordeel.
|
||||
De artikelen 44 tot en met 49 zijn van overeenkomstige toepassing op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
De uitvoerder doet acht weken voor plaatsing van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid, mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen. Bij de mededeling worden het ontwerp van de constructie, de gegevens bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing gevoegd.
|
||||
De uitvoerder doet acht weken voor plaatsing van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid, mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen. Bij de mededeling wordt het ontwerp van de constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing gevoegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid, wordt na beëindiging van de activiteiten ervan buiten gebruik gesteld en verwijderd, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder informeert de inspecteur-generaal der mijnen tenminste vierentwintig uren voor het tijdstip van verwijdering van de mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
||||
**3.** Nadat de mijnbouwinstallatie is verwijderd, doet de uitvoerder daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.3. Boorgaten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1439,9 +719,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
**1.** Bij het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, gebruiken, testen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.
|
||||
**1.** Bij het aanleggen, gebruiken, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.
|
||||
|
||||
**2.** Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, testen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid en in aanwezigheid van de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte. Het gebruiken van een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid van de uitvoerder.
|
||||
**2.** Het aanleggen, gebruiken, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat geschiedt onder verantwoordelijkheid en in aanwezigheid van de uitvoerder.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
|
|
@ -1457,7 +737,7 @@ De activiteiten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, worden slechts verricht indi
|
|||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte draagt tijdens de werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat er zorg voor dat:
|
||||
De uitvoerder draagt tijdens de werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat er zorg voor dat:
|
||||
|
||||
a. een boorgat ter afsluiting wordt voorzien van beveiligingen;
|
||||
b. de deugdelijkheid van de beveiligingen periodiek wordt getest, en
|
||||
|
|
@ -1465,44 +745,30 @@ c. bij het boorgat betrokken personen periodiek deelnemen aan oefeningen in het
|
|||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
Een boorgat wordt niet eerder voor winning van delfstoffen, winning van aardwarmte of opslag van stoffen in gebruik genomen dan nadat het daartoe deugdelijk is ingericht en afgewerkt, alsmede ter afsluiting van deugdelijke beveiligingen is voorzien.
|
||||
Een boorgat wordt niet eerder voor winning van delfstoffen of opslag van stoffen in gebruik genomen dan nadat het daartoe deugdelijk is ingericht en afgewerkt, alsmede ter afsluiting van deugdelijke beveiligingen is voorzien.
|
||||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een boorgat wordt niet eerder buiten werking gesteld dan nadat:
|
||||
|
||||
a. voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van schade, en
|
||||
b. de delfstofhoudende lagen en de delfstofafzettingen, voor zover daaraan door water schade kan worden toegebracht, waterdicht zijn afgesloten.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op het buiten gebruik stellen van een boorgat dat is gebruikt voor het permanent opslaan van CO_2.
|
||||
|
||||
### Artikel 72a
|
||||
|
||||
Het buiten gebruik stellen van een boorgat heeft tot doel om het boorgat permanent af te sluiten door zones met stromingspotentieel te isoleren.
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:
|
||||
|
||||
a. beveiligingen en oefeningen in het gebruik van beveiligingen, bedoeld in artikel 70;
|
||||
b. de inrichting van een boorgat en de beveiliging ervan, bedoeld in artikel 71;
|
||||
c. het buiten gebruik stellen van een boorgat als bedoeld in artikel 72a.
|
||||
|
||||
### Artikel 73a
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het buiten werking stellen van een boorgat, bedoeld in artikel 72.
|
||||
a. de in artikel 70 bedoelde beveiligingen en oefeningen in het gebruik van de beveiligingen;
|
||||
b. de in artikel 71 bedoelde inrichting van een boorgat en de beveiligingen ervan, en
|
||||
c. het in artikel 72 bedoelde buiten werking stellen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.3.2. Informatievoorziening in verband met boorgaten
|
||||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
|
||||
**1.** Het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte opgesteld werkprogramma.
|
||||
**1.** Het aanleggen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat geschiedt overeenkomstig een door de uitvoerder opgesteld werkprogramma.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte informeert de inspecteur-generaal der mijnen ten minste zeven dagen voor het tijdstip waarop met onderhoudswerkzaamheden van een boorgat wordt aangevangen.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op het buiten gebruik stellen van een boorgat dat is gebruikt voor het permanent opslaan van CO_2.
|
||||
**2.** De uitvoerder informeert de inspecteur-generaal der mijnen ten minste zeven dagen voor het tijdstip waarop met onderhoudswerkzaamheden van een boorgat wordt aangevangen.
|
||||
|
||||
### Artikel 75
|
||||
|
||||
|
|
@ -1510,28 +776,28 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het buiten werking
|
|||
|
||||
**2.** Het boorregister wordt voortdurend bijgewerkt.
|
||||
|
||||
**3.** De uitvoerder of de houder van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte bewaart het boorregister gedurende ten minste vijf jaar nadat het mijnbouwwerk buiten gebruik is gesteld.
|
||||
**3.** De uitvoerder bewaart het boorregister gedurende ten minste vijf jaar nadat het mijnbouwwerk buiten gebruik is gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 76
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte maakt dagelijks een rapport op van het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat en brengt het rapport onmiddellijk ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
**1.** De uitvoerder maakt dagelijks een rapport op van het aanleggen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat en brengt het rapport onmiddellijk ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte brengt binnen vier weken na het voltooien van de in het eerste lid bedoelde activiteiten een desbetreffend eindrapport ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
**2.** De uitvoerder brengt binnen vier weken na het voltooien van de in het eerste lid bedoelde activiteiten een desbetreffend eindrapport ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Artikel 77
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels dan wel nadere regels gesteld omtrent:
|
||||
|
||||
a. de inhoud van het in artikel 74 bedoelde werkprogramma, voor zover het betreft het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat alsmede het stimuleren van een voorkomen via een boorgat, en het tijdstip waarop het werkprogramma aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt gezonden alsmede de gegevens en bescheiden die daarbij worden overgelegd;
|
||||
a. de inhoud van het in artikel 74 bedoelde werkprogramma en het tijdstip waarop het werkprogramma voor zover het betreft het aanleggen, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt gezonden alsmede de gegevens en bescheiden die daarbij worden overgelegd;
|
||||
b. de inhoud van de in artikel 76 bedoelde rapporten en de wijze waarop deze rapporten ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen worden gebracht.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan
|
||||
### Afdeling 5.4. Milieu en rampenbestrijdingsplan op mijnbouwinstallaties
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.4.1. Algemeen
|
||||
|
||||
### Artikel 78
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwinstallaties.
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwinstallaties.
|
||||
|
||||
### Artikel 79
|
||||
|
||||
|
|
@ -1557,13 +823,13 @@ g. vuilnis: etensresten, alle soorten huishoudelijke afvalstoffen en vast afval,
|
|||
|
||||
Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het lozen van:
|
||||
|
||||
a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als bepaald bij ministeriële regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
|
||||
a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als bepaald bij ministeriële regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
b. sanitair afval:
|
||||
|
||||
1°. vanaf een mijnbouwinstallatie waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
|
||||
2°. vanaf een niet als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
|
||||
3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie dan bedoeld onder 1° en 2°, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
|
||||
c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, aangegeven.
|
||||
c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, aangegeven.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1574,7 +840,7 @@ b. het gevolg is van schade aan de installatie of aan de uitrusting daarvan, ind
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, nadere regels gesteld met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nadere regels gesteld met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:
|
||||
|
||||
a. het meten en registreren van toegestane lozingen van oliehoudende mengsels;
|
||||
b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende mengsels.
|
||||
|
|
@ -1587,7 +853,7 @@ b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende me
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
|
||||
a. de in het tweede lid bedoelde stoffen of preparaten aangewezen;
|
||||
b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
|
||||
|
|
@ -1615,13 +881,13 @@ e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval z
|
|||
|
||||
### Artikel 83
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater regels gesteld omtrent het gebruik van bepaalde stoffen of preparaten op een mijnbouwinstallatie.
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater regels gesteld omtrent het gebruik van bepaalde stoffen of preparaten op een mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden stoffen of preparaten te gebruiken als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met de in het eerste lid genoemde minister, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met de in het eerste lid genoemde ministers, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
|
||||
a. de in het tweede lid bedoelde stoffen of preparaten aangewezen;
|
||||
b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
|
||||
|
|
@ -1637,161 +903,25 @@ b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
|
|||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde maatregelen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.4.1a. Rapport inzake grote gevaren en overige documenten
|
||||
|
||||
### Artikel 84a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwwerken die gebruikt worden voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 84b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat naast de documenten bedoeld in artikel 45c van de wet, de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. een veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42 en 2.42f van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
|
||||
b. een intern rampenplan, bedoeld in artikel 84d;
|
||||
c. overige informatie.
|
||||
|
||||
**2.** Een exploitant van een productie-installatie raadpleegt een ondernemingsraad als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden of een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden bij het opstellen van het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, voert een exploitant van een productie-installatie overleg met de belanghebbende werknemers. Over het rapport wordt tevens overleg gevoerd met de werknemers van andere werkgevers, die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De exploitant van een productie-installatie voldoet aan de maatregelen die zijn vastgesteld in het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende installatie.
|
||||
|
||||
**4.** Het rapport inzake grote gevaren is aanwezig op het mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de overige informatie, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 84c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat naast de documenten bedoeld in artikel 45g van de wet, de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. een veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42 en 2.42f van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
|
||||
b. een intern rampenplan, bedoeld in artikel 84d;
|
||||
c. overige informatie.
|
||||
|
||||
**2.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie raadpleegt een ondernemingsraad als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden of een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden bij het opstellen van het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, voert een eigenaar overleg met de belanghebbende werknemers. Over het rapport wordt tevens overleg gevoerd met de werknemers van andere werkgevers, die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De eigenaar van een niet-productie-installatie voldoet aan de maatregelen die zijn vastgesteld in het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende installatie.
|
||||
|
||||
**4.** Het rapport inzake grote gevaren is aanwezig op het mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de overige informatie, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 84d
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een intern rampenplan bevat de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. een noodplan als bedoeld in artikel 3.37v van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
|
||||
b. een op grond van artikel 2.42f van het Arbeidsomstandighedenbesluit, op te stellen brandbestrijdingsplan;
|
||||
c. een rampenbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 85;
|
||||
d. een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het opstellen van het intern rampenplan als bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met de risicobeoordeling van zware ongevallen die tijdens het opstellen van het meest recente rapport inzake grote gevaren is uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over een intern rampenplan.
|
||||
|
||||
**4.** Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie stelt bij een zwaar ongeval het intern rampenplan onverwijld in werking.
|
||||
|
||||
**5.** Een exploitant van een productie-installatie of een eigenaar van een niet-productie-installatie beschikt over de noodzakelijke apparatuur en deskundigheid ter uitvoering van het intern rampenplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 84e
|
||||
|
||||
**1.** Een regeling voor onafhankelijke verificatie voor boorgatactiviteiten als bedoeld in artikel 45l van de wet, waarborgt op onafhankelijke wijze dat het ontwerp en de controlemaatregelen voor de boorgaten te allen tijde geschikt zijn voor de verwachte boorgatomstandigheden.
|
||||
|
||||
**2.** Een onafhankelijke verificateur dient voldoende onafhankelijk en deskundig te zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden ten aanzien van de regeling als bedoeld in het eerste lid nadere regels gesteld over de selectie van de onafhankelijke verificateur, over het ontwerp van de regeling alsmede welke informatie moet worden voorgelegd over de regeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 84f
|
||||
|
||||
**1.** Een regeling voor onafhankelijke verificatie voor installaties als bedoeld in artikel 45l van de wet, waarborgt op onafhankelijke wijze dat de veiligheids- en milieukritische elementen die worden vermeld in de risicobeoordeling voor de installatie als beschreven in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn en dat de planning van inspecties en testen van de veiligheids- en milieukritische elementen geschikt en bijgewerkt zijn en verlopen zoals voorzien.
|
||||
|
||||
**2.** Een onafhankelijke verificateur dient voldoende onafhankelijk en deskundig te zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De regeling voor onafhankelijke verificatie wordt voor een productie-installatie getroffen voordat het ontwerp is voltooid.
|
||||
|
||||
**4.** De regeling voor onafhankelijke verificatie wordt voor een niet- productie-installatie getroffen voordat de activiteiten worden gestart.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de selectie van de onafhankelijke verificateur, over het ontwerp van de regeling alsmede welke informatie moet worden voorgelegd over de regeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 84g
|
||||
|
||||
**1.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie en een exploitant van een productie-installatie nemen binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn op basis van het advies van de onafhankelijke verificateur passende maatregelen en reageren op het advies van de onafhankelijke verificateur.
|
||||
|
||||
**2.** Een eigenaar van een niet-productie-installatie en een exploitant van een productie-installatie stellen het Staatstoezicht op de Mijnen in kennis van het advies van de onafhankelijke verificateur en de reactie op het advies, binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.4.1b. Kennisgevingen
|
||||
|
||||
### Artikel 84h
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwwerken die gebruikt worden voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 84i
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een kennisgeving als bedoeld in artikel 45m van de wet, bevat de volgende informatie:
|
||||
|
||||
a. een op basis van artikel 2.42f van het Arbeidsomstandighedenbesluit op te stellen veiligheids- en gezondheidsdocument voor een voorgenomen installatie;
|
||||
b. overige informatie.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kennisgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 84j
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een kennisgeving als bedoeld in artikel 45n van de wet, bevat de volgende informatie:
|
||||
|
||||
a. gegevens van het ontwerp van de boorgat;
|
||||
b. de voorgestelde boorgatactiviteiten;
|
||||
c. het werkprogramma, bedoeld in artikel 74;
|
||||
d. een op basis van artikel 2.42 en 2.42f van het Arbeidsomstandighedenbesluit op te stellen veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden;
|
||||
e. de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke verificateur en de reactie van de exploitant en de door hem genomen maatregelen ten gevolge daarvan;
|
||||
f. overige informatie.
|
||||
|
||||
**2.** De exploitant voldoet in geval van een boorgatactiviteit aan de maatregelen die zijn vastgesteld in de kennisgeving van de boorgatactiviteit.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kennisgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 84k
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een kennisgeving, bedoeld in artikel 45p van de wet, bevat de volgende informatie:
|
||||
|
||||
a. een op basis van artikel 2.42 en 2.42f van het Arbeidsomstandighedenbesluit op te stellen veiligheids- en gezondheidsdocument voor gelijktijdig uit te voeren werkzaamheden;
|
||||
b. overige informatie.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kennisgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 84l
|
||||
|
||||
**1.** Een exploitant van een productie-installatie en eigenaren van niet-productie-installaties voldoen aan de maatregelen die zijn vastgesteld in de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 84j en 84k.
|
||||
|
||||
**2.** Een exploitant van een voorgenomen productie-installatie houdt rekening met de opmerkingen van het Staatstoezicht op de mijnen ten aanzien van de kennisgeving van het ontwerp voor deze installatie, in het rapport inzake grote gevaren voor de productie-installatie.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.4.2. Rampenbestrijdingsplan
|
||||
|
||||
### Artikel 84m
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op mijnbouwwerken.
|
||||
|
||||
### Artikel 85
|
||||
|
||||
**1.** Een uitvoerder of een uitvoerder aardwarmte draagt er zorg voor dat er een rampenbestrijdingsplan is voor elk mijnbouwwerk dat in gebruik is ten behoeve van de opsporing, winning of opslag van stoffen of de opsporing of winning van aardwarmte.
|
||||
**1.** De uitvoerder draagt er zorg voor dat er een rampenbestrijdingsplan is voor elke mijnbouwinstallatie die in gebruik is ten behoeve van de opsporing of winning van delfstoffen in het continentaal plat of de territoriale zee.
|
||||
|
||||
**2.** Een rampenbestrijdingsplan met betrekking tot een voor de winning of opslag bestemd mijnbouwwerk wordt ten minste iedere vijf jaar herzien.
|
||||
**2.** Het rampenbestrijdingsplan behoeft de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Het rampenbestrijdingsplan wordt voor de eerste maal ten minste vier weken voor de aanvang van de opsporing, winning of opslag, ingediend bij het Staatstoezicht op de mijnen en, in het geval, bedoeld in het tweede lid, onverwijld na de herziening.
|
||||
**3.** Een rampenbestrijdingsplan met betrekking tot een voor de winning bestemde mijnbouwinstallatie wordt ten minste iedere vijf jaar herzien.
|
||||
|
||||
**4.** Het rampenbestrijdingsplan wordt voor de eerste maal ten minste vier weken voor de aanvang van de opsporing of winning ingediend bij Onze Minister en, in het geval, bedoeld in het derde lid, vervolgens telkens vijf jaar nadat instemming is verkregen.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden in het belang van het milieu of de veiligheid van de scheepvaart of de visserij.
|
||||
|
||||
**6.** De instemming is van rechtswege gegeven, indien Onze Minister niet binnen vier weken na ontvangst van het plan een beslissing heeft genomen. De instemming van rechtswege wordt voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 86
|
||||
|
||||
**1.** Een rampenbestrijdingsplan bevat een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen ter bestrijding of ter beperking van de gevolgen van voorvallen op een mijnbouwwerk dan wel in de omgeving daarvan, die een ernstig gevaar opleveren voor het milieu of voor zover van toepassing voor de veiligheid van de scheepvaart of visserij.
|
||||
**1.** Een rampenbestrijdingsplan bevat een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen ter bestrijding of ter beperking van de gevolgen van voorvallen op een mijnbouwinstallatie dan wel in de omgeving daarvan, die een ernstig gevaar opleveren voor het milieu of voor de veiligheid van de scheepvaart of visserij.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1804,19 +934,15 @@ d. wie belast is met het toezicht op het feitelijk verrichten van de in onderdee
|
|||
|
||||
### Artikel 87
|
||||
|
||||
**1.** Indien zich een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, voordoet op een mijnbouwwerk, wordt onmiddellijk uitvoering gegeven aan het rampenbestrijdingsplan.
|
||||
**1.** Indien zich een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, voordoet op een mijnbouwinstallatie, wordt onmiddellijk uitvoering gegeven aan het rampenbestrijdingsplan.
|
||||
|
||||
**2.** Zodra daartoe de mogelijkheid bestaat, meldt de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte het voorval aan de inspecteur-generaal der mijnen en bij een voorval op een mijnbouwinstallatie, aan het Kustwachtcentrum.
|
||||
**2.** Zodra daartoe de mogelijkheid bestaat, meldt de uitvoerder het voorval aan de inspecteur-generaal der mijnen en het Kustwachtcentrum.
|
||||
|
||||
### Artikel 88
|
||||
|
||||
**1.** Indien zich een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, voordoet in de omgeving van een mijnbouwwerk, meldt de uitvoerder of de uitvoerder aardwarmte het voorval onmiddellijk aan de inspecteur-generaal der mijnen en bij een voorval op een mijnbouwinstallatie, aan het Kustwachtcentrum.
|
||||
**1.** Indien zich een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, voordoet in de omgeving van een mijnbouwinstallatie, meldt de uitvoerder het voorval onmiddellijk aan de inspecteur-generaal der mijnen en het Kustwachtcentrum.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder verleent of de uitvoerder aardwarmte en de houder van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte verlenen op aanwijzing van Onze Minister zoveel mogelijk hulp en bijstand bij het bestrijden van het voorval of het beperken van de gevolgen ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 88a
|
||||
|
||||
De exploitant van een productie-installatie die in Nederland is gevestigd of diens dochteronderneming doet op verzoek van het Staatstoezicht op de mijnen verslag over de omstandigheden van elk zwaar ongeval dat zich buiten de Europese Unie heeft voltrokken en waar deze bij betrokken is geweest.
|
||||
**2.** De uitvoerder verleent op aanwijzing van Onze Minister zoveel mogelijk hulp en bijstand bij het bestrijden van het voorval of het beperken van de gevolgen ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 89
|
||||
|
||||
|
|
@ -1824,7 +950,7 @@ De werkzaamheden ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerst
|
|||
|
||||
### Artikel 90
|
||||
|
||||
Onze Minister kan bepalen dat een of meer door hem aangewezen uitvoerders of uitvoerders aardwarmte al dan niet gezamenlijk op daarbij aangegeven plaatsen en in een daarbij aangegeven omvang voor onmiddellijk gebruik ter beschikking hebben vaartuigen, helikopters of ander materieel ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of ter beperking van de gevolgen ervan.
|
||||
Onze Minister kan bepalen dat een of meer door hem aangewezen uitvoerders al dan niet gezamenlijk op daarbij aangegeven plaatsen en in een daarbij aangegeven omvang voor onmiddellijk gebruik ter beschikking hebben vaartuigen, helikopters of ander materieel ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of ter beperking van de gevolgen ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 91
|
||||
|
||||
|
|
@ -1862,23 +988,26 @@ e. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 94.
|
|||
|
||||
### Artikel 94
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in de artikelen 7.67, onderdeel b, onder 1°, of 7.67, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in artikel 44 of 45 wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
|
||||
**2.** De vergunning wordt geweigerd indien de pijpleiding niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.** De vergunning kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in verband met risico op schade.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de vergunning betrekking heeft op een project voor het aanleggen van een pijpleiding waarvoor op grond van artikel 16.43 van de Omgevingswet een milieueffectrapport moet worden gemaakt, is afdeling 16.4 van die wet van toepassing.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Indien de vergunning betrekking heeft op een pijpleiding waarvoor op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 het maken van een milieu-effectrapport verplicht is, zijn:
|
||||
|
||||
a. hoofdstuk 7 en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, en
|
||||
b. de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de totstandkoming van het besluit omtrent de aanvraag om een vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 95
|
||||
|
||||
Artikel 94 is van overeenkomstige toepassing op een pijpleiding waarvan het aanleggen zal plaatsvinden in of op een ander gebied dan bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, van dat artikel, en waarvoor op grond van artikel 16.43 van de Omgevingswet een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
|
||||
Artikel 94 is van overeenkomstige toepassing op een pijpleiding waarvan het aanleggen zal plaatsvinden in of op een ander gebied dan bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, van dat artikel, en waarvoor op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 het maken van een milieu-effectrapport verplicht is.
|
||||
|
||||
### Artikel 96
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister beslist over de aanvraag om een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en, in geval artikel 94, vierde lid, of 95 van toepassing is, binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn.
|
||||
|
||||
**2.** Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 94, eerste lid.
|
||||
Onze Minister beslist over de aanvraag om een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en, in geval artikel 94, vierde lid, of 95 van toepassing is, binnen de in artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.3. Het gebruik van een pijpleiding
|
||||
|
||||
|
|
@ -1897,9 +1026,9 @@ b. gegevens waaruit blijkt dat de ligging van de pijpleiding die is aangelegd in
|
|||
|
||||
### Artikel 98
|
||||
|
||||
**1.** Indien de feitelijke ligging van een pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat afwijkt van de ligging zoals deze in de vergunning is aangegeven, verstrekt de beheerder aan Onze Minister de gegevens van de feitelijke ligging ervan binnen vier weken na de aanleg van de pijpleiding. Indien er kennelijk geen risico op schade is, kan Onze Minister de vergunning dienovereenkomstig wijzigen.
|
||||
**1.** Indien de feitelijke ligging van een pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat afwijkt van de ligging zoals in de vergunning is aangegeven en er kennelijk geen risico is op schade, kan Onze Minister de vergunning dienovereenkomstig wijzigen.
|
||||
|
||||
**2.** Op de voorbereiding van de beschikking tot aanpassing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
**2.** Paragraaf 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking tot aanpassing als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 99
|
||||
|
||||
|
|
@ -1924,7 +1053,7 @@ b. de frequentie waarmee het in het eerste lid bedoelde onderzoek plaatsvindt.
|
|||
|
||||
**2.** De beheerder stelt de pijpleiding, of het betrokken deel ervan, onmiddellijk buiten gebruik en maakt deze drukvrij als de lekkage risico op schade oplevert. De nodige herstelwerkzaamheden worden zo spoedig mogelijk verricht.
|
||||
|
||||
**3.** De beheerder maakt onmiddellijk melding van een lekkage aan de inspecteur-generaal der mijnen en indien de pijpleiding op het continentaal plat of in de territoriale zee ligt, tevens aan het Kustwachtcentrum.
|
||||
**3.** De beheerder maakt onmiddellijk melding van de lekkage aan de inspecteur-generaal der mijnen en het Kustwachtcentrum.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1952,47 +1081,15 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tijdelijk bu
|
|||
|
||||
### Artikel 103
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister maakt bij een besluit als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet een afweging van belangen aan de hand van de volgende criteria:
|
||||
|
||||
a. de doelmatigheid van het gebruik van de ruimte;
|
||||
b. de gevolgen voor het milieu;
|
||||
c. de veiligheid op zee en land en
|
||||
d. de doelmatigheid van de kosten.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan bij het overwegen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet, over een pijpleiding op land het criterium, bedoeld in het eerste lid, onder a, achterwege laten, indien het besluit een pijpleiding betreft die is aangelegd vóór de inwerkingtreding van dit artikel.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toepassing van de criteria.
|
||||
|
||||
### Artikel 103a
|
||||
|
||||
Als een in gemeentelijk ingedeeld gebied gelegen pijpleiding op land of in oppervlaktewater buiten werking is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet is paragraaf 5.1.4, respectievelijk paragraaf 5.2.3, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beheerder:
|
||||
|
||||
a. bij een melding overeenkomstig artikel 40b, respectievelijk artikel 61, de volgende informatie overlegt:
|
||||
|
||||
1°. de periode, waarin de pijpleiding is aangelegd;
|
||||
2°. de overeenkomst met de grondeigenaar;
|
||||
3°. de relevante feiten voor een afweging van belangen als bedoeld in artikel 103;
|
||||
b. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 40c, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 40c, eerste lid, onder a, c, d, g, h, i, k, l en m;
|
||||
c. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 62, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, c, d, g tot en met m.
|
||||
|
||||
### Artikel 103b
|
||||
|
||||
Als een in niet gemeentelijk ingedeeld gebied gelegen pijpleiding buiten werking is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet is paragraaf 5.2.3 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beheerder:
|
||||
|
||||
a. bij een melding overeenkomstig artikel 61 de volgende informatie overlegt:
|
||||
|
||||
1°. de periode, waarin de pijpleiding is aangelegd;
|
||||
2°. de overeenkomst met de grondeigenaar;
|
||||
3°. de relevante feiten voor een afweging van belangen als bedoeld in artikel 103;
|
||||
b. bij een aanvraag om instemming met een verwijderingsplan in afwijking van artikel 62, eerste lid, aanhef, ten minste een beschrijving overlegt als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, c, d, g, tot en met m.
|
||||
Een buiten gebruik gestelde pijpleiding die is aangelegd in of op het continentaal plat wordt schoon en veilig achtergelaten, tenzij Onze Minister op grond van artikel 45 van de wet de verwijdering ervan voorschrijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 104
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan de beheerder aanwijzingen geven met betrekking tot de staat waarin de pijpleiding wordt achtergelaten.
|
||||
**1.** De beheerder doet onmiddellijk mededeling aan Onze Minister van het voornemen tot het buiten gebruik stellen van een pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat en de wijze waarop deze zal worden achtergelaten.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan de beheerder verplichten de ligging van de achtergelaten pijpleiding periodiek te controleren en kan zo nodig herstelmaatregelen voorschrijven.
|
||||
**2.** Onze Minister kan de beheerder aanwijzingen geven met betrekking tot de staat waarin de pijpleiding wordt achtergelaten.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de beheerder verplichten de ligging van de achtergelaten pijpleiding periodiek te controleren en kan zo nodig herstelmaatregelen voorschrijven.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.5. Kabels
|
||||
|
||||
|
|
@ -2010,7 +1107,7 @@ De artikelen 94 tot en met 104 zijn van overeenkomstige toepassing op een kabel,
|
|||
|
||||
### Artikel 107
|
||||
|
||||
Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 5.1.4, 5.2.3 en 6.1 tot en met 6.5 voor pijpleidingen, respectievelijk kabels, op land, respectievelijk in oppervlaktewater van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 6.1 tot en met 6.4, respectievelijk paragraaf 6.5 van toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Verstrekking, beheer en gebruik van gegevens
|
||||
|
||||
|
|
@ -2018,21 +1115,17 @@ Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 5.1.4, 5.2.
|
|||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Degene in wiens opdracht verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht, dan wel een latere verkrijger van gegevens uit het verkenningsonderzoek, verstrekt Onze Minister de volgende gegevens:
|
||||
Degene in wiens opdracht verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht, verstrekt Onze Minister desgevraagd en binnen een door de minister te bepalen termijn de volgende gegevens die bij het verkenningsonderzoek zijn verkregen:
|
||||
|
||||
a. de resultaten van verricht geofysisch onderzoek;
|
||||
b. de resultaten van verricht geochemisch onderzoek, of
|
||||
c. de resultaten van verricht geologisch onderzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens, binnen welke termijn en in welke gevallen aan Onze Minister worden verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 109
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister de volgende gegevens die bij het aanleggen, gebruiken, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van het boorgat zijn verkregen:
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister de volgende gegevens die bij het opsporen van delfstoffen zijn verkregen:
|
||||
|
||||
a. het profiel van het boorgat;
|
||||
b. de resultaten van in een boorgat verrichte geofysische, geochemische en geologische metingen;
|
||||
|
|
@ -2045,7 +1138,7 @@ d. de resultaten van verrichte productie- of injectietesten.
|
|||
|
||||
### Artikel 110
|
||||
|
||||
**1.** De uitvoerder verstrekt Onze Minister een representatief deel van uit een boorgat verkregen gesteentemonsters, die bij het aanleggen van een boorgat zijn verkregen. De uitvoerder verstrekt de monsters binnen twaalf weken nadat deze zijn verkregen.
|
||||
**1.** De uitvoerder verstrekt Onze Minister een representatief deel van uit een boorgat verkregen gesteentemonsters, die bij het opsporen van delfstoffen zijn verkregen. De uitvoerder verstrekt de monsters binnen twaalf weken nadat deze zijn verkregen.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder bewaart gedurende twaalf weken een representatief deel van uit een boorgat verkregen vloeistof- en gasmonsters, die bij het opsporen van delfstoffen zijn verkregen. Op verzoek van Onze Minister verstrekt de uitvoerder een representatief deel van de monsters.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2083,18 +1176,18 @@ d. per mijnbouwwerk: de hoeveelheden en soorten stoffen die zijn teruggehaald en
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks voor 1 maart de volgende gegevens:
|
||||
De uitvoerder verstrekt Onze Minister per voorkomen, waarin koolwaterstoffen zijn aangetroffen, jaarlijks de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. de door de uitvoerder voor het voorkomen gebezigde naam;
|
||||
b. de opsporings- of winningsvergunning of opsporings- of winningsvergunningen waaronder het voorkomen is gelegen;
|
||||
c. een structuurkaart;
|
||||
d. het vermoedelijke jaar van aanvang van de winning, indien nog geen winning plaatsvindt;
|
||||
e. de hoeveelheid aangetoonde winbare delfstoffen per 1 januari van het verslagjaar;
|
||||
f. de verwachte jaarlijks te winnen hoeveelheden delfstoffen, tot het moment waarop de winning wordt beëindigd;
|
||||
f. de verwachte jaarlijks te winnen hoeveelheden delfstoffen, gedurende een periode van tenminste tien jaar die aanvangt met het verslagjaar;
|
||||
g. eventueel gebruik van het voorkomen voor opslag;
|
||||
h. de reservoirdruk, voor zover bekend;
|
||||
i. het feitelijk gebruik van de in het voorkomen aanwezige boorgaten, en
|
||||
j. de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdelen b, c en k, voor zover de gegevens wezenlijk afwijken van het ingediende winningsplan.
|
||||
j. de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdelen b en k, voor zover de gegevens wezenlijk afwijken van het ingediende winningsplan.
|
||||
|
||||
**2.** De uitvoerder verstrekt Onze Minister daarnaast jaarlijks de verwachte hoeveelheden winbare delfstoffen per vermoedelijk voorkomen in het vergunningsgebied dat niet door middel van opsporing is aangetoond, alsmede de daarbij behorende structuurkaarten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2120,20 +1213,13 @@ paragraaf 7.1. verstrekte gegevens zorgvuldig. De instellingen zijn verplicht d
|
|||
|
||||
**1.** De gegevens, bedoeld in de artikelen 111, 112 en 113, eerste lid, onderdelen a en b, zijn openbaar, zodra vier weken zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**2.** Op de gegevens en de monsters, bedoeld in de artikelen 108 tot en met 110, is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing, totdat vijf jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
**2.** Op de gegevens en de monsters, bedoeld in de artikelen 108 tot en met 110, is artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing, totdat vijf jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens aan zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing op de gegevens, bedoeld in artikel 108, eerste lid, onderdeel a, totdat een termijn van tien jaren is verstreken, indien:
|
||||
|
||||
a. het verkenningsonderzoek niet is uitgevoerd door of in opdracht van een uitvoerder die voor het desbetreffende gebied over een vergunning beschikt om delfstoffen op te sporen, te winnen of op te slaan en
|
||||
b. de resultaten gedurende de termijn van tien jaren, bedoeld in de aanhef, tegen een redelijke vergoeding voor eenieder ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Op de gegevens, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen c tot en met j, is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing, totdat tien jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
**3.** Op de gegevens en de monsters, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen c tot en met j, is artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing, totdat tien jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens aan zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 117
|
||||
|
||||
Onze Minister kan, zolang de termijnen van artikel 116 niet zijn verlopen, de in dat artikel bedoelde gegevens ter beschikking stellen aan de Mijnraad en de in artikel 81, onderdeel a, van de wet bedoelde vennootschap, voor zover deze gegevens worden gebruikt voor de volgende doeleinden:
|
||||
Onze Minister kan, zolang de termijnen van artikel 116 niet zijn verlopen, de in dat artikel bedoelde gegevens ter beschikking stellen aan de Mijnraad, de Technische commissie bodembeweging en de in artikelen 81, onderdeel a, respectievelijk 89, onderdeel a, van de wet bedoelde vennootschap, voor zover deze gegevens worden gebruikt voor de volgende doeleinden:
|
||||
|
||||
a. het adviseren van Onze Minister inzake verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte en het opslaan van stoffen in de ondergrond;
|
||||
b. het ten behoeve van Onze Minister maken van reserveramingen en prognoses van delfstoffen, aardwarmte en opslagpotentieel van de ondergrond;
|
||||
|
|
@ -2151,12 +1237,10 @@ c. het in opdracht van Onze Minister systematisch karteren van de ondergrond.
|
|||
|
||||
### Artikel 119
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 109 tot en met 111 en 115 tot en met 118 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van opsporing of winning van aardwarmte, met dien verstande dat de houder van de startvergunning aardwarmte of vervolgvergunning aardwarmte de persoon is die de gegevens, bedoeld in de artikelen 109, 110 en 111, verstrekt.
|
||||
**1.** De artikelen 109 tot en met 111 en 115 tot en met 118 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van opsporing of winning van aardwarmte.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 109, 110 en 115 tot en met 118 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van het gebruik van boorgaten als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel e, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid en artikel 116, tweede lid, is in geval van opsporing of winning van aardwarmte waarvoor op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een subsidie is verstrekt, artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheid van toepassing op de gegevens en de monsters, bedoeld in de artikelen 109 en 110, totdat 6 maanden zijn verstreken na het tijdstip waarop de gegevens zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Waarborgfonds mijnbouwschade
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.1. Begripsbepalingen
|
||||
|
|
@ -2167,10 +1251,11 @@ In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
a. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 135, vierde lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
b. fonds: Waarborgfonds mijnbouwschade als bedoeld in artikel 135, eerste lid, van de wet;
|
||||
c. mijnbouwactiviteiten: activiteiten als bedoeld in artikel 134, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||||
d. mijnbouwondernemer: persoon als bedoeld in artikel 134, eerste lid, onderdeel b, van de wet of diens rechtsopvolger;
|
||||
c. mijnbouwactiviteiten: activiteiten als bedoeld in artikel 113, onderdeel b, van de wet;
|
||||
d. mijnbouwondernemer: persoon als bedoeld in artikel 113, onderdeel c, van de wet of diens rechtsopvolger;
|
||||
e. schadevergoeding: schadevergoeding als bedoeld in artikel 137 van de wet;
|
||||
f. verkenningsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet, met uitzondering van onderzoek door of in opdracht van een mijnbouwondernemer die behoort tot een van de eerste drie in artikel 121, tweede lid, genoemde sectoren.
|
||||
f. verkenningsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet, met uitzondering van onderzoek door of in opdracht van een mijnbouwondernemer die behoort tot een van de eerste drie in artikel 121, tweede lid, drie genoemde sectoren;
|
||||
g. voorschot: voorschot als bedoeld in artikel 140 van de wet.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.2. Het vermogen van het fonds
|
||||
|
||||
|
|
@ -2197,56 +1282,72 @@ De sectoren, genoemd in onderstaande tabel, dragen overeenkomstig de in die tabe
|
|||
|
||||
### Artikel 122
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De bijdrage die een mijnbouwondernemer, behorende tot een van de eerste drie in artikel 121, tweede lid, genoemde sectoren, verschuldigd is, omvat een bedrag ter grootte van de voorschotten die in het voorafgaande kalenderjaar ten laste van het fonds in verband met zijn mijnbouwactiviteiten zijn betaald.
|
||||
|
||||
De bijdrage die een mijnbouwondernemer, behorende tot een van de eerste drie in artikel 121, tweede lid, genoemde sectoren, verschuldigd is, omvat een bedrag ter dekking van het aandeel van de sector in het tekort, berekend overeenkomstig artikel 121, derde lid. De mijnbouwondernemers die tot dezelfde sector behoren, doen Onze Minister voor 1 maart gezamenlijk een gemotiveerd voorstel toekomen omtrent het in de eerste volzin genoemde bedrag. Hierbij wordt rekening gehouden met:
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met een bedrag ter dekking van het aandeel van de sector in het tekort, berekend overeenkomstig artikel 121, derde lid. De mijnbouwondernemers die tot dezelfde sector behoren, doen Onze Minister voor 1 maart gezamenlijk een gemotiveerd voorstel toekomen omtrent het in de eerste volzin als laatste genoemde bedrag. Hierbij wordt rekening gehouden met:
|
||||
|
||||
a. de aard en omvang van de mijnbouwactiviteiten van elke mijnbouwondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren;
|
||||
b. de uitkeringen die in de vijf voorafgaande kalenderjaren ten laste van het fonds in verband met de mijnbouwactiviteiten van elke mijnbouwondernemer zijn gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt voor 1 april de bijdrage voor elke mijnbouwondernemer vast, met inachtneming van het voorstel, bedoeld in het eerste lid, tenzij dat voorstel naar zijn oordeel niet voldoet aan de derde volzin van dat lid, dan wel het algemeen belang zich tegen dit voorstel verzet. Indien Onze Minister afwijkt van het voorstel, is de derde volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Onze Minister stelt voor 1 april de bijdrage voor elke mijnbouwondernemer vast, met inachtneming van het voorstel, bedoeld in het tweede lid, tenzij dat voorstel naar zijn oordeel niet voldoet aan de derde volzin van dat lid, dan wel het algemeen belang zich tegen dit voorstel verzet. Indien Onze Minister afwijkt van het voorstel, is de derde volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de mijnbouwondernemers die tot dezelfde sector behoren niet voor 1 maart een voorstel overleggen, stelt Onze Minister voor 1 april de bijdrage ambtshalve vast. De eerste en de derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Indien de mijnbouwondernemers die tot dezelfde sector behoren niet voor 1 maart een voorstel overleggen, stelt Onze Minister voor 1 april de bijdrage ambtshalve vast. Het eerste lid en de eerste en de derde volzin van het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 123
|
||||
|
||||
Artikel 122 is van overeenkomstige toepassing op de verdeling van het aandeel van een sector in de eenmalige vorming van het initiële vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 121, tweede lid, over de mijnbouwondernemers die tot die sector behoren, met dien verstande dat voor onderdeel b van het tweede lid wordt gelezen de hoogte van de schadevergoedingen die elke mijnbouwondernemer in de vijf kalenderjaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet aan natuurlijke personen heeft betaald in verband met zijn mijnbouwactiviteiten.
|
||||
Het tweede, derde en vierde lid van artikel 122 zijn van overeenkomstige toepassing op de verdeling van het aandeel van een sector in de eenmalige vorming van het initiële vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 121, tweede lid, over de mijnbouwondernemers die tot die sector behoren, met dien verstande dat voor onderdeel b van het tweede lid wordt gelezen de hoogte van de schadevergoedingen die elke mijnbouwondernemer in de vijf kalenderjaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet aan natuurlijke personen heeft betaald in verband met zijn mijnbouwactiviteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 124
|
||||
|
||||
**1.** De bijdrage die een mijnbouwondernemer, behorende tot de laatste in artikel 121, tweede lid, genoemde sector, verschuldigd is, omvat een bedrag ter dekking van het aandeel van de sector in een tekort, berekend overeenkomstig artikel 121, derde lid. Het in de eerste volzin genoemde bedrag wordt bepaald door het aandeel van de sector in het tekort te verdelen over de mijnbouwondernemers die in het voorafgaande kalenderjaar verkenningsonderzoek hebben verricht, naar evenredigheid van het aantal onderzoeken dat ieder van hen in dat jaar heeft verricht. Onze Minister stelt de bijdrage voor 1 april vast.
|
||||
**1.** De bijdrage die een mijnbouwondernemer, behorende tot de laatste in artikel 121, tweede lid, genoemde sector, verschuldigd is, omvat een bedrag ter grootte van de voorschotten die in het voorafgaande kalenderjaar ten laste van het fonds zijn betaald in verband met zijn verkenningsonderzoeken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in het voorafgaande kalenderjaar geen verkenningsonderzoek is verricht, is de bijdrage verschuldigd door de mijnbouwondernemers die in het aan dat kalenderjaar voorafgaande tijdvak van vijf kalenderjaren verkenningsonderzoek hebben verricht. De tweede en derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met een bedrag ter dekking van het aandeel van de sector in een tekort, berekend overeenkomstig artikel 121, derde lid. Het in de eerste volzin als laatste genoemde bedrag wordt bepaald door het aandeel van de sector in het tekort te verdelen over de mijnbouwondernemers die in het voorafgaande kalenderjaar verkenningsonderzoek hebben verricht, naar evenredigheid van het aantal onderzoeken dat ieder van hen in dat jaar heeft verricht. Onze Minister stelt de bijdrage voor 1 april vast.
|
||||
|
||||
**3.** Indien in het voorafgaande kalenderjaar geen verkenningsonderzoek is verricht, is de bijdrage verschuldigd door de mijnbouwondernemers die in het aan dat kalenderjaar voorafgaande tijdvak van vijf kalenderjaren verkenningsonderzoek hebben verricht. De tweede en derde volzin van het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 125
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Indien een voorschot ten laste van het fonds is toegekend en nadien in een overeenkomst als bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat dan wel de schadevergoeding op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag dat als voorschot is uitgekeerd, betaalt het fonds het bedrag, dat als voorschot is uitgekeerd, dan wel het verschil tussen dat bedrag en het toegekende schadebedrag terug aan de betrokken mijnbouwondernemer onverwijld nadat degene aan wie het voorschot was toegekend dit, overeenkomstig artikel 140, tweede lid, van de wet aan het fonds heeft terugbetaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 126
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt bij beschikking de verschuldigde bijdrage vast.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de betaling wordt gedaan.
|
||||
Onze Minister stelt bij beschikking de verschuldigde bijdrage vast. De beschikking vermeldt in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. de hoogte van de bijdrage, en
|
||||
b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.
|
||||
|
||||
**2.** De bijdrage wordt voldaan binnen zes weken na de dag waarop de beschikking in werking is getreden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de betaling wordt gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 127
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De mijnbouwondernemer is in verzuim als hij de bijdrage niet heeft betaald binnen de voorgeschreven termijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het verzuim heeft verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig artikel 119, eerste en tweede lid, en artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij het bedrag ervan minder dan € 25 bedraagt.
|
||||
|
||||
### Artikel 128
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Indien de mijnbouwondernemer de bijdrage heeft betaald op grond van een beschikking die in bezwaar is gewijzigd dan wel in beroep is vernietigd, is het fonds over de termijn tussen de dag waarop de betaling is gedaan en de dag waarop terugbetaling heeft plaatsgevonden wettelijke rente verschuldigd over het teveel betaalde bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstig toepassing als Onze Minister op verzoek dan wel ambtshalve de bijdrage op een lager bedrag vaststelt.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8.4. Verzoeken om uitkeringen ten laste van het fonds
|
||||
|
||||
### Artikel 129
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bevat een verzoek om schadevergoeding ten minste:
|
||||
Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bevat een verzoek om schadevergoeding onderscheidenlijk om een voorschot ten minste:
|
||||
|
||||
a. naam en adres van de desbetreffende mijnbouwondernemer;
|
||||
b. een opgave van de plaats en tijdstip van de mijnbouwactiviteiten;
|
||||
c. een opgave van de aard en omvang van de zaakschade;
|
||||
d. een redelijke specificatie van het schadebedrag; en
|
||||
e. indien het een verzoek om schadevergoeding betreft, een opgave waaruit blijkt dat zich één van de omstandigheden, genoemd in artikel 137, onderdelen a of b, van de wet voordoet, alsmede een opgave van de in onderdeel c bedoelde vergoedingen van de schade uit anderen hoofde.
|
||||
d. een redelijke specificatie van het schadebedrag;
|
||||
e. indien het een verzoek om schadevergoeding betreft, een opgave waaruit blijkt dat zich één van de omstandigheden, genoemd in artikel 137, onderdelen a of b, van de wet voordoet, alsmede een opgave van de in onderdeel c bedoelde vergoedingen van de schade uit anderen hoofde, en
|
||||
f. indien het een verzoek om een voorschot betreft, een opgave waaruit blijkt dat de omstandigheden, genoemd in artikel 140, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet zich voordoen.
|
||||
|
||||
### Artikel 130
|
||||
|
||||
|
|
@ -2270,13 +1371,13 @@ Onze Minister beslist op het verzoek binnen zes weken na ontvangst daarvan.
|
|||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting en de administratie van het fonds, alsmede het op die inrichting en administratie uit te oefenen toezicht.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 9. Splitsen, afsplitsen en samenvoegen van vergunningen
|
||||
## Hoofdstuk 9. Splitsen en samenvoegen van vergunningen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9.1. Algemeen
|
||||
|
||||
### Artikel 134
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vergunning: opsporingsvergunning, winningsvergunning, startvergunning aardwarmte, vervolgvergunning aardwarmte of opslagvergunning.
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vergunning: opsporingsvergunning, winningsvergunning of opslagvergunning.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9.2. Splitsen van vergunningen
|
||||
|
||||
|
|
@ -2294,20 +1395,6 @@ In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vergunning: opsporingsvergunning, winnings
|
|||
|
||||
Een aanvraag om splitsing wordt niet ingewilligd indien dat ertoe leidt dat een voorkomen van delfstoffen of aardwarmte dan wel een voorkomen voor het opslaan van stoffen in het oorspronkelijke vergunningsgebied zich door deze splitsing in twee of meer verschillende vergunningsgebieden zal bevinden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9.2a. Afsplitsen van winningsvergunningen
|
||||
|
||||
### Artikel 136a
|
||||
|
||||
**1.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 143, achtste lid, eerste volzin, van de wet van de houder van een winningsvergunning wijzigt Onze Minister de winningsvergunning door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander en verleent Onze Minister aan deze vergunninghouder een winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel.
|
||||
|
||||
**2.** De op grond van het eerste lid verleende winningsvergunning voor een afgesplitst gebiedsdeel geldt tezamen met de winningsvergunning waarvan dat deel is afgesplitst voor hetzelfde gebied als waarvoor de winningsvergunning voorafgaand aan de afsplitsing geldt.
|
||||
|
||||
**3.** Het tijdvak waarvoor de op grond van het eerste lid te verlenen vergunning geldt, eindigt op het tijdstip waarop het tijdvak van de winningsvergunning waarvan dat deel is afgesplitst eindigt.
|
||||
|
||||
### Artikel 136b
|
||||
|
||||
Een aanvraag om afsplitsing van een winningsvergunning wordt niet ingewilligd indien dat ertoe leidt dat een voorkomen van delfstoffen of aardwarmte dan wel een voorkomen voor het opslaan van stoffen in het oorspronkelijke vergunningsgebied zich door deze afsplitsing in twee of meer verschillende vergunningsgebieden zal bevinden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9.3. Samenvoegen van vergunningen
|
||||
|
||||
### Artikel 137
|
||||
|
|
@ -2322,19 +1409,15 @@ Een aanvraag om afsplitsing van een winningsvergunning wordt niet ingewilligd in
|
|||
|
||||
### Artikel 138
|
||||
|
||||
**1.** Vergunningen voor opsporen, winnen of opslaan van bepaalde stoffen worden uitsluitend samengevoegd met vergunningen voor opsporen, winnen onderscheidenlijk opslaan van dezelfde stoffen.
|
||||
|
||||
**2.** Startvergunningen aardwarmte en vervolgvergunningen aardwarmte worden uitsluitend samengevoegd met startvergunningen aardwarmte onderscheidenlijk vervolgvergunningen aardwarmte.
|
||||
|
||||
**3.** Vergunningen voor opsporen van CO_2-complexen worden uitsluitend samengevoegd met vergunningen voor opsporen van CO_2-complexen.
|
||||
Een opsporingsvergunning wordt niet samengevoegd met een winningsvergunning of een opslagvergunning. Een winningsvergunning wordt niet samengevoegd met een opslagvergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 139
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ingewilligd, indien deze vergunningen dezelfde delfstoffen betreffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 140
|
||||
|
||||
Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ingewilligd, indien de voorwaarden van de desbetreffende totstandgekomen overeenkomsten, bedoeld in artikel 81, onderdeel d, respectievelijk artikel 81, onderdeel e, respectievelijk artikel 86a, eerste lid, van de wet, gelijkluidend zijn.
|
||||
Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ingewilligd, indien de voorwaarden van de desbetreffende totstandgekomen overeenkomsten, bedoeld in artikel 82 respectievelijk artikel 90 van de wet, gelijkluidend zijn.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 9.4. Overige regels
|
||||
|
||||
|
|
@ -2342,21 +1425,14 @@ Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ing
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag om splitsing of samenvoeging van opsporings- of winningsvergunningen, startvergunningen aardwarmte of vervolgvergunningen aardwarmte kan mede worden geweigerd:
|
||||
Een aanvraag om splitsing of samenvoeging van opsporings- of winningsvergunningen kan mede worden geweigerd:
|
||||
|
||||
a. in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen;
|
||||
|
||||
b. in het geval van een opsporings- of winningsvergunning indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet.
|
||||
b. indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvraag om splitsing of samenvoeging van opslagvergunningen kan mede worden geweigerd indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag om afsplitsing van winningsvergunningen kan mede worden geweigerd:
|
||||
|
||||
a. in het belang van het doelmatig en voortvarend winnen;
|
||||
b. indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, bedoeld in artikel 147, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 142
|
||||
|
||||
**1.** Met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen vervangen met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treden, de te splitsen vergunning. De te splitsen vergunning vervalt op het tijdstip waarop de met toepassing van paragraaf 9.2 verleende vergunningen onherroepelijk worden.
|
||||
|
|
@ -2365,28 +1441,15 @@ b. indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de afdrachten, be
|
|||
|
||||
### Artikel 143
|
||||
|
||||
**1.** Indien ten aanzien van de te splitsen vergunning of één van de samen te voegen vergunningen een overeenkomst als bedoeld in artikel 81, onderdeel d, respectievelijk artikel 81, onderdeel e, respectievelijk artikel 86a, eerste lid, van de wet tot stand is gekomen, verleent de in artikel 81, onderdeel a, bedoelde vennootschap en de vergunninghouders van de op grond van artikel 135 of 137 te verlenen vergunning of vergunningen medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst waarvan de voorwaarden gelijkluidend zijn aan die van eerder bedoelde overeenkomst.
|
||||
**1.** Indien ten aanzien van de te splitsen vergunning of één van de samen te voegen vergunningen een overeenkomst als bedoeld in artikel 82 of 90 van de wet tot stand is gekomen, verlenen de in die artikelen bedoelde vennootschap en de vergunninghouders van de op grond van artikel 135 of 137 te verlenen vergunning of vergunningen medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst waarvan de voorwaarden gelijkluidend zijn aan die van eerder bedoelde overeenkomst.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid laatstbedoelde overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in de artikelen 91, onderdeel c, en 97, tweede lid, van de wet de instemming van de aangewezen vennootschap.
|
||||
|
||||
**4.** Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 143a
|
||||
|
||||
**1.** Voor zover het niet verenigbaar is met het bij of krachtens de wet bepaalde om aan de winningsvergunning voor een afgesplitst gebiedsdeel de beperkingen en voorschriften te verbinden, die zijn verbonden aan de winningsvergunning waarvan dat gebiedsdeel is afgesplitst, kan Onze Minister aan de winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel aangepaste voorschriften en beperkingen verbinden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan voorschriften en beperkingen aanpassen als bedoeld in het eerste lid, mede met het oog op:
|
||||
|
||||
a. het planmatig beheer of gebruik van delfstoffen, aardwarmte en andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater;
|
||||
b. mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
|
||||
**3.** Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in de artikelen 87, onderdeel c, en 95, tweede lid, van de wet de instemming van de aangewezen vennootschap.
|
||||
|
||||
### Artikel 144
|
||||
|
||||
De wijze waarop een aanvraag om splitsing, afsplitsing of samenvoeging geschiedt en de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd, geschiedt bij ministeriële regeling te stellen regels.
|
||||
De wijze waarop een aanvraag om splitsing of samenvoeging geschiedt en de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd, geschiedt bij ministeriële regeling te stellen regels.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10. De veiligheid van groeven
|
||||
|
||||
|
|
@ -2397,18 +1460,17 @@ De wijze waarop een aanvraag om splitsing, afsplitsing of samenvoeging geschiedt
|
|||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. het winnen van kalksteen: het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken van kalksteen aan de ondergrond;
|
||||
b. groeve: ondergrondse ruimte ontstaan door het winnen van kalksteen;
|
||||
c. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie waarin een groeve geheel of voor het grootste deel is gelegen.
|
||||
b. groeve: ondergrondse ruimte ontstaan door het winnen van kalksteen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 10.2. Vergunning voor winning van kalksteen
|
||||
|
||||
### Artikel 146
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten kalksteen te winnen.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister kalksteen te winnen.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning kan slechts worden geweigerd ter bescherming van de veiligheid met het oog op instorting.
|
||||
|
||||
**3.** Gedeputeerde staten kunnen in het belang van de veiligheid met het oog op instorting aan een vergunning voorschriften verbinden of een vergunning onder beperkingen verlenen.
|
||||
**3.** Onze Minister kan in het belang van de veiligheid met het oog op instorting aan een vergunning voorschriften verbinden of een vergunning onder beperkingen verlenen.
|
||||
|
||||
### Artikel 147
|
||||
|
||||
|
|
@ -2427,15 +1489,15 @@ f. de wijze waarop en frequentie waarmee metingen naar de gesteentemechanische v
|
|||
|
||||
### Artikel 148
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de totstandkoming van het besluit omtrent de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 146. In afwijking van artikel 3:11, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de ter inzage legging ter secretarie van de gemeente of gemeenten onder welk gebied respectievelijk gebieden de groeve zich zal uitstrekken.
|
||||
|
||||
### Artikel 149
|
||||
|
||||
Indien een vergunning als bedoeld in artikel 146 wordt overgedragen of anders dan door overdracht overgaat op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, doet deze persoon binnen vier weken na de verkrijging ervan mededeling aan gedeputeerde staten.
|
||||
Indien een vergunning als bedoeld in artikel 146 wordt overgedragen of anders dan door overdracht overgaat op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, doet deze persoon binnen vier weken na de verkrijging ervan mededeling aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 150
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 146 verstrekt jaarlijks aan gedeputeerde staten een geactualiseerde kaart van de groeve.
|
||||
**1.** De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 146 verstrekt jaarlijks aan de inspecteur-generaal der mijnen een geactualiseerde kaart van de groeve.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde kaart.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2443,10 +1505,12 @@ Indien een vergunning als bedoeld in artikel 146 wordt overgedragen of anders da
|
|||
|
||||
### Artikel 151
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een groeve, die niet langer in gebruik is voor het winnen van kalksteen, voor een ander doeleinde te gebruiken of daaraan enige wijziging aan te brengen.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een groeve, die niet langer in gebruik is voor het winnen van kalksteen, voor een ander doeleinde te gebruiken of daaraan enige wijziging aan te brengen.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 146, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 148 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 152
|
||||
|
||||
**1.** In een vergunning als bedoeld in artikel 151 wordt bepaald voor welk doeleinde, welk tijdvak en welk gebied zij geldt. Het tijdvak waarvoor de vergunning geldt, kan op aanvraag van de vergunninghouder worden verlengd.
|
||||
|
|
@ -2487,19 +1551,19 @@ Het is verboden in een groeve ontplofbare stoffen voorhanden te hebben of te geb
|
|||
|
||||
### Artikel 158
|
||||
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 verricht periodiek metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van een groeve en verstrekt daarvan de resultaten aan gedeputeerde staten.
|
||||
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 verricht periodiek metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van een groeve en verstrekt daarvan de resultaten aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Artikel 159
|
||||
|
||||
**1.** Wanneer de veiligheid van een groeve wordt bedreigd door instortingsgevaar, doet de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 hiervan onmiddellijk mededeling aan gedeputeerde staten.
|
||||
**1.** Wanneer de veiligheid van een groeve wordt bedreigd door instortingsgevaar, doet de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 hiervan onmiddellijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
**2.** De houder van de vergunning doet onmiddellijk mededeling van een instorting aan gedeputeerde staten.
|
||||
**2.** De houder van de vergunning doet onmiddellijk mededeling van een instorting aan de inspecteur-generaal der mijnen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 10.5. Het buiten gebruik stellen van een groeve
|
||||
|
||||
### Artikel 160
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 doet tijdig van het voornemen tot het buitengebruik stellen van een groeve, of een gedeelte ervan, mededeling aan gedeputeerde staten. De houder verstrekt daarbij een geactualiseerde kaart van de groeve.
|
||||
**1.** De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 doet tijdig van het voornemen tot het buitengebruik stellen van een groeve, of een gedeelte ervan, mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen. De houder verstrekt daarbij een geactualiseerde kaart van de groeve.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het buiten gebruik stellen van de groeve, of een gedeelte ervan, worden alle nodige maatregelen genomen ter beperking van het gevaar voor instorting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2509,38 +1573,6 @@ De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 verricht per
|
|||
|
||||
Indien een groeve tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld, is artikel 160, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10a. Retributies
|
||||
|
||||
### Artikel 161a
|
||||
|
||||
**1.** De bedragen, verschuldigd op grond van artikel 133, eerste lid, van de wet zijn vaste bedragen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De bedragen, bedoeld in artikel 133, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden in rekening gebracht voor het op aanvraag verlenen, wijzigen, intrekken of beoordelen van:
|
||||
|
||||
a. een besluit als bedoeld in de artikelen 6, 24b en 24d van de wet;
|
||||
b. een instemming met een winningsplan, een verwijderingsplan, of een rapport dan wel een beoordeling van een melding als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, 44, eerste lid, 44a, eerste lid, 44c, derde lid, respectievelijk artikel 44, eerste lid, van de wet en een ontheffing als bedoeld artikel 44b, eerste lid, van de wet;
|
||||
c. een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet;
|
||||
d. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet;
|
||||
e. een vergunning als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 94, eerste lid;
|
||||
f. een instemming als bedoeld in artikel 55, eerste lid;
|
||||
g. een ontheffing, instemming of beoordeling van een melding krachtens dit besluit of een krachtens dit besluit vastgestelde ministeriële regeling, die betrekking heeft op een productie-installatie, een niet-productie-installatie, een pijpleiding, een transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of een mijnbouwwerk bedoeld voor het opsporen of winnen van aardwarmte;
|
||||
h. een melding als bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||||
i. een toestemming als bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||||
j. gegevens en bescheiden als bedoeld in de artikelen 4.1117, 6.47a en 7.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||||
k. een instemming met de aanwijzing van de uitvoerder aardwarmte als bedoeld in artikel 24z, derde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De bedragen die krachtens artikel 133, eerste lid, onderdeel b, van de wet in rekening worden gebracht voor de uitvoering van taken door de inspecteur-generaal der mijnen en de bedragen die krachtens het eerste lid in rekening worden gebracht worden onderscheiden:
|
||||
|
||||
a. per exploitant, eigenaar, verzoeker, aanvrager of houder van een zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, of netbeheerder, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen actieve en niet-actieve exploitanten of eigenaren;
|
||||
b. per activiteit, en
|
||||
c. afhankelijk van de locatie op land of op zee, de eigenschappen en de grootte van de productie- installatie, de niet-productie-installatie, de pijpleiding, het transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of het mijnbouwwerk bedoeld voor het opsporen of winnen van aardwarmte.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister brengt de bedragen in rekening en verzendt een beschikking daartoe aan de desbetreffende exploitant, eigenaar verzoeker, aanvrager of houder van een zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, of netbeheerder.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 162
|
||||
|
|
@ -2573,7 +1605,7 @@ b. artikel 4.12,
|
|||
c. artikel 4.14, en
|
||||
d. artikel 4.16.
|
||||
|
||||
**5.** De voorschriften die krachtens artikel 4.1 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996 aan een vergunning als bedoeld in artikel 143, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn verbonden, vervallen.
|
||||
**5.** De voorschriften die krachtens artikel 4.1 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996 aan de in het eerste lid bedoelde opsporingsvergunning zijn verbonden, vervallen.
|
||||
|
||||
**6.** De aan de in het eerste lid bedoelde opsporingsvergunning verbonden voorschriften die betrekking hebben op het lozen vanaf een mijnbouwinstallatie vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2613,7 +1645,7 @@ b. artikel 5.7,
|
|||
c. artikel 5.8, en
|
||||
d. artikel 5.9.
|
||||
|
||||
**5.** De voorschriften die krachtens artikel 5.1 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996 aan een vergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, onderdeel a, van de wet zijn verbonden, vervallen.
|
||||
**5.** De voorschriften die krachtens artikel 5.1 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996 aan de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning zijn verbonden, vervallen.
|
||||
|
||||
**6.** De aan de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning verbonden voorschriften die betrekking hebben op het lozen vanaf een mijnbouwinstallatie vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2623,7 +1655,7 @@ d. artikel 5.9.
|
|||
|
||||
**2.** Vergunningen als bedoeld in de artikelen 1 en 28, tweede lid, van het Groevenreglement 1947 voor andere doeleinden dan ontginning van kalksteen gelden als vergunningen als bedoeld in artikel 151, met dien verstande dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit de voorschriften of beperkingen verbonden aan deze vergunningen vervallen voor zover deze geen betrekking hebben op de gesteentemechanische veiligheid van de groeve.
|
||||
|
||||
**3.** Gedeputeerde staten kunnen aan de vergunningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, beperkingen en voorschriften verbinden als bedoeld in artikel 147 respectievelijk 152.
|
||||
**3.** Onze Minister kan aan de vergunningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, beperkingen en voorschriften verbinden als bedoeld in artikel 147 respectievelijk 152.
|
||||
|
||||
### Artikel 165
|
||||
|
||||
|
|
@ -2718,10 +1750,6 @@ Een voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit verleende ontheffi
|
|||
|
||||
In afwijking van de artikelen 146, eerste lid, derde volzin, voor zover de verschuldigdheid is ontstaan voor de inwerkingtreding van de wet, en 155, tweede lid, van de wet blijven op de heffing en invordering van een bonus, een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst de artikelen 72, voor zover daarbij artikel 11, derde en vierde lid, artikel 20, derde lid, en hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, en 73 van de wet buiten toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 181a
|
||||
|
||||
Artikel 119, derde lid, is niet van toepassing op gegevens met betrekking tot opsporing of winning van aardwarmte waarvoor een aanvraag voor een subsidie op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is ingediend voor 1 mei 2023.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 12. Wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur
|
||||
|
||||
### Paragraaf 12.1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
|
||||
|
|
@ -2790,11 +1818,18 @@ Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.
|
|||
|
||||
### Artikel 195
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
De artikelen 6, 8 en 10 van de Wet bodembescherming en het mede daarop berustende Besluit opslag ondergrondse tanks 1998 zijn van toepassing op de opslag van vloeistoffen in ondergrondse tanks binnen een mijnbouwwerk.
|
||||
|
||||
### Artikel 196
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Artikel 6 van de Wet bodembescherming en het mede daarop berustende Lozingenbesluit bodembescherming zijn van toepassing op lozingen van vloeistoffen in de bodem binnen een mijnbouwwerk, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. lozingen ten behoeve van het realiseren van een boorgat;
|
||||
b. de artikelen 25, tweede lid, en 25a, eerste lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming, voor zover het betreft de termijn van ten hoogste vier jaar waarvoor een ontheffing kan worden verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een lozing van vloeistoffen als bedoeld in het eerste lid stoffen bevat, genoemd in de lijsten I en II van bijlage III van het Lozingenbesluit bodembescherming, beoordeelt Onze Minister elke vier jaar of de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften nog toereikend zijn gezien de technische mogelijkheden tot bescherming van de bodem en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de bodem.
|
||||
|
||||
### Artikel 197
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue